HvJ 06-11-1997 Reisebüro Binder C-116/96

HvJ Reisebüro Binder arrest

Binnen de grenzen van artikel 177 van het Verdrag, staat het dus uitsluitend aan de nationale rechterlijke instanties om te beslissen of, en zo ja waarover, prejudiciële vragen zullen worden gesteld aan het Hof, en staat het voorts alleen aan deze instanties om te beoordelen of zij voldoende zijn voorgelicht door de op hun verzoek gegeven prejudiciële beslissing, dan wel of het noodzakelijk is zich opnieuw tot het Hof te wenden. De partijen in het hoofdgeding kunnen dus niet met een beroep op artikel 40 van ’s Hofs Statuut-EG en artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering om uitlegging van de krachtens artikel 177 gewezen arresten vragen (beschikking Sirena, reeds aangehaald).

BESCHIKKING VAN HET HOF (Vijfde kamer)

28 april 1998 (1)

„Herziening van arrest – Arrest in prejudiciële zaak – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

In zaak C-116/96 REV,

Reisebüro Binder GmbH,

betreffende een verzoek tot herziening van het door het Hof van Justitie op 6 november 1997 gewezen arrest in zaak C-116/96, Reisebüro Binder (Jurispr. blz. I-6103),

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur) en P. Jann, rechters,

advocaat-generaal: A. La Pergola

griffier: R. Grass

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1.
    Bij twee verzoekschriften, gedagtekend 15 december 1997 en 29 januari 1998, ingeschreven ter griffie van het Hof op 2 februari daaraanvolgend, heeft Reisebüro Binder GmbH (hierna: „Binder”), onder verwijzing naar artikel 41 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, verzocht om herziening van het arrest van het Hof van 6 november 1997, Reisebüro Binder (C-116/96, Jurispr. blz. I-6103).
2.
    In dit arrest heeft het Hof uitspraak gedaan over een prejudiciële vraag van het Bundesfinanzhof overeenkomstig artikel 177 EG-Verdrag, betreffende de uitlegging van artikel 9, lid 2, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1). Deze vraag was gerezen in het kader van een geding tussen Binder en het Finanzamt Stuttgart-Körperschaften, betreffende de vaststelling van de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde ter zake van internationaal all-inpersonenvervoer.
3.
    Na de neerlegging van zijn eerste verzoekschrift, is Binder door de griffie van het Hof meegedeeld dat, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de beschikking van 5 maart 1986, Wünsche (69/85, Jurispr. blz. 947, punt 14), artikel 41 van ’s Hofs Statuut-EG niet van toepassing is op arresten in prejudiciële zaken. Toch heeft verzoekster een nieuw verzoekschrift ingediend, concluderende dat het het Hof behage:-    de twee verzoeken om herziening aan de andere partijen in het geding en aan de advocaat-generaal te laten toekomen met het oog op hun standpuntbepaling,

–    aan het verzoek om herziening te voldoen en de zaak opnieuw te onderzoeken, gelet op de opmerkingen die reeds zijn ingediend in het kader van de schriftelijke procedure en de bijkomende informatie vervat in het bijgevoegde ontwerp van mondelinge opmerkingen,

–    uitspraak te doen bij wege van een nieuw arrest, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering,

–    eventueel bij afwijzende beschikking uitspraak te doen over het nieuwe verzoek om herziening.

4.
    Tot staving van haar conclusies voert Binder met name aan, dat het Hof onvolledig zou zijn ingelicht, alvorens uitspraak te doen over het verzoek om een prejudiciële beslissing, over de rechtssituatie die aan de orde was in het hoofdgeding, doordat verzoeksters „raadsman nr. 2” de door „raadsman nr. 1” opgestelde schriftelijke opmerkingen had achtergehouden. Verzoekster stelt bovendien, dat artikel 41 van ’s Hofs Statuut-EG, noch de artikelen 98 tot en met 100 van het Reglement voor de procesvoering in een beperking of uitsluiting voorzien, en dat deze bepalingen dus moeten worden geacht van toepassing te zijn op alle uitspraken van het Hof, daaronder begrepen die in prejudiciële procedures.
5.
    Artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt: „Wanneer het Hof kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.”
6.
    Zoals het Hof heeft vastgesteld in punt 14 van de beschikking Wünsche (reeds aangehaald), zijn de buitengewone rechtsmiddelen waarmee het gezag van ’s Hofs arresten weer in geding kan worden gebracht, in de artikelen 38 tot en met 41 van ’s Hofs Statuut-EG limitatief opgesomd, en zijn deze bepalingen niet van toepassing op arresten in prejudiciële zaken, omdat er in die zaken geen procespartijen zijn.
7.
    Er zij namelijk aan herinnerd, dat artikel 177 van het Verdrag vorm geeft aan een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke instanties, en dat de procespartijen daarbij enkel worden uitgenodigd hun opmerkingen te maken binnen het door de verwijzende rechter vastgelegde juridisch kader (zie in die zin, beschikking van 18 oktober 1979, Sirena, 40/70, Jurispr. blz. 3169).
8.
    Binnen de grenzen van artikel 177 van het Verdrag, staat het dus uitsluitend aan de nationale rechterlijke instanties om te beslissen of, en zo ja waarover, prejudiciële vragen zullen worden gesteld aan het Hof, en staat het voorts alleen aan deze instanties om te beoordelen of zij voldoende zijn voorgelicht door de op hun verzoek gegeven prejudiciële beslissing, dan wel of het noodzakelijk is zich opnieuw tot het Hof te wenden. De partijen in het hoofdgeding kunnen dus nietmet een beroep op artikel 40 van ’s Hofs Statuut-EG en artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering om uitlegging van de krachtens artikel 177 gewezen arresten vragen (beschikking Sirena, reeds aangehaald).
9.
    Evenmin kunnen de partijen in het hoofdgeding met een beroep op artikel 41 van ’s Hofs Statuut-EG en de artikelen 98 tot en met 100 van het Reglement voor de procesvoering de herziening vragen van in dezelfde omstandigheden gewezen arresten. Het staat uitsluitend aan de nationale rechter tot wie een dergelijk arrest is gericht, om eventueel nieuwe elementen ter beoordeling aan het Hof voor te leggen, die ertoe kunnen leiden dat het Hof een eerder reeds gestelde vraag anders beantwoordt (beschikking Wünsche, reeds aangehaald, punt 15).
10.
    Hieruit volgt, dat het verzoek om herziening kennelijk niet-ontvankelijk is, en dus overeenkomstig artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering moet worden verworpen.Kosten
11.
    Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Bij ontbreken van een verwerende partij, dient verzoekster in herziening, die in het ongelijk is gesteld, in haar eigen kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
beschikt:

1)    Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)    Reisebüro Binder GmbH zal haar eigen kosten dragen.

Luxemburg, 28 april 1998.

De griffier

De president van de Vijfde kamer

R. Grass

C. Gulmann

1: Procestaal: Duits.

ECLI:EU:C:1998:169