HvJ 14-06-2001 Commissie-Frankrijk C-40/00

HvJ Commissie-Frankrijk arrest

Door per 1 januari 1998 het recht op aftrek van BTW op dieselbrandstof die wordt gebruikt voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat, weer volledig in te trekken na een gedeeltelijke aftrek te hebben verleend, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn.

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

14 juni 2001 (1)

„Niet-nakoming – Artikel 17, leden 2 en 6, van de Zesde BTW-richtlijn – Hernieuwde volledige uitsluiting, na inwerkingtreding van de richtlijn, van het recht op aftrek van de BTW op dieselbrandstof voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat”

In zaak C-40/00,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en C. Giolito als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en S. Seam als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door per 1 januari 1998 het recht op aftrek van de BTW op dieselbrandstof die wordt gebruikt voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat, weer volledig in te trekken na bij herhaling een gedeeltelijke aftrek te hebben verleend, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG en tot invoering van nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde – werkingssfeer en praktische regeling voor de toepassing van bepaalde vrijstellingen (PB L 102, blz. 18),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, D. A. O. Edward, P. Jann, S. von Bahr (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, rechters,

advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2001,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 11 februari 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door per 1 januari 1998 het recht op aftrek van de BTW op dieselbrandstof die wordt gebruikt voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat, weer volledig in te trekken na bij herhaling een gedeeltelijke aftrek te hebben verleend, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG en tot invoering van nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde – werkingssfeer en praktische regeling voor de toepassing van bepaalde vrijstellingen (PB L 102, blz. 18, hierna: „Zesde richtlijn”).De communautaire regelgeving
2.
    Artikel 17, lid 2, sub a, van de Zesde richtlijn luidt:„Voorzover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken:

a)    de belasting over de toegevoegde waarde, welke verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere belastingplichtige verrichte of te verrichten diensten.”

3.
    Artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn luidt:„Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, bepaalt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten.

Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag.”

4.
    Geen van de voorstellen die de Commissie op grond van artikel 17, lid 6, eerste alinea, van de Zesde richtlijn, bij de Raad heeft ingediend, is door laatstgenoemde aangenomen.De Franse wetgeving
5.
    Bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn op 1 januari 1979 en op tot 30 juni 1982 was dieselbrandstof voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestond, uitgesloten van het recht op BTW-aftrek.
6.
    Tussen 1982 en 1991 is dit verbod op BTW-aftrek enkele malen gewijzigd. Aldus is het toegestane aftrekpercentage verhoogd van 10 % in 1982 tot 90 % in 1991; in de loop van 1991 is het verminderd tot 50 %.
7.
    De aftrek van de betaalde BTW op dieselbrandstof voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat, is in 1998 weer volledig ingetrokken. Bij artikel 15 van wet nr. 97-1269 van 30 december 1997, inhoudende de begrotingswet voor 1998 (JORF van 31 december 1997, blz. 19261), is artikel 298, lid 4, 1° van de Code général des impôts als volgt gewijzigd:„Niet aftrekbaar is de belasting over de toegevoegde waarde ter zake van aankopen, importen, intracommunautaire aanschaffingen leveringen en diensten betreffende:

–    (…)

–    dieselbrandstof, genoemd in tabel B van artikel 265 van de Code des douanes, gebruikt voor voertuigen en machines die van het recht op aftrek zijn uitgesloten en voor gehuurde voertuigen en machines, indien de huurder de belasting ter zake van deze huur niet kan aftrekken, met uitzondering van dieselbrandstof die wordt gebruikt voor tests ten behoeve van de vervaardiging van motoren of motorvoertuigen;

(…)”

De feiten en de precontentieuze procedure

8.
    Aangezien zij van mening was, dat de herinvoering van de uitsluiting van het recht op BTW-aftrek niet verenigbaar was met artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn, stelde de Commissie een niet-nakomingsprocedure in en zond de Franse Republiek op 24 juli1998 een aanmaningsbrief met het verzoek om binnen twee maanden haar opmerkingen te maken.
9.
    De Franse autoriteiten antwoordden bij brief van 30 oktober 1998, dat zij het standpunt van de Commissie niet deelden. Zij betoogden in wezen, dat zij vrij waren het aftrekrecht te wijzigen zolang zij de beperking die bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn voor Frankrijk – op 1 januari 1979 – bestond, niet verscherpten.
10.
    Op 19 juli 1999 deed de Commissie de Franse Republiek een met redenen omkleed advies toekomen.
11.
    De Franse autoriteiten hebben niet binnen de gestelde termijn aan het met redenen omkleed advies voldaan en handhaafden hun standpunt in hun antwoord van 10 december 1999.
12.
    Onder deze omstandigheden heeft de Commissie besloten, het onderhavige beroep in te stellen.De gestelde niet-nakoming en de beoordeling daarvan door het Hof
13.
    De Commissie betoogt, dat de betrokken Franse regeling, die het recht op BTW-aftrek opnieuw uitsluit voor dieselbrandstof voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat, niet onder de in artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn opgenomen afwijking valt en een inbreuk op artikel 17, lid 2 van deze richtlijn vormt. Volgens de Commissie staat artikel 17, lid 6, een lidstaat namelijk niet toe om achteraf een afwijkende regeling in te voeren die – zij het slechts gedeeltelijk – was ingetrokken, door het recht op BTW-aftrek voor bepaalde uitgaven opnieuw totaal uit te sluiten. Anders dan de Franse autoriteiten is de Commissie van oordeel, dat de lidstaten niet volledig vrij zijn te beslissen om een afwijkende nationale regeling volgens hun eigen criteria aan te passen en te wijzigen zolang een en ander geen achteruitgang met zichbrengt ten opzichte van de bestaande situatie bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn.
14.
    Volgens de Franse regering belet artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn een lidstaat niet, wijzigingen aan te brengen in uitsluitingen die bij de inwerkingtreding van de richtlijn reeds bestonden, mits de uitsluitingspercentages niet groter worden dan aanvankelijk vastgesteld en de bestaande uitsluitingen niet worden uitgebreid naar categorieën goederen of diensten waarop deze bij de inwerkingtreding nog geen betrekking hadden. De betrokken regeling voldoet volgens de Franse regering dus aan de Zesde richtlijn.
15.
    Overigens stelt de Franse regering, dat de betrokken wetswijziging om milieuredenen is ingevoerd. Ook wijst zij erop, dat de Commissie op de hoogte is gesteld van de eerdere maatregelen, waarbij het toegestane percentage van BTW-aftrek voor de betrokken brandstof was verlaagd, en dat de Commissie daarover geen enkele opmerking had gemaakt, hetgeen erop duidt dat deze maatregelen aan de Zesde richtlijn voldeden.
16.
    Volgens het arrest van heden in zaak C-345/99 (Commissie/Frankrijk, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 22) valt de regeling van een lidstaat die na de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn wijziging brengt in de draagwijdte van bestaande uitsluitingen door deze te beperken, en daarmee de doelstelling van de Zesde richtlijn dichter benadert, onder de in artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn opgenomen afwijking en is zij niet in strijd met artikel 17, lid 2, ervan.
17.
    Een nationale regeling vormt daarentegen geen door artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn toegestane afwijking en is in strijd met artikel 17, lid 2, ervan, indien zij de draagwijdte van de bestaande uitsluitingen na de inwerkingtreding van de richtlijn uitbreidt en zich daardoor van de doelstelling van de richtlijn verwijdert.
18.
    Dit geldt voor iedere wijziging na de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn waardoor de draagwijdte van de onmiddellijk voor die wijziging geldende uitsluitingen wordt uitgebreid.
19.
    Het staat vast, dat de omstreden Franse wet, door het recht op BTW-aftrek volledig uit te sluiten, een wijziging inhoudt die de Franse regeling van het doel van de Zesde richtlijn verwijdert. Hierbij is van weinig belang, dat de wijziging de draagwijdte van de bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn geldende uitsluitingen niet heeft uitgebreid.
20.
    Derhalve moet worden vastgesteld, dat deze wet niet onder de in artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn toegestane afwijking valt en een inbreuk maakt op artikel 17, lid 2, van genoemde richtlijn.
21.
    Het argument van de Franse regering, dat de betwiste regeling de bescherming van het milieu beoogt, kan een dergelijke regeling die in strijd is met de Zesde richtlijn, niet rechtvaardigen.
22.
    De Franse regering heeft ter rechtvaardiging van de betrokken regeling eveneens aangevoerd, dat de Commissie niet tegen de Franse Republiek is opgetreden bij eerdere wetswijzigingen waarbij het toegestane percentage van BTW-aftrek over dieselbrandstof voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat, was verlaagd.
23.
    Volgens vaste rechtspraak is het aan de Commissie te beoordelen, op welk tijdstip zij het beroep wegens niet-nakoming instelt (zie met name arrest van 1 juni 1994, Commissie/Duitsland, C-317/92, Jurispr. blz. I-2039, punt 4).
24.
    Derhalve moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door per 1 januari 1998 het recht op aftrek van de BTW op dieselbrandstof die wordt gebruikt voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat, weer volledig in te trekken na eengedeeltelijke aftrek te hebben verleend, de krachtens artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.Kosten
25.
    Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Nu de Commissie zulks heeft gevorderd, en de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

verklaart voor recht:

1)    Door per 1 januari 1998 het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde op dieselbrandstof die wordt gebruikt voor voertuigen en machines waarvoor geen recht op aftrek bestaat, weer volledig in te trekken na een gedeeltelijke aftrek te hebben verleend, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG en tot invoering van nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde – werkingssfeer en praktische regeling voor de toepassing van bepaalde vrijstellingen.

2)    De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen.

La Pergola
Edward

Jann

von Bahr

Timmermans

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 juni 2001.

De griffier

De president van de Vijfde kamer

R. Grass

A. La Pergola

1: Procestaal: Frans.

ECLI:EU:C:2001:338

Geplaatst in Arresten en getagd met , .