HvJ 12-06-1979 Nederlandse Spoorwegen 126/78

Logo NS Nederlandse Spoorwegen

HvJ Nederlandse Spoorwegen arrest

1 . Als een vervoerder zich heeft verbonden om naast het vervoer van het goed de prijs van dat goed te innen alvorens het aan de geadresseerde af te leveren (remboursbeding), is de inning van die prijs een met betrekking tot het vervoer bijkomende dienst in de zin van bijlage B onder 5 Tweede Richtlijn.

2 . Voor de toepassing de btw hebben de lidstaten niet de vrijheid een bijkomende dienst, zoals de inning van het remboursbedrag, en de dienst van het vervoer van goederen afzonderlijk te behandelen.

3 . De nationale rechter heeft acht te slaan op art. 6 lid 2 Tweede Richtlijn jo. bijlage B onder 5.

ARREST VAN HET HOF VAN 12 JUNI 1979.

NV NEDERLANDSE SPOORWEGEN TEGEN STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN. – (” REMBOURSPROVISIE “). – (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN).

ZAAK NO. 126/78.

Trefwoorden


1 . FISCALE BEPALINGEN – HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN – OMZETBELASTING – GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE – AAN BTW ONDERWORPEN DIENSTVERRICHTINGEN – BIJKOMENDE DIENSTEN BIJ HET VERVOER VAN GOEDEREN – INNING VAN DE PRIJS VAN HET VERVOERDE GOED – BIJZONDERE BEHANDELING – ONTOELAATBAARHEID

( RICHTLIJN NR . 67/228 VAN DE RAAD , BIJLAGE B , ONDER 5 )

2 . FISCALE BEPALINGEN – HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN – OMZETBELASTING – GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE – AAN BTW ONDERWORPEN DIENSTVERRICHTINGEN – VRIJSTELLING DOOR DE LID-STATEN – VOORWAARDEN – BELASTING VAN BIJKOMENDE DIENSTEN BIJ HET VERVOER VAN GOEDEREN DWINGEND VOORGESCHREVEN

( RICHTLIJN NR . 67/228 VAN DE RAAD , ARTIKEL 6 , LID 2 , BIJLAGEN A , ONDER 10 , EN B , ONDER 5 )

Samenvatting


1 . INDIEN EEN VERVOERDER ZICH HEEFT VERBONDEN OM , NAAST HET VERVOER VAN HET GOED , DE PRIJS VAN DAT GOED TE INNEN ALVORENS HET AAN DE GEADRESSEERDE AF TE LEVEREN ( REMBOURSBEDING ), IS DE INNING VAN DIE PRIJS EEN MET BETREKKING TOT HET VERVOER BIJKOMENDE DIENST IN DE ZIN VAN BIJLAGE B , ONDER 5 , VAN RICHTLIJN NR . 67/228 VAN DE RAAD BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN VAN DE LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING . HIERUIT VOLGT DAT , VOOR DE TOEPASSING VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE , DE LID-STATEN NIET DE VRIJHEID HEBBEN DE INNING VAN DE PRIJS VAN HET VERVOERDE GOED EN DE DIENST BESTAANDE IN HET VERVOER VAN GOEDEREN , AFZONDERLIJK TE BEHANDELEN .

2 . DE BEPALING ‘ ‘ AD ARTIKEL 6 , LID 2 ‘ ‘ , OPGENOMEN ONDER PUNT 10 VAN BIJLAGE A BIJ RICHTLIJN NR . 67/228 , MOET RESTRICTIEF WORDEN UITGELEGD TEN EINDE DE SAMENHANG VAN HET NIEUWE GEMEENSCHAPPELIJKE STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE EN DE DAARMEE BEOOGDE NEUTRALITEIT TEN AANZIEN VAN DE MEDEDINGING TE WAARBORGEN . HIERUIT VOLGT DAT EEN LID-STAAT ENKEL IN EEN UITZONDERINGSGEVAL , WAARIN EEN INBREUK OP DE NEUTRALITEIT TEN AANZIEN VAN DE MEDEDINGING GERECHTVAARDIGD IS , IN ZIJN WETGEVING EEN VRIJSTELLING VAN EEN DER IN BIJLAGE B GENOEMDE DIENSTEN KAN OPNEMEN . MITSDIEN KAN DE INNING VAN DE PRIJS VAN HET VERVOERDE GOED , ALS BIJKOMENDE DIENST BIJ HET GOEDERENVERVOER ZELF , NIET WORDEN VRIJGESTELD VAN DE OMZETBELASTING , OMDAT ZIJ WORDT GENOEMD IN PUNT 5 VAN VOORNOEMDE BIJLAGE B , DIE DE LIJST BEVAT VAN DE DIENSTEN WAAROP VOLGENS ARTIKEL 6 VAN DE RICHTLIJN DE BELASTING DWINGEND VAN TOEPASSING IS . DE NATIONALE RECHTER HEEFT DERHALVE ACHT TE SLAAN OP ARTIKEL 6 , LID 2 , JUNCTO BIJLAGE B , ONDER 5 .

Partijen


IN ZAAK 126/78 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

NV NEDERLANDSE SPOORWEGEN , TE UTRECHT ,

EN

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN ,

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE UITLEGGING VAN ENKELE BEPALINGEN VAN DE TWEEDE RICHTLIJN NR . 67/228/EEG VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 ( PB 1967 , BLZ . 1303 ) BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID- STATEN INZAKE OMZETBELASTING – STRUCTUUR EN WIJZE VAN TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ,

Overwegingen van het arrest


1 BIJ ARREST VAN 24 MEI 1978 , INGEKOMEN TER GRIFFIE VAN HET HOF OP 2 JUNI 1978 , HEEFT DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VERSCHEIDENE PREJUDICIELE VRAGEN GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN DE TWEEDE RICHTLIJN NR . 67/228/EEG VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING – STRUCTUUR EN WIJZE VAN TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ( PB 1967 , BLZ . 1303 ), EN INZONDERHEID VAN BIJLAGE B , PUNT 5 , VAN DEZE RICHTLIJN .

2 DEZE VRAGEN ZIJN GESTELD IN EEN GESCHIL TUSSEN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN EN EEN VERVOERONDERNEMING DIE REMBOURSZENDINGEN VERZORGT WAARVOOR BOVEN DE VRACHTPRIJS EEN AFZONDERLIJKE VERGOEDING , DE ZOGENOEMDE ‘ ‘ REMBOURSPROVISIE ‘ ‘ , WORDT BEDONGEN ; DE OVER DEZE PROVISIE BEREKENDE OMZETBELASTING WORDT DOOR DE ONDERNEMING IN HAAR BELASTINGAANGIFTEN AFGETROKKEN . DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN MEENT EVENWEL DAT OVER GENOEMDE PROVISIE , ALS VERGOEDING VOOR ‘ ‘ HET INNEN VAN GELDVORDERINGEN ‘ ‘ , GEEN BELASTING DIENT TE WORDEN BEREKEND , ZULKS INGEVOLGE ARTIKEL 11 , SUB J , VAN DE NEDERLANDSE WET VAN 28 JUNI 1968 ‘ ‘ HOUDENDE VERVANGING VAN DE BESTAANDE OMZETBELASTING DOOR EEN OMZETBELASTING VOLGENS HET STELSEL VAN HEFFING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ‘ ‘ .

3 MET HET OOG OP DIT GESCHIL HEEFT DE NATIONALE RECHTER IN DE EERSTE PLAATS DE VOLGENDE VRAAG GESTELD :

‘ ‘ IS , INDIEN EEN VERVOERDER ZICH HEEFT VERBONDEN OM NAAST HET VERVOER VAN HET GOED DE PRIJS VAN DAT GOED TE INNEN ALVORENS HET AAN DE GEADRESSEERDE AF TE LEVEREN ( REMBOURSBEDING ), DE INNING VAN DIE PRIJS EEN MET BETREKKING TOT HET VERVOER BIJKOMENDE DIENST IN DE ZIN VAN BIJLAGE B , ONDER 5 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING?

‘ ‘

4 VOOR DE BEANTWOORDING VAN DEZE VRAAG ZIJ ALLEREERST HERINNERD AAN HET DOEL EN DE STRUCTUUR VAN DE RICHTLIJNEN INZAKE DE OMZETBELASTING , DIE GEBASEERD ZIJN OP DE ARTIKELEN 99 EN 100 VAN HET VERDRAG , BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN IN HET BELANG VAN DE INSTELLING OF DE WERKING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT .

5 NA EEN AANTAL STUDIES HEEFT DE RAAD IN EEN EERSTE RICHTLIJN ( NR . 67/227 VAN 11 APRIL 1967 ; PB 1967 , BLZ . 1301 ) VOOR ALLE LID-STATEN EEN GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE AANVAARD , DAARBIJ OVERWEGENDE DAT

A ) DE VOORNAAMSTE DOELSTELLING VAN HET VERDRAG IS HET INSTELLEN , IN HET KADER VAN EEN ECONOMISCHE UNIE , VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT WAARIN EEN GEZONDE MEDEDINGING BESTAAT EN WAARVAN DE KENMERKEN ANALOOG ZIJN AAN DIE VAN EEN BINNENLANDSE MARKT ,

B ) DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING OP CUMULATIEVE CASCADESTELSELS BERUSTTEN , WAARDOOR DE MEDEDINGING WERD VERVALST EN HET VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN EN DIENSTEN IN DE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT WERD BELEMMERD .

6 DIT STELSEL HEEFT DE VERDIENSTE ‘ ‘ VAN DE GROOTSTE MATE VAN EENVOUD EN NEUTRALITEIT ‘ ‘ WANNEER DE BELASTING ZO ALGEMEEN MOGELIJK WORDT GEHEVEN EN HET TOEPASSINGSGEBIED ERVAN ALLE FASEN VAN PRODUKTIE EN DISTRIBUTIE , ZOMEDE HET GEBIED VAN DE DIENSTEN OMVAT .

7 DE VERVANGING VAN DE CUMULATIEVE CASCADESTELSELS DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE MOET IN EEN EERSTE ETAPPE , ZELFS INDIEN DE TARIEVEN EN STELSELS NIET TEGELIJKERTIJD WORDEN GEHARMONISEERD , LEIDEN TOT NEUTRALITEIT TEN AANZIEN VAN DE MEDEDINGING IN DIE ZIN , DAT BINNEN ELK LAND OP SOORTGELIJKE GOEDEREN DEZELFDE BELASTINGDRUK ZAL RUSTEN , ONGEACHT DE LENGTE VAN DE PRODUKTIE- EN DISTRIBUTIEKETEN .

8 BIJ EEN TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD – NR . 67/228 , EVENEENS VAN 11 APRIL 1967 – IS EEN LIJST VAN DIENSTEN VASTGESTELD WAAROP HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL INGEVOLGE ARTIKEL 6 , LID 2 , VAN DE RICHTLIJN DWINGEND VAN TOEPASSING IS , OM DE NEUTRALITEIT TEN AANZIEN VAN DE MEDEDINGING TUSSEN DE LID-STATEN TE WAARBORGEN EN DE BETROKKEN VERSCHILLEN GELEIDELIJK TE BEPERKEN OF AF TE SCHAFFEN , TEN EINDE DE NATIONALE STELSELS VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE STEEDS NADER TOT ELKAAR TE DOEN KOMEN . IN DEZE LIJST , OPGENOMEN IN BIJLAGE B VAN DE RICHTLIJN EN HIERVAN EEN INTEGREREND DEEL VORMEND , WORDT ONDER 5 GENOEMD : ‘ ‘ HET VERVOER EN DE OPSLAG VAN GOEDEREN , ALSMEDE DE BIJKOMENDE DIENSTEN ‘ ‘ .

9 HET PROBLEEM IN CASU IS DUS , OF IN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE , DAT INGEVOLGE GENOEMDE TWEEDE RICHTLIJN IN ALLE LID-STATEN VERPLICHT IS VANAF 1 JANUARI 1972 – DE DATUM WAAROP DE LID-STATEN DE BEPALINGEN VAN DE RICHTLIJN MOESTEN GAAN TOEPASSEN – , DE INNING VAN DE PRIJS VAN DE VERVOERDE GOEDEREN AL DAN NIET ALS EEN MET BETREKKING TOT HET VERVOER BIJKOMENDE DIENST IS TE BESCHOUWEN .

10 BEZIET MEN DE OVEREENKOMST TOT AFLEVERING VAN GOEDEREN ONDER REMBOURS IN HET LICHT VAN DE DOELSTELLINGEN VAN DE RICHTLIJNEN BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING , DAN MOET DEZE VRAAG BEVESTIGEND WORDEN BEANTWOORD .

11 IMMERS , SPREKENDE VAN ‘ ‘ EEN VERVOERDER ( DIE ) ZICH HEEFT VERBONDEN OM NAAST HET VERVOER VAN HET GOED DE PRIJS VAN DAT GOED TE INNEN ALVORENS HET AAN DE GEADRESSEERDE AF TE LEVEREN ( REMBOURSBEDING ) ‘ ‘ , BESCHRIJFT DE NATIONALE RECHTER EEN OVEREENKOMST WELKE BETREKKING HEEFT OP TWEE DIENSTEN , WAARVAN DE TWEEDE ( HET REMBOURSBEDING ) DOOR DE WIL VAN PARTIJEN ZOZEER MET DE EERSTE ( HET VERVOER ) IS VERBONDEN , DAT DE ENE DIENST NIET ZONDER DE ANDERE KAN WORDEN VERRICHT : HET VERVOERDE GOED MAG DOOR DE VERVOERDER ENKEL AAN DE GEADRESSEERDE WORDEN AFGELEVERD WANNEER DE LAATSTE DE DOOR DE VERZENDER BEPAALDE PRIJS VAN HET GOED AAN DE EERSTE TER HAND STELT ; WORDT ER NIET BETAALD , DAN MAG DE VERVOERDER HET GOED NIET AAN DE GEADRESSEERDE AFLEVEREN .

12 HIERUIT VOLGT DUS DAT , WAAR DE VERRICHTING VAN DIE DIENSTEN ONSPLITSBAAR IS , HET TER VERWEZENLIJKING VAN DE DOELSTELLING VAN DE BTW-RICHTLIJNEN – NEUTRALITEIT TEN AANZIEN VAN DE MEDEDINGING – NOODZAKELIJK IS DE INNING VAN DE PRIJS VAN DE VERVOERDE GOEDEREN TE BESCHOUWEN ALS EEN MET BETREKKING TOT HET VERVOER BIJKOMENDE DIENST , TEN EINDE DEZE ALDUS IN ALLE LID-STATEN TE ONDERWERPEN AAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE , DE GELIJKHEID VAN BEHANDELING TUSSEN DE VERSCHILLENDE WIJZEN VAN VERVOER TE BEWERKSTELLIGEN EN TE WAARBORGEN DAT DEZE DIENST IN ALLE LID-STATEN OP DEZELFDE WIJZE WORDT BELAST .

13 IN HET ANDERE GEVAL , DAT WIL ZEGGEN INDIEN DE INNING VAN DE PRIJS VAN DE VERVOERDE GOEDEREN NIET ALS EEN MET BETREKKING TOT HET VERVOER BIJKOMENDE DIENST WERD BESCHOUWD , ZOU ELKE LID-STAAT ZICH WEER VRIJ VOELEN OM DEZE DIENSTVERRICHTING ONDER REMBOURS ALS EEN ZELFSTANDIGE DIENST TE BELASTEN , EN DAARBIJ ZELFS DE WIJZE VAN VERVOER IN AANMERKING KUNNEN NEMEN .

14 OP DE EERSTE VRAAG MOET MITSDIEN WORDEN GEANTWOORD DAT INDIEN EEN VERVOERDER ZICH HEEFT VERBONDEN OM NAAST HET VERVOER VAN HET GOED DE PRIJS VAN DAT GOED TE INNEN ALVORENS HET AAN DE GEADRESSEERDE AF TE LEVEREN ( REMBOURSBEDING ), DE INNING VAN DIE PRIJS EEN MET BETREKKING TOT HET VERVOER BIJKOMENDE DIENST IS IN DE ZIN VAN BIJLAGE B , ONDER 5 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING .

15 DE TWEEDE VRAAG VAN DE NATIONALE RECHTER LUIDT ALS VOLGT :

‘ ‘ ZO JA , HEBBEN DE LID-STATEN DE VRIJHEID OM VOOR DE TOEPASSING VAN DE OMZETBELASTING EEN BIJKOMENDE DIENST ALS DE VOORNOEMDE INNING VAN HET REMBOURSBEDRAG IN DIER VOEGE AFZONDERLIJK TE BEHANDELEN , DAT DE IN DE BIJLAGE B , ONDER 5 , GENOEMDE DIENSTEN VAN VERVOER EN OPSLAG VAN GOEDEREN NIET VAN DE HEFFING VAN OMZETBELASTING WORDEN VRIJGESTELD , DOCH WEL DE BIJKOMENDE DIENST VAN INNING?

‘ ‘

16 HET ANTWOORD OP DE EERSTE VRAAG , DAT UITGAAT VAN DE DOELSTELLINGEN VAN DE RICHTLIJNEN BETREFFENDE DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE , BRENGT MEE DAT DEZE TWEEDE VRAAG ONTKENNEND MOET WORDEN BEANTWOORD .

17 VOLLEDIGHEIDSHALVE ZIJ ECHTER GEWEZEN OP PUNT 10 VAN BIJLAGE A , AD ARTIKEL 6 , LID 2 , VAN DE EERSTE BTW-RICHTLIJN , DAT LUIDT : ‘ ‘ DE LID-STATEN ZIEN ER IN DE GROOTST MOGELIJKE MATE VAN AF DE IN BIJLAGE B OPGESOMDE DIENSTEN VRIJ TE STELLEN ‘ ‘ . DEZE TEKST , WAARIN DUS DE LID-STATEN WORDT AANBEVOLEN ‘ ‘ IN DE GROOTST MOGELIJKE MATE ‘ ‘ TE VOORKOMEN DAT VRIJSTELLING WORDT VERLEEND VOOR DIENSTEN WAAROP HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN TOEPASSING IS , MOET RESTRICTIEF WORDEN UITGELEGD OM DE SAMENHANG VAN HET NIEUWE STELSEL EN DE DAARMEE BEOOGDE NEUTRALITEIT TEN AANZIEN VAN DE MEDEDINGING TE WAARBORGEN . HIERUIT VOLGT DAT EEN LID-STAAT ENKEL IN EEN UITZONDERINGSGEVAL , WAARIN EEN INBREUK OP DE NEUTRALITEIT TEN AANZIEN VAN DE MEDEDINGING GERECHTVAARDIGD IS , IN ZIJN WETGEVING EEN VRIJSTELLING VAN EEN DER IN BIJLAGE B GENOEMDE DIENSTEN KAN OPNEMEN .

18 NU GEEN ENKEL ARGUMENT IN DIE ZIN NAAR VOREN IS GEBRACHT , MOET WORDEN GECONCLUDEERD DAT DE BIJKOMENDE DIENST VAN INNING VAN DE PRIJS NIET VAN DE OMZETBELASTING KAN WORDEN VRIJGESTELD , OMDAT ZIJ WORDT GENOEMD IN PUNT 5 VAN BIJLAGE B , DIE DE LIJST BEVAT VAN DE DIENSTEN WAAROP VOLGENS ARTIKEL 6 VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN 4 APRIL 1967 DE BELASTING DWINGEND VAN TOEPASSING IS .

19 HIERMEE IS TEGELIJKERTIJD HET ANTWOORD OP DE VIERDE VRAAG GEGEVEN , DIE GESTELD IS VOOR HET GEVAL DE TWEEDE VRAAG ONTKENNEND ZOU WORDEN BEANTWOORD – WAT HET GEVAL IS – , AANGEZIEN ZIJ ERTOE STREKT TE VERNEMEN OF DE NATIONALE RECHTER ACHT HEEFT TE SLAAN OP ARTIKEL 6 , LID 2 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN JUNCTO HET BEPAALDE IN BIJLAGE B , ONDER 5 . DEZE VRAAG MOET DUS BEVESTIGEND WORDEN BEANTWOORD .

20 DE DERDE VRAAG KOMT IN HAAR BEIDE ONDERDELEN IN WEZEN HIEROP NEER , ONDER WELKE OMSTANDIGHEDEN EEN LID-STAAT DE IN ARTIKEL 16 VAN DE TWEEDE RICHTLIJN BEDOELDE RAADPLEGINGSPROCEDURE MOET TOEPASSEN . VOLGENS DIT ARTIKEL DIENT EEN LID-STAAT ENKEL TOT RAADPLEGING OVER TE GAAN IN DE GEVALLEN DIE IN DE BEPALINGEN VAN DE RICHTLIJN ZIJN VOORZIEN .

21 DEZE RAADPLEGING IS EVENWEL NIET VOORZIEN BIJ DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 6 , LID 2 , EN BIJLAGE B , ONDER 5 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN . DE DERDE VRAAG BEHOEFT MITSDIEN GEEN ANTWOORD .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

22 DE KOSTEN DOOR DE NEDERLANDSE REGERING , DE REGERING VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND , EN DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN . TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING IS DE PROCEDURE ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN , ZODAT DE NATIONALE RECHTER OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ,

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BIJ DIENS ARREST VAN 24 MEI 2978 GESTELDE VRAGEN , VERKLAAR VOOR RECHT :

1 . INDIEN EEN VERVOERDER ZICH HEEFT VERBONDEN OM NAAST HET VERVOER VAN HET GOED DE PRIJS VAN DAT GOED TE INNEN ALVORENS HET AAN DE GEADRESSEERDE AF TE LEVEREN ( REMBOURSBEDING ), IS DE INNING VAN DIE PRIJS EEN MET BETREKKING TOT HET VERVOER BIJKOMENDE DIENST IN DE ZIN VAN BIJLAGE B , ONDER 5 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING .

2 . VOOR DE TOEPASSING VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE HEBBEN DE LID-STATEN NIET DE VRIJHEID EEN BIJKOMENDE DIENST , ZOALS DE INNING VAN HET REMBOURSBEDRAG , EN DE DIENST VAN HET VERVOER VAN GOEDEREN AFZONDERLIJK TE BEHANDELEN .

3 . DE NATIONALE RECHTER HEEFT ACHT TE SLAAN OP ARTIKEL 6 , LID 2 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN JUNCTO BIJLAGE B , ONDER 5 .

ECLI:EU:C:1979:150

Geplaatst in Arresten en getagd met , , , , , , , , , , , , , , , , , .