HvJ 13-07-2000 Idéal tourisme C-36/99

HvJ Idéal tourisme arrest

Bij de huidige stand van de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het gemeenschappelijk BTW-stelsel verzet het communautaire beginsel van gelijke behandeling zich niet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat, die enerzijds overeenkomstig artikel 28, lid 3,sub b, van de Zesde richtlijn het internationale luchtvervoer van personen blijft vrijstellen en anderzijds het internationale personenvervoer per touringcar belast.

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

13 juli 2000 (1)

„BTW – Zesde richtlijn (77/388/EEG) – Overgangsbepalingen – Handhaving van vrijstelling van internationaal luchtvervoer van personen – Geen vrijstelling voor internationaal personenvervoer per touringcar – Discriminatie – Staatssteun”

In zaak C-36/99,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik (België), in het aldaar aanhangig geding tussen

Idéal tourisme NV

en

Belgische Staat

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 12, lid 3, en 28, lid 3, sub b, van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), in de versie die voortvloeit uit richtlijn 96/95/EG van de Raad van 20 december 1996 tot wijziging, wat de hoogte van het normale tarief betreft, van richtlijn 77/388 (PB L 338, blz. 89), alsook van artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, R. Schintgen, C. Gulmann, G. Hirsch (rapporteur) en V. Skouris, rechters,

advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

–    Idéal tourisme NV, vertegenwoordigd door F. Herbert en S. Houx, advocaten te Brussel,

–    de Belgische Staat, vertegenwoordigd door A. Snoecx, adviseur bij de directie-generaal juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, bijgestaan door B. van de Walle de Ghelcke, advocaat te Brussel,

–    de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en D. Colas, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,

–    de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Â. Cortesão de Seiça Neves, jurist bij die dienst, en R. Álvaro de Figueiredo Ribeiro, jurist bij het directoraat-generaal vervoer over land, als gemachtigden,

–    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Michard en D. Triantafyllou, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Idéal tourisme NV, vertegenwoordigd door F. Herbert, S. Houx en M. Pittie, advocaat te Brussel; de Belgische Staat, vertegenwoordigd door B. van de Walle de Ghelcke; de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en F. Million, chargé de mission bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. Michard en D. Triantafyllou ter terechtzitting van 29 maart 2000,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 2000,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij beslissing van 8 februari 1999, ingekomen bij het Hof op 10 februari daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 12, lid 3, en 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), in de versie die voortvloeit uit richtlijn 96/95/EG van de Raad van 20 december 1996 tot wijziging, wat de hoogte van het normale tarief betreft, van richtlijn 77/388 (PB L 338, blz. 89; hierna: „Zesde richtlijn”), alsook van artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG).
2.
    Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Idéal tourisme NV (hierna: „Idéal tourisme”) en de Belgische Staat over de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) op het door Idéal tourisme verrichte internationale personenvervoer per touringcar.De communautaire regeling
3.
    Artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn bepaalt:„Gedurende de in lid 4 genoemde overgangsperiode kunnen de lidstaten:

(…)

b)    de handelingen, genoemd in bijlage F blijven vrijstellen onder de in de lidstaat vigerende voorwaarden.”

4.
    Bijlage F bij de Zesde richtlijn, getiteld „Lijst van handelingen, bedoeld in artikel 28, lid 3, sub b”, vermeldt in punt 17:„Personenvervoer

Vervoer van goederen, zoals bagage en personenauto’s die door reizigers worden meegevoerd en diensten die samenhangen met het vervoer van personen, zijn alleen vrijgesteld voor zover het vervoer van deze personen is vrijgesteld.”

5.
    Artikel 15 van de Zesde richtlijn, dat onder meer de vrijstelling voor internationaal vervoer regelt, bepaalt in punt 6:„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de volgende handelingen onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

(…)

6.    de levering, de verbouwing, de reparatie, het onderhoud, de bevrachting en de verhuur van luchtvaartuigen die worden gebruikt door luchtvaartmaatschappijen welke zich hoofdzakelijk toeleggen op het betaalde internationale vervoer, alsmede de levering, de verhuur, de reparatie en het onderhoud van de voorwerpen die met deze luchtvaartuigen vast verbonden zijn of die voor hun exploitatie dienen.”

6.
    Volgens artikel 17, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn verlenen de lidstaten aan iedere belastingplichtige recht op aftrek of op teruggaaf van de BTW, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de door de belastingplichtige verrichte handelingen die overeenkomstig artikel 15 van de richtlijn zijn vrijgesteld.
7.
    Artikel 12, lid 3, van de Zesde richtlijn preciseert de wijze waarop de lidstaten het normale tarief en de verlaagde tarieven van de BTW, toepasselijk op de belastbare handelingen, vaststellen.
8.
    Artikel 92, lid 1, van het Verdrag bepaalt:„Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.”

De nationale regeling

9.
    In België bepaalt het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna „BTW-Wetboek”) in artikel 21, § 3:„In afwijking van § 2 wordt als plaats van de dienst aangemerkt:

(…)

3°    de plaats waar het vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden, wanneer het vervoerdiensten betreft.”

10.
    Artikel 1, punt 1, van koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (Belgisch Staatsblad van 31 juli 1970), bepaalt:„De belasting over de toegevoegde waarde wordt geheven:

1°    tegen het tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.”

11.
    Rubriek XXV, getiteld „Vervoer”, van tabel A vermeldt:„Personenvervoer, alsmede vervoer van niet geregistreerde bagage en van dieren welke de reizigers vergezellen.”
12.
    Artikel 41, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek bepaalt, dat van de BTW zijn vrijgesteld:„het zeevervoer van personen; het internationale luchtvervoer van personen; het vervoer van door reizigers begeleide bagage en auto’s bij hier onder 1° genoemd vervoer”.
13.
    Artikel 45, § 1, van het BTW-Wetboek luidt:„Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1°    belaste handelingen;

2°    handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42.”

14.
    De Belgische regeling betreffende de vrijstelling voor het internationale luchtvervoer van personen dateert van vóór de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn.Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
15.
    Idéal Tourisme, gevestigd te Luik, is een vennootschap die actief is in de sector internationaal personenvervoer per touringcar.
16.
    In haar maandelijkse BTW-aangifte betreffende haar activiteiten van juni 1997, gaf Idéal tourisme het in België verrichte gedeelte van het internationale personenvervoer per touringcar aan tegen het nultarief, in plaats van tegen het in de Belgische regeling bepaalde tarief van 6 %. Daarbij verklaarde zij, dat zij zich op BTW-gebied gediscrimineerd achtte tegenover het internationale luchtvervoer van personen. Volgens haar is deze laatste vervoersvorm namelijk vrijgesteld van BTW, hetgeen de luchtvaartmaatschappijen niet belet de voorbelasting af te trekken, terwijl het in België verrichte gedeelte van het personenvervoer per touringcar volgens de Belgische regeling aan een BTW-tarief van 6 % is onderworpen. Het zou dus gaan om een discriminatie die in strijd is met het algemene gelijkheidsbeginsel, dat tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht behoort.
17.
    Nadat de Belgische belastingadministratie van Idéal tourisme een bedrag van 554 845 BEF aan BTW en een bedrag van 55 000 BEF als boete had gevorderd, bracht Idéal tourisme, na die bedragen te hebben betaald, de zaak voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, om terugbetaling ervan te verkrijgen. Voor die rechterlijke instantie betoogde Idéal tourisme, dat de Belgische regeling, die het internationaal luchtvervoer van personen vrijstelt, niet enkel het algemene gelijkheidsbeginsel schendt, maar ook een staatssteun in de zin van artikel 92 van het Verdrag ten gunste van de luchtvaartmaatschappijen oplevert.
18.
    Van oordeel, dat uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk was om haar vonnis te kunnen wijzen, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:„1)    Mogen de lidstaten ingevolge richtlijn 77/388/EEG van de Raad, met name de artikelen 12, lid 3, en 28, lid 3, sub b, ten nadele van ondernemingen die personenvervoer per touringcar verrichten, een discriminatie invoeren die indruist tegen het beginsel van gelijke behandeling en het discriminatieverbod van het gemeenschapsrecht?

2)    Kan een BTW-regeling als de onderhavige, die een bepaalde sector van de economie bevoordeelt, als een steunmaatregel in de zin van artikel 92 EG-Verdrag worden aangemerkt, ook indien zij niet uitsluitend de nationale industrie beschermt?”

De ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

19.
    De Belgische Staat uit twijfel of het hoofdgeding wel een reëel geschil betreft. Volgens hem zouden de vragen die Idéal tourisme de verwijzende rechter in overweging heeft gegeven aan het Hof te stellen, weliswaar niet louter hypothetisch zijn, maar toch enkel bedoeld zijn om een resultaat te verkrijgen dat nog niet langs wetgevende weg kon worden bereikt. Hij refereert zich aan ’s Hof oordeel, wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing betreft.
20.
    In dit verband dient eraan te worden herinnerd, dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie onder meer arrest van 15 december 1995, Bosman,C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59). Niettemin heeft het Hof geoordeeld, dat het geen uitspraak op een prejudiciële vraag van een nationale rechter kan doen wanneer duidelijk blijkt, dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de hem gestelde vragen (zie arrest Bosman, reeds aangehaald, punt 61, en arrest van 9 maart 2000, EKW en Wein & Co., C-437/97, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52).
21.
    Uit de verwijzingsbeschikking blijkt echter duidelijk, dat het beroep van Idéal tourisme strekt tot terugbetaling van het BTW-bedrag dat zij aan de Belgische Staat heeft betaald, en dat zij dus zelf de vrijstelling van BTW wenst te genieten, zonder evenwel het recht op aftrek van de voorbelasting te verliezen.
22.
    Vastgesteld moet worden, dat het dossier geen elementen bevat waaruit duidelijk blijkt, dat partijen in het hoofdgeding vooroverleg hebben gepleegd om een uitspraak van het Hof uit te lokken via een opgezet geschil, zoals het geval was in de zaak die aan het arrest van 16 december 1981, Foglia (244/80, Jurispr. blz. 3045) ten grondslag lag. Het is integendeel evident, dat partijen het op een aantal belangrijke punten oneens zijn, en uit de stukken blijkt duidelijk, dat Idéal tourisme niet met de Belgische Staat heeft afgesproken, het Hof hypothetische prejudiciële vragen te stellen.
23.
    Wat de relevantie van de eerste vraag betreft, moet worden vastgesteld dat deze niet kennelijk irrelevant is, aangezien de verwijzende rechter blijkens de stukken van oordeel is, dat de vervoerders van personen per touringcar worden gediscrimineerd ten opzichte van luchtvaartmaatschappijen, welke discriminatie hem a priori in strijd lijkt met het communautaire gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel.
24.
    In het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van de eerste vraag kan het Hof geen oordeel vellen over die analyse.
25.
    De eerste prejudiciële vraag moet dus worden beantwoord.
26.
    Daarentegen dient te worden vastgesteld, dat de tweede vraag kennelijk irrelevant is voor de beslechting van het bodemgeschil.
27.
    Met die tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de vrijstelling van BTW die luchtvaartmaatschappijen genieten, een met het gemeenschapsrecht onverenigbare steunmaatregel van de staat is.
28.
    Het hoofdgeding betreft echter niet de vraag of zulks wel of niet het geval is, maar de vraag, of bepaalde door Idéal tourisme verrichte activiteiten al dan niet met BTW worden belast.
29.
    De tweede prejudiciële vraag behoeft dus niet te worden beantwoord (zie in die zin, voor een analoge zaak, voornoemd arrest EKW en Wein & Co., punt 53).De eerste vraag
30.
    Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het beginsel van gelijke behandeling zich verzet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat die enerzijds overeenkomstig artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn het internationale luchtvervoer van personen blijft vrijstellen en anderzijds het internationale personenvervoer per touringcar belast.
31.
    Idéal tourisme stelt, dat zij, als exploitant van touringcars, op middellange afstanden, dat wil zeggen tussen 300/400 km en 2 500/3 000 km, rechtstreeks met de luchtvaartmaatschappijen concurreert. Het verschil in belasting is haars inziens dus niet gerechtvaardigd en in strijd met het beginsel van gelijke behandeling. Volgens de Belgische Staat en de Franse en de Portugese regering daarentegen, zijn die twee vervoersvormen daarentegen niet voldoende substitueerbaar om te worden geacht totdezelfde markt te behoren. De Commissie, van haar kant, beklemtoont, dat het verschil in belasting naar gelang van het door de belastingplichtige gebruikte vervoermiddel – objectief gerechtvaardigd of niet – als met de Zesde richtlijn in overeenstemming moet worden beschouwd, zolang de gemeenschapswetgever geen einde maakt aan de overgangsregeling inzake vrijstellingen.
32.
    Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn, juncto bijlage F bij die richtlijn, de lidstaten in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen machtigt, bepaalde vóór de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn in hun wetgeving voorziene vrijstellingen onder dezelfde voorwaarden te blijven toepassen. Ofschoon dat artikel de lidstaten dus niet toestaat, na de datum van inwerkingtreding van die richtlijn nieuwe vrijstellingen in te voeren of de draagwijdte van bestaande vrijstellingen uit te breiden, staat het daarentegen niet in de weg aan een beperking van de bestaande vrijstellingen, te meer daar artikel 28, lid 4, van de Zesde richtlijn de opheffing van deze vrijstellingen beoogt (zie arrest van 29 april 1999, Norbury Developments, C-136/97, Jurispr. blz. I-2491, punt 19).
33.
    Daaruit volgt, dat een lidstaat die, zoals het Koninkrijk België, enerzijds het internationale vervoer door ondernemingen voor personenvervoer per touringcar aan de BTW onderwerpt, en anderzijds het internationale luchtvervoer van personen blijft vrijstellen, de vrijstelling die dit laatste vervoer geniet, niet tot dit eerste vervoer zou mogen uitbreiden, ook al zou het verschil in behandeling het communautaire gelijkheidsbeginsel schenden. Daarentegen zou hij wel ook het luchtvervoer kunnen belasten, om een dergelijk verschil in behandeling ongedaan te maken.
34.
    Vastgesteld zij evenwel, dat een lidstaat enerzijds, onder de in artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn bedoelde voorwaarden, het internationale luchtvervoer van personen kan blijven vrijstellen, en anderzijds het internationale personenvervoer per touringcar kan blijven belasten.
35.
    Weliswaar is het beginsel van gelijke behandeling één der grondbeginselen van het gemeenschapsrecht. Ingevolge dat beginsel mogen vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (arrest van 25 november 1986, Klensch e.a., 201/85 en 202/85, Jurispr. blz. 3477, punt 9).
36.
    Zoals Idéal tourisme terecht betoogt, volgt uit punt 10 van voornoemd arrest Klensch e.a. eveneens, dat de lidstaten, wanneer zij een richtlijn in nationaal recht omzetten, het beginsel van gelijke behandeling in acht moeten nemen.
37.
    Het communautaire BTW-stelsel is evenwel het resultaat van een geleidelijke harmonisatie van de nationale wetgevingen in het kader van de artikelen 99 en 100 EG-Verdrag (thans de artikelen 93 EG en 94 EG). Zoals het Hof herhaaldelijk heeft vastgesteld, gaat het bij deze harmonisatie, zoals zij tot stand is gebracht door de achtereenvolgende richtlijnen en met name door de Zesde richtlijn, tot nog toe slechts om een gedeeltelijke harmonisatie (zie arrest van 5 december 1989, ORO Amsterdam Beheer en Concerto, C-165/88, Jurispr. blz. 4081, punt 21).
38.
    Zoals de Belgische Staat ter terechtzitting heeft verklaard, is die voorgenomen harmonisatie nog niet verwezenlijkt, aangezien de Zesde richtlijn in artikel 28, lid 3, sub b, de lidstaten zonder voorbehoud heeft toegestaan, sommige van vóór de Zesde richtlijn daterende bepalingen van hun nationale wettelijke regeling te blijven toepassen, die zonder die toestemming onverenigbaar met de richtlijn zouden zijn. Voor zover een lidstaat dergelijke bepalingen handhaaft, voert hij dus niet de Zesde richtlijn uit, en schendt hij derhalve noch die richtlijn noch de algemene communautaire beginselen die de lidstaten volgens voornoemd arrest Klensch e.a. in acht moeten nemen wanneer zij de gemeenschapsregeling uitvoeren.
39.
    In een dergelijke situatie staat het aan de gemeenschapswetgever, de definitieve communautaire regeling voor de vrijstellingen van de BTW vast te stellen en aldus de nationale BTW-wetgevingen geleidelijk te harmoniseren (zie, in die zin, arrest van5 oktober 1999, Royscot e.a., C-305/97, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 31).
40.
    Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat bij de huidige stand van de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het gemeenschappelijk stelsel van BTW, het communautaire beginsel van gelijke behandeling zich niet verzet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat, die enerzijds overeenkomstig artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn het internationale luchtvervoer van personen blijft vrijstellen en anderzijds het internationale personenvervoer per touringcar belast.Kosten
41.
    De kosten door de Franse en de Portugese regering, alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik bij beslissing van 8 februari 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Bij de huidige stand van de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde verzet het communautaire beginsel van gelijke behandeling zich niet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat, die enerzijds overeenkomstig artikel 28, lid 3,sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, in de versie die voortvloeit uit richtlijn 96/95/EG van de Raad van 20 december 1996 tot wijziging, wat de hoogte van het normale tarief betreft, van richtlijn 77/388, het internationale luchtvervoer van personen blijft vrijstellen en anderzijds het internationale personenvervoer per touringcar belast.

Moitinho de Almeida
Schintgen

Gulmann

Hirsch                        Skouris

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 juli 2000.

De griffier

De president van de Zesde kamer

R. Grass

J. C. Moitinho de Almeida

1: Procestaal: Frans.

ECLI:EU:C:2000:405

Geplaatst in Arresten en getagd met , .