HvJ 12-07-2001 Welthgrove C-102/00

HvJ Welthgrove arrest

De inmenging van een holding in het beheer van haar dochtervennootschappen vormt slechts een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn wanneer zij gepaard gaat met handelingen die aan de BTW zijn onderworpen op grond van artikel 2 van die richtlijn.

BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)

12 juli 2001 (1)

„Artikel 104, lid 3, Reglement voor de procesvoering –

Artikel 4 van Zesde BTW-richtlijn – Economische activiteit –

Inmenging van holding in beheer van dochtervennootschappen”

In zaak C-102/00,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland), in het aldaar aanhangige geding tussen

Welthgrove BV

en
Staatssecretaris van Financiën,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4, artikel 11, A, lid 1, sub a, en artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1),

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann en L. Sevón (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,

griffier: R. Grass,

na de verwijzende rechterlijke instantie te hebben meegedeeld dat het Hof van plan is overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij een met redenen omklede beschikking,

na de in artikel 20 van ’s Hofs Statuut-EG bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht hun eventuele opmerkingen daarover in te dienen,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1.
    Bij arrest van 28 april 1999, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2000, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4, artikel 11, A, lid 1, sub a, en artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).
2.
    Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Welthgrove BV (hierna: „Welthgrove”) en de Staatssecretaris van Financiën over het recht van een holding om de eerder over verrichtingen betaalde belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) af te trekken.De gemeenschapsregeling
3.
    Ingevolge artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn zijn leveringen van goederen en diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de BTW onderworpen, en zijn niet-economische activiteiten derhalve van het toepassingsgebied van die belasting uitgesloten. Volgens artikel 4, lid 1, van die richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd ieder die zelfstandig een van de in lid 2 van dit artikel omschreveneconomische activiteiten verricht. Het begrip „economische activiteiten” omvat volgens artikel 4, lid 2, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter en met name de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
4.
    Blijkens het verwijzingsarrest is Welthgrove een tussenholding die deelnemingen heeft in een aantal binnen de Europese Unie gevestigde vennootschappen die plastic verpakkingsmiddelen vervaardigen.
5.
    In het voor het hoofdgeding relevante tijdvak had Welthgrove geen personeel in dienst. De leden van haar Board of Directors hielden zich bezig met actieve begeleiding van haar dochtervennootschappen, doch Welthgrove bracht voor die activiteiten geen vergoeding in rekening. Wel ontving zij dividend van haar dochtervennootschappen.
6.
    Welthgrove bracht in datzelfde tijdvak op haar aangifte een bedrag van 8 114 NLG aan BTW in aftrek. De Nederlandse belastingadministratie was van oordeel dat Welthgrove niet deelnam aan het economisch verkeer en derhalve geen recht had op aftrek van de BTW, en besloot om die reden dit bedrag na te heffen. Op een door Welthgrove ingediend bezwaarschrift bevestigde de Nederlandse belastingadministratie haar beslissing.
7.
    Welthgrove stelde daartegen beroep in bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage (Nederland), dat het beroep verwierp. Het Gerechtshof stelde allereerst vast dat Welthgrove zich in de zin van het arrest van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C-60/90, Jurispr. blz. I-3111), moeit in het beheer van de vennootschappen waarin zij deelneemt. Verder verklaarde het dat het door Welthgrove ontvangen dividend als de vergoeding voor dat moeien moet worden beschouwd. Ten slotte oordeelde het dat die werkzaamheden van BTW zijn vrijgesteld ingevolge deNederlandse bepaling waarbij artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn is geïmplementeerd.
8.
    Welthgrove stelde bij de Hoge Raad der Nederlanden beroep in cassatie in. De Hoge Raad der Nederlanden heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:„1)    Dient, gelet op het arrest Polysar – in het bijzonder op de rechtsoverwegingen 13 en 14 daarvan -, ingeval een moedervennootschap zich moeit in het beheer van een dochtervennootschap, het van die dochtervennootschap ontvangen dividend te worden aangemerkt als een tegenprestatie van dat moeien, in de zin van artikel 11, A, lid 1, aanhef en sub a, van de Zesde richtlijn?

2)    Zo het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, brengt het enkele feit dat belanghebbende zich moeit in het beheer van haar dochtervennootschappen, zoals bedoeld in rechtsoverweging 14 van het arrest Polysar, mee dat belanghebbende is aan te merken als belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn?

3)    Zo het antwoord op de eerste of de tweede vraag bevestigend luidt, valt genoemd moeien onder de uitzondering van artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn, te weten het daar genoemde beheer?”

9.
    Bij brief van 14 december 2000 heeft de griffie van het Hof een kopie van het arrest van 14 november 2000, Floridienne en Berginvest (C-142/99, Jurispr. blz. I-9567), aan de verwijzende rechter toegestuurd met het verzoek te laten weten of hij, gelet op dat arrest, zijn prejudiciële verwijzing wenst te handhaven.
10.
    Bij brief van 10 januari 2001 heeft de Hoge Raad der Nederlanden het Hof laten weten dat het zijn eerste prejudiciële vraag intrekt, maar de tweede en de derde vraag handhaaft. Hij wijst erop dat, anders dan de holdings waarvan de handelwijze in het reeds aangehaalde arrest Floridienne en Berginvest is onderzocht, Welthgrove zich in het beheer van haar dochtervennootschappen moeit zonder dat dit gepaard gaat met handelingen die aan de BTW zijn onderworpen op grond van artikel 2 van de Zesde richtlijn.De tweede vraag
11.
    Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een holding die zich gewoon moeit in het beheer van haar dochtervennootschappen, een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn verricht.
12.
    Vaststaat in dit verband dat het antwoord op die vraag duidelijk kan worden afgeleid uit de rechtspraak, zodat overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering dient te worden beslist bij een met redenen omklede beschikking.
13.
    Volgens vaste rechtspraak moet artikel 4 van de Zesde richtlijn aldus worden uitgelegd dat een holdingvennootschap wier enig doel is de deelneming in andere ondernemingen, zonder dat deze vennootschap zich rechtstreeks of indirect moeit in het beheer van die ondernemingen, onverminderd de rechten van deze holdingvennootschap als aandeelhouder of vennoot, niet de hoedanigheid van BTW-plichtige heeft, zodat zij volgens artikel 17 van de Zesde richtlijn geen recht op aftrek heeft (zie met name de reeds aangehaalde arresten Polysar Investments Netherlands, C-60/90, punt 17, en Floridienne en Berginvest, punt 17).
14.
    Blijkens de rechtspraak berust deze conclusie onder meer op de vaststelling dat het enkele verwerven en het enkele houden van aandelen niet is te beschouwen als een economische activiteit in de zin van de Zesde richtlijn, die aan de betrokkene dehoedanigheid van belastingplichtige verleent. De financiële deelneming in andere ondernemingen als zodanig is immers niet aan te merken als exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, omdat het eventuele dividend, de opbrengst van deze deelneming, voortspruit uit de loutere eigendom van het goed (zie arresten van 22 juni 1993, Sofitam, C-333/91, Jurispr. blz. I-3513, punt 12, en 6 februari 1997, Harnas & Helm, C-80/95, Jurispr. blz. I-745, punt 15).
15.
    Het Hof heeft echter geoordeeld dat dit anders ligt wanneer de deelneming gepaard gaat met een zich rechtstreeks of indirect moeien in het beheer van de vennootschappen waarin wordt deelgenomen, onverminderd de rechten die de houder van de deelnemingen als aandeelhouder of vennoot heeft (reeds aangehaalde arresten Polysar Investments Netherlands, punt 14, en Floridienne en Berginvest, punt 18).
16.
    In punt 19 van het reeds aangehaalde arrest Floridienne en Berginvest heeft het Hof daaruit afgeleid dat een dergelijke inmenging in het beheer van de dochtervennootschappen, die gepaard gaat met handelingen die aan de BTW zijn onderworpen op grond van artikel 2 van de Zesde richtlijn, als een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van die richtlijn moet worden beschouwd.
17.
    Hieruit volgt dat een holding die zich gewoon moeit in het beheer van haar dochtervennootschappen zonder handelingen te verrichten die aan de BTW zijn onderworpen op grond van artikel 2 van de Zesde richtlijn, niet kan worden geacht een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn te verrichten.
18.
    Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de inmenging van een holding in het beheer van haar dochtervennootschappen slechts een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn vormt wanneer zij gepaard gaat met handelingen die aan de BTW zijn onderworpen op grond van artikel 2 van die richtlijn.De derde vraag
19.
    De derde is alleen gesteld voor het geval dat de tweede vraag bevestigend zou worden beantwoord. Gelet op het antwoord op laatstgenoemde vraag behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.Kosten
20.
    De kosten door de Nederlandse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 28 april 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:

De inmenging van een holding in het beheer van haar dochtervennootschappen vormt slechts een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, wanneer zijgepaard gaat met handelingen die aan de BTW zijn onderworpen op grond van artikel 2 van die richtlijn.

Luxemburg, 12 juli 2001.

De griffier

De president van de Eerste kamer

R. Grass

M. Wathelet

1: Procestaal: Nederlands.

ECLI:EU:C:2001:416

Geplaatst in Arresten en getagd met , .