schoolgebouw met schoolbus

HR Gemeente Woerden btw eindarrest

Uit het HvJ Gemeente Woerden arrest volgt dat belanghebbende recht heeft op volledige aftrek van de ter zake van de bouw van de panden aan haar in rekening gebrachte btw, en niet slechts op gedeeltelijke aftrek naar evenredigheid van de gedeelten van de panden die de koper van de panden voor verhuur tegen een vergoeding gebruikt.

In dit verband verdient opmerking dat het HvJ Gemeente Borsele arrest de Hoge Raad geen aanleiding geeft om anders te beslissen.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
13/02651
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Uitspraak na prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting, Omzetbelasting, art. 3, lid 1, letter a, en lid 3, letter b, alsmede art. 11, lid 1, letters a en b, Wet OB (tekst tot en met 2010); art. 14 BTW-richtlijn 2006; gemeente levert tegen een vergoeding die lager is dan de kostprijs, nieuwe multifunctionele gebouwen waarvan een deel bestemd voor scholen, aan een stichting; de stichting stelt gedeelte(n) van dit gebouw om niet voor basisonderwijs ter beschikking en andere gedeelte(n) tegen een vergoeding aan andere gebruikers. Eindarrest na HvJ 22 juni 2016, Gemeente Woerden, nr. C-267/15, ECLI:EU:C:2016:466, BNB 2016/201. De gemeente levert als belastingplichtige voor de omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

23 juni 2017

nr. 13/02651bis

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Gemeente Woerden te Woerden (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 april 2013, nr. 11/00356, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.

1De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 29 mei 2015, nr. 13/02651, ECLI:NL:HR:2015:1355, BNB 2015/219, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.

Bij arrest van 22 juni 2016, Gemeente Woerden, C‑267/15, ECLI:EU:C:2016:466, BNB 2016/201, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:

“Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moet aldus worden uitgelegd dat de belastingplichtige in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, waarin deze een gebouw heeft laten bouwen en tegen een beneden de bouwkosten liggende prijs heeft verkocht, recht heeft op volledige aftrek van de voor de bouw van dat gebouw betaalde belasting over de toegevoegde waarde, en niet slechts op gedeeltelijke aftrek van die belasting naar evenredigheid van de gedeelten van dat gebouw die de verkrijger voor economische activiteiten gebruikt. Het feit dat de verkrijger een gedeelte van het betrokken gebouw om niet aan een derde in gebruik geeft, is in dit verband zonder betekenis.”

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 8 maart 2017 nader geconcludeerd tot ongegrond verklaren van het principale beroep in cassatie en tot gegrond verklaren van het incidentele beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:170).

Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op de nadere conclusie van de Advocaat-Generaal.

2. Nadere beoordeling van ’s Hofs uitspraak naar aanleiding van de in het principale beroep voorgestelde middelen en ambtshalve

Uit het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie volgt dat belanghebbende recht heeft op volledige aftrek van de ter zake van de bouw van de panden aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting, en niet slechts op gedeeltelijke aftrek naar evenredigheid van de gedeelten van de panden die de koper van de panden voor verhuur tegen een vergoeding gebruikt.

3Slotsom

3.1.Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2 is overwogen alsmede op de rechtsoverwegingen 3.1, 3.2.3, en 3.4.3 van het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van de Hoge Raad, slagen de in het principale beroep voorgestelde middelen 1 en 2, en falen, gelet op hetgeen is overwogen in onderdeel 4 van datzelfde arrest, de in het voorwaardelijk incidenteel beroep aangevoerde klachten. In dit verband verdient opmerking dat het arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 2016, Gemeente Borsele, C‑520/14, ECLI:EU:C:2016:334, BNB 2016/186, de Hoge Raad geen aanleiding geeft om met betrekking tot de in het voorwaardelijk incidenteel beroep aangevoerde tweede klacht anders te beslissen.

3.2. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De in het principale beroep voorgestelde middelen voor het overige behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

4Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,

verklaart het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en de uitspraak van de Inspecteur,

vernietigt de naheffingsaanslag,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 478, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 454,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 7054 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2970 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

ECLI:NL:HR:2017:1132