HvJ 06-02-1997 Harnas & Helm C-80/95

HvJ Harnas & Helm arrest

Artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, niet zijn aan te merken als economische activiteiten die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen.

Arrest van het Hof (Zesde kamer)

van 6 februari 1997

Harnas & Helm CV tegen Staatssecretaris van Financiën. – Verzoek om een prejudiciële beslissing: Hoge Raad – Nederland. – BTW – Uitlegging van de artikelen 4, 13 en 17 van Zesde richtlijn 77/388/EEG – Belastingplichtige – Verwerven en houden van obligaties. – Zaak C-80/95.

Jurisprudentie 1997 bladzijde I-00745

Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Economische activiteiten in de zin van artikel 4 van Zesde richtlijn – Enkel verwerven en houden van obligaties en genieten van inkomsten daaruit – Daarvan uitgesloten

(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 4, lid 2)

Samenvatting


Artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, moet aldus worden uitgelegd, dat het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, niet zijn aan te merken als economische activiteiten die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen.

De bezigheid van een obligatiehouder kan namelijk worden gekenschetst als een vorm van beleggen die slechts het karakter van vermogensbeheer heeft. Zo deze inkomsten in de vorm van rente oplevert, spruiten deze voort uit het enkele houden van de obligaties en kunnen niet worden aangemerkt als de tegenprestatie voor een handeling of economische activiteit van degene die de rente ontvangt.

Partijen


In zaak C-80/95,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Hoge Raad der Nederlanden, in het aldaar aanhangig geding tussen

Harnas & Helm CV

en

Staatssecretaris van Financiën,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 4, lid 2, 13 B, sub d, punt 5, en 17, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident (rapporteur), C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn, G. Hirsch en H. Ragnemalm, rechters,

advocaat-generaal: N. Fennelly

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. Mignot, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,

– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de Franse regering, vertegenwoordigd door G. Mignot, en de Commissie, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, ter terechtzitting van 1 oktober 1996,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 november 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij arrest van 15 maart 1995, ingekomen bij het Hof op 17 maart daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 177 EG-Verdrag verschillende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 4, lid 2, 13 B, sub d, punt 5, en 17, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: de “Zesde richtlijn”), teneinde duidelijkheid te krijgen over de begrippen “economische activiteit” en “recht op aftrek” in de zin van die richtlijn.

2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de commanditaire vennootschap Harnas & Helm (hierna: “Harnas”) en de Nederlandse staatssecretaris van Financiën betreffende een aan Harnas opgelegde naheffingsaanslag in de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “BTW”).

3 Artikel 4, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn luidt als volgt:

“1. Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

2. De in lid 1 bedoelde economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter (…) Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

4 Overeenkomstig artikel 13 B verlenen de Lid-Staten vrijstelling van BTW voor bepaalde handelingen, waaronder

“d) de volgende handelingen:

1. verlening van kredieten en bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend;

(…)

5. handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van:

– documenten die goederen vertegenwoordigen;

(…)”.

5 Krachtens artikel 17, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn verlenen de Lid-Staten aan iedere belastingplichtige recht op aftrek of op teruggaaf van BTW, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor door de belastingplichtige verrichte handelingen die krachtens artikel 13 B, sub a en d, punten 1 tot en met 5, zijn vrijgesteld, wanneer de ontvanger buiten de Gemeenschap gevestigd is of wanneer de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap.

6 Blijkens de stukken was Harnas, gevestigd te Amsterdam, althans van 1 januari 1987 tot en met 1 maart 1991 houdster van aandelen en obligaties, uitgegeven door overheidslichamen en bedrijven in de Verenigde Staten van Amerika en in Canada. In die periode genoot zij ter zake van deze waardepapieren dividend respectievelijk rente.

7 In 1984 verstrekte Harnas een lening aan de vennootschap All American Metals, die is afgelost op 16 april 1987. Op 1 juli 1992 verstrekte zij een lening aan een andere begunstigde, Opticast International Corporation. In haar belastingaangifte heeft Harnas de haar in verband met deze handelingen in rekening gebrachte BTW afgetrokken.

8 De belastinginspecteur heeft, zich op het standpunt stellend dat Harnas vanaf 17 april 1987 niet kon worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, de door Harnas in het tijdvak 17 april 1987 tot en met 1 maart 1991 in aftrek gebrachte BTW, in totaal 124 517 HFL, nageheven.

9 Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het beroep tegen deze naheffingsaanslag verworpen op grond dat Harnas in het betrokken tijdvak geen economische activiteiten had verricht in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn, zodat zij niet kon worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van artikel 4, lid 1. Volgens het Gerechtshof kan het verwerven van obligaties ook niet worden gekwalificeerd als het verlenen van krediet in de zin van de Zesde richtlijn. Ofschoon het erkende, dat de uitgifte van een obligatielening voorziet in de financieringsbehoefte van de debiteur, was het Gerechtshof van oordeel, dat daarmee een waardepapier wordt gecreëerd met zodanige aanspraken dat daarvoor op de financiële markt belangstelling mag worden verwacht.

10 Tegen die uitspraak stelde Harnas cassatieberoep in bij de Hoge Raad, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld:

“1) Zijn het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties – schuldvorderingen belichaamd in verhandelbare effecten – die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, aan te merken als economische activiteiten in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde Richtlijn?

2) Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, dienen zodanige activiteiten dan te worden aangemerkt als handelingen, bedoeld in artikel 13.B.d.1 of 5, van de Zesde Richtlijn, welke, voor zover zij betrekking hebben op obligaties die zijn uitgegeven door een lichaam dat buiten de Gemeenschap is gevestigd, ingevolge artikel 17, lid 3, aanhef en onder c, van de Zesde Richtlijn recht geven op aftrek van de op het bezit en het beheer van de obligaties drukkende voorbelasting?

3) Indien de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord, kan dan ingeval een belastingplichtige die de in voorgaande vragen bedoelde activiteiten verricht en daarnaast houder is van aandelen die, gelet op hetgeen het Hof van Justitie heeft beslist in onder meer zijn arrest van 22 juni 1993, nr. C-333/91 (Satam SA), buiten het toepassingsgebied van de omzetbelasting vallen, de voorbelasting die aan deze belastingplichtige in rekening is gebracht, ten volle in aftrek worden gebracht, of is de voorbelasting die betrekking heeft op het aandelenbezit van aftrek uitgesloten?

4) Indien de vorige vraag in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord, naar welke maatstaf moet dan het van de aftrek uitgesloten bedrag worden berekend?”

De eerste vraag

11 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, niet zijn aan te merken als economische activiteiten die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen.

12 Volgens artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn omvat het begrip economische activiteit onder andere de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

13 Zoals het Hof bij herhaling heeft overwogen (zie arrest van 4 december 1990, zaak C-186/89, Van Tiem, Jurispr. 1990, blz. I-4363, r.o. 17), kent artikel 4 van de Zesde richtlijn aan de BTW een zeer ruime werkingssfeer toe, die zich uitstrekt tot alle stadia van de productie, de distributie en de dienstverrichting.

14 Volgens de rechtspraak van het Hof heeft voorts het begrip “exploitatie” in de zin van artikel 4, lid 2, overeenkomstig de vereisten van het beginsel van neutraliteit van het gemeenschappelijk BTW-stelsel, betrekking op alle handelingen, ongeacht hun rechtsvorm, die bedoeld zijn om uit het betrokken goed duurzaam opbrengst te verkrijgen (arrest Van Tiem, reeds aangehaald, r.o. 18).

15 Het Hof heeft evenwel ook uitgemaakt, dat het enkele verwerven en het enkele houden van aandelen niet is te beschouwen als een economische activiteit in de zin van de Zesde richtlijn, die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verleent (arrest van 20 juni 1991, zaak C-60/90, Polysar Investments Netherlands, Jurispr. 1991, blz. I-3111, r.o. 13). De financiële deelneming in andere ondernemingen als zodanig is niet aan te merken als exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, omdat het eventuele dividend, de opbrengst van deze deelneming, voortspruit uit de loutere eigendom van het goed (zie in die zin ook het arrest van 22 juni 1993, zaak C-333/91, Sofitam, Jurispr. 1993, blz. I-3513, r.o. 12).

16 Dit neemt niet weg, dat de in artikel 13 B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn bedoelde handelingen binnen het toepassingsgebied van de BTW kunnen vallen, wanneer zij worden verricht in het kader van een bedrijfsmatig handelen in effecten dan wel met het oog op een directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschappen waarin wordt deelgenomen, of wanneer zij het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit vormen (zie arrest Polysar Investments Netherlands, reeds aangehaald, r.o. 14, en arresten van 20 juni 1996, zaak C-155/94, Wellcome Trust, Jurispr. 1996, blz. I-3013, r.o. 35, en 11 juli 1996, zaak C-306/94, Régie dauphinoise, Jurispr. 1996, blz. I-3695, r.o. 18).

17 De Franse regering betoogt evenwel, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het verwerven en houden van aandelen, waarop de zaak Polysar Investments Netherlands betrekking had, en het verwerven en houden van obligaties, zoals in het hoofdgeding aan de orde is.

18 Dienaangaande moet met de Nederlandse regering opgemerkt worden, dat de bezigheid van een obligatiehouder kan worden gekenschetst als een vorm van beleggen die het karakter van enkel vermogensbeheer niet te boven gaat. De inkomsten uit obligaties spruiten voort uit het enkele houden daarvan, dat recht op rente verleent. Derhalve kan de aldus ontvangen rente niet worden aangemerkt als de tegenprestatie voor een handeling of economische activiteit van de obligatiehouder, daar zij voortspruit uit de enkele eigendom van de obligaties.

19 Er is dan ook geen enkele reden om het houden van obligaties en het houden van aandelen verschillend te behandelen. Daarom zijn in artikel 13 B, sub d, punt 5, zowel aandelen als obligaties vrijgesteld van de BTW.

20 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, niet zijn aan te merken als economische activiteiten die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen.

21 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, zijn de andere prejudiciële vragen zonder voorwerp geraakt.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

22 De kosten door de Nederlandse en de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 15 maart 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd, dat het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, niet zijn aan te merken als economische activiteiten die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen.

ECLI:EU:C:1997:56

Geplaatst in Arresten en getagd met , , , , .