ondernemer voor de btw

Geen ondernemer voor de btw

 

Gelet op het feit, dat de deelname aan het maatschappelijk verkeer van de eenmanszaak van belanghebbende in de jaren 2008 tot en met 2012 slechts daaruit bestaat dat belanghebbende contacten onderhoudt met voormalige klanten en door middel van aanpassing van zijn woning een werkkamer gecreëerd heeft die aangepast is aan zijn handicap, komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende, ondanks zijn wens om door middel van zijn eenmanszaak zelfstandig economische activiteiten als bedoeld in artikel 9 van de BTW-richtlijn te verrichten, onvoldoende objectieve gegevens heeft verschaft om aan te kunnen nemen dat de in de jaren 2008 tot en met 2012 aangeschafte goederen en diensten zijn gebruikt voor (voorgenomen) economische activiteiten. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de eenmanszaak van belanghebbende vanaf het jaar 2005 geen omzet meer behaald heeft. Belanghebbende is daarom geen ondernemer voor de btw (meer).

 

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
15/00677 en 15/00678
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1602, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen ondernemer (meer) is in de zin van art. 7 van de Wet OB 1968 en dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van voorbelasting.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 2014-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00677

15/00678

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 februari 2015, nummer AWB 13/6553 en 13/6554, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen naheffingsaanslagen omzetbelasting en beschikkingen heffingsrente.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (met aanslagnummer: [aanslagnummer] .F.1501) ter hoogte van een bedrag van € 3.509 aan belasting en ter hoogte van een bedrag van € 287 aan heffingsrente. Voorts is aan belanghebbende over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (met aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.2502) ter hoogte van een bedrag van € 591 aan belasting en ter hoogte van een bedrag van € 10 aan heffingsrente. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.2.Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep met nummer AWB 13/6553 heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 160. Ter zake van het beroep met nummer AWB 13/6554 heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van het hoger beroep met kenmerk 15/00677 heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 248. Ter zake van het hoger beroep met kenmerk 15/00678 heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft ter zake van beide hoger beroepen verweer gevoerd door middel van één geschrift.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 juli 2016 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde de heer [A] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] , [C] en [D] .

1.5.Belanghebbende heeft, voor zover voor het onderhavige hoger beroep relevant, te dezer zitting aan het Hof en aan de wederpartij exemplaren overgelegd van een pleitnota. Te dezer zitting hebben het Hof en de wederpartij met instemming van belanghebbende deze pleitnota doorgelezen.

1.6.Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.Belanghebbende dreef sinds 1982 een bouwadviesbureau aan huis in de vorm van een eenmanszaak. Belanghebbendes werkzaamheden bestonden uit het maken van calculaties, het geven van adviezen, bouwmanagement, projectleiding en ontwerpen. Belanghebbende is door diverse medische aandoeningen vanaf 2002 slechts in staat zeer korte afstanden te lopen en verplaatst zich voor het overige met behulp van een rolstoel. Belanghebbende heeft sinds 2002 geen omzet meer gegenereerd.

2.2In de jaren 2005 tot en met 2012 heeft belanghebbende, met betrekking tot zijn eenmanszaak, de volgende aangiften voor de omzetbelasting gedaan:

Boekjaar omzet excl. btw af te dragen btw voorbelasting btw teruggaven
2005 0 0 1.358 1.358
2006 0 0 721 721
2007 0 0 3.654 3.654
2008 0 0 1.262 1.262
2009 0 0 1.340 1.340
2010 0 0 654 654
2011 0 0 902 902
2012 0 0 591 591

3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende in de jaren 2008 tot en met 2012 nog aan te merken was als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968), en of de goederen en de diensten die vanaf 2008 door belanghebbende zijn ingekocht, en ter zake waarvan de voorbelasting door belanghebbende op aangifte in aftrek is gebracht, zijn gebruikt voor (voorgenomen) belaste handelingen, zoals bedoeld in artikel 15, lid 1, enerlaatste volzin van de Wet OB 1968.

3.2.Voorts is in geschil of de gemaakte kosten en de ter zake in aftrek gebrachte voorbelasting een rechtstreeks en onmiddellijk verband hadden met de economische activiteiten die voorheen verricht zijn door belanghebbende.

3.3.Belanghebbende is van mening dat de onder 3.1 en 3.2 opgenomen vragen bevestigend beantwoord moet worden. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.4.Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hun afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.5.Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, vernietiging van de naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de jaren 2008 tot en met 2012 en vernietiging van de bijbehorende beschikkingen heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.In artikel 7, lid 1, van de Wet OB 1968 is opgenomen dat ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent ondernemer is. De Hoge Raad heeft bij arrest van 27 augustus 1985, 21.608, ECLI:NL:HR:1985:BH0264, geoordeeld dat aangenomen moet worden dat de Nederlandse wetgever aan de in artikel 7 van de Wet OB 1968 gebezigde term “bedrijf” geen andere betekenis heeft willen toekennen dan toekomt aan de term “economische activiteit” zoals gehanteerd in artikel 4, lid 1, van de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde; uniforme grondslag (77/388/EEG) (hierna: Zesde Richtlijn). In artikel 4, lid 1, van de Zesde Richtlijn is opgenomen dat als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of resultaat van die activiteit. In artikel 4, lid 2, van de Zesde Richtlijn is onder andere opgenomen dat deze economische activiteiten alle werkzaamheden van een dienstverlener omvatten. Een en ander stemt overeen met artikel 9 van de, met ingang van 1 januari 2007 geldende, Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1) (hierna: BTW-richtlijn). Belanghebbende betoogt primair dat hij in de jaren 2008 tot en met 2012 door middel van zijn eenmanszaak diensten, bestaande uit het verlenen van bouwadviezen, heeft verricht, welke een economische activiteit opleveren.

4.2.Gelet op het feit, dat de deelname aan het maatschappelijk verkeer van de eenmanszaak van belanghebbende in de jaren 2008 tot en met 2012 slechts daaruit bestaat dat belanghebbende contacten onderhoudt met voormalige klanten en door middel van aanpassing van zijn woning een werkkamer gecreëerd heeft die aangepast is aan zijn handicap, komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende, ondanks zijn wens om door middel van zijn eenmanszaak zelfstandig economische activiteiten als bedoeld in artikel 9 van de BTW-richtlijn te verrichten, onvoldoende objectieve gegevens heeft verschaft om aan te kunnen nemen dat de in de jaren 2008 tot en met 2012 aangeschafte goederen en diensten zijn gebruikt voor (voorgenomen) economische activiteiten. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de eenmanszaak van belanghebbende vanaf het jaar 2005 geen omzet meer behaald heeft. Belanghebbende kan mitsdien niet aangemerkt worden als ondernemer in de zin van art. 7 van de Wet OB 1968.

4.3.Gelet op het voorgaande faalt het primaire standpunt van belanghebbende dat de voorbelasting op de goederen en de diensten die vanaf het jaar 2008 door belanghebbende zijn ingekocht, en ter zake waarvan de voorbelasting door belanghebbende op aangifte in aftrek is gebracht, zijn gebruikt voor (voorgenomen) belaste handelingen.

4.4.Bovendien faalt het subsidiaire standpunt van belanghebbende dat de gemaakte kosten en ter zake in aftrek gebrachte voorbelasting rechtstreeks en onmiddellijk verband hielden met de economische activiteiten die voorheen verricht zijn door belanghebbende. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om aannemelijk te maken dat de in de jaren 2008 tot en met 2012 ingekochte goederen en diensten rechtstreeks voortvloeien uit de uitoefening van de economische activiteiten voorafgaande aan de jaren 2008 tot en met 2012 (vergelijk Hof van Justitie 3 maart 2005, zaak C-32/03, Fini H, ECLI:EU:C:2005:128).

4.5.Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot de kosten die samenhangen met het in het jaar 2008 (laten) opstellen van de aangifte omzetbelasting voor het jaar 2007 is ontoereikend, omdat belanghebbende niet heeft aangegeven welk omzetbelasting-bedrag met deze kosten gemoeid is en hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt of, en zo ja, in hoeverre deze kosten rechtstreeks voortvloeien uit (voorheen) verrichte economische activiteiten.

Slotsom

4.6.De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 1 december 2016 door P. Fortuin, voorzitter, J.W.J. Huige en M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
  1. de naam en het adres van de indiener;
  2. een dagtekening;
  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHSHE:2016:5370