HvJ 01-07-1993 Metalsa C-312/91

HvJ Metalsa arrest

Artikel 18, eerste alinea, van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2836/72 van de Raad van 19 december 1972, moet, anders dan artikel 95 EEG-Verdrag, aldus worden uitgelegd, dat een nationale regeling die overtredingen met betrekking tot de BTW bij invoer strenger bestraft dan overtredingen met betrekking tot de BTW over de levering van goederen in het binnenland, niet onverenigbaar is met die bepaling van de overeenkomst, ook wanneer dat verschil in bestraffing niet in verhouding staat tot het verschil tussen beide categorieën overtredingen.

ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER)

VAN 1 JULI 1993

BESLAG TEN LASTE VAN METALSA SRL, STRAFZAAK TEGEN GAETANO LO PRESTI. – VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNALE DI MILANO – ITALIE

VRIJHANDELSOVEREENKOMST EEG-OOSTENRIJK – VERBOD VAN FISCALE DISCRIMINATIE

ZAAK C-312/91

Trefwoorden

1. Internationale overeenkomsten ° Overeenkomsten van Gemeenschap ° Uitlegging ° Toepassing van in kader van EEG-Verdrag gegeven uitlegging in geval van overeenkomstige bepalingen ° Voorwaarden

2. Internationale overeenkomsten ° Overeenkomst EEG-Oostenrijk ° Verbod van fiscale discriminatie van produkten van andere overeenkomstsluitende partij ° Nationale sanctieregeling bij belastingontduiking ° Onderscheid tussen regeling bij invoer en binnenlandse regeling, met onevenredig verschil in sancties ° Toelaatbaarheid

(EEG-Verdrag, art. 95; Overeenkomst EEG-Oostenrijk, art. 18, eerste alinea)

Samenvatting


1. De toepasselijkheid van de uitlegging van een bepaling van het EEG-Verdrag op een in overeenkomstige, gelijksoortige of zelfs identieke bewoordingen geformuleerde bepaling van een overeenkomst van de Gemeenschap met een derde land hangt met name af van de doelstelling van elk van die bepalingen in haar specifieke kader. Daarbij is het van groot belang om de doelstellingen en de context van de overeenkomst te vergelijken met die van het Verdrag. Zoals immers met name volgt uit het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, moet een volkenrechtelijk verdrag niet enkel worden uitgelegd aan de hand van zijn formulering, maar ook in het licht van zijn doelstellingen.

2. Artikel 18, eerste alinea, van de Overeenkomst EEG-Oostenrijk, houdende verbod van discriminaties ten gevolge van iedere maatregel of gedraging die al dan niet rechtstreeks effect heeft op de vaststelling, de voorwaarden en de wijze van inning van de belastingen op de produkten van de andere partij bij de Overeenkomst, moet, anders dan artikel 95 EEG-Verdrag, aldus worden uitgelegd, dat een nationale regeling die overtredingen met betrekking tot de BTW bij invoer strenger bestraft dan overtredingen met betrekking tot de BTW over de levering van goederen in het binnenland, niet onverenigbaar is met die bepaling van de Overeenkomst, ook wanneer dat verschil in bestraffing onevenredig is aan het verschil tussen beide categorieën overtredingen.

Deze verschillende uitlegging van twee bepalingen die beide zowel directe als indirecte fiscale discriminaties beogen te verbieden, berust hierop, dat artikel 95 moet worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van het EEG-Verdrag, waaronder, in de eerste plaats, de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt waarop alle belemmeringen van het handelsverkeer zijn opgeheven teneinde de nationale markten te verenigen tot een enkele markt die de omstandigheden van een binnenlandse markt zoveel mogelijk benadert, terwijl artikel 18 voornoemd moet worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van de vrijhandelsovereenkomst waarvan het deel uitmaakt, die beperkt zijn tot het consolideren en uitbreiden van de economische betrekkingen tussen de Gemeenschap en Oostenrijk en de harmonische ontwikkeling van de handel tussen beide partijen met inachtneming van billijke mededingingsvoorwaarden.

Partijen


In zaak C-312/91,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Giudice per le indagini preliminari bij het Tribunale di Milano in de voor hem aanhangige incidentele procedure betreffende beslag ten laste van

Metalsa Srl,

in het kader van de strafzaak tegen G. Lo Presti,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 18, eerste alinea, van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2836/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 300, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en D. A. O. Edward, rechters,

advocaat-generaal: F. Jacobs

griffier: L. Hewlett, administrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° Metalsa Srl, vertegenwoordigd door B. Brugia, advocaat te Milaan,

° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door M. Conti, avvocato dello Stato,

° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M.-J. Jonczy als gemachtigde, bijgestaan door A. Carnelutti, advocaat te Parijs,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 11 maart 1993,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 april 1993,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 8 november 1991, ingekomen ten Hove op 2 december daaraanvolgend, heeft de Giudice per le indagini preliminari bij het Tribunale di Milano krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 18, eerste alinea, van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2836/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 300, blz. 1).

2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Metalsa Srl (hierna: “Metalsa”) en het Italiaanse openbaar ministerie, dat in het kader van een strafzaak tegen G. Lo Presti bij beschikking van 3 juli 1991 beslag had laten leggen op 205 885 kg aluminiumplaten, die door Metalsa waren ingevoerd uit Oostenrijk, op grond dat Metalsa geen BTW bij invoer had betaald. In deze strafzaak over frauduleuze invoer van goederen uit Oostenrijk is beslag slechts een voorlopige maatregel en zullen de aluminiumplaten worden verbeurdverklaard, indien bij de einduitspraak importfraude wordt vastgesteld.

3 Nadat het openbaar ministerie het verzoek om teruggave van de goederen bij beschikking van 13 juli 1991 had verworpen, ging Metalsa bij akte, op 19 juli 1991 neergelegd ter griffie van de Giudice per le indagini preliminari bij het Tribunale di Milano, tegen deze beschikking in beroep met vordering het beslag op te heffen, op grond dat de sanctie niet in verhouding stond tot de sanctie op een overtreding van de BTW-voorschriften bij levering van goederen in het binnenland.

4 Volgens Metalsa vormde deze onevenredigheid een bij artikel 18 van de Vrijhandelsvereenkomst EEG-Oostenrijk verboden discriminerende maatregel of gedraging van intern fiscale aard. Zij beriep zich daartoe op de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag, door het Hof gegeven in het arrest van 25 februari 1988 (zaak 299/86, Drexl, Jurispr. 1988, blz. 1213), die zou moeten worden toegepast op de uitlegging van voornoemde bepaling van de overeenkomst met Oostenrijk.

5 In deze context heeft de nationale rechter het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Staat artikel 18 van de Overeenkomst EEG-Oostenrijk eraan in de weg, dat in het kader van die overeenkomst een nationale wettelijke bepaling overtredingen met betrekking tot de BTW bij invoer strenger bestraft dan overtredingen met betrekking tot de BTW over de levering van goederen in het binnenland, wanneer die verschillende bestraffing onevenredig is in verhouding tot het verschil tussen beide categorieën overtredingen, mede gelet op de oplossing die in het arrest van 25 februari 1988 (Drexl) voor een gelijksoortig probleem binnen de Gemeenschap is gegeven met betrekking tot artikel 95 EEG-Verdrag?”

6 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

7 Met zijn vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of artikel 18, eerste alinea, van de Vrijhandelsovereenkomst EEG-Oostenrijk, evenals artikel 95 EEG-Verdrag, aldus moet worden uitgelegd, dat een nationale regeling die overtredingen met betrekking tot de BTW bij invoer strenger bestraft dan overtredingen met betrekking tot de BTW over de levering van goederen in het binnenland, onverenigbaar is met deze bepaling, voor zover dat verschil in bestraffing niet in verhouding staat tot het verschil tussen beide categorieën overtredingen.

8 Artikel 18, eerste alinea, luidt:

“De Partijen bij de Overeenkomst onthouden zich van iedere maatregel of gedraging van intern fiscale aard die al dan niet rechtstreeks leidt tot discriminatie tussen de produkten van een partij bij de overeenkomst en de gelijksoortige produkten van oorsprong uit de andere Partij.”

9 De bewoordingen van deze bepaling verschillen van die van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, maar beide bepalingen verbieden iedere directe of indirecte fiscale discriminatie van produkten van een Partij bij de Overeenkomst enerzijds en van produkten van Lid-Staten anderzijds.

10 Opgemerkt zij, dat het Hof in bepaalde gevallen heeft geoordeeld, dat de uitlegging van een bepaling van het EEG-Verdrag mede had te gelden voor een identieke of overeenkomstige bepaling van een overeenkomst met een derde land (zie arresten van 29 april 1982, zaak 17/81, Pabst en Richarz KG, Jurispr. 1982, blz. 1331, en 16 juli 1992, C-163/90, Legros, Jurispr. 1992, blz. I-4625), terwijl het in andere gevallen heeft geoordeeld, dat zulks niet mogelijk of dienstig was (zie arresten van 9 februari 1982, zaak 270/80, Polydor, Jurispr. 1982, blz. 329, en 26 oktober 1982, zaak 104/81, Kupferberg, Jurispr. 1982, blz. 3641).

11 Volgens deze rechtspraak hangt de toepasselijkheid van de uitlegging van een verdragsbepaling op een in overeenkomstige, gelijksoortige of zelfs identieke bewoordingen geformuleerde bepaling van een overeenkomst van de Gemeenschap met een derde land in het bijzonder af van het beoogde doel van elk van die bepalingen in haar specifieke kader, en is het daarbij van groot belang om de doelstellingen en de context van de overeenkomst te vergelijken met die van het Verdrag.

12 Een internationaal verdrag moet immers niet enkel worden uitgelegd naar zijn bewoordingen, maar ook in het licht van zijn doelstellingen. Artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 bepaalt dienaangaande, dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag (advies 1/91 van het Hof van 14 december 1991, Jurispr. 1991, blz. I-6079, punt 14).

13 Gelet op het voorafgaande dient te worden onderzocht, of artikel 18, eerste alinea, van de Vrijhandelsovereenkomst EEG-Oostenrijk al dan niet op de zelfde wijze moet worden uitgelegd als artikel 95 EEG-Verdrag.

14 In het arrest van 25 februari 1988 (Drexl, reeds aangehaald) heeft het Hof voor recht verklaard, dat een nationale wettelijke regeling die zwaardere straffen stelt op overtredingen met betrekking tot de BTW bij invoer dan op overtredingen met betrekking tot de BTW over de levering van goederen in het binnenland, onverenigbaar is met artikel 95 EEG-Verdrag, voor zover dat verschil in bestraffing niet in verhouding staat tot het verschil tussen beide categorieën overtredingen.

15 Het Hof heeft deze uitlegging onder meer gebaseerd op de overweging, dat een dergelijke wanverhouding tot gevolg zou kunnen hebben, dat het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap in het gedrang komt, en derhalve onverenigbaar zou zijn met artikel 95 EEG-Verdrag, bij de uitlegging waarvan rekening moet worden gehouden met de in artikelen 2 en 3 genoemde doelstellingen, waaronder, in de eerste plaats, het tot stand brengen van een gemeenschappelijke markt waarop alle belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer zijn opgeheven teneinde de nationale markten te verenigen tot een enkele markt die de omstandigheden van een binnenlandse markt zoveel mogelijk benadert (zie r.o. 23 en 24).

16 In de Vrijhandelsovereenkomst EEG-Oostenrijk worden deze doelstellingen echter niet genoemd. Volgens de preambule immers beoogt de overeenkomst, die is gesloten op basis van artikel 113 EEG-Verdrag, de tussen de Gemeenschap en Oostenrijk bestaande economische betrekkingen te versterken en uit te breiden en een harmonische ontwikkeling van hun handel te verzekeren met inachtneming van billijke mededingingsvoorwaarden. Hiertoe hebben de partijen bij de overeenkomst besloten, de belemmeringen voor het voornaamste gedeelte van hun handelsverkeer geleidelijk op te heffen, overeenkomstig de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) inzake de totstandkoming van vrijhandelszones.

17 Voorts zij in herinnering gebracht, dat het Hof in het arrest van 26 oktober 1982 (Kupferberg, reeds aangehaald) met betrekking tot artikel 21 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 301, blz. 164), erop heeft gewezen, dat de aan artikel 95 EEG-Verdrag gegeven uitlegging, niet eenvoudig bij wege van analogie op de vrijhandelsovereenkomst kon worden getransponeerd, en dat derhalve artikel 21, eerste alinea, overeenkomstig de bewoordingen en gelet op het hiermee beoogde doel in het kader van het door de overeenkomst ingestelde vrijhandelsstelsel moest worden uitgelegd (zie r.o. 30 en 31).

18 Dit geldt ook voor de uitlegging van artikel 18, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Oostenrijk, dat gelijkluidend is met artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal, en dat is opgenomen in een overeenkomst die evenals de overeenkomst met Portugal, een vrijhandelsstelsel tussen de partijen bij de overeenkomst tot stand wil brengen.

19 Bijgevolg kan de door het Hof in het arrest van 25 februari 1988 (Drexl) gegeven uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag niet tevens gelden voor artikel 18, eerste alinea, van de Vrijhandelsovereenkomst EEG-Oostenrijk.

20 Laatstgenoemde bepaling verbiedt discriminatie ten gevolge van iedere maatregel of gedraging die al dan niet rechtstreeks effect heeft op de vaststelling, de voorwaarden en de wijze van inning van de belastingen op de produkten van de andere partij bij de overeenkomst, maar eist niet, dat er een vergelijking wordt gemaakt tussen sancties die door de Lid-Staten zijn gesteld op belastingovertredingen met betrekking tot invoer uit Oostenrijk, en sancties op belastingovertredingen met betrekking tot binnenlandse transacties of invoer uit andere Lid-Staten.

21 Mitsdien moet op de door de nationale rechter gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 18, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, anders dan artikel 95 EEG-Verdrag, aldus moet worden uitgelegd, dat een nationale regeling die overtredingen met betrekking tot de BTW bij invoer strenger bestraft dan overtredingen met betrekking tot de BTW over de levering van goederen in het binnenland, niet onverenigbaar is met die bepaling van de overeenkomst, ook wanneer dat verschil in bestraffing niet in verhouding staat tot het verschil tussen beide categorieën overtredingen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

22 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door de Giudice per le indagini preliminari bij het Tribunale di Milano bij beschikking van 8 november 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 18, eerste alinea, van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2836/72 van de Raad van 19 december 1972, moet, anders dan artikel 95 EEG-Verdrag, aldus worden uitgelegd, dat een nationale regeling die overtredingen met betrekking tot de BTW bij invoer strenger bestraft dan overtredingen met betrekking tot de BTW over de levering van goederen in het binnenland, niet onverenigbaar is met die bepaling van de overeenkomst, ook wanneer dat verschil in bestraffing niet in verhouding staat tot het verschil tussen beide categorieën overtredingen.

ECLI:EU:C:1993:279