HvJ 13-07-1989 Morten Henriksen 173/88

HvJ Morten Henriksen arrest

1 ) Artikel 13, B, sub b , van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat onder “verhuur van parkeerruimte voor voertuigen” is te verstaan iedere verhuur van oppervlakken voor het parkeren van voertuigen, daaronder begrepen gesloten garages, maar dat die verhuur niet kan worden uitgesloten van de vrijstelling voor “verhuur van onroerende goederen” indien hij nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed met een andere bestemming .

2 ) Artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat, dat de Lid-Staten van de btw vrijstellen de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen die buiten de in genoemde bepaling voorziene vrijstelling valt, dat wil zeggen verhuur die geen nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed met een andere bestemming .

ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 13 JULI 1989

SKATTEMINISTERIET TEGEN MORTEN HENRIKSEN. – VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HOEJESTERET – DENEMARKEN. – OMZETBELASTING – VRIJSTELLING. – ZAAK 173/88.

Trefwoorden


++++

Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Vrijstellingen voorzien in Zesde richtlijn – Vrijstelling van verhuur van onroerend goed – Uitzondering voor verhuur van parkeerruimte voor voertuigen – Draagwijdte – Verplichting van Lid-Staten om van vrijstelling uitgesloten verhuur te belasten

( Richtlijn 77/388 van de Raad, artikel 13, B, sub b )

Samenvatting


Artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn 77/388 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting, moet aldus worden uitgelegd, dat “verhuur van parkeerruimte voor voertuigen”, ten aanzien waarvan een uitzondering wordt gemaakt op de in genoemde bepaling voorziene vrijstelling voor verhuur van onroerend goed, doelt op iedere verhuur van oppervlakken voor het parkeren van voertuigen, daaronder begrepen gesloten garages, maar dat die verhuur niet kan worden uitgesloten van de vrijstelling indien hij nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed met een andere bestemming . Wanneer bedoelde verhuur buiten de vrijstelling valt, zijn de Lid-Staten verplicht, er belasting over te heffen .

Partijen


In zaak 173/88,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Hoejesteret, in het aldaar aanhangig geding tussen

Skatteministeriet

en

Morten Henriksen,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn 77/388 van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag ( PB 1977, L 145, blz . 1 ),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),

samengesteld als volgt : F . Grévisse, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,

advocaat-generaal : F . G . Jacobs

griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de opmerkingen ingediend door :

– M . Henriksen, optredend in persoon,

– de Deense regering, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Molde en door O . Fentz en F . Mejnertzen, advocaten te Kopenhagen,

– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . F . Buhl als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 18 april 1989,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 mei 1989,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 21 juni 1988, ingekomen bij het Hof op 27 juni daaraan volgend, heeft het Hoejesteret krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn 77/388 van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag ( PB 1977, L 145, blz . 1; hierna : de Zesde richtlijn ).

2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Henriksen en het Deense Skatteministerium ( Ministerie van Belastingen ), dat hoofdzakelijk betrekking heeft op de vraag, of de verhuur door Henriksen van garages in het hem toebehorende garagecomplex van BTW is vrijgesteld ingevolge bovengenoemd artikel van de Zesde richtlijn .

3 Bedoeld garagecomplex bestaat uit twee gebouwen met elk twaalf garages, behorende bij een blok van 37 rijtjeshuizen . Een deel van de garages wordt verhuurd aan bewoners van die huizen, een deel aan andere personen uit de buurt . Alle garages zijn gesloten ruimten, van elkaar gescheiden door een muur, en elke garage heeft een deur .

4 Het OEstre Landsret, dat in eerste aanleg van de zaak kennisnam, besliste dat over de verhuur van bedoelde garages geen BTW verschuldigd was . Het overwoog, dat de uitzondering op de hoofdregel, dat de verhuur van onroerend goed is vrijgesteld van belasting, zich niet uitstrekte tot garages als in deze zaak bedoeld, omdat dergelijke garages niet waren te beschouwen als “parkeerruimte” (” parkeringspladser “) in de zin van de desbetreffende Deense wetgeving . Ook artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn zou geen aanknoping voor een andere uitlegging geven .

5 Om het aldus gestelde te kunnen beoordelen, heeft het Hoejesteret, waaraan de zaak in hoger beroep is voorgelegd, besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :

“1 ) Moet artikel 13, B, sub b, van de richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting ( 77/388/EEG, Zesde BTW-richtlijn ) aldus worden uitgelegd, dat de belastingplicht voor de verhuur van ‘parkeerruimte voor voertuigen’ ook geldt voor de verhuur van garages van het in deze zaak bedoelde type?

2 ) Zo ja, moet genoemd artikel aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten gehouden zijn de verhuur van garages van het in deze zaak bedoelde type aan belasting te onderwerpen?”

6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke nationale en gemeenschapsrechtelijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

De eerste vraag

7 Gezien de in het dossier vermelde gegevens, moet de eerste vraag aldus worden opgevat, dat zij er in wezen toe strekt te vernemen, of artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn moet worden uitgelegd in die zin, dat onder “verhuur van parkeerruimte voor voertuigen” ook valt de verhuur van gesloten garages, indien deze verhuur nauw verband houdt met de van BTW vrijgestelde verhuur van onroerend goed .

8 Artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn luidt als volgt : “Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen : … verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van : … verhuur van parkeerruimte voor voertuigen … De Lid-Staten kunnen nog andere handelingen van de toepassing van deze vrijstelling uitsluiten .”

9 Volgens Henriksen vallen onder “parkeerruimte voor voertuigen” (” pladser til parkering af koeretoejer “) in de zin van artikel 13, B, sub b, uitsluitend open vakken bestemd voor het parkeren van voertuigen gedurende korte tijd . De Deense regering meent echter, dat die uitdrukking in het normale spraakgebruik ziet op iedere plaats voor het parkeren van voertuigen, ongeacht of die plaats open of gesloten is dan wel zich in een gebouw bevindt . De Commissie betoogt, dat de uitdrukking, in haar context beschouwd, mede gesloten garages omvat, met uitzondering van die welke als een niet gespecificeerd gedeelte van een van belasting vrijgesteld onroerend goed zijn gehuurd .

10 Vergelijkt men de diverse authentieke taalversies van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn, dan blijken er terminologische verschillen te bestaan die van belang zijn voor de betekenis van de uitdrukking “verhuur van parkeerruimte voor voertuigen “. Terwijl sommige versies doen veronderstellen, dat enkel niet-ombouwde vakken zijn bedoeld, wekken andere veeleer de indruk, dat men ook gesloten garages als waarom het in het hoofdgeding gaat, op het oog heeft gehad .

11 Gezien deze verschillen, kan de betekenis van de in geding zijnde uitdrukking niet worden vastgesteld op basis van letterlijke uitlegging alleen . Voor opheldering omtrent die betekenis dient men te zien naar de context waarin de uitdrukking wordt gebruikt, mede gelet op de opzet van de Zesde richtlijn .

12 Daarbij valt te bedenken, dat in de zinsnede “met uitzondering van … verhuur van parkeerruimte voor voertuigen” in artikel 13, B, sub b, van de richtlijn een uitzondering wordt gemaakt op de in die bepaling voorziene vrijstelling voor de verpachting en verhuur van onroerend goed . De in die zinsnede bedoelde handelingen worden dus gebracht onder de algemene regeling van de richtlijn, die inhoudt dat belasting is verschuldigd over alle belastbare handelingen, tenzij uitdrukkelijk in vrijstelling is voorzien . Deze bepaling kan dus niet restrictief worden uitgelegd in die zin, dat zij enkel van toepassing zou zijn op open parkeervakken, met uitsluiting van gesloten garages .

13 Deze uitlegging is overigens in overeenstemming met een door alle Lid-Staten gedeelde opvatting . Geen hunner laat in zijn ter uitvoering van het gemeenschappelijk BTW-stelsel vastgestelde nationale wetgeving de heffing van belasting over de verhuur van parkeerruimten voor voertuigen afhangen van de voorwaarde, dat het daarbij om open parkeervakken gaat .

14 Hierbij moet echter worden aangetekend, dat “verhuur van onroerende goederen”, waarvoor de vrijstelling van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn geldt, noodzakelijkerwijs niet slechts de verhuur omvat van het goed waarop de huurovereenkomst primair betrekking heeft, doch ook alle bijbehorende goederen .

15 Verhuur van parkeerruimte voor voertuigen kan derhalve niet van die vrijstelling worden uitgesloten, wanneer die verhuur zo nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed dat een andere bestemming heeft – zoals gebouwen met een woonfunctie of voor commercieel gebruik -, dat beide verhuren één enkele economische handeling vormen .

16 Dit is het geval wanneer, in de eerste plaats, de parkeerruimte voor voertuigen en het voor een ander gebruik bestemde onroerend goed deel uitmaken van één onroerend complex en, in de tweede plaats, beide goederen door dezelfde eigenaar aan dezelfde huurder zijn verhuurd .

17 Het antwoord op de eerste vraag moet derhalve luiden, dat artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn 77/388 van de Raad van 17 mei 1977 aldus moet worden uitgelegd, dat onder “verhuur van parkeerruimte voor voertuigen” is te verstaan iedere verhuur van oppervlakken voor het parkeren van voertuigen, daaronder begrepen gesloten garages, maar dat die verhuur niet kan worden uitgesloten van de vrijstelling voor “verhuur van onroerende goederen” indien hij nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed met een andere bestemming .

18 In het kader van de in artikel 177 EEG-Verdrag ingestelde samenwerking tussen de nationale rechter en het Hof, staat het aan de nationale rechter om aan de hand van de feiten vast te stellen, of de hier bedoelde verhuur aan deze criteria voldoet .

De tweede vraag

19 De tweede vraag strekt er in wezen toe te vernemen, of artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten toestaat, de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen vrij te stellen van de BTW .

20 Enerzijds moet worden opgemerkt, dat volgens de eerste zin van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn de Lid-Staten weliswaar de voorwaarden vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, doch dat die “voorwaarden” geen wijziging mogen brengen in de inhoud van die vrijstellingen .

21 Anderzijds kunnen volgens de laatste alinea van artikel 13, B, sub b, “de Lid-Staten nog andere handelingen van de toepassing van deze vrijstelling … uitsluiten .” Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt, dat het de Lid-Staten weliswaar vrijstaat de draagwijdte van de betrokken vrijstelling in te perken door andere uitzonderingen te voorzien, doch dat zij geen uitzondering op de belastingplicht mogen invoeren voor handelingen die van de vrijstelling zijn uitgesloten .

22 Hieruit volgt, dat de Lid-Staten gehouden zijn BTW te heffen over de “verhuur van parkeerruimte voor voertuigen”, die is uitgesloten van de vrijstelling bedoeld in artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn, zoals uitgelegd in het antwoord op de eerste vraag .

23 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn 77/388 van de Raad van 17 mei 1977 eraan in de weg staat, dat de Lid-Staten van de belasting over de toegevoegde waarde vrijstellen de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen die buiten de in genoemde bepaling voorziene vrijstelling valt, dat wil zeggen verhuur die geen nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed met een andere bestemming .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

24 De kosten door de Deense regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),

uitspraak doende op de door het Hoejesteret bij beschikking van 21 juni 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :

1 ) Artikel 13, B, sub b , van de Zesde richtlijn 77/388 van de Raad van 17 mei 1977 moet aldus worden uitgelegd, dat onder “verhuur van parkeerruimte voor voertuigen” is te verstaan iedere verhuur van oppervlakken voor het parkeren van voertuigen, daaronder begrepen gesloten garages, maar dat die verhuur niet kan worden uitgesloten van de vrijstelling voor “verhuur van onroerende goederen” indien hij nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed met een andere bestemming .

2 ) Artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn 77/388 van de Raad van 17 mei 1977 moet aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat, dat de Lid-Staten van de belasting over de toegevoegde waarde vrijstellen de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen die buiten de in genoemde bepaling voorziene vrijstelling valt, dat wil zeggen verhuur die geen nauw verband houdt met de vrijgestelde verhuur van onroerend goed met een andere bestemming .

ECLI:EU:C:1989:329