HvJ 12-11-1998 Institute of the Motor Industry C-149/97

HvJ Institute of the Motor Industry arrest

Bij een instelling met doeleinden van syndicale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de Zesde richtlijn gaat het om een organisatie die primair tot doel heeft de collectieve belangen van haar leden — ongeacht of het gaat om werknemers, werkgevers, beoefenaars van vrije beroepen dan wel ondernemers die een bepaalde economische activiteit ontplooien — te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties.

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

12 november 1998 (1)

„BTW — Vrijstellingen — Instellingen zonder winstoogmerk met doeleinden van syndicale aard”

In zaak C-149/97,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het VAT and Duties Tribunal, London (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen

The Institute of the Motor Industry

en

Commissioners of Customs & Excise,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn (rapporteur), kamerpresident, G. F. Mancini, J. L. Murray, H. Ragnemalm en K. M. Ioannou, rechters,

advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

—    The Institute of the Motor Industry, vertegenwoordigd door P. Duffy, QC, geïnstrueerd door C. Mainprice, solicitor,

—    de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door K. P. E. Lasok, QC, en P. J. E. Whipple, barrister,

—    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van The Institute of the Motor Industry, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 24 maart 1998,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 mei 1998,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij beschikking van 7 april 1997, binnengekomen bij het Hof op 17 april daaraanvolgend, heeft het VAT and Duties Tribunal, London, krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „richtlijn”).
2.
    Die vraag is gerezen in een geding tussen The Institute of the Motor Industry (hierna: „Institute”) en de Commissioners of Customs & Excise over de toepassing van een vrijstelling van BTW voor groep 9 van bijlage 9 bij de VAT Act 1994 (wet van 1994 inzake de BTW).
3.
    Bijlage 9 bij de VAT Act 1994 verleent, wat groep 9 betreft, vrijstelling van BTW aan „vakbonden en beroepsorganisaties”. Voor zover hier van belang, luidt die bijlage als volgt:„1.    Dienstverlening aan haar leden en daarmee verband houdende leveringen van goederen, die enkel verband houden met haar doelstellingen en die zonder andere betaling dan een lidmaatschapscontributie beschikbaar zijn, door een van de volgende instellingen zonder winstoogmerk:

a)    een vakbond (.trade-union‘) of een andere organisatie van personen, met als voornaamste doel om namens de leden over hun arbeidsvoorwaarden te onderhandelen;

b)    een beroepsvereniging, waarvan het lidmaatschap geheel of voornamelijk beperkt is tot degenen die een voor de uitoefening van het betrokken beroep geschikte bekwaamheid bezitten of willen verwerven;

c)    een vereniging met als voornaamste doel kennisvermeerdering op een bepaald gebied of bevordering van de deskundigheid in verband met beroepen of functies die door haar leden werden of worden uitgeoefend;

d)    (…)”

4.
    Het Institute is een vrijwillige vereniging van personen die werkzaam zijn in de detailverkoop van motorvoertuigen.
5.
    Bij beschikking van 15 januari 1996 beslisten de Commissioners of Customs & Excise, dat het Institute niet voldeed aan de voorwaarden voor de in bijlage 9 bij de VAT Act 1994 bedoelde vrijstelling, zodat over de diensten die het voor zijn leden als tegenprestatie voor hun jaarlijkse bijdragen verrichtte, BTW moest worden voldaan.
6.
    Het Institute kwam tegen die beschikking op voor het VAT and Duties Tribunal, London.
7.
    In zijn verwijzingsbeschikking stelt het Tribunal zich op het standpunt, dat het Institute niet binnen het toepassingsgebied van de bijlage bij de VAT Act 1994 valt. Naar het oordeel van het Tribunal kan het Institute niet worden beschouwd als een „beroepsvereniging” in de zin van punt 1, sub b, van die bijlage voor groep 9, omdat de leden ervan te sterk uiteenlopende activiteiten verrichten. Voorts is het Institute geen vereniging in de zin van punt 1, sub c, van bijlage 9, omdat het niet bijdraagt tot kennisvermeerdering op een bepaald gebied of tot bevordering van de deskundigheid. Ten slotte valt het Institute niet onder punt 1, sub a, van bijlage 9, omdat het geen „trade-union” is met als voornaamste doel om namens de leden over hun arbeidsvoorwaarden te onderhandelen.
8.
    Het Institute betoogde voor de nationale rechter, dat het een syndicale organisatie is in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de richtlijn en dat zijn diensten en goederenleveringen derhalve zijn vrijgesteld van BTW.
9.
    Genoemde bepaling luidt als volgt:„1.    Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

(…)

l)    diensten en nauw daarmee samenhangende goederenleveringen ten behoeve van hun leden in het collectief belang, tegen een statutair vastgestelde contributie door instellingen zonder winstoogmerk met doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, vaderlandslievende, levensbeschouwelijke, filantropische of staatsburgerlijke aard, mits deze vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden;

(…)”

10.
    De verwijzende rechter is van oordeel, dat, gezien de gewone betekenis van de in de Engelse versie van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de richtlijn gebezigde term „trade-union”, de diensten en goederenleveringen van het Institute niet op grond van die bepaling kunnen worden vrijgesteld van BTW.
11.
    Hij wijst er evenwel op, dat de term „syndical” in de Franse versie en de equivalenten daarvan in enkele andere taalversies een ruimere betekenis lijken te hebben dan de term „trade-union” in de Engelse versie en de equivalenten daarvan in andere taalversies.
12.
    Derhalve vraagt de nationale rechter zich af, of het Institute onder artikel 13, A, lid 1, sub l, van de richtlijn valt. Van mening voorts, dat de vrijstelling van de diensten en goederenleveringen van het Institute niet tot concurrentievervalsing kan leiden, heeft het VAT and Duties Tribunal besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:„Zijn, in het licht van de feitelijke vaststellingen in de punten 3 tot en met 19 en 21 van de beschikking van het Tribunal en onder omstandigheden als beschreven in punt 21 [zie de samenvatting hierna], de diensten verleend door een dergelijke vereniging, die een instelling zonder winstoogmerk is, vrijgesteld van BTW, omdat zij, waar de vereniging behoort tot de .organisations with aims of a (…) trade-union (…) nature‘ [.instellingen (…) met doeleinden van (…) syndicale (…) aard‘], onder de werkingssfeer van artikel 13 A, lid 1, sub l, van de Zesde richtlijn vallen?”

Kort samengevat wordt in punt 21 uiteengezet, dat de vereniging een vrijwillige vereniging is van personen die werkzaam zijn in de detailverkoop van motorvoertuigen. Het primaire doel van die vereniging is de verhoging van de kwaliteit van de arbeid van haar leden, de verbetering van de carrièremogelijkheden binnen de verschillende sectoren van de bedrijfstak, alsmede

de daaruit voortvloeiende versterking van de publieke perceptie van de bedrijfstak en het daarin werkzame personeel. De vereniging tracht dit doel te bereiken door te voldoen aan de vraag van de sector naar vakbekwaamheid op alle niveaus, door erkenning van op verwerving van die vakbekwaamheid gerichte cursussen (van andere instellingen), door uitreiking van prijzen na afloop van die cursussen en door haar leden in categorieën in te delen, door de verspreiding van informatie waardoor de leden op de hoogte blijven van ontwikkelingen in de bedrijfstak en in hun vak, en door het houden van een register van arbeidsbemiddeling.

13.
    Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen, of met een instelling zonder winstoogmerk met doeleinden van syndicale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de richtlijn, een vereniging als het Institute wordt bedoeld.
14.
    Om te beginnen zij vastgesteld, dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 33 tot en met 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de termen die in sommige taalversies van die bepaling worden gebruikt om de uitdrukking „doeleinden van syndicale aard” weer te geven, iets anders kunnen betekenen dan de in andere taalversies gebezigde termen.
15.
    Zo doelen de in verscheidene versies, waaronder de Engelse, gebezigde termen („aims of a trade-union nature”) in wezen op de doeleinden van vakbonden, terwijl onder de termen die in andere versies, waaronder de Franse, worden gebruikt („objectifs de nature syndicale”), ook de doeleinden vallen van beroepsverenigingen die geen vakbond zijn.
16.
    Volgens vaste rechtspraak kan de in een van de taalversies van een gemeenschapsbepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen; evenmin kan er in zoverre voorrang aan worden toegekend boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immersonverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie arrest van 27 maart 1990, Cricket St Thomas, C-372/88, Jurispr. blz. I-1345, punten 18 en 19).
17.
    Daarbij moet eraan worden herinnerd, dat de bewoordingen waarin de in artikel 13 van de richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat omzetbelasting wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (arrest van 15 juni 1989, Stichting Uitvoering Financiële Acties, 348/87, Jurispr. blz. 1737, punt 13).
18.
    Voorts moet worden bedacht, dat artikel 13, A, van de richtlijn voorziet in vrijstelling van BTW voor bepaalde activiteiten van algemeen belang. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft beklemtoond (arrest van 11 juli 1985, Commissie/Duitsland, 107/84, Jurispr. blz. 2655, punt 17, en arrest Stichting Uitvoering Financiële Acties, reeds aangehaald, punt 12), stelt die bepaling niet alle activiteiten van algemeen belang vrij, maar enkel die welke er zeer gedetailleerd worden opgesomd en omschreven.
19.
    Gelet op een en ander moet worden vastgesteld, dat een instelling zonder winstoogmerk, die de bevordering van de belangen van haar leden ten doel heeft zonder daartoe de collectieve belangen van de leden te behartigen en hen te vertegenwoordigen bij de centrale instanties waar te hunnen aanzien beslissingen worden genomen, niet kan worden geacht doeleinden van syndicale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de richtlijn na te streven.
20.
    De term „syndicaal” in die bepaling doelt immers specifiek op een organisatie die primair tot doel heeft de collectieve belangen van haar leden — ongeacht of het gaat om werknemers, werkgevers, beoefenaars van vrije beroepen dan welondernemers die een bepaalde economische activiteit ontplooien — te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties.
21.
    Een instelling zonder winstoogmerk, die als voornaamste doel heeft de collectieve belangen van haar leden te behartigen en hen te vertegenwoordigen, voldoet derhalve aan het criterium „activiteit van algemeen belang”, dat ten grondslag ligt aan de in artikel 13, A, lid 1, sub l, van de richtlijn opgesomde vrijstellingen, doordat zij haar leden in staat stelt in onderhandelingen met derden te worden gehoord en druk uit te oefenen.
22.
    Het staat ter beoordeling van de verwijzende rechter, of, gelet op voorgaande overwegingen, een vereniging als het Institute een instelling met doeleinden van syndicale aard is in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de richtlijn.
23.
    Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat het bij een instelling met doeleinden van syndicale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de richtlijn gaat om een organisatie die primair tot doel heeft de collectieve belangen van haar leden — ongeacht of het gaat om werknemers, werkgevers,beoefenaars van vrije beroepen dan wel ondernemers die een bepaalde economische activiteit ontplooien — te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties.Kosten
24.
    De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is deprocedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het VAT and Duties Tribunal, London, bij beschikking van 7 april 1997 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Bij een instelling met doeleinden van syndicale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub l, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, gaat het om een organisatie die primair tot doel heeft de collectieve belangen van haar leden — ongeacht of het gaat om werknemers, werkgevers, beoefenaars van vrije beroepen dan wel ondernemers die een bepaalde economische activiteit ontplooien — te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties.

Kapteyn

Mancini

Murray

Ragnemalm

Ioannou

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 november 1998.

De griffier

De president van de Zesde kamer

R. Grass

P. J. G. Kapteyn

1: Procestaal: Engels.

ECLI:EU:C:1998:536