HvJ 03-07-1997 Commissie-Frankrijk C-60/96

HvJ Commissie-Frankrijk arrest

Door een bestuursrechtelijke bepaling in te stellen en van kracht te laten, waarbij de BTW-vrijstelling die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, is de Franse Republiek de krachtens artikel 2 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

Arrest van het Hof (Zesde kamer)

van 3 juli 1997

Commissie van de Europese Gemeenschappen

tegen

Franse Republiek

Niet-nakoming – BTW – Zesde richtlijn – Vrijstellingen – Verhuur van tenten, caravans en stacaravans. – Zaak C-60/96.

Jurisprudentie 1997 bladzijde I-03827

Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Vrijstellingen voorzien in Zesde richtlijn – Vrijstelling van verhuur van onroerende goederen – Uitbreiding tot verhuur van bepaalde roerende goederen, onder meer tenten, caravans en stacaravans – Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 2 en 13 B, sub b)

2 Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn

(EG-Verdrag, art. 169)

Samenvatting


3 Een Lid-Staat die een bestuursrechtelijke bepaling instelt en van kracht laat, waarbij de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde, die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, onder meer tenten, caravans en stacaravans, komt de krachtens artikel 2 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet na.

4 In het kader van een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de Lid-Staat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden.

Partijen


In zaak C-60/96,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Michard en E. Traversa, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Franse Republiek, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. Mignot, secretaris buitenlandse zaken bij deze directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,

verweerster,

betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door een bestuursrechtelijke bepaling in te stellen en van kracht te laten, waarbij de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde, die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, de krachtens artikel 2 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en R. Schintgen, rechters,

advocaat-generaal: G. Cosmas

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 27 februari 1997, waar de Franse Republiek was vertegenwoordigd door D. Wibaux, secretaris buitenlandse zaken bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie door H. Michard,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 maart 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 maart 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door een bestuursrechtelijke bepaling in te stellen en van kracht te laten, waarbij de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “BTW”), die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: “Zesde richtlijn”), uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, de krachtens artikel 2 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2 Artikel 2, sub 1, van de Zesde richtlijn bepaalt, dat aan de BTW onderworpen zijn, de diensten welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.

3 Artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten, onverminderd andere communautaire bepalingen, vrijstelling verlenen voor de verpachting en de verhuur van onroerende goederen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

4 In Frankrijk zijn de diensten welke door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, krachtens artikel 256 van de Code général des impôts (hierna: “code”) aan de BTW onderworpen.

5 Artikel 261-D van de code bepaalt, dat de occasionele, permanente of seizoengebonden huur van gemeubileerde woonruimten van de BTW is vrijgesteld.

6 Luidens een administratieve instructie van 11 april 1991 (hierna: “administratieve instructie”) moeten onder meer caravans, tenten, stacaravans en chalets die werkelijke vaste installaties zijn en speciaal ingericht en uitsluitend bestemd zijn voor bewoning, als woonruimten worden beschouwd, terwijl de verhuur per uur, per dag, per week of per maand van woonwagens, kampeerauto’s, schuiten, boten, enz. een verplicht aan de BTW onderworpen verhuur van lichamelijke roerende goederen is.

7 De Commissie is van mening, dat de Franse regeling in strijd is met artikel 2 van de richtlijn, doordat zij verder gaat dan de in artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling, die uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen. Zij maande dus bij brief van 23 april 1993 de Franse Republiek aan om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.

8 Bij brief van 2 juni 1993 betwistte de Franse regering de stellingen van de Commissie.

9 Daar de argumenten van de Franse regering haar niet overtuigden, handhaafde de Commissie haar grieven en bracht zij op 8 november 1994 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Franse regering verzocht de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies aan de uit de Zesde richtlijn voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

10 In haar antwoord van 9 januari 1995 sloot de Franse regering zich aan bij het standpunt van de Commissie. Bovendien kondigde zij aan, dat de bepalingen van de administratieve instructie zouden worden ingetrokken en dat een regeling voor de heffing van de BTW op die soorten verhuur zou worden vastgesteld. Ten slotte verklaarde de Franse regering, dat de na raadpleging van de betrokken beroepsgroepen getroffen maatregelen zo spoedig mogelijk aan de Commissie zouden worden meegedeeld.

11 Toen de Commissie geen officiële kennisgeving van een daadwerkelijke wijziging van de betrokken regeling ontving, en vernam dat de Franse autoriteiten de administratieve instructie bleven toepassen, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.

12 In haar verweerschrift wijst de Franse regering erop, dat de administratieve instructie overeenkomstig het met redenen omkleed advies is ingetrokken, zodat de verhuur van tenten, caravans en stacaravans voortaan van rechtswege belastbaar zou zijn krachtens artikel 256 van de code.

13 Bovendien zou artikel 39-I van de wet tot wijziging van de Financiewet 1995 (nr. 95-1347 van 30 december 1995) de voorwaarden hebben bepaald waaronder bepaalde van die diensten voor een lager tarief in aanmerking komen. Krachtens artikel 39-II van die wet zou deze nieuwe bepaling van toepassing zijn op de handelingen waarvan het belastbaar feit vanaf 1 januari 1996 tot stand is gekomen.

14 De Franse regering erkent echter, dat de administratieve instructie verder is toegepast tot 1 januari 1996, toen de in het met redenen omkleed advies van 8 november 1994 gestelde termijn was verstreken.

15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet echter het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de Lid-Staat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden (zie, onder meer, arresten van 17 september 1996, zaak C-289/94, Commissie/Italië, Jurispr. 1996, blz. I-4405, r.o. 20, en 12 december 1996, zaak C-302/95, Commissie/Italië, Jurispr. 1996, blz. I-6765, r.o. 13).

16 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door een bestuursrechtelijke bepaling in te stellen en van kracht te laten, waarbij de vrijstelling van de BTW, die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, de krachtens artikel 2 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

17 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1) Door een bestuursrechtelijke bepaling in te stellen en van kracht te laten, waarbij de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde, die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, is de Franse Republiek de krachtens artikel 2 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.

ECLI:EU:C:1997:340

Geplaatst in Arresten en getagd met , , .