HvJ 11-10-2001 Adam C-267/99

HvJ Adam arrest

Het is aan elke lidstaat om, met inachtneming van het beginsel van neutraliteit van de BTW, te bepalen welke handelingen tot en met 31 december 1992 ingevolge artikel 12, lid 4, van de Zesde richtlijn voor een verlaagd tarief in aanmerking kwamen, en welke vanaf 1 januari 1993 ingevolge artikel 28, lid 2, sub e, van deze richtlijn (onderlinge aanpassing van de BTW-tarieven), daarvoor in aanmerking komen, en om die handelingen te definiëren.

De in bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn bedoelde vrije beroepen zijn activiteiten met een uitgesproken intellectueel karakter, die een grote bekwaamheid vereisen en waarvoor gewoonlijk specifieke en strikte beroepsregels gelden. Bij de uitoefening van een dergelijke activiteit is de persoonlijke factor van bijzonder belang en voor die uitoefening is in elk geval een grote autonomie bij het verrichten van de beroepshandelingen vereist.

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

11 oktober 2001 (1)

„Zesde BTW-richtlijn – Begrip vrij beroep – Beheerder van gebouwen in mede-eigendom”

In zaak C-267/99,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg (Luxemburg), in het aldaar aanhangig geding tussen

Christiane Adam, echtgenote Urbing,

en

Administration de l’enregistrement et des domaines,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: N. Colneric, kamerpresident, V. Skouris (rapporteur) en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,

advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

–    Chr. Urbing-Adam, vertegenwoordigd door F. Entringer, avocat,

–    Administration de l’enregistrement et des domaines, vertegenwoordigd door A. Kronshagen, avocat,

–    de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde als gemachtigde,

–    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en G. Berscheid als gemachtigden,

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 maart 2001,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij vonnis van 15 juli 1999, binnengekomen bij het Hof op 19 juli daaraanvolgend, heeft het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).
2.
    Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Chr. Urbing-Adam, van beroep beheerster van gebouwen in mede-eigendom, en de Luxemburgse Administration de l’enregistrement et des domaines (hierna: „Administration”) ter zake van het tarief van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) dat moet worden toegepast op de handelingen die Urbing-Adam tijdens de belastingjaren 1991 tot en met 1994 in het kader van haar beroep heeft verricht.De toepasselijke bepalingen

De Zesde richtlijn

De bepalingen van de Zesde richtlijn die betrekking hebben op het begrip „vrij beroep”

3.
    Volgens artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn kunnen de lidstaten gedurende de overgangsperiode „de handelingen, genoemd in bijlage F blijven vrijstellen onder de in de lidstaat vigerende voorwaarden”.
4.
    Bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn vermeldt het begrip vrij beroep. Deze bepaling luidt als volgt:„Diensten van auteurs, kunstenaars, vertolkers van kunstwerken, advocaten en andere beoefenaars van vrije beroepen, andere dan de medische en paramedische beroepen, voorzover het niet gaat om de in bijlage B van de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 bedoelde diensten.”

De bepalingen van de Zesde richtlijn inzake de tarieven

5.
    In de vóór 1 januari 1993 geldende versie bepaalde artikel 12 van de Zesde richtlijn, dat de tarieven regelt, in lid 4:„Bepaalde leveringen van goederen en bepaalde diensten kunnen echter aan hogere of lagere tarieven worden onderworpen. Een lager tarief wordt zodanig vastgesteld, dat het bij toepassing van dit tarief verkregen bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde het normaliter mogelijk maakt de overeenkomstig artikel 17 aftrekbare belasting over de toegevoegde waarde volledig af te trekken.”
6.
    Bij richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van richtlijn 77/388 (onderlinge aanpassing van de BTW-tarieven) (PB L 316, blz. 1), die uiterlijk op 31 december 1992 in nationaal recht moest zijn omgezet, is artikel 12, lid 4, eerste zin, van de Zesde richtlijn geschrapt, artikel 28, lid 2, opnieuw geredigeerd en een nieuwe bijlage H toegevoegd.
7.
    Het in casu relevante artikel 28, lid 2, sub e, van de Zesde richtlijn, in de versie van richtlijn 92/77, bepaalt:„De lidstaten die op 1 januari 1991 een verlaagd tarief toepasten voor andere dan de in bijlage H genoemde goederen en diensten, kunnen voor die goederen of diensten het verlaagde tarief of een van de twee in artikel 12, lid 3, bepaalde verlaagde tarieven toepassen, die echter niet lager mogen zijn dan 12 %.”
8.
    Bijlage H, die de lijst bevat van de leveringen van goederen en de diensten waarop verlaagde BTW-tarieven mogen worden toegepast, vermeldt de vrije beroepen als zodanig niet.Het nationale recht

De nationale BTW-regeling

9.
    Vóór 1 januari 1993 paste het Groothertogdom Luxemburg op de vrije beroepen een verlaagd BTW-tarief van 6 % toe.
10.
    Volgens artikel 40, punt 4, sub b, van de wet van 5 augustus 1969, zoals gewijzigd en aangevuld bij de wet van 12 februari 1979 (hierna: „BTW-wet”), is het verlaagd BTW-tarief immers, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die bij groothertogelijke verordening moeten worden vastgesteld, van toepassing op de diensten in het kader van de uitoefening van een vrij beroep.
11.
    Ingevolge artikel 4 van de groothertogelijke verordening van 7 maart 1980 tot vaststelling van de grenzen en voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd BTW-tarief, zijn de in artikel 40, punt 4, sub b, van de BTW-wet bedoelde diensten in het kader van de uitoefening van een vrij beroep, de diensten die behoren tot de activiteiten van een procureur, advocaat, notaris, gerechtsdeurwaarder, vermogensbeheerder, ingenieur, architect, landmeter, controleur, technicus, scheikundige, uitvinder, consultant, accountant, dierenarts, journalist, persfotograaf, tolk, vertaler en andere soortgelijke activiteiten, ongeacht of deze activiteiten als hoofd- of nevenactiviteit door natuurlijke of rechtspersonen worden uitgeoefend.
12.
    Overeenkomstig de in punt 7 van dit arrest vermelde communautaire regeling heeft het Groothertogdom Luxemburg met ingang van 1 januari 1993 voor de vrije beroepen een verlaagd BTW-tarief, „tussentarief”, van 12 % vastgesteld.
13.
    Artikel 40, punt 3, van de BTW-wet, in de versie van de begrotingswet van 20 december 1991, bepaalt dat het tussentarief van 12 % geldt voor de in bijlage C bij die wet genoemde goederen en diensten. Punt 8 van bijlage C heeft betrekking op diensten in het kader van de uitoefening van een vrij beroep.
14.
    Artikel 7, punt 1, van de groothertogelijke verordening van 21 december 1991 tot vaststelling van de grenzen en voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd, het extra verlaagd en het tussentarief van de BTW, definieert de in bijlage C, punt 8, bij de gewijzigde BTW-wet genoemde diensten in het kader van de uitoefening van een vrij beroep in dezelfde bewoordingen als artikel 4 van de groothertogelijke verordening van 7 maart 1980.De nationale regeling inzake de activiteit van beheerder
15.
    Volgens de gewijzigde wet van 16 mei 1975 houdende regeling van de mede-eigendom van gebouwen, zijn alle mede-eigenaars van een gebouw of van een groep van gebouwen waarvan het eigendomsrecht is verdeeld tussen verschillende personen, wier eigendomsaandeel zich opsplitst in een privaat en een gemeen deel, verplicht lid van een vereniging die hen wettelijk vertegenwoordigt en rechtspersoonlijkheid bezit.
16.
    Overeenkomstig de bepalingen van de groothertogelijke verordening van 13 juni 1975 houdende uitvoeringsmaatregelen voor de wet op de mede-eigendom, wordt de beheerder benoemd door de algemene vergadering van mede-eigenaars en kunnen zijn taken worden vervuld door iedere natuurlijke of rechtspersoon. De beheerder dient de uitvoering van de bepalingen van het reglement van mede-eigendom en van de besluiten van de algemene vergadering te verzekeren. Hij beheert het gebouw en draagt zorg voor de instandhouding, de bewaking en het onderhoud ervan. In dringende gevallen laat hij op eigen initiatief alle werken uitvoeren die noodzakelijk zijn voor het behoud van het gebouw. Hij vertegenwoordigt de vereniging buiten rechte alsook, in beginsel na toestemming van de algemene vergadering, in rechte.Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
17.
    Van mening dat het bij haar beroepsactiviteit om een vrij beroep ging, deed Urbing-Adam haar BTW-aangiften over de jaren 1991 en 1992 op basis van een verlaagd tarief van 6 % en over de jaren 1993 en 1994 op basis van een tussentarief van 12 %. De Administration, die zich op het standpunt stelde dat het bij de activiteit van Urbing-Adam niet om die van een „vermogensbeheerder” en dus niet om een vrij beroep, maar om een commerciële activiteit handelde, zond een naheffingsaanslag en paste op de betrokken handelingen het normale BTW-tarief van 15 % toe.
18.
    Urbing-Adam kwam hiertegen op voor het Tribunal d’arrondissement. Onder verwijzing naar de autonomie waarover een beheerder volgens de Luxemburgse regeling bij de uitoefening van zijn activiteit beschikt, stelde zij dat zij een vrij beroep uitoefende in de zin van artikel 4 van de groothertogelijke verordening van 7 maart 1980 en artikel 7 van de groothertogelijke verordening van 21 december 1991. Uit dien hoofde kwam zij haars inziens ingevolge artikel 40, punt 4, sub b, van de BTW-wet voor de jaren 1991 en 1992 in aanmerking voor het verlaagd tarief en ingevolge artikel 40, punt 3, van deze wet, in de versie van de begrotingswet van 20 december 1991, voor de jaren 1993 en 1994 voor het tussentarief.
19.
    De Administration weigerde evenwel om de activiteit van beheerder, zoals bedoeld in de Luxemburgse regeling, als een vrij beroep te beschouwen, stellende dat het om een andere activiteit dan die van vermogensbeheerder ging, voor de uitoefening ervan geen bijzondere bekwaamheid was vereist, en zij louter bestond uit het beheer van de gemeenschappelijke delen van een gebouw onder toezicht van de vergadering van mede-eigenaars.
20.
    Aangezien de Luxemburgse BTW-regeling geen definitie van het begrip vrij beroep bevat, maar alleen een opsomming van diverse activiteiten en „andere soortgelijke activiteiten” die worden beschouwd als activiteiten in het kader van de uitoefening van een vrij beroep, was het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg van oordeel dat voor de beslechting van het bij hem aanhangig gemaakte geschil de uitlegging van bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn nodig was. Derhalve heeft het het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:„1)    Is het begrip vrij beroep in de zin van bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, een autonoom gemeenschapsrechtelijk begrip?

2)    Zo ja, heeft het begrip vrij beroep betrekking op de beroepsactiviteit van een beheerder van gebouwen in mede-eigendom?”

De bevoegdheid van het Hof

21.
    Volgens de Administration zijn de bepalingen van artikel 28, lid 3, van de Zesde richtlijn en van bijlage F, punt 2, bij deze richtlijn, waarvan om uitlegging wordt gevraagd, in het hoofdgeding niet aan de orde, omdat zij BTW-vrijstellingen regelen, en niet de toepassing van een verlaagd BTW-tarief door de lidstaten. Dit laatste wordt geregeld bij de artikelen 12 en 28, lid 2, van de Zesde richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/77, en het is juist op basis van deze bepalingen dat het Groothertogdom Luxemburg vóór 1 januari 1993 een verlaagd tarief van 6 % en na deze datum een verlaagd tarief van 12 % heeft toegepast op de handelingen in het kader van de uitoefening van een vrij beroep. Voorts bevatten de in het hoofdgeding toepasselijke bepalingen van de Luxemburgse regeling geen verwijzing naar het gemeenschapsrecht.
22.
    De verwijzende rechterlijke instantie verzoekt het Hof dus om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van een begrip in een gemeenschapsrechtelijke bepaling die in het hoofdgeding kennelijk niet van toepassing is. Derhalve is het Hof – aldus de Administration – overeenkomstig de arresten van 18 oktober 1990, Dzodzi (C-297/88 en C-197/89, Jurispr. blz. I-3763, punt 40), 8 november 1990, Gmurzynska-Bscher (C-231/89, Jurispr. blz. I-4003, punten 18 en 19), en 17 juli 1997, Leur-Bloem (C-28/95, Jurispr. blz. I-4161, punt 26), niet bevoegd om op de gestelde vragen te antwoorden.
23.
    Volgens vaste rechtspraak staat het in het kader van de in artikel 234 EG voorgeschreven samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, uitsluitend aan de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie met name arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra, C-379/98, Jurispr. blz. I-2099, punt 38).
24.
    Nochtans heeft het Hof ook geoordeeld, dat het in uitzonderlijke gevallen aan hem staat om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht. Het Hof kan slechts weigeren een uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arrest PreussenElektra, reeds aangehaald, punt 39).
25.
    In casu hebben de gestelde vragen weliswaar betrekking op de uitlegging van het begrip vrij beroep in een bepaling van de Zesde richtlijn betreffende BTW-vrijstellingen, hoewel de draagwijdte van dit begrip in het hoofdgeding niet moet worden vastgesteld met het oog op een uitspraak over een BTW-vrijstelling, maar om het BTW-tarief vast te stellen dat op de activiteit van beheerder van toepassing is, en wel op grond van de Luxemburgse BTW-regeling.
26.
    Deze omstandigheden vormen op zich evenwel geen grond om te concluderen, dat de door de verwijzende rechterlijke instantie gevraagde uitlegging geen enkel verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding en dat het Hof derhalve niet bevoegd is om uitspraak te doen op de gestelde vragen.
27.
    Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk, dat wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor een interne situatie conformeert aan de in het gemeenschapsrecht gekozen oplossingen, teneinde in vergelijkbare situaties één enkele procedure te verzekeren, de Gemeenschap er stellig belang bij heeft dat ter vermijding van uiteenlopende uitlegging, de uit het gemeenschapsrecht overgenomen bepalingen of begrippen in de toekomst op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (zie met name arresten van 17 juli 1997, Giloy, C-130/95, Jurispr. blz. I-4291, punt 28, en 11 januari 2001, Kofisa Italia, C-1/99, Jurispr. blz. I-207, punt 32).
28.
    Dit geldt a fortiori wanneer de nationale wettelijke regeling, die een begrip gebruikt dat voorkomt in een gemeenschapsrechtelijke bepaling, werd vastgesteld om de richtlijn waarvan die bepaling deel uitmaakt, in nationaal recht om te zetten.
29.
    Dat het gemeenschapsrechtelijke begrip waarvan om uitlegging wordt gevraagd, in het kader van het nationale recht onder andere omstandigheden toepassing moet vinden dan de in de overeenkomstige gemeenschapsrechtelijke bepaling bedoelde omstandigheden, sluit in een dergelijk geval bijgevolg niet uit, dat er een verband bestaat tussen de gevraagde uitlegging en het voorwerp van het hoofdgeding.
30.
    De verwijzende rechterlijke instantie wijst er in haar vonnis op, dat „de [Luxemburgse] wettelijke regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde de desbetreffende communautaire richtlijnen omzet” en dat derhalve „[d]e Luxemburgse wettelijke regeling inzake het tarief dat van toepassing is op de activiteiten in het kader van de vrije beroepen, moet worden uitgelegd in overeenstemming met de communautaire bepalingen inzake de BTW”, in het bijzonder met bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn, waarin dit begrip voorkomt.
31.
    In die omstandigheden en gelet op de in de punten 27 tot en met 29 van dit arrest vermelde overwegingen, moet het betoog van de Administration dat er geen verband bestaat tussen de prejudiciële vragen en het voorwerp van het hoofdgeding, worden afgewezen.
32.
    Derhalve is het Hof bevoegd uitspraak te doen op de gestelde vragen.De prejudiciële vragen
33.
    Met haar twee vragen, die tezamen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen, of de in bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn bedoelde vrije beroepen een activiteit als die van beheerder van gebouwen in mede-eigendom omvatten.
34.
    Aangezien in het hoofdgeding de vraag aan de orde is, of een dergelijke activiteit voor de BTW-heffing op dezelfde wijze moet worden behandeld als de vrije beroepen die zijn onderworpen aan een tarief dat lager is dan het normale BTW-tarief, zij om te beginnen opgemerkt, dat de lidstaten op grond van artikel 12, lid 4, van de Zesde richtlijn, in de vóór richtlijn 92/77 geldende versie, verlaagde tarieven mochten toepassen op bepaalde leveringen van goederen en bepaalde diensten, en dat het de lidstaten die op 1 januari 1991 een verlaagd tarief toepasten voor andere dan de in bijlage H genoemde goederen en diensten, op grond van artikel 28, lid 2, sub e, van de Zesde richtlijn, in de versie van richtlijn 92/77, was toegestaan dit tarief te blijven toepassen, op voorwaarde dat het niet lager was dan 12 %. Vaststaat dat bijlage H de vrije beroepen als zodanig niet vermeldt.
35.
    Bijgevolg behoort het tot de bevoegdheid van de betrokken lidstaten om te bepalen welke handelingen ingevolge deze bepalingen van de Zesde richtlijn voor een verlaagd tarief in aanmerking kunnen komen, en om die handelingen te definiëren.
36.
    Bij de uitoefening van deze bevoegdheid moeten de lidstaten evenwel het beginsel van fiscale neutraliteit eerbiedigen. Dit beginsel verzet zich met name ertegen, dat soortgelijke goederen of diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de BTW ongelijk worden behandeld, zodat die goederen of diensten aan een uniform tarief moeten worden onderworpen (zie, in die zin, arrest van 3 mei 2001, Commissie/Frankrijk, C-481/98, Jurispr. blz. I-3369, punt 22).
37.
    Dit moet ook gelden voor de behandeling door het Groothertogdom Luxemburg van de vrije beroepen, die overeenkomstig de in punt 34 van dit arrest vermelde bepalingen van de Zesde richtlijn tot en met 31 december 1992 waren onderworpen aan een verlaagd tarief van 6 %, dat per 1 januari 1993 tot 12 % werd opgetrokken.
38.
    Wat de draagwijdte van het begrip vrij beroep betreft, zij vastgesteld dat de Zesde richtlijn dit begrip bezigt in bijlage F, punt 2, zonder evenwel een abstracte en algemene definitie te geven. Voorts kunnen overeenkomstig artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn, waarop bijlage F betrekking heeft, de in die bijlage genoemde handelingen gedurende de overgangsperiode onder de in de betrokken lidstaat vigerende voorwaarden worden vrijgesteld van BTW.
39.
    Teneinde de verwijzende rechter nuttige aanwijzingen te geven, dient evenwel te worden gewezen op bepaalde kenmerken van de vrije beroepen in de zin van bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft gesteld, zijn de in die bepaling genoemde vrije beroepen activiteiten die onder meer een uitgesproken intellectueel karakter hebben, een grote bekwaamheid vereisen en waarvoor gewoonlijk specifieke en strikte beroepsregels gelden. Voorts is bij de uitoefening van een dergelijke activiteit de persoonlijke factor van bijzonder belang en is voor die uitoefening in elk geval een grote autonomie bij het verrichten van de beroepshandelingen vereist.
40.
    Het staat aan de verwijzende rechter om uit te maken, of de activiteit van beheerder, zoals bedoeld in de relevante Luxemburgse regeling, gelet op die criteria als een vrij beroep moet worden beschouwd.
41.
    Mitsdien moet op de gestelde vragen worden geantwoord, dat het aan elke lidstaat is om, met inachtneming van het beginsel van neutraliteit van de BTW, te bepalen welke handelingen tot en met 31 december 1992 ingevolge artikel 12, lid 4, van de Zesde richtlijn voor een verlaagd tarief in aanmerking kwamen, en welke vanaf 1 januari 1993 ingevolge artikel 28, lid 2, sub e, van de Zesde richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/77, daarvoor in aanmerking komen, en om die handelingen te definiëren.De in bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn bedoelde vrije beroepen zijn activiteiten met een uitgesproken intellectueel karakter, die een grote bekwaamheid vereisen en waarvoor gewoonlijk specifieke en strikte beroepsregels gelden. Bij de uitoefening van een dergelijke activiteit is de persoonlijke factor van bijzonder belang en voor die uitoefening is in elk geval een grote autonomie bij het verrichten van de beroepshandelingen vereist.

Kosten

42.
    De kosten door de Deense regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

uitspraak doende op de door het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg bij vonnis van 15 juli 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Het is aan elke lidstaat om, met inachtneming van het beginsel van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde, te bepalen welke handelingen tot en met 31 december 1992 ingevolge artikel 12, lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, voor een verlaagd tarief in aanmerking kwamen, en welke vanaf 1 januari 1993 ingevolge artikel 28, lid 2, sub e, van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van richtlijn 77/388 (onderlinge aanpassing van de BTW-tarieven), daarvoor in aanmerking komen, en om die handelingen te definiëren.

De in bijlage F, punt 2, bij de Zesde richtlijn 77/388 bedoelde vrije beroepen zijn activiteiten met een uitgesproken intellectueel karakter, die een grote bekwaamheid vereisen en waarvoor gewoonlijk specifieke en strikte beroepsregels gelden. Bij de uitoefening van een dergelijke activiteit is de persoonlijke factor van bijzonder belang en voor die uitoefening is in elk geval een grote autonomie bij het verrichten van de beroepshandelingen vereist.

Colneric
Skouris

Cunha Rodrigues

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 oktober 2001.

De griffier

De president van de Tweede kamer

R. Grass

N. Colneric

1: Procestaal: Frans.

ECLI:EU:C:2001:534