HvJ 13-03-2008 Securenta C-437/06

HvJ Securenta arrest

1)      Wanneer een belastingplichtige zowel economische – belaste of vrijgestelde – activiteiten verricht als niet-economische activiteiten, die buiten de werkingssfeer vallen van de Zesde richtlijn, is de btw over de kosten verbonden aan de uitgifte van aandelen en atypische stille deelnemingen slechts aftrekbaar voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit van de belastingplichtige in de zin van artikel 2, lid 1, van deze richtlijn.

2)      De vaststelling van de methoden en criteria voor de verdeling van de betaalde voorbelasting tussen economische en niet-economische activiteiten in de zin van de Zesde richtlijn behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten, die bij de uitoefening van deze bevoegdheid rekening moeten houden met het doel en de systematiek van deze richtlijn en daarbij een berekeningsmethode moeten bepalen die objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gedane kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze twee activiteiten.

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

13 maart 2008 (*)

„Zesde btw-richtlijn – Belastingplichtige die tegelijkertijd, belaste of vrijgestelde, economische activiteiten en niet-economische activiteiten verricht – Recht op aftrek van betaalde voorbelasting – Kosten verbonden aan uitgifte van aandelen en atypische deelnemingen – Verdeling van betaalde voorbelasting volgens economische aard van activiteit – Berekening van pro rata voor toepassing van aftrek”

In zaak C‑437/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Niedersächsische Finanzgericht (Duitsland) bij beslissing van 5 oktober 2006, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2006, in de procedure

Securenta Göttinger Immobilienanlagen und Vermögensmanagement AG

tegen

Finanzamt Göttingen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), E. Juhász, J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters,

advocaat-generaal: J. Mazák,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Securenta Göttinger Immobilienanlagen und Vermögensmanagement AG, vertegenwoordigd door R. Jouvenal, Rechtsanwalt,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en C. Blaschke als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes en R. Laires als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door Z. Bryanston-Cross als gemachtigde, bijgestaan door P. Harris, barrister,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2007,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, lid 1, en 17, lid 5, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Securenta Göttinger Immobilienanlagen und Vermögensmanagement AG (hierna: „Securenta”) en het Finanzamt Göttingen (hierna: „Finanzamt”) over de omvang van het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”).

Rechtskader

Communautaire regeling

3        Artikel 2 van de Zesde richtlijn bepaalt:

„Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:

1.      de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

4        Artikel 4 van de Zesde richtlijn bevat de volgende definities:

„1. Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

2.      De in lid 1 bedoelde economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

[…]”

5        Artikel 13, B, van de Zesde richtlijn bepaalt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[…]

d)      de volgende handelingen:

[…]

5.      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren […] […]”

6        Artikel 17 van de Zesde richtlijn bepaalt:

„[…]

2.      Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken:

a)      de belasting over de toegevoegde waarde, welke verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere belastingplichtige verrichte of te verrichten diensten;

b)      de belasting over de toegevoegde waarde, welke verschuldigd of voldaan is voor ingevoerde goederen;

c)      de belasting over de toegevoegde waarde, welke overeenkomstig artikel 5, lid 7, sub a, en artikel 6, lid 3, verschuldigd is.

3.      De lidstaten verlenen eveneens aan iedere belastingplichtige recht op aftrek of op teruggaaf van de in lid 2 bedoelde belasting over de toegevoegde waarde, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor:

a)      door de belastingplichtige in het buitenland verrichte handelingen in het kader van de in artikel 4, lid 2, bedoelde economische activiteiten, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland plaats zouden vinden;

[…]

5.      Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor handelingen […] waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen […] waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor dat gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde, dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (pro rata).

Dit pro rata wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.

De lidstaten kunnen evenwel:

a)      de belastingplichtige toestaan een pro rata te bepalen voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening, indien voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding wordt gevoerd;

b)      de belastingplichtige verplichten voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening een pro rata te bepalen en voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding te voeren;

c)      de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens het gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan;

d)      de belastingplichtige toestaan of verplichten de aftrek toe te passen volgens de in de eerste alinea vastgestelde regel voor alle goederen en diensten die zijn gebruikt voor alle daarin bedoelde handelingen;

e)      bepalen dat, wanneer de belasting over de toegevoegde waarde die niet door de belastingplichtige kan worden afgetrokken, onbeduidend is, hiermee geen rekening wordt gehouden.

[…]”

7        Artikel 19 van de Zesde richtlijn bepaalt:

„1.      Het pro rata voor de toepassing van de aftrek, als bedoeld in artikel 17, lid 5, eerste alinea, is de uitkomst van een breuk, waarvan:

–         de teller bestaat uit het totale bedrag van de per jaar berekende omzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de handelingen waarvoor overeenkomstig artikel 17, leden 2 en 3, recht op aftrek bestaat, en

–        de noemer bestaat uit het totale bedrag van de per jaar berekende omzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de handelingen die in de teller zijn opgenomen, alsmede die waarvoor geen recht op aftrek bestaat. […]

Het pro rata wordt op jaarbasis vastgesteld, uitgedrukt in een percentage en op de hogere eenheid afgerond.

2.      In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt voor de berekening van het pro rata buiten beschouwing gelaten de omzet met betrekking tot de leveringen van investeringsgoederen welke door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt. Tevens wordt buiten beschouwing gelaten de omzet met betrekking tot de […] handelingen ter zake van onroerende goederen en […] financiële handelingen. […]

3.      Het voorlopige pro rata voor een bepaald jaar is gelijk aan het pro rata dat op grond van de handelingen van het voorgaande jaar werd berekend. Indien een dergelijke basis ontbreekt of niet relevant is, wordt het pro rata door de belastingplichtige onder toezicht van de belastingdiensten aan de hand van zijn eigen prognoses voorlopig geraamd. De lidstaten kunnen evenwel hun huidige regelingen handhaven.

De aftrek die op grond van het voorlopige pro rata heeft plaatsgevonden wordt herzien nadat voor elk jaar in het daarop volgende jaar het definitieve pro rata is vastgesteld.”

Nationale regeling

8        Volgens § 1, lid 1, Umsatzsteuergesetz 1993 (wet van 1993 inzake omzetbelasting) (BGBl. 1993 I, blz. 565; hierna: „UStG”) zijn de handelingen die een ondernemer op het nationale grondgebied onder bezwarende titel in het kader van zijn onderneming verricht, aan de btw onderworpen.

9        Overeenkomstig § 4, lid 8, sub e en f, UStG zijn vrijgesteld handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake waardepapieren alsmede handelingen en bemiddeling inzake aandelen in vennootschappen en andere persoonsverenigingen.

10      § 15 UStG bepaalt:

„1)      De ondernemer kan de volgende voorbelasting aftrekken:

1.      de in facturen […] afzonderlijk vermelde belasting over leveringen en diensten die door andere ondernemingen voor zijn onderneming zijn verricht […];

2.      de omzetbelasting die is voldaan bij de invoer van goederen die voor zijn onderneming zijn ingevoerd […];

3.      de belasting over de communautaire verwerving van goederen voor zijn onderneming,

[…]

2)      Van de aftrek van voorbelasting is uitgesloten de belasting over de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van goederen alsmede over de overige dienstverrichtingen die de ondernemer voor de volgende handelingen gebruikt:

1.      belastingvrije handelingen,

[…]

4)      Gebruikt de ondernemer een voor zijn onderneming geleverd, ingevoerd of intracommunautair verworven goed of een andere door hem ontvangen dienstverrichting slechts gedeeltelijk ter uitvoering van handelingen die de aftrek van voorbelasting uitsluiten, dan is het gedeelte van de desbetreffende voorbelasting dat economisch kan worden toegerekend aan deze handelingen, niet aftrekbaar. De ondernemer kan de niet-aftrekbare deelbedragen via een objectieve schatting vaststellen.

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Securenta was tijdens het in het hoofdgeding omstreden jaar 1994 actief in de aankoop, het beheer en de exploitatie van onroerende goederen, effecten alsmede allerhande deelnemingen en beleggingen. Deze vennootschap bracht het voor deze activiteiten noodzakelijke kapitaal met een beroep op het openbare spaarwezen samen door aandelen en atypische stille deelnemingen uit te geven. Aldus nam zij als vennootschap die een beroep op het openbare spaarwezen doet, een groot aantal stille vennoten op. Deze vennoten brachten kapitaal in dat Securenta herinvesteerde.

12      In 1994 realiseerde Securenta een belastbare omzet van 2 959 800 DEM. Het totale omzetcijfer van Securenta bedroeg 6 480 006 DEM. Onder dat bedrag vielen dividenden van 226 642 DEM en inkomsten uit de verkoop van effecten van 1 389 930 DEM, ofwel in totaal 1 616 572 DEM. Van de voorbelasting – een totaalbedrag van 6 838 535 DEM – was het grootste deel – een bedrag van 6 161 679 DEM – niet toe te rekenen aan welbepaalde in een later stadium verrichte handelingen.

13      Tijdens de administratieve procedure tot vaststelling van de fiscale verplichtingen van Securenta heeft deze vennootschap verklaard dat het volledige bedrag aan betaalde voorbelasting over de kosten die verband hielden met de verwerving van nieuw kapitaal, aftrekbaar was aangezien de uitgifte van aandelen had gediend tot versterking van haar kapitaal en deze handeling haar economische activiteit in het algemeen had bevorderd.

14      Het Finanzamt heeft de aftrek geweigerd van de betaalde voorbelasting over de kosten voor de uitgifte van atypische stille deelnemingen (een bedrag van 4 171 424 DEM) alsmede van de betaalde voorbelasting over de door Securenta verrichte verhuurhandelingen (een bedrag van 676 856 DEM). De betaalde voorbelasting die niet rechtstreeks verband hield met welbepaalde in een later stadium verrichte handelingen, heeft het Finanzamt dan begroot op 1 990 254 DEM. Op deze basis heeft het Finanzamt een gedeelte bepaald met een verdeelsleutel van ongeveer 45 %, die was verkregen door toepassing van een criterium van de omvang van de gedane beleggingen, zodat de aftrekbare voorbelasting 1 567 616 DEM bedroeg en voor 1994 een bedrag van 1 123 647 DEM moest worden terugbetaald.

15      Daarop heeft Securenta beroep in rechte ingesteld tegen deze beslissing. Bij arrest van 18 oktober 2001 heeft het Niedersächsische Finanzgericht het beroep verworpen.

16      Securenta heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Bundesfinanzhof, dat bij arrest van 18 november 2004 het arrest van het Niedersächsische Finanzgericht heeft vernietigd.

17      Het Niedersächsische Finanzgericht, dat opnieuw was geadieerd, heeft alsdan de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      In het geval dat een belastingplichtige tegelijkertijd ondernemingsactiviteiten en niet-ondernemingsactiviteiten verricht, wordt het recht op aftrek van de voorbelasting dan bepaald naar de verhouding van de belastbare en belaste handelingen enerzijds en de belastbare en vrijgestelde handelingen anderzijds […], of is aftrek van de voorbelasting enkel toegestaan voor zover de aan de uitgifte van aandelen en stille deelnemingen verbonden kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit […] in de zin van artikel 2, lid 1, van de [Zesde] richtlijn […]?

2)      Voor het geval dat de aftrek van de voorbelasting enkel is toegestaan voor zover de aan de uitgifte van aandelen en stille deelnemingen verbonden kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit: dient de verdeling van de voorbelasting in een ondernemingsdeel en een niet-ondernemingsdeel volgens een zogenoemde ,verdeelsleutel op basis van de investeringen’ te worden verricht of is […] met overeenkomstige toepassing van artikel 17, lid 5, van de [Zesde] richtlijn […] ook een ,verdeelsleutel op basis van de omzet’ juist?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Bij het Hof ingediende opmerkingen

18      Securenta stelt dat alle betaalde voorbelasting over de kosten verbonden aan de verwerving van kapitaal aftrekbaar is, aangezien een uitgifte van aandelen ertoe dient de financiële middelen van een vennootschap ten behoeve van haar economische activiteit in het algemeen te verhogen. Om de omvang van het recht op aftrek te bepalen, moet de verhouding worden bepaald tussen de belastbare en belaste handelingen enerzijds en de belastbare en vrijgestelde handelingen anderzijds.

19      De Duitse regering is van mening dat de aftrek van de betaalde voorbelasting slechts is toegestaan voor zover de kosten verbonden aan de uitgifte van aandelen en stille deelnemingen met een beroepswerkzaamheid verband houden. Zij stelt dat, in het hoofdgeding, een deel van het aldus verworven kapitaal was bestemd voor gebieden waar geen beroepswerkzaamheid werd verricht, namelijk voor financiële deelnemingen. De betaalde voorbelasting moet dus worden verdeeld tussen een ondernemingsdeel en een niet-ondernemingsdeel volgens een verdeelsleutel op basis van het soort investering.

20      De Portugese regering voert aan dat de betaalde voorbelasting slechts aftrekbaar is voor de handelingen die zijn verricht in het kader van een beroepswerkzaamheid, en dat een verdeelsleutel volgens het soort investering de juistere verdeelmethode vormt.

21      De regering van het Verenigd Koninkrijk benadrukt dat het pro rata van de algemene kosten die vooraf zijn gemaakt voor een niet-economische activiteit, niet wordt opgenomen in de berekening voor de aftrek van de betaalde voorbelasting. Volgens deze regering wordt de verdeelmethode niet geregeld in de Zesde richtlijn, zodat deze aangelegenheid onder de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten valt.

22      De Commissie van de Europese Gemeenschappen wijst erop dat de fiscale behandeling van een beroepswerkzaamheid afhangt van de toepasselijkheid van een van de factoren die tot het recht van aftrek leiden. Terwijl handelingen inzake effecten van de btw zijn vrijgesteld, kunnen leveringen van onroerende goederen in voorkomend geval worden belast. Bijgevolg is het de taak van de verwijzende rechter om te onderzoeken wat de aard is van de verschillende activiteiten van Securenta. De Commissie pleit in dit verband voor een verdeelsleutel volgens de kenmerken van de investering die de economische realiteit voldoende moet weerspiegelen.

Antwoord van het Hof

Eerste vraag

23      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe het recht op aftrek van de betaalde voorbelasting moet worden bepaald wanneer een belastingplichtige tegelijkertijd economische en niet-economische activiteiten verricht.

24      Allereerst zij eraan herinnerd dat het recht op aftrek integrerend deel uitmaakt van de btw-regeling, in beginsel niet kan worden beperkt en wordt uitgeoefend voor alle belasting die op de in een eerder stadium verrichte belastbare handelingen heeft gedrukt (zie arresten van 6 juli 1995, BP Soupergaz, C‑62/93, Jurispr. blz. I‑1883, punt 18, en 21 maart 2000, Gabalfrisa e.a., C‑110/98–C‑147/98, Jurispr. blz. I‑1577, punt 43).

25      De bij de Zesde richtlijn ingevoerde aftrekregeling heeft immers tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van zijn economische activiteiten verschuldigde of voldane btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt aldus de neutraliteit van de belastingdruk, ongeacht het oogmerk of het resultaat van deze activiteiten (zie arresten van 14 februari 1985, Rompelman, 268/83, Jurispr. blz. 655, punt 19; 15 januari 1998, Ghent Coal Terminal, C‑37/95, Jurispr. blz. I‑1, punt 15, en 21 februari 2006, University of Huddersfield, C‑223/03, Jurispr. blz. I‑1751, punt 47).

26      Uit de toelichting van de verwijzende rechter blijkt dat Securenta drie soorten activiteiten verricht, namelijk ten eerste niet-economische activiteiten, die buiten de werkingssfeer van de Zesde richtlijn vallen, ten tweede economische activiteiten, die bijgevolg wel binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen doch van de btw zijn vrijgesteld, en ten derde belaste economische activiteiten. In deze context rijst dus de vraag of en, in voorkomend geval, in welke mate een dergelijke belastingplichtige recht heeft op aftrek van de voorbelasting over kosten die niet met welbepaalde in een later stadium verrichte activiteiten in verband kunnen worden gebracht.

27      Wat de kosten voor de uitgifte van aandelen of atypische stille deelnemingen betreft, kan het recht op aftrek van de betaalde voorbelasting over een dergelijke handeling slechts ontstaan wanneer de daarvoor gemaakte kosten zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (zie arresten van 22 februari 2001, Abbey National, C‑408/98, Jurispr. blz. I‑1361, punt 28; 27 september 2001, Cibo Participations, C‑16/00, Jurispr. blz. I‑6663, punt 31, en 8 februari 2007, Investrand, C‑435/05, Jurispr. blz. I‑1315, punt 23).

28      In deze omstandigheden ontstaat slechts recht op aftrek van de betaalde voorbelasting over de kosten verbonden aan de uitgifte van aandelen en atypische stille deelnemingen wanneer het aldus verworven kapitaal bestemd is voor de economische activiteiten van de betrokkene. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de bij de Zesde richtlijn ingevoerde aftrekregeling ziet op alle economische activiteiten van een belastingplichtige, ongeacht het oogmerk of het resultaat ervan, mits deze activiteiten op zich aan de heffing van btw zijn onderworpen (zie arrest Gabalfrisa e.a., reeds aangehaald, punt 44; arrest van 8 juni 2000, Midland Bank, C‑98/98, Jurispr. blz. I‑4177, punt 19, en arrest Abbey National, reeds aangehaald, punt 24).

29      In het hoofdgeding waren de kosten verbonden aan de diensten die zijn verricht in het kader van de uitgifte van aandelen en financiële deelnemingen, zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, niet uitsluitend toe te rekenen aan economische activiteiten die Securenta in een later stadium heeft verricht, en zij zijn dus niet uitsluitend opgenomen in de prijs van de handelingen die onder deze activiteiten vallen. Was dat wel het geval geweest, dan zou er een rechtstreeks en onmiddellijk verband hebben bestaan tussen de betrokken prestaties en de economische activiteiten van de belastingplichtige (zie de reeds aangehaalde arresten Abbey National, punten 35 en 36, en Cibo Participations, punt 33). Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt echter dat de kosten die Securenta heeft gemaakt om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde financiële handelingen te stellen, althans ten dele waren bestemd voor de verrichting van niet-economische activiteiten.

30      Er bestaat echter geen recht op aftrek van de voorbelasting over de door een belastingplichtige gemaakte kosten wanneer deze belasting betrekking heeft op activiteiten die wegens de niet-economische aard ervan buiten de werkingssfeer van de Zesde richtlijn vallen.

31      Op de eerste vraag dient dus te worden geantwoord dat, wanneer een belastingplichtige zowel economische – belaste of vrijgestelde – activiteiten verricht als niet-economische activiteiten, die buiten de werkingssfeer van de Zesde richtlijn vallen, de btw over de kosten verbonden aan de uitgifte van aandelen en atypische stille deelnemingen slechts aftrekbaar is voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit van de belastingplichtige in de zin van artikel 2, lid 1, van deze richtlijn.

Tweede vraag

32      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ingeval de aftrek van de betaalde voorbelasting slechts is toegestaan voor zover de door de belastingplichtige gemaakte kosten aan economische activiteiten kunnen worden toegerekend, een verdeelsleutel volgens het soort investering dan wel, bij overeenkomstige toepassing van artikel 17, lid 5, van de Zesde richtlijn, volgens het soort handeling kan worden gebruikt voor de verdeling van de btw over deze kosten.

33      De Zesde richtlijn bevat geen regeling inzake de methoden of criteria die de lidstaten moeten toepassen bij de vaststelling van bepalingen voor de verdeling van de voldane voorbelasting naargelang de overeenkomstige kosten verband houden met economische dan wel niet-economische activiteiten. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, hebben de regels van de artikelen 17, lid 5, en 19 van de Zesde richtlijn betrekking op de voorbelasting over kosten die uitsluitend verband houden met economische activiteiten, waarbij deze activiteiten worden opgesplitst in belaste economische activiteiten, met recht op aftrek, en vrijgestelde economische activiteiten, zonder recht op aftrek.

34      Bijgevolg is het de taak van de lidstaten om met eerbiediging van de beginselen die aan het gemeenschappelijke btw-stelsel ten grondslag liggen, methoden en criteria vast te stellen opdat de belastingplichtigen de nodige berekeningen kunnen maken.

35      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de Zesde richtlijn niet de nodige aanwijzingen bevat om dergelijke berekeningen te maken, de lidstaten deze bevoegdheid moeten uitoefenen met inachtneming van het doel en de systematiek van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 14 september 2006, Wollny, C‑72/05, Jurispr. blz. I‑8297, punt 28).

36      Zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moeten de lidstaten bij het nemen van dergelijke maatregelen met name het beginsel van fiscale neutraliteit, waarop het gemeenschappelijke btw-stelsel is gebaseerd, eerbiedigen.

37      De lidstaten moeten hun beoordelingsbevoegdheid derhalve aldus uitoefenen dat wordt gewaarborgd dat de aftrek slechts mogelijk is voor het gedeelte van de btw dat evenredig is aan het bedrag van de handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat. Zij moeten er dus op toezien dat de berekening van het pro rata van economische en niet-economische activiteiten objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gedane kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze twee activiteiten.

38      Daarenboven hebben de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid het recht om in voorkomend geval gebruik te maken van hetzij een verdeelsleutel volgens het soort investering, hetzij een verdeelsleutel volgens het soort handeling, dan wel van een andere passende verdeelsleutel zonder dat zij zich hoeven te beperken tot één van deze methoden.

39      Op de tweede vraag dient dus te worden geantwoord dat de vaststelling van de methoden en criteria voor de verdeling van de betaalde voorbelasting tussen economische en niet-economische activiteiten in de zin van de Zesde richtlijn tot de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten behoort, die bij de uitoefening van deze bevoegdheid rekening moeten houden met het doel en de systematiek van deze richtlijn en daarbij een berekeningsmethode moeten bepalen die objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gedane kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze twee activiteiten.

Kosten

40      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Wanneer een belastingplichtige zowel economische – belaste of vrijgestelde – activiteiten verricht als niet-economische activiteiten, die buiten de werkingssfeer vallen van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, is de belasting over de toegevoegde waarde over de kosten verbonden aan de uitgifte van aandelen en atypische stille deelnemingen slechts aftrekbaar voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit van de belastingplichtige in de zin van artikel 2, lid 1, van deze richtlijn.

2)      De vaststelling van de methoden en criteria voor de verdeling van de betaalde voorbelasting tussen economische en niet-economische activiteiten in de zin van de Zesde richtlijn (77/388) behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten, die bij de uitoefening van deze bevoegdheid rekening moeten houden met het doel en de systematiek van deze richtlijn en daarbij een berekeningsmethode moeten bepalen die objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gedane kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze twee activiteiten.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.

ECLI:EU:C:2008:166