HvJ 10-04-1984 Commissie-België 324/82

ARREST VAN HET HOF VAN 10 APRIL 1984. – COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK BELGIE. – (” NIET – NAKOMING – ZESDE RICHTLIJN – MAATSTAF VAN HEFFING “). – ZAAK NO. 324/82.

Trefwoorden


1 . BEROEP WEGENS NIET-NAKOMING – VERENIGBAARHEID VAN NATIONALE MAATREGELEN MET GEMEENSCHAPSRECHT – ONDERZOEK DOOR COMMISSIE – VERPLICHTING OM BINNEN BEPAALDE TERMIJN TE HANDELEN – AFWEZIGHEID

( EEG-VEDRAG , ARTIKEL 169 )

2 . FISCALE BEPALINGEN – HARMONISATIE VAN WETGEVINGEN – OMZETBELASTING – GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER TOEGEVOEGDE WAARDE – BELASTINGGRONDSLAG – AFWIJKENDE NATIONALE MAATREGELEN – GRENZEN

( RICHTLIJN NR . 77/388 VAN DE RAAD , ARTIKELEN 11 EN 27 , LEDEN 1 EN 5 )

Samenvatting


1 . IN BEGINSEL HOEFT DE COMMISSIE NIET EEN BEPAALDE TERMIJN IN ACHT TE NEMEN OM NA TE GAAN OF NATIONALE MAATREGELEN VERENIGBAAR ZIJN MET HET GEMEENSCHAPSRECHT EN OM ARTIKEL 169 EEG-VERDRAG TOE TE PASSEN .

2.DE BIJZONDERE AFWIJKENDE MAATREGELEN DIE DE LID-STATEN KRACHTENS ARTIKEL 27 , LEDEN 1 EN 5 VAN DE ZESDE RICHTLIJN BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING , MOGEN HANDHAVEN TEN EINDE BEPAALDE VORMEN VAN BELASTINGFRAUDE OF -ONTWIJKING TE VOORKOMEN , MOGEN IN BEGINSEL SLECHTS AFWIJKEN VAN DE IN ARTIKEL 11 VASTGESTELDE BELAS TINGGRONDSLAG VAN DE BTW , VOOR ZOVER ZULKS STRIKT NOODZAKELIJK IS TER BEREIKING VAN DIT DOEL .

EEN NATIONALE REGELING , DIE VOOR DE VERKOOP VAN NIEUWE WAGENS UITGAAT VAN EEN MINIMUMBELASTINGGRONDSLAG DIE NIET LAGER MAG ZIJN DAN DE CATALOGUSPRIJS DIE GELDT OP HET TIJDSTIP WAAROP DE BELASTING VERSCHULDIGD WORDT , EN DUS ALLE PRIJSKORTINGEN EN -RABATTEN VOLSTREKT BUITEN BESCHOUWING LAAT , WIJZIGT DE BELASTINGGRONDSLAG DERMATE INGRIJPEND EN ALGEMEEN , DAT NIET KAN WORDEN GEZEGD DAT ZIJ ZICH BEPAALT TOT DE AFWIJKINGEN DIE TER VOORKOMING VAN HET ONTWIJKINGS- OF FRAUDEGEVAAR NOODZAKELIJK ZIJN .

Partijen


IN ZAAK 324/82 ,

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , VERTEGENWOORDIGD DOOR HAAR JURIDISCH ADVISEUR D . GILMOUR , EN G . BERARDIS , LID VAN HAAR JURIDISCHE DIENST , ALS GEMACHTIGDEN , DOMICILIE GEKOZEN HEBBENDE TE LUXEMBURG BIJ O . MONTALTO , BATIMENT JEAN MONNET , KIRCHBERG ,

VERZOEKSTER ,

TEGEN

KONINKRIJK BELGIE , VERTEGENWOORDIGD DOOR DE MINISTER VAN BUITENLANDSE BETREKKINGEN , QUATRE-BRASSTRAAT 2 TE 1000 BRUSSEL , VERTEGENWOORDIGD DOOR R . HOEBAER , DIRECTEUR BIJ HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN , BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING , EN F . J . WAUTERS , ADVISEUR BIJ HET MINISTERIE VAN FINANCIEN , ALS GEMACHTIGDEN , DOMICILIE GEKOZEN HEBBENDE TE LUXEMBURG TER BELGISCHE AMBASSADE , RUE DES GIRONDINS 4 , RESIDENCE CHAMPAGNE ,

VERWEERDER ,

Onderwerp


BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF OM VAST TE STELLEN DAT HET KONINKRIJK BELGIE DE KRACHTENS HET GEMEENSCHAPSRECHT OP HEM RUSTENDE VERPLICHTINGEN NIET IS NAGEKOMEN DOOR ZICH VOOR DE BEREKENING VAN DE BELASTINGGRONDSLAG VOOR PERSONENAUTO ‘ S NIET TE VOEGEN NAAR DE BEPALINGEN VAN DE ARTIKELEN 11 EN 27 VAN DE ZESDE RICHTLIJN ( NR . 77/388/EEG ) VAN DE RAAD VAN 17 MEI 1977 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING – GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE : UNIFORME GRONDSLAG ( PB L 145 VAN 1977 ),

Overwegingen van het arrest


1 BIJ VERZOEKSCHRIFT NEERGELEGD TER GRIFFIE VAN HET HOF OP 20 DECEMBER 1982 HEEFT DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN KRACHTENS ARTIKEL 169 EEG-VERDRAG BEROEP INGESTELD STREKKENDE TOT VASTSTELLING DAT HET KONINKRIJK BELGIE , DOOR TER ZAKE VAN DE BELASTINGGRONDSLAG VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ( HIERNA : BTW ) OVER NIEUWE , HETZIJ BINNENSLANDS GELEVERDE HETZIJ INGEVOERDE PERSONENAUTO ‘ S , ALSMEDE OVER ZOGEHETEN ‘ ‘ DIRECTIEWAGENS ‘ ‘ EEN BIJZONDERE REGELING TE HANDHAVEN DIE IN STRIJD IS MET ARTIKEL 11 VAN DE ZESDE RICHTLIJN ( NR . 77/388/EEG ) VAN DE RAAD VAN 17 MEI 1977 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING – GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE : UNIFORME GRONDSLAG ( PB L 145 VAN 1977 , BLZ . 1 ), DE KRACHTENS HET EEG-VERDRAG OP HEM RUSTENDE VERPLICHTINGEN NIET IS NAGEKOMEN .

2 DIE BIJZONDERE REGELING IS GROTENDEELS NEERGELEGD IN KONINKLIJK BESLUIT NR . 17 VAN 20 JULI 1970 ( BELGISCH STAATSBLAD VAN 31 JULI 1970 ) EN IN DE OMZEND BRIEVEN NRS . 4 VAN 12 JANUARI 1971 EN 74 VAN 11 JULI 1972 , BEIDE VASTGESTELD KRACHTENS ARTIKEL 35 VAN HET BELGISCHE BTW-WETBOEK , EN IS VOOR HET OVERIGE GEBASEERD OP DIVERSE ANDERE BEPALINGEN VAN BEDOELD WETBOEK .

3 VOOR NIEUWE WAGENS VOORZIET ARTIKEL 1 VAN KONINKLIJK BESLUIT NR . 17 IN DE VASTSTELLING VAN EEN MINIMUMMAATSTAF VAN HEFFING VAN BTW VOOR PERSONENAUTO ‘ S DIE BINNENLANDS AAN GEBRUIKERS WORDEN GELEVERD OF DIE DOOR GEBRUIKERS WORDEN INGEVOERD ; DIE MAATSTAF MAG VOLGENS ARTIKEL 2 VAN VOORNOEMD BESLUIT NIET LAGER ZIJN DAN DE CATALOGUSPRIJS DIE GELDT OP HET TIJDSTIP WAAROP DE BELASTING VERSCHULDIGD WORDT .

4 VOOR ZOGEHETEN ‘ ‘ DIRECTIEWAGENS ‘ ‘ , DAT WIL ZEGGEN WAGENS DIE DE CONSTRUCTEURS OF DE HANDELAARS VOOR EIGEN GEBRUIK BESTEMMEN OF AAN ZICHZELF LEVEREN , VOORZIEN DE OMZENDBRIEVEN NRS . 4 EN 74 IN EEN FACULTATIEVE BIJZONDERE REGELING , DIE NAAR GELANG VAN DE DUUR VAN HET GEBRUIK ALS DIRECTIEWAGEN HET BTW-REGIME DIFFERENTIEERT ALS VOLGT :

– WANNEER DE NIEUWE , ALS DIRECTIEWAGEN GEBRUIKTE PERSONENAUTO WORDT VERKOCHT BINNEN ZES MAANDEN NADAT HIJ IN GEBRUIK IS GENOMEN , IS VOOR HET GEBRUIK ALS DIRECTIEWAGEN GEEN BELASTING VERSCHULDIGD ; KRACHTENS ARTIKEL 2 , PARAGRAAF 3 , VAN KONINKLIJK BESLUIT NR . 17 WORDT DE ALS DIRECTIEWAGEN GEBRUIKTE PERSONENAUTO OP HET TIJDSTIP VAN VERKOOP EVENWEL ALS NIEUW AANGEMERKT EN GELDT VOOR DE BEREKENING VAN DE OP DAT TIJDSTIP VERSCHULDIGDE BTW DE VOOR EEN NIEUW VOERTUIG GELDENDE CATALOGUSPRIJS ALS MAATSTAF VAN HEFFING .

– WANNEER DE NIEUWE , ALS DIRECTIEWAGEN GEBRUIKTE PERSONENAUTO MEER DAN ZES EN MINDER DAN ACHTTIEN MAANDEN NADAT HIJ IN GEBRUIK IS GENOMEN WORDT VERKOCHT , IS DE MAATSTAF VAN HEFFING VAN DE VOOR HET GEBRUIK ALS DIRECTIEWAGEN VERSCHULDIGDE BTW GELIJK AAN HET VERSCHIL TUSSEN DE TEN TIJDE VAN DE VERKOOP GELDENDE CATALOGUSPRIJS EN DE WERKELIJKE VERKOOPPRIJS . VOOR DE VERKOOP VAN DE AUTO GELDT DE BELASTINGREGELING VOOR TWEEDEHANDS PERSONENAUTO ‘ S .

– WANNEER DE NIEUWE , ALS DIRECTIEWAGEN GEBRUIKTE PERSONENAUTO NIET WORDT VERKOCHT BINNEN ACHTTIEN MAANDEN NADAT HIJ IN GEBRUIK IS GENOMEN , WORDT BTW GEHEVEN VOLGENS DE NORMALE REGELS NEERGELEGD IN ARTIKEL 12 , PARAGRAAF 1 , VAN HET BTW-WETBOEK ; IN DAT GEVAL WORDT DE VOOR HET GEBRUIK ALS DIRECTIEWAGEN VERSCHULDIGDE BTW BEREKEND OP BASIS VAN DE AANKOOPPRIJS OF DE KOSTPRIJS VAN DE DESBETREFFENDE NIEUWE PERSONENAUTO . 5 KRACHTENS ARTIKEL 2 , PARAGRAAF 3 , VAN KONINKLIJK BESLUIT NR . 17 WORDEN ALS NIEUW AANGEMERKT BINNENSLANDS GEBOUWDE PERSONENAUTO ‘ S ‘ ‘ DIE ER VOOR HET EERST AAN EEN GEBRUIKER WORDEN GELEVERD , OOK AL ZIJN ZE VOORDIEN GEDURENDE TEN HOOGSTE ZES MAANDEN GEBRUIKT DOOR DE CONSTRUCTEUR OF DOOR EEN IN BELGIE GEVESTIGDE HANDELAAR IN PERSONENAUTO ‘ S ‘ ‘ , ALSOOK INGEVOERDE PERSONENAUTO ‘ S , ‘ ‘ WANNEER NIET BEWEZEN IS DAT ZE GEDURENDE TEN MINSTE ZES MAANDEN ZIJN GEBRUIKT VOOR HET TIJDSTIP WAAROP DE BELASTING VERSCHULDIGD WORDT ‘ ‘ .

6 LUIDENS ARTIKEL 2 , PARAGRAAF 2 , VAN KONINKLIJK BESLUIT NR . 17 IS DE CATALOGUSPRIJS DE PRIJS DIE DOOR DE CONSTRUCTEUR DAN WEL – INDIEN DE CONSTRUCTEUR IN HET BUITENLAND GEVESTIGD IS – DOOR DE MANDATARIS DIE DAARTOE GEMACHTIGD IS , VRIJ WORDT BEPAALD VOOR DE VERKOOP AAN DE GEBRUIKER VAN NIEUWE PERSONENAUTO ‘ S VAN EEN ZELFDE TYPE , MET DE UITRUSTING EN HET TOEBEHOREN ERVAN .

7 KRACHTENS ARTIKEL 4 VAN VOORMELD BESLUIT MOETEN DE CATALOGUSPRIJS ALSOOK ALLE WIJZIGINGEN VAN DIE PRIJS TER KENNIS VAN DE DIRECTEUR-GENERAAL VAN DE BEVOEGDE ADMINISTRATIE WORDEN GEBRACHT .

8 BIJ BRIEF VAN 23 DECEMBER 1977 STELDE DE BELGISCHE REGERING DE COMMISSIE KRACHTENS ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN BINNEN DE ALDAAR GESTELDE TERMIJN IN KENNIS VAN VOORMELDE BEPALINGEN , ALS BIJZONDERE EN REEDS VOOR DE INWERKINGTREDING VAN BEDOELDE RICHTLIJN BESTAANDE MAATREGELEN .

9 DE COMMISSIE MAAKTE HAAR BEZWAREN TEGEN BOVENBEDOELDE BELGISCHE REGELING VOOR HET EERST KENBAAR IN EEN BRIEF VAN 21 NOVEMBER 1979 EN LEIDDE TEGEN HET KONINKRIJK BELGIE BIJ BRIEF VAN 20 MAART 1981 DE IN ARTIKEL 169 EEG-VERDRAG VOORZIENE PROCEDURE WEGENS NIET-NAKOMING IN , DIE TOT HET ONDERHAVIGE BEROEP HEEFT GELEID .

DE ONTVANKELIJKHEID

10 DE BELGISCHE REGERING HEEFT OM TE BEGINNEN DRIE MIDDELEN VAN NIET-ONTVANKELIJKHEID TEGEN HET BEROEP AANGEVOERD .

11 IN DE EERSTE PLAATS ZOU DE COMMISSIE TE LAAT OP DE KENNISGEVING VAN DE BELGISCHE REGELING HEBBEN GEREAGEERD ; DIT ZOU TOT RECHTSONDERZEKERHEID HEBBEN GELEID EN DE RECHTMATIGE BELANGEN VAN BELGIE HEBBEN GESCHAAD . NU ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN NIET UITDRUKKELIJK VOORZIET IN EEN TERMIJN OM EVENTUELE BEZWAREN KENBAAR TE MAKEN , ZOU DE COMMISSIE GEHOUDEN ZIJN , EEN REDELIJKE TERMIJN IN ACHT TE NEMEN , EVENALS IN HET KADER VAN DE PROCEDURES VOORZIEN IN ARTIKEL 27 , LEDEN 3 EN 4 , EN ARTIKEL 93 , LID 3 , EEG-VERDRAG . DE BELGISCHE REGERING VERWIJST DAARTOE NAAR HET ARREST VAN HET HOF VAN 11 DECEMBER 1973 ( ZAAK 120/73 , LORENZ , JURISPR . 1973 , BLZ . 1471 ).

12 DIT MIDDEL KAN NIET SLAGEN . DE IN ARTIKEL 27 , LEDEN 3 EN 4 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN GESTELDE TERMIJN EN DIE WELKE VOORTVLOEIT UIT DE UITLEGGING DOOR HET HOF VAN ARTIKEL 93 EEG-VERDRAG HEBBEN BETREKKING OP ZEER SPECIFIEKE SITUATIES ; IN EERSTBEDOELD GEVAL GAAT HET OM DE BEHANDELING VAN EEN VERZOEK OM TE MOGEN AFWIJKEN VAN DE BEPALINGEN VAN DE ZESDE RICHTLIJN , IN HET TWEEDE GEVAL BETREFT HET EEN PROCEDURE DIE TEN DELE UITDRUKKELIJK AFWIJKT VAN DIE VOORZIEN IN ARTIKEL 169 EEG-VERDRAG . BIJ GEBREKE VAN ZULK EEN AFWIJKENDE VOORZIENING VOOR MAATREGELEN DIE KRACHTENS ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DE RICHTLIJN MOGEN WORDEN GEHANDHAAFD , DIENT ARTIKEL 169 EEG-VERDRAG TOEPASSING TE VINDEN ; DAARBIJ HOEFT DE COMMISSIE NIET EEN BEPAALDE TERMIJN IN ACHT TE NEMEN . DE COMMISSIE HEEFT VERKLAARD DAT ZIJ IN CASU , MET GEBRUIKMAKING VAN DE HAAR DOOR ARTIKEL 169 EEG-VERDRAG TOEGEKENDE BEOORDELINGSBEVOEGDHEID , VAN OORDEEL WAS , MET HET ONDERZOEK NAAR DE TOELAATBAARHEID VAN DE BESTREDEN BELGISCHE MAATREGELEN TE MOETEN WACHTEN TOTDAT DE RICHLIJN IN ALLE LID-STATEN IN WERKING WAS GETREDEN . DAARMEE HEEFT ZIJ DIE BEOORDELINGSVRIJHEID NIET AANGEWEND OP EEN WIJZE DIE IN STRIJD IS MET HET VERDRAG .

13 IN DE TWEEDE PLAATS BETOOGT DE BELGISCHE REGERING , DAT DE COMMISSIE HAAR BEROEP TEN ONRECHTE OP ARTIKEL 11 VAN DE ZESDE RICHTLIJN HEEFT GEBASEERD , AANGEZIEN HET GEDING IN WERKELIJKHEID BETREKKING HEEFT OP DE VERENIGBAARHEID VAN DE BELGISCHE REGELING MET ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN EN DE COMMISSIE DEZE BEPALING IN DE CONCLUSIE VAN HAAR VERZOEKSCHRIFT ALS VOORWERP VAN HET GEDING HAD DIENEN AAN TE MERKEN .

14 OOK DIT MIDDEL MOET WORDEN VERWORPEN . IN DE OP 20 MAART 1981 TER KENNIS VAN DE BELGISCHE REGERING GEBRACHTE INGEBREKESTELLING IN DE ZIN VAN ARTIKEL 169 EN NADIEN IN HET MET REDENEN OMKLEED ADVIES GAF DE COMMISSIE DUIDELIJK TE KENNEN , DAT DE BELGISCHE MAATREGELEN HAARS INZIENS STRIJDIG WAREN MET ARTIKEL 11 VAN DE RICHTLIJN , AANGEZIEN ZIJ ( DE COMMISSIE ) NIET KON INSTEMMEN MET HET BEROEP OP ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DE RICHTLIJN . MITSDIEN KAN DE BELGISCHE REGERING ZICH IN DE WERKELIJKE STREKKING VAN HET GEDING NIET HEBBEN VERGIST .

15 DE BELGISCHE REGERING BETOOGT TENSLOTTE , DAT DE MIDDELEN DIE DE COMMISSIE IN DE ADMINISTRATIEVE PROCEDURE TEGEN DE BELGISCHE REGELING VOOR NIEUWE AUTO ‘ S HEEFT AANGEVOERD , NIET DE VEREISTE OVEREENSTEMMING VERTONEN MET DIE WELKE ZIJ THANS VOOR HET HOF AANVOERT ; HET EVENREDIGHEIDSBEGINSEL ZOU PAS IN HET VERZOEKSCHRIFT VOOR HET EERST TER SPRAKE ZIJN GEBRACHT .

16 DIT MIDDEL GAAT VOORBIJ AAN DE JURIDISCHE STREKKING VAN HET BETOOG VAN DE COMMISSIE . IN HAAR VERZOEKSCHRIFT BETOOGT DEZE , DAT DE IN ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN VOORZIENE MOGELIJKHEID , GELIJK IEDERE ANDERE SOORTGELIJKE BEPALING , AAN HET EVENREDIGHEIDSBEGINSEL IS ONDERWORPEN , EN DAT DE BELGISCHE MAATREGELEN KENNELIJK ONEVENREDIG ZIJN AAN HET GEREZEN PROBLEEM . DIT MIDDEL VORMT EEN EXACTE WEERGAVE VAN DE DOOR DE COMMISSIE TIJDENS DE ADMINISTRATIEVE PROCEDURE STANDVASTIG VERDEDIGDE REDENERING , DAT ARTIKEL 27 , LID 5 , NIET DE DRAAGWIJDTE HEEFT DIE DE BELGISCHE REGERING DAARAAN TOESCHRIJFT EN NIET GELDT VOOR NATIONALE MAATREGELEN DIE ZO ALGEMEEN ZIJN ALS DE ONDERHAVIGE .

17 NU DEZE MIDDELEN MOETEN WORDEN VERWORPEN , DIENT THANS DE ZAAK TEN GRONDE TE WORDEN ONDERZOCHT .

TEN GRONDE

18 TOT STAVING VAN HAAR BEROEP BETOOGT DE COMMISSIE DAT HET KONINKRIJK BELGIE , DOOR TER ZAKE VAN DE BELASTINGGRONDSLAG VAN DE BTW OVER NIEUWE , HETZIJ BINNENSLANDS GELEVERDE HETZIJ IN BELGIE INGEVOERDE PERSONENAUTO ‘ S , ALSMEDE OVER ZOGEHETEN ‘ ‘ DIRECTIEWAGENS ‘ ‘ EEN BIJZONDERE REGELING TE HANDHAVEN , INBREUK HEEFT GEMAAKT OP ARTIKEL 11 VAN DE ZESDE RICHTLIJN .

19 TUSSEN PARTIJEN STAAT VAST , DAT DE BETROKKEN BELGISCHE REGELING AFWIJKT VAN ARTIKEL 11 VAN DE ZESDE RICHTLIJN , WAARIN DE MAATSTAF VAN HEFFING IS GEREGELD . VOOR GOEDERENLEVERINGEN EN HET VERRICHTEN VAN DIENSTEN IN HET BINNENLAND BESTAAT DEZE HOOFDZAKELIJK UIT DE VERKREGEN OF DE TE VERKRIJGEN TEGENPRESTATIE , WAARBIJ REKENING WORDT GEHOUDEN MET ONDER MEER AAN DE KOPER OF DE ONTVANGER TOEGEKENDE PRIJSKORTINGEN EN -RABATTEN DIE ZIJN VERKREGEN OP HET TIJDSTIP WAAROP DE HANDELING WORDT VERRICHT . BIJ INVOER VAN GOEDEREN IS DE MAATSTAF VAN HEFFING DE PRIJS DIE IS OF MOET WORDEN BETAALD DOOR DE IMPORTEUR OF , INDIEN BEDOELDE PRIJS NIET DE ENIGE TEGENPRESTATIE VOOR HET INGEVOERDE GOED VORMT , DE NORMALE WAARDE OF OOK NOG , NAAR KEUZE VAN DE LID-STATEN , DE DOUANEWAARDE ZOALS VOORTVLOEIEND UIT DE GEMEENSCHAPSREGELING .

20 HET GEDING HEEFT BETREKKING OP DE VRAAG , OF DE BELGISCHE REGELING EEN ‘ ‘ BIJZONDERE AFWIJKENDE MAATREGEL ‘ ‘ IN DE ZIN VAN ARTIKEL 27 , LEDEN 1 EN 5 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN VORMT ER UIT DIEN HOOFDE MAG AFWIJKEN VAN ARTIKEL 11 .

21 ARTIKEL 27 , LID 5 , LUIDT ALS VOLGT :

‘ ‘ DE LID-STATEN DIE OP 1 JANUARI 1977 BIJZONDERE MAATREGELEN ALS BEDOELD IN LID 1 TOEPASTEN , MOGEN DEZE HANDHAVEN OP VOORWAARDE DAT ZIJ DE COMMISSIE VOOR 1 JANUARI 1978 VAN DE MAATREGELEN IN KENNIS STELLEN EN ONDER HET VOORBEHOUD DAT DIE MAATREGELEN , WANNEER ZIJ TEN DOEL HEBBEN DE BELASTINGHEFFING TE VEREENVOUDIGEN , VOLDOEN AAN DE IN LID 1 OMSCHREVEN VOORWAARDE . ‘ ‘

ARTIKEL 27 , LID 1 , WAARAAN IN LID 5 WORDT GEREFEREERD , BEPAALT :

‘ ‘ DE RAAD KAN OP VOORSTEL VAN DE COMMISSIE MET EENPARIGHEID VAN STEMMEN ELKE LID-STAAT MACHTIGEN , BIJZONDERE , VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE RICHTLIJN AFWIJKENDE MAATREGELEN TE TREFFEN TEN EINDE DE BELASTINGHEFFING TE VEREENVOUDIGEN OF BEPAALDE VORMEN VAN BELASTINGFRAUDE OF -ONTWIJKING TE VOORKOMEN . DE MAATREGELEN TOT VEREENVOUDIGING VAN DE BELASTINGHEFFING MOGEN GEEN NOEMENSWAARDIGE INVLOED HEBBEN OP HET BELASTINGBEDRAG DAT VERSCHULDIGD IS IN HET STADIUM VAN HET EINDVERBRUIK . ‘ ‘

22 VOLGENS DE COMMISSIE VALLEN DE ONDERHAVIGE NATIONALE MAATREGELEN NIET ONDER ARTIKEL 27 , LID 5 , OMDAT ZIJ TE ALGEMEEN ZIJN ; MET NAME VOOR NIEUWE PERSONENAUTO ‘ S STELLEN ZIJ IN DE BETROKKEN MARKTSECTOR DE IN ARTIKEL 11 NEERGELEGDE REGELING VRIJWEL GEHEEL BUITEN WERKING , ZODAT ZIJ ONEVENREDIG ZIJN AAN HET BEOOGDE DOEL . IMMERS OOK BIJ TOEPASSING VAN ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN DIENEN DE LID-STATEN ZICH TE HOUDEN AAN DE WEZENLIJKE BEGINSELEN EN DE OPZET VAN DE RICHTLIJN EN AAN DE ALGEMENE BEGINSELEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT , ZOALS HET EVENREDIGHEIDSBEGINSEL .

23 VOORTS VERWERPT DE COMMISSIE HET ARGUMENT , DAT DE BETROKKEN BEPALINGEN HUN RECHTVAARDIGING VINDEN IN HET STREVEN , BELASTINGFRAUDE OF -ONTWIJKING TE VOORKOMEN , EN DAT ZIJ DAADWERKELIJK MAATREGELEN TOT VEREENVOUDIGING VAN DE BELASTINGHEFFING VORMEN . IN IEDER GEVAL , ALDUS DE COMMISSIE , KUNNEN DIE DOELSTELLINGEN WORDEN BEREIKT MET VOOR DE MEESTE BELASTINGPLICHTIGEN MINDER BEZWARENDE MAATREGELEN , ZOALS CONTROLES WAARBIJ HET AANTAL NIEUWE DAN WEL TWEEDEHANDS AUTO ‘ S DIE EEN HANDELAAR IN VOORRAAD HEEFT , WORDT VERGELEKEN MET ZIJN VERKOOPCIJFERS .

24 VOLGENS DE BELGISCHE REGERING IS DE AFWIJKING VAN ARTIKEL 11 GEBASEERD OP ARTIKEL 27 , LID 5 , EN DERHALVE GEOORLOOFD . ZIJ BETOOGT DAT , VOOR ZOVER DE AFWIJKINGEN BETREKKING HEBBEN OP VEREENVOUDIGING VAN DE BELASTINGHEFFING , ZIJ DIENEN TE BEANTWOORDEN AAN HET IN ARTIKEL 27 , LID 1 , GESTELDE VEREISTE , DAT ZIJ GEEN NOEMENSWAARDIGE INVLOED HEBBEN OP HET BELASTINGBEDRAG DAT VERSCHULDIGD IS IN HET STADIUM VAN HET EINDVERBRUIK . VOOR NATIONALE MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN BELASTINGFRAUDE OF -ONTWIJKING ZOU DE RICHTLIJN DAARENTEGEN GEEN BEPERKENDE CRITERIA BEVATTEN ; MITSDIEN ZOU HIER VAN DE RICHTLIJN IN HAAR GEHEEL MOGEN WORDEN AFGEWEKEN , DUS OOK VAN DE IN ARTIKEL 11 GEREGELDE MAATSTAF VAN HEFFING , ZONDER DAT EEN BEROEP KAN WORDEN GEDAAN OP HET EVENREDIGHEIDSBEGINSEL OF ENIGE ANDERE BIJZONDERE VOORWAARDE .

25 VOLGENS DE BELGISCHE REGERING VOLDOET DE BESTREDEN REGELING EVENWEL AAN HET EVENREDIGHEIDSVEREISTE , AANGEZIEN IN DE AUTOMOBIELSECTOR OP GROTE SCHAAL WORDT GEFRAUDEERD . DE FRAUDE ZOU ONDER MEER BESTAAN IN VALSE AANGIFTE DOOR DE VERKOPER VAN DE PRIJS VAN NIEUWE WAGENS , INZONDERHEID WANNEER EEN INRUILWAGEN WORDT OVERGENOMEN , EN IN AFTREK VAN DOOR DE KOPER NOOIT BETAALDE VOORBELASTING . ZIJ ZOU IN AANZIENLIJKE MATE BIJDRAGEN TOT HET BEGROTINGSTEKORT EN DE MEDEDINGING VERVALSEN .

26 VOORTS REFEREERT DE BELGISCHE REGERING AAN EEN VERKLARING IN HET PROCES-VERBAAL VAN DE RAADSVERGADERING WAAROP DE ZESDE RICHTLIJN WERD VASTGESTELD , WAARIN EEN BEPALING DIE VOORZIET IN TOEPASSING VAN EEN MINIMUMBELASTINGGRONDSLAG UITDRUKKELIJK WORDT AANGEMERKT ALS EEN AFWIJKENDE MAATREGEL DIE KRACHTENS ARTIKEL 27 , LID 5 , MAG WORDEN GEHANDHAAFD . DIE VERKLARING LUIDT ALS VOLGT :

‘ ‘ DE RAAD EN DE COMMISSIE KOMEN OVEREEN DAT DE IN ARTIKEL 27 BEDOELDE MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN FRAUDE EN BELASTINGONTWIJKING OF TER VEREENVOUDIGING VAN DE BELASTINGHEFFING DIVERSE VORMEN KUNNEN AANNEMEN . ZIJ KUNNEN BIJVOORBEELD BESTAAN IN EEN SCHORSING VAN DE BELASTING IN EEN OF MEER STADIA WAARIN , INDIEN ER BELASTING ZOU ZIJN GEHEVEN , DE KOPER OF DE ONTVANGER TOCH TOT VOLLEDIGE AFTREK GERECHTIGD ZOUDEN ZIJN OF IN BEPALINGEN DIE BEOGEN EEN DOOR DE LID-STAAT ALS ONTERECHT AANGEMERKTE VERLAGING VAN DE MAATSTAF VAN HEFFING TE VOORKOMEN . ‘ ‘

MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN BEPAALDE VORMEN VAN BELASTINGFRAUDE OF -ONTWIJKING TER ZAKE VAN ZOWEL NIEUWE ALS DIRECTIEWAGENS

27 ER ZIJ VOORAF OP GEWEZEN , DAT DE BELGISCHE REGELING BETREFFENDE DE BELASTINGGRONDSLAG VOOR NIEUWE EN ZOGEHETEN DIRECTIEWAGENS DATEERT VAN VOOR DE HARMONISATIE VAN DE NATIONALE BEPALINGEN TER ZAKE BIJ WEGE VAN DE ZESDE RICHTLIJN . IN DEZE REGELING KON DERHALVE GEEN REKENING WORDEN GEHOUDEN MET DE BEGINSELEN VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE .

28 VOOR DE HANDHAVING VAN DERGELIJKE MAATREGELEN VOORZIET ARTIKEL 27 , LID 5 , IN DE PROCEDURELE VERPLICHTING VAN DE LID-STATEN , DE COMMISSIE VAN DIE MAATREGELEN IN KENNIS TE STELLEN ; DEZE VERPLICHTING HEEFT HET KONINKRIJK BELGIE NAAR BEHOREN VERVULD .

29 DE MEEGEDEELDE MAATREGELEN MOETEN VAN DIEN AARD ZIJN , DAT ZIJ BELASTINGFRAUDE OF -ONTWIJKING VOORKOMEN , DOCH MOGEN IN BEGINSEL SLECHTS AFWIJKEN VAN DE IN ARTIKEL 11 VASTGESTELDE BELASTINGGRONDSLAG , VOOR ZOVER ZULKS STRIKT NOODZAKELIJK IS TER BEREIKING VAN HET DOEL .

30 NIET BETWIST IS , DAT DE BELGISCHE REGERING OP GOEDE GRONDEN MOCHT AANNEMEN DAT ER IN DE AUTOMOBIELSECTOR EEN REEEL GEVAAR VOOR BELASTINGONTWIJKING OF -FRAUDE BESTAAT , WAARIN MAATREGELEN ALS DIE WELKE KRACHTENS ARTIKEL 27 VAN DE ZESDE RICHTLIJN MOGEN WORDEN GEHANDHAAFD , HUN RECHTVAARDIGING VINDEN . HET IS NIET UITGESLOTEN DAT ZULKE MAATREGELEN IN VOORKOMEND GEVAL BEPAALDE FORFAITAIRE ELEMENTEN KUNNEN BEHELZEN , MITS DEZE BIJZONDERE MAATREGELEN NIET VERDER VAN DE REGELING VAN ARTIKEL 11 AFWIJKEN DAN TER VOORKOMING VAN HET GEVAAR VAN ONTWIJKING OF FRAUDE NOODZAKELIJK IS .

31 DE BELGISCHE REGELING , DIE VOOR ALLE NIEUWE WAGENS UITGAAT VAN DE AAN DE BELGISCHE OVERHEID MEEGEDEELDE CATALOGUSPRIJS , WIJZIGT DE BELASTINGGRONDSLAG EVENWEL DERMATE INGRIJPEND EN ALGEMEEN , DAT NIET KAN WORDEN GEZEGD DAT ZIJ ZICH BEPAALT TOT DE AFWIJKINGEN DIE TER VOORKOMING VAN HET ONTWIJKINGS- OF FRAUDEGEVAAR NOODZAKELIJK ZIJN . ZO STAAT MET NAME NIET VAST , DAT HET TER VERWEZENLIJKING VAN HET BEOOGDE DOEL NOODZAKELIJK IS , DE BELASTBARE GRONDSLAG VAST TE STELLEN OP BASIS VAN DE BELGISCHE CATALOGUSPRIJS OF ALLE PRIJSKORTINGEN EN -RABATTEN ZO VOLSTREKT BUITEN BESCHOUWING TE LATEN ALS THANS HET GEVAL IS .

32 DIT HEEFT TOT GEVOLG DAT DE BESTREDEN MAATREGELEN ONEVENREDIG ZIJN MET HET BEOOGDE DOEL , DOORDAT ZIJ ALGEMEEN EN SYSTEMATISCH AFWIJKEN VAN DE REGELS VAN ARTIKEL 11 IN ZOVERRE ZIJ BETREKKING HEBBEN OP DE VERKOOP EN DE INVOER VAN ALLE NIEUWE PERSONENAUTO ‘ S , ZOWEL DIE WELKE RECHTSTREEKS VAN DE FABRIEK KOMEN ALS DIE WELKE REEDS GEDURENDE MINDER DAN ZES MAANDEN ZIJN GEBRUIKT .

33 MET BETREKKING TOT HET ARGUMENT VAN DE BELGISCHE REGERING DAT DE TOEPASSING VAN EEN MINIMUMMAATSTAF VAN HEFFING GEDEKT IS DOOR EEN VERKLARING IN HET PROCES-VERBAAL VAN DE RAAD , KAN WORDEN VOLSTAAN MET DE VASTSTELLING , DAT DEZE VERKLARING GEEN BIJZONDERHEID BEVAT DIE DE OPVATTING VAN DE BELGISCHE REGERING ZOU KUNNEN STAVEN .

34 DIENVOLGENS MOET WORDEN VASTGESTELD DAT HET KONINKRIJK BELGIE , DOOR ALS BIJZONDERE , VAN ARTIKEL 11 VAN DE ZESDE RICHTLIJN AFWIJKENDE MAATREGEL DE CATALOGUSPRIJS TE HANDHAVEN ALS MINIMUMMAATSTAF VAN HEFFING VAN DE BTW OP NIEUWE , BINNENSLANDS GELEVERDE DAN WEL INGEVOERDE PERSONENAUTO ‘ S , ZONDER DAT IS VOLDAAN AAN DE VOORWAARDEN VAN ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DEZE RICHTLIJN , DE KRACHTENS HET EEG-VERDRAG OP HEM RUSTENDE VERPLICHTINGEN NIET IS NAGEKOMEN .

MAATREGELEN TER VEREENVOUDIGING VAN DE BTW-INNING VOOR DIRECTIEWAGENS

35 VOOR ZOVER DE BETROKKEN MAATREGELEN DE CATALOGUSPRIJS EVENEENS ALS MAATSTAF VAN HEFFING HANTEREN TER ZAKE VAN DE VERKOOP VAN DIRECTIEWAGENS BINNEN ZES MAANDEN VANAF DE INGEBRUIKNEMING , KOMT HET NIET GERECHTVAARDIGD VOOR OM VANUIT HET OOGPUNT VAN VEREENVOUDIGING VAN DE BELASTINGHEFFING TOT EEN ANDERE BEOORDELING TE KOMEN . WAT DE BELGISCHE BELASTINGREGELING BETREFT TER ZAKE VAN HET GEBRUIK VAN DIRECTIEWAGENS DIE DOOR DE BELASTINGPLICHTIGE VOOR PRIVE-DOELEINDEN WORDEN BESTEMD , HEEFT DE COMMISSIE RECHTENS NIET GENOEGZAAM AANGETOOND DAT DEZE REGELING EEN ECHTE VEREENVOUDIGINGSMAATREGEL IS EN ZEKER WEL EEN NOEMENSWAARDIGE INVLOED HEEFT OP HET BTW-BEDRAG DAT VERSCHULDIGD IS IN HET STADIUM VAN HET EINDVERBRUIK .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

36 INGEVOLGE ARTIKEL 69 , PARAGRAAF 2 , VAN HET REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING MOET DE IN HET ONGELIJK GESTELDE PARTIJ IN DE KOSTEN WORDEN VERWEZEN . AANGEZIEN HET KONINKRIJK BELGIE OP DE VOORNAAMSTE PUNTEN IN HET ONGELIJK IS GESTELD , DIENT HET TE WORDEN VERWEZEN IN DE KOSTEN .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ,

RECHTDOENDE , VERKLAART :

1 . DOOR ALS BIJZONDERE , VAN ARTIKEL 11 VAN DE ZESDE RICHTLIJN AFWIJKENDE MAATREGEL DE CATALOGUSPRIJS TE HANDHAVEN ALS MAATSTAF VAN HEFFING VAN DE BTW OP PERSONENAUTO ‘ S , ZONDER DAT IS VOLDAAN AAN DE VOORWAARDEN VAN ARTIKEL 27 , LID 5 , VAN DEZE RICHTLIJN , IS HET KONINKRIJK BELGIE DE KRACHTENS HET EEG-VERDRAG OP HEM RUSTENDE VERPLICHTINGEN NIET NAGEKOMEN .

2.HET BEROEP WORDT VOOR HET OVERIGE VERWORPEN .

3.HET KONINKRIJK BELGIE WORDT VERWEZEN IN DE KOSTEN VAN DE PROCEDURE .

ECLI:EU:C:1984:152

Geplaatst in Arresten en getagd met , , , , , , , , , .