HvJ 09-12-2015 Fiscale Eenheid X C-595/13

SamenvattingArrest

In het Fiscale Eenheid X arrest heeft het HvJ geoordeeld dat:

1)      Beleggingsmaatschappijen waarin kapitaal is samengevoegd door meer dan één belegger die het risico in verband met het beheer van de daarin bijeengebrachte activa draagt, met het oog op de aankoop, het bezit, het beheer en de verkoop van onroerende zaken teneinde daaruit winst te maken, die als dividend zal worden uitgekeerd aan de gezamenlijke aandeelhouders, die ook uit een stijging van de waarde van hun deelneming profijt halen, kunnen worden beschouwd als „gemeenschappelijke beleggingsfondsen”, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat deze beleggingsmaatschappijen aan bijzonder overheidstoezicht heeft onderworpen.

2)      De feitelijke exploitatie van de onroerende zaken van een gemeenschappelijk beleggingsfonds valt niet onder het begrip „beheer”.

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

9 december 2015

„Prejudiciële verwijzing – Zesde btw-richtlijn – Vrijstellingen – Artikel 13, B, onder d), punt 6 – Gemeenschappelijke beleggingsfondsen – Begrip – Beleggingen in onroerende zaken – Beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen – Begrip – Feitelijke exploitatie van een onroerende zaak”

In zaak C‑595/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 1 november 2013, ingekomen bij het Hof op 21 november 2013, in de procedure

Staatssecretaris van Financiën

tegen

Fiscale Eenheid X NV cs,

wijst

HET HOF (Vijfde Kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Šváby, A. Rosas (rapporteur), E. Juhász en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting van 4 maart 2015,

gelet op de opmerkingen van:

–        Fiscale Eenheid X NV cs, vertegenwoordigd door T. H. Scheer, advocaat, K. Bruins en M. Morawski, adviseurs,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman, B. Koopman en H. Stergiou als gemachtigden,

–        de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, C. Meyer-Seitz, U. Persson, E. Karlsson, L. Swedenborg en C. Hagerman als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Christie als gemachtigde, bijgestaan door R. Hill, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels en C. Soulay als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 mei 2015,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991 (PB L 376, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Staatssecretaris van Financiën en Fiscale Eenheid X NV cs (hierna: „X”) over een naheffingsaanslag in de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die aan X is opgelegd over 1996.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Btw-recht

3        Ingevolge artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn zijn onder meer „diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht” aan de btw onderworpen.

4        Overeenkomstig artikel 4, lid 4, tweede alinea, van de Zesde richtlijn „kan elke lidstaat personen die in het binnenland gevestigd zijn en die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als één belastingplichtige aanmerken”.

5        Artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn luidt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[…]

d)      de volgende handelingen:

[…]

6.      het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, als omschreven door de lidstaten”.

6        Artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn is in wezen in dezelfde bewoordingen opgesteld als artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1), waarbij de Zesde richtlijn met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken en vervangen.

 Regelgeving inzake toezicht op beleggingen

7        Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375, blz. 3; hierna: „icbe-richtlijn”) verklaart in de eerste en de tweede overweging:

„Overwegende dat de wettelijke regelingen der lidstaten op het gebied van instellingen voor collectieve belegging aanzienlijk uiteenlopen, in het bijzonder ten aanzien van de verplichtingen en het toezicht waaraan zij worden onderworpen; dat deze verschillen tot verstoringen van de mededingingsverhoudingen tussen deze instellingen leiden en de deelnemers geen gelijkwaardige bescherming bieden;

Overwegende dat een coördinatie van de nationale wettelijke regelingen voor instellingen voor collectieve belegging dientengevolge gewenst lijkt teneinde op gemeenschapsniveau de mededingingsverhoudingen voor deze instellingen nader tot elkaar te brengen en aldaar een doeltreffender en meer uniforme bescherming van de deelnemers te verwezenlijken; dat deze coördinatie gewenst lijkt om de verhandeling van de rechten van deelneming in een zich in een lidstaat bevindende instelling voor collectieve belegging op het grondgebied van andere lidstaten te vergemakkelijken”.

8        De werkingssfeer van de icbe-richtlijn is in de zesde overweging omschreven als volgt:

„Overwegende dat de coördinatie van de wettelijke regelingen der lidstaten in een eerste fase moet worden beperkt tot instellingen voor collectieve belegging die niet van het closed-end-type zijn, die hun rechten van deelneming aan het publiek in de Gemeenschap te koop aanbieden en waarvan het uitsluitende doel is te beleggen in effecten […]; dat de regelgeving voor instellingen voor collectieve belegging waarop de richtlijn niet van toepassing is, andere problemen doet rijzen waarvoor andersluidende bepalingen nodig zijn, en dat de coördinatie voor dergelijke instellingen derhalve in een later stadium zal plaatsvinden; […]”.

9        De icbe-richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 (PB L 41, blz. 35), die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding niet van toepassing was, bepaalt in artikel 1, leden 1 en 2:

„1.      De lidstaten passen deze richtlijn toe op instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) die zich op hun grondgebied bevinden.

2.      Voor de toepassing van deze richtlijn en behoudens artikel 2, wordt onder icbe’s verstaan instellingen:

–        waarvan het uitsluitende doel is de collectieve belegging in effecten en/of in andere in artikel 19, lid 1, bedoelde liquide financiële activa van uit het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding; en

–        waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. Met dergelijke inkopen of terugbetalingen wordt gelijkgesteld ieder handelen van een icbe om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming ter beurze aanzienlijk afwijkt van de intrinsieke waarde”.

10      Artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de icbe-richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 (PB L 41, blz. 20), die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding niet van toepassing was, bepaalt dat „[v]oor de toepassing van deze richtlijn […] het beheer van unit trust/beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen de in bijlage II genoemde taken [omvat]. Deze lijst van taken is niet limitatief.”

11      Deze bijlage II vermeldt de volgende punten als „[t]aken die deel uitmaken van het beheer van collectieve beleggingsportefeuilles”:

„–      Beheer van beleggingen

–      Administratie:

a)      uitvoeren van de wettelijk verplichte en voor het fondsbeheer vereiste werkzaamheden op het gebied van de verslaglegging;

b)      verzoeken om inlichtingen van cliënten;

c)      waardering en prijsstelling (met inbegrip van belastingaangiften);

d)      toezicht op de naleving van de regelgeving;

e)      bijhouden van een deelnemersregister;

f)      bestemming van de inkomsten;

g)      uitgifte en inkoop van rechten van deelneming;

h)      afwikkeling van contracten (met inbegrip van de verzending van deelbewijzen);

i)      bijhouden van bescheiden.

–      Verkoop”.

12      Het toezicht op beleggingen is versterkt met de vaststelling van richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174, blz. 1), die evenwel niet van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding. Uit de overwegingen 34 en 58 van deze richtlijn blijkt dat zij ook op vastgoedfondsen van toepassing is.

 Nederlands recht

13      Overeenkomstig artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals van toepassing ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (hierna: „Wet OB”), worden „[n]atuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die op grond van het bepaalde in dit artikel ondernemer zijn en die in Nederland wonen of zijn gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting hebben en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven, dat zij een eenheid vormen, […] al dan niet op verzoek van één of meer van deze natuurlijke personen of lichamen, bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur als één ondernemer aangemerkt en wel met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarin de inspecteur die beschikking heeft afgegeven. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van de vorming, wijziging en beëindiging van de fiscale eenheid.”

14      Artikel 11, lid 1, onder i), punt 3, Wet OB bepaalt in wezen dat het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens van btw is vrijgesteld.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15      X is een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, Wet OB, dat wil zeggen een belastingplichtige als bedoeld in artikel 4, lid 4, tweede alinea, van de Zesde richtlijn.

16      A Beheer NV (hierna: „A”) maakt deel uit van deze fiscale eenheid.

17      In 1996 heeft A met drie in Nederland gevestigde vennootschappen overeenkomsten voor de verrichting van diverse diensten gesloten. Deze vennootschappen maken geen deel uit van X en werden opgericht door verschillende pensioenfondsen. Na de oprichting hebben deze vennootschappen aandelen en certificaten van aandelen aan derden uitgegeven. De activiteiten van deze vennootschappen bestaan in de acquisitie van aandeelhouders of certificaathouders, de aankoop en verkoop van onroerende zaken en de exploitatie daarvan. Zij hebben geen personeel in dienst. De aandeelhouders eisen van deze vennootschappen een rendement in de vorm van een dividend.

18      Uit deze overeenkomsten blijkt dat A voor diezelfde vennootschappen de volgende werkzaamheden onder bezwarende titel heeft verricht:

a)      alle werkzaamheden welke voor A voortvloeien uit hoofde van haar functie als statutair directeur van opdrachtgever;

b)      alle werkzaamheden van uitvoerende aard welke voor opdrachtgever voortvloeien uit wettelijke voorschriften, statuten, reglementen en bestuursbesluiten;

c)      het beheren van het vermogen van opdrachtgever, een en ander zoals is omschreven in bijlage I bij de overeenkomst;

d)      de financiële verslaglegging, de geautomatiseerde gegevensverwerking en de interne accountantscontrole;

e)      het beschikken over het vermogen van opdrachtgever, daaronder begrepen de acquisitie alsmede de verkoop van onroerende goederen, en

f)      de acquisitie van aandeelhouders c.q. certificaathouders.

19      In de hiervoor in letter c) vermelde bijlage I is het volgende bepaald:

„De dienstverlening inzake het beheer […] omvat:

A.      Onroerend goed beheer:

1.      het uitoefenen van toezicht op het onroerend goed en het gebruik ervan en het daartoe onderhouden van contacten met de huurders;

2.      het – voor rekening van de opdrachtgever – inschakelen van makelaars bij leegstand; het beoordelen van de kwaliteit van huurders;

3.      de inspectie van eventueel vrijkomende ruimte en het opmaken van een staat van bevindingen;

4.      huurincasso […] en debiteurenbeheer; verwerking van huursubsidies;

5.      het budgetteren en doen verzorgen van groot onderhoud alsmede de technische beoordeling en de controle op de uitvoering ervan […];

6.      het doen verzorgen van kleine onderhoudsopdrachten en de controle hierop;

7.      het doen verzorgen van bijkomende leveringen en diensten; de controle van de kwaliteit ervan alsmede het aan huurders in rekening brengen van het ter zake verschuldigde;

8.      de administratieve verwerking van het bovenstaande;

9.      dagelijkse juridische werkzaamheden; het doorvoeren van huurverhogingen en het verlengen van huurcontracten.

[…]”

20      Alle werkzaamheden die uit de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten voor A voortvloeien, worden door A of in opdracht van A en onder verantwoordelijkheid van A door derden verricht. Voor deze werkzaamheden heeft A van elk van de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen een vergoeding ontvangen die is bepaald op 8 % van de theoretische jaarhuur van de tot het vermogen van de desbetreffende vennootschap behorende onroerende zaken.

21      X heeft geen btw voldaan over de van deze drie vastgoedvennootschappen ontvangen vergoedingen omdat X van mening was dat de werkzaamheden die waren verricht ofwel door haarzelf, ofwel door derden onder haar verantwoordelijkheid, in aanmerking kwamen voor de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onder i), punt 3, Wet OB.

22      De Inspecteur van de Belastingdienst was evenwel van mening dat alleen de onder e) en f) van de betrokken beheersovereenkomsten vermelde werkzaamheden onder deze vrijstelling vielen, te weten de aan‑ en verkoop van vastgoed en de acquisitie van aandeelhouders respectievelijk certificaathouders. Hij heeft dus X een naheffingsaanslag in de btw opgelegd voor het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 1996.

23      Na tegen deze aanslag gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur van de Belastingdienst het bedrag van de naheffing verminderd, hoewel hij van oordeel was dat een deel van de door A verrichte diensten niet onder de vrijstelling viel. X, die meende dat de vermindering onvoldoende was, heeft tegen de beslissing van de Inspecteur van de Belastingdienst beroep ingesteld bij de Rechtbank Breda. De Rechtbank Breda heeft het beroep gegrond verklaard, deze beslissing vernietigd en de aanslag verder verminderd.

24      Daarop heeft de Inspecteur van de Belastingdienst tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch, dat de beslissing in eerste aanleg heeft bevestigd.

25      De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

26      De Hoge Raad vraagt zich af of beleggingsmaatschappijen als de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen, waarin door meer dan één belegger kapitaal is samengevoegd met het oog op de aankoop, het bezit, het beheer en de verkoop van onroerende zaken teneinde daaruit winst te maken, die als dividend zal worden uitgekeerd aan de gezamenlijke aandeelhouders, die ook uit een stijging van de waarde van hun deelneming profijt halen, moeten worden beschouwd als „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn. In het bijzonder rijst de vraag of de omstandigheid dat wordt belegd in onroerende zaken de toepassing van deze bepaling in de weg staat.

27      Ingeval de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen kunnen worden beschouwd als „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn, vraagt de Hoge Raad zich af of de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken, met al wat verband houdt met de verhuur en het onderhoud van deze zaken, die deze vennootschappen aan een derde, namelijk A, hebben uitbesteed, onder het begrip „beheer” in de zin van deze bepaling valt.

28      Daarop heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vragen:

„1)      Dient artikel 13, B, aanhef en letter d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus te worden uitgelegd dat een vennootschap die is opgericht door meer dan één belegger met enkel het doel het bijeengebrachte vermogen te beleggen in onroerende zaken, kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van deze bepaling?

2)      Zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is: dient artikel 13, B, aanhef en letter d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus te worden uitgelegd dat onder het begrip ,beheer’ mede moet worden begrepen de door de vennootschap aan een derde uitbestede, feitelijke exploitatie van de onroerende zaken van de vennootschap?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag inzake het begrip „gemeenschappelijk beleggingsfonds”

29      Met zijn eerste vraag, zoals die blijkt uit de verwijzingsbeslissing, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat beleggingsmaatschappijen als de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen, waarin door meer dan één belegger kapitaal is samengevoegd met het oog op de aankoop, het bezit, het beheer en de verkoop van onroerende zaken teneinde daaruit winst te maken, die als dividend zal worden uitgekeerd aan de gezamenlijke aandeelhouders, die ook uit een stijging van de waarde van hun deelneming profijt halen, kunnen worden beschouwd als „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling.

30      Van meet af aan zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de vrijstellingen die met name in artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn zijn neergelegd, weliswaar autonome begrippen van Unierecht zijn, die in beginsel een gemeenschappelijke definitie moeten krijgen om te voorkomen dat het btw-stelsel door de lidstaten uiteenlopend wordt toegepast, zodat de lidstaten de inhoud van deze vrijstellingen niet kunnen wijzigen. Dat geldt evenwel niet wanneer de wetgever van de Europese Unie de omschrijving van bepaalde begrippen van een vrijstelling aan de lidstaten heeft overgelaten (zie in die zin arresten Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punten 38 en 39; JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, C‑363/05, EU:C:2007:391, punten 19 en 20; Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 16, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 40).

31      Artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn kent aan de lidstaten de bevoegdheid toe om het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” te omschrijven (zie arresten Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 16, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 40).

32      Deze aldus aan de lidstaten toegekende bevoegdheid om dat begrip te omschrijven wordt evenwel ingeperkt door de verplichting om de door de Uniewetgever voor de vrijstelling gebruikte bewoordingen te eerbiedigen. Een lidstaat kan met name niet de gemeenschappelijke beleggingsfondsen selecteren die onder de vrijstelling vallen en die welke niet onder de vrijstelling vallen, zonder elke betekenis aan het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” zelf te ontnemen. Deze bepaling kent een lidstaat dus enkel de bevoegdheid toe om in zijn nationaal recht de fondsen te definiëren die onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” vallen (zie in die zin arresten JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, C‑363/05, EU:C:2007:391, punten 41‑43; Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 17, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 41).

33      Bij de uitoefening van hun bevoegdheid om het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” te omschrijven moeten de lidstaten tevens de door de Zesde richtlijn nagestreefde doelstellingen alsmede het aan het gemeenschappelijke btw-stelsel inherente beginsel van fiscale neutraliteit in acht nemen (zie in die zin arresten JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, C‑363/05, EU:C:2007:391, punten 22 en 43; Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 18, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 42).

34      In dit verband moet worden opgemerkt dat de vrijstelling voor verrichtingen in verband met het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen met name tot doel heeft, beleggen in effecten via beleggingsinstellingen voor beleggers te vergemakkelijken door de btw-kosten uit te sluiten en aldus ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijke btw-stelsel fiscaal neutraal is wat de keuze tussen rechtstreeks beleggen in effecten en beleggen via gemeenschappelijke beleggingsfondsen betreft (zie arresten JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, C‑363/05, EU:C:2007:391, punt 45; Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 19, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 43).

35      Met het oog op de toepassing van de Zesde richtlijn dient dus te worden bepaald of vennootschappen met kenmerken als die van de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen, die door meer dan één belegger zijn opgericht enkel met het doel te beleggen in het vermogen dat zij uit onroerende zaken hebben samengesteld, kunnen worden beschouwd als een „gemeenschappelijk beleggingsfonds” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van deze richtlijn.

36      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat fondsen die instellingen voor collectieve belegging in effecten in de zin van de icbe-richtlijn vormen, gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn (zie in die zin met name arresten Deutsche Bank, C‑44/11, EU:C:2012:484, punt 32; Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 23, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 46). Zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, van deze richtlijn, zijn instellingen voor collectieve belegging in effecten instellingen waarvan het uitsluitende doel is de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding, en waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.

37      Bovendien moeten ook fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in de zin van de icbe-richtlijn zijn, maar dezelfde kenmerken als deze instellingen vertonen en dus dezelfde handelingen verrichten of op zijn minst zodanig vergelijkbaar zijn met deze instellingen dat zij ermee concurreren, als gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden aangemerkt (zie in die zin arresten Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punten 53‑56; JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, C‑363/05, EU:C:2007:391, punten 48‑51; Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 24, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 47).

38      Vastgesteld dient te worden dat vennootschappen als die in het hoofdgeding, die door meer dan één belegger zijn opgericht enkel met het doel te beleggen in het vermogen dat zij uit onroerende zaken hebben samengesteld, evenwel niet kunnen worden beschouwd als een instelling voor collectieve belegging in de zin van de icbe-richtlijn. Een belegging die uitsluitend uit onroerende zaken is samengesteld, valt immers niet onder de icbe-richtlijn daar deze richtlijn, luidens artikel 1, leden 1 en 2, enkel op beleggingen in effecten van toepassing is.

39      Vennootschappen als die in het hoofdgeding kunnen bijgevolg slechts worden aangemerkt als gemeenschappelijke beleggingsfondsen waarvoor de vrijstelling van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn geldt, op voorwaarde dat zij dezelfde kenmerken vertonen als de instellingen voor collectieve belegging zoals omschreven in de icbe-richtlijn, en dezelfde handelingen verrichten of op zijn minst zodanig vergelijkbaar zijn met deze instellingen dat zij ermee concurreren.

40      Dienaangaande is het van belang om vooraf op te merken, zoals de advocaat-generaal in de punten 22 tot en met 29 van haar conclusie heeft gedaan, dat de vrijstelling van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn van toepassing is op beleggingsinstellingen die op nationaal niveau aan bijzonder toezicht zijn onderworpen.

41      Zoals het Hof bij de uitlegging van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling meermaals heeft opgemerkt, dateert de harmonisatie van de btw-regelgeving van vóór de harmonisatie van de wetgeving inzake de erkenning van en het toezicht op beleggingsfondsen en, inzonderheid, van vóór de icbe-richtlijn (arresten Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punt 55, en JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, C‑363/05, EU:C:2007:391, punt 32).

42      Zoals de advocaat-generaal in punt 21 van haar conclusie heeft opgemerkt, hebben de lidstaten aanvankelijk als beleggingsfondsen omschreven de beleggingsfondsen die op nationaal niveau waren gereglementeerd en dus waren onderworpen aan vergunnings‑ en controlevoorschriften, te weten toelating door de overheid en toezicht, met name ter bescherming van de beleggers. De verwijzing naar het nationale recht van de lidstaten voor de omschrijving van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” heeft het dus mogelijk gemaakt om de vrijstelling uit hoofde van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn uitsluitend toepassing te doen vinden op beleggingen die onder bijzonder overheidstoezicht staan.

43      Uit de eerste en de tweede overweging van de icbe-richtlijn blijkt dat wegens de uiteenlopende wettelijke regelingen van de lidstaten op het gebied van instellingen voor collectieve belegging, in het bijzonder ten aanzien van de verplichtingen en het toezicht waaraan zij worden onderworpen, de Uniewetgever deze wettelijke regelingen heeft willen coördineren teneinde op Unieniveau de mededingingsverhoudingen voor deze instellingen nader tot elkaar te brengen, in de Unie een doeltreffender en meer uniforme bescherming van de deelnemers te verwezenlijken, en de verhandeling van de rechten van deelneming in een zich in een lidstaat bevindende instelling voor collectieve belegging op het grondgebied van andere lidstaten te vergemakkelijken.

44      De icbe-richtlijn heeft aldus voor de in de lidstaten gevestigde instellingen voor collectieve belegging gemeenschappelijke minimumregels met betrekking tot toelating, toezicht, inrichting, werkzaamheid en door hen te publiceren informatie vastgesteld.

45      Doordat bij de icbe-richtlijn op Unieniveau een aanvang is gemaakt met de regelgeving inzake het toezicht op beleggingsfondsen, is een grens gesteld aan de beoordelingsvrijheid waarover de lidstaten beschikken bij de omschrijving van een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn.

46      De coördinatie, op Unieniveau, van de regelgeving inzake het toezicht op beleggingen is aldus komen te staan boven de bevoegdheid van de lidstaten om het begrip „gemeenschappelijk beleggingsfonds” te omschrijven. Dit begrip, als bedoeld in artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn, wordt dus door zowel het Unierecht als het nationale recht bepaald.

47      Het Hof heeft aldus geoordeeld dat als vrijgestelde gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling moeten worden beschouwd, ten eerste, beleggingen die onder de icbe-richtlijn vallen en binnen dat kader aan bijzonder overheidstoezicht zijn onderworpen, en ten tweede, fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in de zin van deze richtlijn zijn, maar dezelfde kenmerken als deze instellingen vertonen en dus dezelfde handelingen verrichten of op zijn minst zodanig vergelijkbaar zijn met deze instellingen dat zij ermee concurreren (arresten Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punten 23 en 24, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punten 46 en 47).

48      Zoals de advocaat-generaal in punt 27 van haar conclusie heeft opgemerkt, kunnen enkel aan bijzonder overheidstoezicht onderworpen beleggingsfondsen aan dezelfde concurrentievoorwaarden onderworpen zijn en dezelfde kring van beleggers aanspreken. Deze andere soorten beleggingsfondsen kunnen dus in beginsel in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn indien de lidstaten ook deze fondsen aan bijzonder overheidstoezicht onderwerpen.

49      Daaruit volgt dat, wat het hoofdgeding betreft, een belegging die uitsluitend uit onroerende zaken is samengesteld en niet was onderworpen aan de Unierechtelijke toezichtregels die golden voor 1996, te weten de icbe-richtlijn, slechts kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn mits naar nationaal recht voor een dergelijke belegging is voorzien in bijzonder overheidstoezicht.

50      Aangezien uit de toelichting van de verwijzende rechter niet kan worden opgemaakt of dat in het hoofdgeding het geval is, is het de taak van deze rechter om deze beoordeling te maken.

51      Voor het geval de verwijzende rechter constateert dat de drie vennootschappen waarvoor A diverse diensten heeft verricht, aan bijzonder overheidstoezicht waren onderworpen, moet nog worden onderzocht of deze vennootschappen de andere vereiste kenmerken vertonen om te kunnen worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds dat, gelet op de doelstelling van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn en het beginsel van fiscale neutraliteit, in aanmerking kan komen voor de vrijstelling.

52      Dienaangaande zijn X en de Europese Commissie van mening dat de kenmerken van de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen overeenstemmen met die van een gemeenschappelijk beleggingsfonds, zoals die blijken uit de rechtspraak van het Hof. Zo is een beleggingsfonds vergelijkbaar met een instelling voor collectieve belegging zoals omschreven in de icbe-richtlijn, wanneer personen rechten van deelneming in dat fonds hebben gekocht, het rendement van de aldus gedane belegging afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen door de beheerders van het fonds in de periode waarin zij deze rechten van deelneming aanhielden, en de deelnemers winstgerechtigd zijn of het risico dragen dat verbonden is aan het beheer van het fonds (zie in die zin arrest Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 27). In dezelfde gedachtegang heeft het Hof geoordeeld dat bedrijfspensioenfondsen als gemeenschappelijke beleggingsfondsen kunnen worden beschouwd wanneer zij worden gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds (arrest ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 59).

53      Dat blijkt het geval te zijn voor de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen, gelet op de toelichting van de verwijzende rechter en de gegevens van het aan het Hof overgelegde dossier.

54      Deze vennootschappen brengen kapitaal uit diverse pensioenfondsen bijeen met het oog op de aankoop, het bezit, het beheer en de verkoop van onroerende zaken teneinde daaruit zo veel mogelijk winst te maken. Deze vennootschappen hebben participatiecertificaten uitgegeven die de houders ervan recht geven op een evenredig deel van hun winst in de vorm van een dividend. De houders van deze participatiecertificaten hebben ook bij een stijging van de waarde van hun deelneming recht op de winst van de betrokken vennootschap. Het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers. De beleggers die hun tegoeden in het kapitaal van een van deze vennootschappen hebben belegd, dragen het risico dat verbonden is aan het beheer van de daarin bijeengebrachte activa. De winst van deze beleggers, in de vorm van een dividend, hangt af van het rendement van de activa van de betrokken vennootschap. Het kapitaal van de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen staat open voor diverse beleggers die desgewenst hun participatiecertificaten aan derden kunnen overdragen. Bovendien kunnen nieuwe beleggers inschrijven en nieuw kapitaal in de betrokken vennootschap inbrengen.

55      Opgemerkt zij dat niet kan worden ingestemd met het argument van de Zweedse regering dat een vastgoedfonds niet aan risicospreiding doet.

56      Dienaangaande blijkt, wat de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen betreft, uit de toelichting ter terechtzitting en het aan het Hof overgelegde dossier dat het bijeengebrachte vermogen wordt belegd volgens het principe van risicospreiding. De tegoeden worden belegd in verschillende soorten onroerende zaken, zowel residentiële gebouwen als handelspanden, en ook in verschillende geografische gebieden.

57      Zoals de Commissie benadrukt, heeft de omstandigheid dat het in casu gaat om beleggingen in vastgoed, geen gevolgen voor de aard van de werkzaamheden van de drie in het hoofdgeding betrokken vennootschappen, te weten het collectief beheer van fondsen. Artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn ziet immers in het algemeen op „gemeenschappelijke beleggingsfondsen”, zonder te doelen op een bepaalde beleggingsvorm of een onderscheid te maken naar de activa waarin de tegoeden worden belegd. Niets wijst er dus op dat de vrijstelling van deze bepaling enkel ten goede komt van beleggingen in effecten en dat andere beleggingsvormen van deze vrijstelling zijn uitgesloten. Noch uit de context, noch uit de bewoordingen, noch uit de doelstelling van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn blijkt immers dat het de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om de toepassing van deze bepaling te beperken tot uitsluitend instellingen voor collectieve belegging die beleggen in effecten.

58      De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of de doelstelling van de vrijstelling van deze bepaling, zoals geformuleerd door het Hof, kan worden bereikt indien het gaat om vastgoed, en daarbij benadrukt hij met name dat de rechtspraak van het Hof betreffende deze vrijstelling enkel betrekking heeft op beleggingen in effecten.

59      Dienaangaande zij vastgesteld dat – zoals X aangeeft – de verklaring voor het feit dat de bestaande rechtspraak van het Hof ziet op gevallen waarin het collectieve vermogen was belegd in effecten, ligt in het voorwerp van de procedures die tot dusver bij het Hof aanhangig zijn gemaakt, daar het Hof nog niet is verzocht feiten betreffende beleggingen in andere activa te onderzoeken.

60      Zoals is aangegeven in de zesde overweging en artikel 24 van de icbe-richtlijn en zoals blijkt uit artikel 19, lid 1, onder e), van diezelfde richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/108, die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding niet van toepassing was, beoogt de coördinatie van de regelgeving inzake toezicht niet alleen de icbe’s, maar ook andere instellingen voor collectieve belegging (zie in die zin arrest JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, C‑363/05, EU:C:2007:391, punten 32 en 34). Beleggen in effecten is derhalve slechts een bijzondere vorm van gereglementeerd beleggen.

61      Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat richtlijn 2011/61, waarmee op Unieniveau een nieuwe stap is gezet in de harmonisatie inzake het bijzonder overheidstoezicht op beleggingen, ook op vastgoedfondsen van toepassing is, zoals in met name overweging 34 van deze richtlijn wordt aangegeven.

62      Binnen deze context zou het in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit om vastgoedvennootschappen als die in het hoofdgeding de vrijstelling van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn te weigeren op grond dat het beheer ziet op onroerende zaken.

63      Voor zover beleggingsvermogens onder een vergelijkbaar bijzonder overheidstoezicht staan ongeacht of in effecten dan wel in vastgoed is belegd, speelt tussen deze beleggingsvormen immers rechtstreekse concurrentie. In beide gevallen is voor de belegger het rendement van deze beleggingen van belang. Volgens vaste rechtspraak verzet het beginsel van fiscale neutraliteit zich ertegen dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld (zie arrest Wheels Common Investment Fund Trustees e.a., C‑424/11, EU:C:2013:144, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64      Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat beleggingsmaatschappijen als de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen, waarin kapitaal is samengevoegd door meer dan één belegger die het risico in verband met het beheer van de daarin bijeengebrachte activa draagt, met het oog op de aankoop, het bezit, het beheer en de verkoop van onroerende zaken teneinde daaruit winst te maken, die als dividend zal worden uitgekeerd aan de gezamenlijke aandeelhouders, die ook uit een stijging van de waarde van hun deelneming profijt halen, kunnen worden beschouwd als „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat deze vennootschappen aan bijzonder overheidstoezicht heeft onderworpen.

 Tweede vraag inzake het begrip „beheer”

65      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn aldus dient te worden uitgelegd dat onder het in deze bepaling gebruikte begrip „beheer” mede moet worden begrepen de aan een derde uitbestede, feitelijke exploitatie van de onroerende zaken van een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

66      Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat, ten eerste, onder „derde” A moet worden begrepen, zijnde de vennootschap die alle beheerswerkzaamheden, inclusief het dagelijks beheer, voor de drie in het hoofdgeding betrokken vennootschappen heeft verricht, en ten tweede, de feitelijke exploitatie van een onroerende zaak inzonderheid de verhuur, het beheer van de bestaande huurcontracten alsmede het machtigen van andere derden en de controle op onderhoudsmaatregelen omvat.

67      Derhalve dient te worden bepaald of het beheer in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn uitsluitend ziet op de aankoop en verkoop van de betrokken onroerende zaken dan wel ook de feitelijke exploitatie ervan omvat.

68      Volgens vaste rechtspraak moeten de bewoordingen waarin de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn zijn omschreven, strikt worden uitgelegd. De uitlegging van die bewoordingen moet echter in overeenstemming zijn met de door deze vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient te stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel. Dit beginsel van strikte uitlegging betekent dus niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van artikel 13 zijn gebruikt, aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren (zie met name arresten Zimmermann, C‑174/11, EU:C:2012:716, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede Mapfre asistencia en Mapfre warranty, C‑584/13, EU:C:2015:488, punt 26).

69      Zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, is het begrip „beheer” van gemeenschappelijke beleggingsfondsen als bedoeld in artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn, een autonoom Unierechtelijk begrip waarvan de lidstaten de inhoud niet kunnen wijzigen (arrest Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punt 43).

70      Dat begrip is door de Uniewetgever niet gedefinieerd.

71      Het Hof heeft evenwel gepreciseerd dat de handelingen waarvoor de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen geldt, de handelingen zijn die specifiek zijn voor de activiteit van instellingen voor collectieve belegging (arresten Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punt 63; Deutsche Bank, C‑44/11, EU:C:2012:484, punt 31, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 65). Met betrekking tot inzonderheid de door een derde beheerder verstrekte beheersdiensten heeft het Hof geoordeeld dat deze handelingen over het geheel genomen een afzonderlijk geheel moeten vormen en onderdelen moeten vormen die specifiek en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen (arrest ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 65).

72      Naast de taken van portefeuillebeheer, vormen taken van administratie van instellingen voor collectieve belegging zelf, zoals genoemd in bijlage II bij de icbe-richtlijn, onder de rubriek „Administratie”, taken die specifiek zijn voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen (arrest ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 66).

73      Zo heeft het Hof geoordeeld dat niet alleen het beheer van beleggingen, hetgeen selectie en verkoop van beheerde activa impliceert, maar ook administratieve en boekhoudkundige taken, inzonderheid diensten zoals de berekening van het bedrag aan inkomsten en de prijs van de deelnemingen of aandelen in het fonds, de waardering van de activa, de verslaglegging, de voorbereiding van declaraties voor de verdeling van de inkomsten, de verstrekking van informatie en documentatie voor de periodieke rekeningen en de belastingaangiften, voor het opmaken van statistieken en voor de aangiften voor de btw alsmede de opstelling van de rendementsprognoses, onder het begrip „beheer” van een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn vallen (zie arresten Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punten 26, 63 en 64, en ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 68).

74      Het Hof heeft ook al geoordeeld dat taken van een bewaarder van gemeenschappelijke beleggingsfondsen en eenvoudige materiële of technische diensten, zoals de terbeschikkingstelling van een systeem van gegevensverwerking, daarentegen niet onder artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn vallen (arrest Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punten 65 en 71).

75      De regeringen die opmerkingen hebben ingediend, zijn van mening dat zo de in het hoofdgeding betrokken vastgoedvennootschappen moeten worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn, onder het begrip „beheer” in de zin van deze bepaling vallen het beheer van beleggingen, met name beslissingen en adviezen met betrekking tot de aan‑ en verkoop van de waarden waarin wordt belegd, alsmede de diensten genoemd in bijlage II bij de icbe-richtlijn onder de rubriek „Administratie”. Eenvoudige materiële of technische diensten zoals de terbeschikkingstelling van een systeem van gegevensverwerking of de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken van de betrokken vennootschappen vallen evenwel niet onder dat begrip.

76      X en de Commissie voeren daarentegen aan dat de werkzaamheden die A heeft verricht ten behoeve van haar drie medecontractanten, zoals omschreven in punt 19 van het onderhavige arrest, onder het begrip „beheer” van een gemeenschappelijk beleggingsfonds vallen. Al deze activiteiten beogen een optimalisatie van het beheer van het onroerend vermogen dat het kapitaal van de drie medecontractanten van A uitmaakt, en bijgevolg het verbeteren van de opbrengst van de deelnemingen van de beleggers in de gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

77      Dienaangaande zij vastgesteld dat de specifieke activiteit van een gemeenschappelijk beleggingsfonds bestaat in de collectieve belegging van het aangetrokken kapitaal (zie in die zin arrest GfBk, C‑275/11, EU:C:2013:141, punten 22 en 24). Voor zover de activa van een dergelijk fonds bestaan uit onroerende zaken, bestaat de specifieke activiteit van dat fonds bijgevolg in werkzaamheden betreffende de selectie, de aan‑ en verkoop van de onroerende zaken enerzijds en administratieve en boekhoudkundige taken anderzijds, zoals vermeld in punt 73 van het onderhavige arrest.

78      De feitelijke exploitatie van de onroerende zaken is daarentegen niet specifiek voor de exploitatie van een gemeenschappelijk beleggingsfonds daar dit buiten het bestek van de diverse werkzaamheden in verband met de collectieve belegging van het samengebrachte kapitaal valt. Aangezien met de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken wordt beoogd het belegde vermogen te behouden en in waarde te doen stijgen, is de doelstelling daarvan niet specifiek voor de activiteit van een gemeenschappelijk beleggingsfonds, maar inherent aan elke soort van belegging.

79      Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken van een gemeenschappelijk beleggingsfonds niet onder het in deze bepaling gebruikte begrip „beheer” valt.

 Kosten

80      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991, moet aldus worden uitgelegd dat beleggingsmaatschappijen als de in het hoofdgeding betrokken vennootschappen, waarin kapitaal is samengevoegd door meer dan één belegger die het risico in verband met het beheer van de daarin bijeengebrachte activa draagt, met het oog op de aankoop, het bezit, het beheer en de verkoop van onroerende zaken teneinde daaruit winst te maken, die als dividend zal worden uitgekeerd aan de gezamenlijke aandeelhouders, die ook uit een stijging van de waarde van hun deelneming profijt halen, kunnen worden beschouwd als „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat deze vennootschappen aan bijzonder overheidstoezicht heeft onderworpen.

2)      Artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken van een gemeenschappelijk beleggingsfonds niet onder het in deze bepaling gebruikte begrip „beheer” valt.

ECLI:EU:C:2015:801

Geplaatst in Arresten.