HvJ 13-06-2002 Keeping Newcastle Warm C-353/00

HvJ Keeping Newcastle Warm arrest

Artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde Richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat een bedrag zoals betaald in het hoofdgeding deel uitmaakt van de tegenprestatie voor een dienst en ter zake van de BTW valt binnen de maatstaf van heffing voor die handeling.

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

13 juni 2002 (1)

„Zesde BTW-richtlijn – Artikel 11, A, lid 1, sub a – Maatstaf van heffing – Tegenprestatie voor goederenleveringen of diensten – Subsidie”

In zaak C-353/00,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het VAT and Duties Tribunal, Manchester (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen

Keeping Newcastle Warm Limited

en

Commissioners of Customs & Excise,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur) en J.-P. Puissochet, rechters,

advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

–    Keeping Newcastle Warm Limited, vertegenwoordigd door D. Ewart, barrister, geïnstrueerd door Somerton & Fletcher, solicitors,

–    de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Amodeo als gemachtigde, bijgestaan door P. Whipple, barrister,

–    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Keeping Newcastle Warm Limited, vertegenwoordigd door D. Ewart, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins als gemachtigde, bijgestaan door P. Whipple, en de Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal, ter terechtzitting van 13 december 2001,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 februari 2002,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij beschikking van 8 september 2000, ingekomen bij het Hof op 25 september daaraanvolgend, heeft het VAT and Duties Tribunal, Manchester, krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).
2.
    Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Keeping Newcastle Warm Limited (hierna: „KNW”) en de Commissioners of Customs & Excise (hierna: „Commissioners”), bevoegd ter zake van de inning van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) in het Verenigd Koninkrijk, betreffende een vordering tot terugbetaling van de BTW die KNW had betaald over in het kader van een subsidiestelsel ontvangen geldsommen.Rechtskader

Communautaire regeling

3.
    Artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn luidt als volgt:„De maatstaf van heffing is:

a)    voor andere goederenleveringen en diensten dan hierna bedoeld sub b, c en d: alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden.”

Nationale regeling

4.
    De Home Energy Efficiency Grants Regulations 1992 (hierna: „Regulations”) voorzien in de toekenning van subsidies voor doeltreffender energiegebruik in woningen van bepaalde categorieën personen.
5.
    Regulation 5 bepaalt inzonderheid dat een subsidie kan worden toegekend voor diverse soorten werkzaamheden, waaronder „energieadvies”, omschreven als advies met betrekking tot warmte-isolatie of zuinig en doeltreffend gebruik van huishoudelijke apparaten en van voorzieningen voor verlichting of verwarming van ruimtes of water.
6.
    Regulation 7(1) bepaalt dat de plaatselijke netwerkinstallateur waarbij een aanvraag om subsidie wordt ingediend, nagaat of de aanvrager recht heeft op de subsidie.
7.
    Regulation 7(3) bepaalt:„Wanneer de netwerkinstallateur vaststelt dat de aanvrager recht heeft op de subsidie:

a)    zendt hij de aanvraag naar de plaatselijk bevoegde instantie met de schriftelijke verklaring dat hij heeft onderzocht of is voldaan aan alle door die instantie van tijd tot tijd gestelde voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen, en

b)     beslist hij, in afwachting van de goedkeuring door die instantie, of hij bereid is het werk uit te voeren en, onverminderd de hierna sub i beschreven verplichting van de aanvrager, de kosten van het werk te dragen ingeval de subsidie wordt geweigerd, en

i)    deelt hij in voorkomend geval de aanvrager schriftelijk mee dat hij bereid is het werk uit te voeren met dien verstande dat de aanvrager, tenzij de subsidieaanvraag niet wordt goedgekeurd of de subsidie niet door de plaatselijk bevoegde instantie wordt uitbetaald op grond van een onjuiste mededeling op een essentieel punt, slechts gehouden zal zijn het werk te betalen ter hoogte van het bedrag dat vóór de indiening van de aanvraag schriftelijk tussen de aanvrager en de netwerkinstallateur is overeengekomen, zijnde het bedrag waarmee de volledige kosten van de werkzaamheden het subsidiebedrag overschrijden […]”

8.
    Volgens Regulation 9 van de Regulations bedraagt de maximumsubsidie voor energieadvies 10 GBP.
9.
    Regulation 10 bepaalt dat, wanneer aan de voorwaarden voor uitbetaling van de subsidie is voldaan en het werk is uitgevoerd door een netwerkinstallateur, de plaatselijk bevoegde instantie de subsidie aan deze laatste uitbetaalt.
10.
    Krachtens de Regulations is de Energy Action Grants Agency (hierna: „EAGA”) de bevoegde instantie voor Engeland, Schotland en Wales. Zij beheert er het programma voor doeltreffender energiegebruik in woningen. KNW is aangewezen als netwerkinstallateur voor een gebied dat de graafschappen Tyne and Wear, Northumberland en Cumbria omvat, alsmede bepaalde regio’s aan de Schotse grens.
11.
    In het kader van het bij de Regulations ingevoerde subsidiestelsel verlangt de EAGA inzonderheid dat een standaardovereenkomst wordt gesloten tussen de aanvrager van de subsidie en de netwerkinstallateur. De standaardovereenkomst bepaalt dat de netwerkinstallateur het werk uitvoert tegen de opgegeven prijs, in welk geval hij recht heeft op betaling daarvan door de aanvrager, alsmede op de subsidie wanneer de EAGA deze aan de netwerkinstallateur betaalt. Wanneer deze laatste het werk uitvoert en de EAGA de subsidieaanvraag niet goedkeurt of de subsidie niet betaalt op grond van een onjuiste mededeling op een essentieel punt, moet de aanvrager van de subsidie de netwerkinstallateur bijgevolg het werk volledig betalen.Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
12.
    Gedurende meerdere jaren heeft KNW werkzaamheden, met inbegrip van het verstrekken van energieadvies, uitgevoerd in het kader van het bij de Regulations ingevoerde subsidiestelsel. Deze onderneming heeft de BTW opgegeven en betaald op de bedragen die haar door de EAGA waren overgemaakt als subsidie voor energieadvies ten bedrage van 10 GBP per advies.
13.
    KNW heeft bij het VAT and Duties Tribunal een vordering ingesteld tot terugbetaling van de aldus tussen 1 april 1991 en 31 augustus 1996 betaalde BTW. De onderneming heeft daarbij aangevoerd dat de subsidie voor energieadvies niet rechtstreeks verband hield met de prijs van de handeling, in de zin van artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn, en dat zij bijgevolg niet viel binnen de maatstaf van heffing voor deze handeling. Volgens KNW werd de subsidie van 10 GBP immers betaald ongeacht de prijs waartegen het energieadvies was gefactureerd, zo het niet gratis aan de verbruiker was verstrekt.
14.
    De Commissioners betoogden dat het bedrag van 10 GBP niet forfaitair werd toegekend, maar verband hield met de correct gefactureerde prijs van het energieadvies en hoe dan ook de tegenprestatie voor die handeling vormde.
15.
    Partijen in het hoofdgeding hebben het VAT and Duties Tribunal ter zake een voorvraag voorgelegd, waarop deze rechterlijke instantie bij tussenvonnis van 17 december 1998 heeft verklaard dat de betalingen van 10 GBP als tegenprestatie voor de handelingen vallen binnen de maatstaf van heffing, ongeacht of deze betalingen al dan niet subsidies in de zin van artikel 11 van de Zesde richtlijn zijn.
16.
    Tegen deze uitspraak heeft KNW hoger beroep ingesteld bij de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Crown Office) (Verenigd Koninkrijk).
17.
    Voor deze rechterlijke instantie heeft KNW erkend, dat het bedrag van 10 GBP dat zij van de EAGA had ontvangen voor elk uitgebracht energieadvies, een tegenprestatie vormde zoals de Commissioners stelden. Zij heeft niettemin verklaard dat de woorden „met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden” in artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn, slechts betekenis hebben in de veronderstelling dat zonder deze woorden alle subsidies van de maatstaf van heffing zouden zijn uitgesloten. Alle rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houdende subsidies zouden in ruil voor de handelingen gedane betalingen zijn en normaliter deel uitmaken van de tegenprestatie.
18.
    De Commissioners hebben betoogd dat het duidelijk is dat de betrokken subsidies deel uitmaken van de tegenprestatie en bijgevolg in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen.
19.
    In die omstandigheden heeft het VAT and Duties Tribunal, Manchester, op bevel van de High Court het Hof de volgende vragen voorgelegd:„1)    Is een betaling van de Energy Grants Action Agency aan verzoekster, die deze ontvangt in verband met een energieadvies aan een daarvoor in aanmerking komende huisbewoner, een subsidie in de zin van artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad?

2)     Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: houdt die betaling ook rechtstreeks verband met de prijs van het verstrekken van energieadvies, zodat zij op grond van de slotwoorden van artikel 11, A, lid 1, sub a, valt binnen de maatstaf van heffing voor die handeling?

3)     Bij een ontkennend antwoord op de tweede vraag: valt die betaling niettemin binnen de maatstaf van heffing, omdat zij de tegenprestatie (of een gedeelte van de tegenprestatie) voor een handeling vormt?”

De prejudiciële vragen

Bij het Hof ingediende opmerkingen

20.
    Volgens KNW vormt het door de EAGA uitgekeerde bedrag van 10 GBP voor elk energieadvies een subsidie, die niettemin niet rechtstreeks met de prijs van de handeling verband houdt aangezien het bedrag ervan in de praktijk steeds overeenstemt met het opgelegde maximum. Daar het verlenen van energieadvies aan klanten bovendien gratis is, is genoemde subsidie van forfaitaire aard en dient zij tot financiering van de werkingskosten van KNW, zonder rechtstreeks verband te houden met enigerlei kosten. Bijgevolg maakt deze subsidie geen deel uit van de tegenprestatie van de handeling, in de zin van artikel 11, lid 1, A, sub a, van de Zesde richtlijn.
21.
    Op basis van met name de arresten van het Hof van 5 februari 1981, Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats (154/80, Jurispr. blz. 445), en 3 maart 1994, Tolsma (C-16/93, Jurispr. blz. I-743), voert de regering van het Verenigd Koninkrijk aan dat de in het hoofdgeding bedoelde financiële steun een tegenprestatie is in de zin van artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn. Deze omstandigheid volstaat om een oplossing te geven in het geding dat bij de verwijzende rechter aanhangig is. In elk geval bestaat er een rechtstreeks verband tussen de subsidie en de door KNW verrichte diensten. De tussen deze onderneming en de huisbewoner gesloten overeenkomst stelt de aard en de kosten vast van de werkzaamheden die KNW moet verrichten en bepaalt dat het bedrag van de aan de bewoner toegekende subsidie zal worden afgetrokken van het door deze laatste verschuldigde bedrag. Wanneer de financiële steun echter om enigerlei reden niet wordt toegekend, is de huisbewoner gehouden KNW volledig voor de werkzaamheden te betalen.
22.
    De Commissie stelt dat artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn wil verzekeren dat de maatstaf van heffing het geheel van de voor de goederenleveringen of de diensten betaalde tegenprestatie omvat, ongeacht of genoemde tegenprestatie betaald wordt door de ontvanger of door een derde, die een overheidsinstantie kan zijn. Wanneer een derde, inzonderheid een overheidsinstantie, zoals in het hoofdgeding een premie betaalt voor een bepaalde ten behoeve van een particulier verrichte dienst, valt bedoelde premie derhalve binnen de maatstaf van heffing, ongeacht of die premie daadwerkelijk moet worden beschouwd als een rechtstreeks met de prijs van de handeling verband houdende subsidie. Het feit dat het bedrag van de betaalde premie stelselmatig 10 GBP bedraagt, betekent niet dat de subsidie losstaat van enigerlei prijs. Dienaangaande brengt de Commissie in herinnering dat de premie wordt betaald ter dekking van de totale kosten van de dienst, met een maximum van 10 GBP. Zelfs in de veronderstelling dat het gaat om een forfaitaire subsidie die de enige betaling vormt voor het energieadvies, zou het strijdig zijn met artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn om te stellen dat zij niet binnen de maatstaf van heffing valt en aldus uit te sluiten dat de handeling aan BTW onderworpen is.Antwoord van het Hof
23.
    Het zij in herinnering gebracht dat artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn onder meer betrekking heeft op situaties waarbij drie partijen betrokken zijn, te weten de overheidsinstantie die de subsidie toekent, de onderneming waaraan deze wordt toegekend en de koper van het goed of de ontvanger van de dienst die is geleverd of verricht door de gesubsidieerde onderneming (zie in die zin arrest van 22 november 2001, Office des produits wallons, C-184/00, Jurispr. blz. I-9115, punt 10).
24.
    In dat kader kan een betaling van een overheidsinstantie als de EAGA aan een onderneming als KNW, gedaan in verband met een energieadvies door laatstgenoemde aan bepaalde categorieën huisbewoners, een subsidie zijn in de zin van artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn.
25.
    Hoe dan ook zij vermeld dat de maatstaf van heffing voor een dienstverrichting wordt gevormd door al hetgeen als tegenprestatie voor die dienst wordt ontvangen (zie inzonderheid arrest Tolsma, reeds aangehaald, punt 13).
26.
    In casu staat vast dat het door de EAGA aan KNW betaalde bedrag door deze laatste is ontvangen als tegenprestatie voor de dienst die zij ten behoeve van bepaalde categorieën begunstigden heeft verricht.
27.
    Als tegenprestatie voor een handeling valt genoemd bedrag binnen de maatstaf van heffing in de zin van artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn.
28.
    Bijgevolg dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een bedrag zoals betaald in het hoofdgeding deel uitmaakt van de tegenprestatie voor een dienst en ter zake van de BTW valt binnen de maatstaf van heffing voor die handeling.Kosten
29.
    De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

uitspraak doende op de door het VAT and Duties Tribunal, Manchester, bij beschikking van 8 september 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat een bedrag zoals betaald in het hoofdgeding deel uitmaakt van de tegenprestatie voor een dienst en ter zake van de BTW valt binnen de maatstaf van heffing voor die handeling.

Macken
Gulmann

Puissochet

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 juni 2002.

De griffier

De president van de Derde kamer

R. Grass

F. Macken

1: Procestaal: Engels.

ECLI:EU:C:2002:369