HvJ 14-07-1998 First National Bank of Chicago C-172/96

HvJ First National Bank of Chicago arrest

1)    Transacties waarbij de ene partij een overeengekomen bedrag in een valuta koopt en daartegenover aan de andere partij een overeengekomen bedrag in een andere valuta verkoopt, waarbij de twee bedragen op dezelfde valutadatum betaalbaar zijn en partijen (mondeling, via elektronische weg of schriftelijk) overeenstemming hebben bereikt over de betrokken valuta’s, de in die valuta’s te kopen respectievelijk te verkopen bedragen, de valutadatum en over welke partij welke valuta koopt, zijn diensten onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn.

2)    Artikel 11 A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat in het geval van deviezentransacties waarbij geen kosten of provisie worden berekend voor bepaalde specifieke transacties, de maatstaf van heffing bestaat uit het bruto resultaat van de transacties van de dienstverrichter in een bepaalde periode.

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

14 juli 1998 (1)

„Zesde BTW-richtlijn — Werkingssfeer — Deviezentransacties”

In zaak C-172/96,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de High Court of Justice, Queen’s Bench Division (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen

Commissioners of Customs & Excise

en

First National Bank of Chicago,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet, J. C. Moitinho de Almeida, P. Jann en L. Sevón (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

—    First National Bank of Chicago, vertegenwoordigd door P. Lasok, QC,

—    de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ridley van het Treasury Solicitor’s Department als gemachtigde, bijgestaan door N. Pleming, QC, en C. Vajda, Barrister,

—    de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. Mignot, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,

—    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver en E. Traversa, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van First National Bank of Chicago, vertegenwoordigd door D. Goy, QC, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door N. Pleming en C. Vajda, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. Oliver, ter terechtzitting van 25 juni 1997,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 september 1997,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij beschikking van 13 mei 1996, ingekomen bij het Hof op 20 mei daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice, Queen’s Bench Division, krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).
2.
    Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen de First National Bank of Chigaco (hierna: „bank”) en de Commissioners of Customs & Excise (hierna: „Commissioners”) inzake aftrek van voorbelasting voor bepaalde deviezentransacties.
3.
    Artikel 2 van de Zesde richtlijn bepaalt:„Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:

1.    de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

2.    de invoer van goederen.”

4.
    Artikel 5, lid 1, definieert de levering van goederen als volgt:„1.    Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.”
5.
    Het verrichten van diensten wordt in artikel 6, lid 1, gedefinieerd als volgt:„1.    Als dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is.”
6.
    Artikel 11 A, lid 1, sub a, bepaalt:„De maatstaf van heffing is:

a)    voor andere goederenleveringen en diensten dan hierna bedoeld sub b, c en d: alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden.”

7.
    Artikel 13 B, sub d, punt 4, bepaalt:„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

(…)

d)    de volgende handelingen:

(…)

4.    handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die als verzamelobject worden beschouwd; als zodanig worden beschouwd gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten die normaliter niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben.”

8.
    Ingevolge artikel 13 C, sub b, kunnen de lidstaten hun belastingplichtigen het recht verlenen om voor belastingheffing te kiezen, onder meer voor de in artikel 13 B, sub d, bedoelde handelingen.
9.
    Artikel 17, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn luidt als volgt:„3.    De lidstaten verlenen eveneens aan iedere belastingplichtige recht op aftrek of op teruggaaf van de in lid 2 bedoelde belasting over de toegevoegde waarde, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor:

(…)

c)    door de belastingplichtige verrichte handelingen die krachtens artikel 13, punt B, sub a en sub d, punten 1 tot en met 5, zijn vrijgesteld, wanneer de ontvanger buiten de Gemeenschap gevestigd is of wanneer de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap.”

10.
    Blijkens de verwijzingsbeschikking is de bank voor de BTW geregistreerd in het Verenigd Koninkrijk, en houdt zij zich met velerlei bankactiviteiten bezig, waaronder de deviezenhandel. Zij is een „market maker” en op elk moment bereid de valuta waarin zij is gespecialiseerd, te leveren dan wel te ontvangen.
11.
    De prijzen waartegen de bank bereid is deviezen te verhandelen, zijn uitgedrukt in bied- en laatkoersen. Steeds stelt zij, in de vorm van een wisselkoers, de prijs waartegen zij een valuta op een bepaald moment wil kopen, en tegelijkertijd stelt zij de — iets hogere — prijs waartegen zij hetzelfde bedrag in dezelfde valuta wil verkopen; het verschil tussen de twee koersen wordt de „spread” genoemd.
12.
    Deviezentransacties bestaan uit „kas”- dan wel „termijn”-transacties. Een kastransactie kan worden gedefinieerd als de aankoop van een valuta tegen verkoop van een andere, waarbij levering en verkoop normaal op de tweede werkdag na de transactie, de zogenoemde valutadatum, plaatsvinden. Een termijntransactie verschilt in zoverre van een kastransactie, dat levering en verkoop eerst op een toekomstige valutadatum plaatsvinden; de bedragen worden evenwel berekend volgens de ten tijde van de overeenkomst overeengekomen wisselkoers.
13.
    De verwijzende rechter vermeldt, dat in de bij hem aanhangige zaak aan de deviezentransacties van de bank geen fysieke levering van geld in de vorm van munten, bankbiljetten of andere waardepapieren ten grondslag lag. Geleverd werd in feite de mogelijkheid om te disponeren over een rekening die bij een bank in de „geleverde” valuta was geopend.
14.
    Voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde deviezentransacties brengt de bank geen kosten of provisie in rekening. De winst op deze transacties tracht zij te halen uit de marge tussen haar bied- en laatkoersen. Haar deviezenhandelaren hebben ieder een eigen valutaportefeuille, en van hen wordt over een bepaalde periode een zekere winstinbreng verwacht. Die winst is het resultaat van al hun transacties in die periode.
15.
    De bank is gedeeltelijk vrijgesteld van BTW. Niettemin kan zij de voorbelasting over haar transacties met buiten de Gemeenschap gevestigde cliënten in aftrek brengen. Ter bepaling van het aftrekbare bedrag is zij met de Commissioners een bijzondere methode voor gedeeltelijke vrijstelling overeengekomen op grond van Regulation 31 van de Value Added Tax (General) Regulations 1985 (SI 1985 nr. 886). Het deel van de voorbelasting dat de bank volgens de overeengekomen methode mag aftrekken, wordt berekend naar het aantal verrichte deviezentransacties, en wel volgens een breuk waarvan de teller het aantal transacties met cliënten buiten de Europese Unie bevat, en de noemer het totaal aantal transacties.
16.
    In haar aangifte over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 juli 1994, die tevens de jaarlijkse herziening voor de periode van april 1993 tot april 1994 inhield, had de bank in de teller en de noemer van de breuk ook haar deviezentransacties in de periode van april 1993 tot juli 1994 meegerekend. Volgens haar berekeningen had zij over deze verlengde periode van vijftien maanden een bedrag van UKL 251 454,90 tegoed aan voorbelasting ter zake van deviezentransacties met cliënten buiten de Europese Unie.
17.
    Bij beschikking van 26 september 1994 hebben de Commissioners het door de bank teruggevorderde bedrag aan voorbelasting verminderd, daar zij het aan deviezentransacties met cliënten buiten de EU toe te rekenen deel niet aanvaardden.
18.
    De bank heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Value Added Tax Tribunal. Partijen kwamen overeen het geding te beperken tot de vraag, of de litigieuze deviezentransacties als diensten of als levering van goederen moesten worden gekwalificeerd voor de BTW. Bij beschikking van 12 september 1995 heeft de Value Added Tax Tribunal het beroep toegewezen.
19.
    Tegen deze uitspraak hebben de Commissioners hoger beroep ingesteld bij de High Court of Justice.
20.
    Van oordeel dat de oplossing van het geschil afhing van de uitlegging van de Zesde richtlijn, heeft de High Court of Justice besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen te stellen:„1)    Zijn deviezentransacties die voldoen aan de definitie van de British Banker’s Association (weergegeven in punt 1 van de verwijzingsbeschikking), diensten dan wel leveringen van goederen onder bezwarende titel in de zin van richtlijn 77/388 van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (Zesde BTW-richtlijn)?

2)    Indien er sprake is van levering van goederen of van diensten onder bezwarende titel, wat is dan de aard van de tegenprestatie?”

21.
    De in de eerste vraag bedoelde definitie luidt als volgt:Deviezentransacties zijn „transacties waarbij de ene partij een overeengekomen bedrag in een valuta koopt en daartegenover aan de andere partij een overeengekomen bedrag in een andere valuta verkoopt, waarbij de twee bedragen op dezelfde valutadatum betaalbaar zijn en partijen (mondeling, via elektronische weg of schriftelijk) overeenstemming hebben bereikt over de betrokken valuta’s, de

in die valuta’s te kopen respectievelijk te verkopen bedragen, de valutadatum en over welke partij welke valuta koopt”.

De eerste vraag

22.
    Met de eerste vraag wil de High Court of Justice weten, of transacties waarbij de ene partij een overeengekomen bedrag in een valuta koopt en daartegenover aan de andere partij een overeengekomen bedrag in een andere valuta verkoopt, waarbij de twee bedragen op dezelfde valutadatum betaalbaar zijn en partijen (mondeling, via elektronische weg of schriftelijk) overeenstemming hebben bereikt over de betrokken valuta’s, de in die valuta’s te kopen respectievelijk te verkopen bedragen, de valutadatum en over welke partij welke valuta koopt, leveringen van goederen dan wel diensten onder bezwarende titel zijn in de zin van artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn.
23.
    Volgens de Bank, de Franse regering en de Commissie gaat het bij deviezentransacties om diensten. Aangezien zij onder bezwarende titel worden verricht, vallen zij onder de Zesde richtlijn.
24.
    Daarentegen meent de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat een deviezentransactie die zonder provisie of bankkosten wordt uitgevoerd, wegens het ontbreken van een tegenprestatie geen levering van goederen of dienstverrichting is in de zin van de Zesde richtlijn, maar een eenvoudige ruil van betaalmiddelen.
25.
    In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de valuta’s die in het kader van een deviezentransactie tegen andere valuta’s worden geruild, geldeenheden zijn met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel en dus niet als „lichamelijke zaken” kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 5 van de Zesde richtlijn. Deviezentransacties zijn dus diensten in de zin van artikel 6 van de Zesde richtlijn.
26.
    In de tweede plaats is de vraag, wanneer een dienst onder bezwarende titel wordtverricht, door het Hof aldus beantwoord, dat een dienst enkel „onder bezwarende titel” wordt verricht in de zin van artikel 2 van de Zesde richtlijn en dus enkel belastbaar is, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst (arrest 3 maart 1994, Tolsma, C-16/93, Jurispr. blz. I-743, punt 14).
27.
    Slechts wanneer iemands werkzaamheden uitsluitend bestaan in het verschaffen van prestaties zonder directe tegenprestatie, ontbreekt een belastinggrondslag en zijn die prestaties dus niet aan de BTW onderworpen (zie arrest Tolsma, reeds aangehaald, punt 12).
28.
    In casu kan niet worden ontkend, dat tussen de bank en de wederpartij een tweezijdige rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan de twee partijen bij de transactie zich over en weer verbinden om een bedrag in een bepaalde valuta te leveren en daarvoor de tegenwaarde in een andere valuta te aanvaarden.
29.
    Behalve door de eigenlijke wisseloperatie wordt de dienst van de bank gekenmerkt door haar bereidheid om zulke transacties aan te gaan in de valuta’s waarop zij zich toelegt.
30.
    Het enkele feit dat de bank bij een bepaalde deviezentransactie geen kosten of provisie in rekening brengt, wil niet zeggen dat er geen tegenprestatie wordt betaald.
31.
    Ook eventuele technische problemen bij de vaststelling van de hoogte van de tegenprestatie zijn op zich geen reden om aan te nemen, dat een tegenprestatie ontbreekt.
32.
    Bovendien blijkt uit het dossier, dat tussen de door de bank gehanteerde koersen voor de aan- respectievelijk verkoop van valuta’s een verschil, de marge, bestaat. Daaruit moet worden afgeleid, dat de bank betaling ontvangt voor haar dienst door middel van een in haar koersen ingecalculeerde tegenprestatie.
33.
    Een andere oplossing, waarbij deviezentransacties alleen zouden mogen worden belast indien zij tegen betaling van een provisie of van specifieke kosten plaatsvinden, en een marktdeelnemer zich dus aan belastingheffing zou kunnen onttrekken door in plaats van het berekenen van kosten of van een provisie, bij wijze van vergoeding voor zijn diensten een marge te laten bestaan tussen de door hem geboden transactiekoersen, zou onverenigbaar zijn met het systeem van de Zesde richtlijn en bovendien de marktdeelnemers in een ongelijke positie kunnen brengen voor de belastingheffing.
34.
    Aanvaard moet dus worden dat deviezentransacties, ook al worden daarbij geen provisie of directe kosten in rekening gebracht, diensten zijn die worden verricht in ruil voor een tegenprestatie, dat wil zeggen diensten onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn.
35.
    Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord, dat transacties waarbij de ene partij een overeengekomen bedrag in een valuta koopt en daartegenover aan de andere partij een overeengekomen bedrag in een andere valuta verkoopt, waarbij de twee bedragen op dezelfde valutadatum betaalbaar zijn en partijen (mondeling, via elektronische weg of schriftelijk) overeenstemming hebben bereikt over de betrokken valuta’s, de in die valuta’s te kopen respectievelijk te verkopen bedragen, de valutadatum en over welke partij welke valuta koopt, diensten onder bezwarende titel zijn als bedoeld in artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn.De tweede vraag
36.
    Met zijn tweede vraag wenst de High Court of Justice de aard van de tegenprestatie te zien gepreciseerd. De vraag moet dus zo worden begrepen, dat zij betrekking heeft op de maatstaf van heffing.
37.
    De bank houdt staande, dat de tegenprestatie alle opbrengst uit de deviezentransacties omvat, dat wil zeggen de omzet, bestaande uit de totale waarde van de in het kader van de deviezentransacties geleverde valuta’s.
38.
    Volgens de Franse regering en de Commissie daarentegen bestaat de tegenprestatie uit de behaalde koerswinst en andere door de dienstverrichter ontvangen vergoedingen.
39.
    In dit verband vermeldt de Commissie, dat zij een richtlijnvoorstel had uitgewerkt waarin een specifieke bepaling over deviezentransacties voorkwam [voorstel voor een negentiende richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting houdende wijziging van richtlijn 77/388/EEG — gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, COM(84) 648 def., PB 1984, C 347, blz. 5)]. De voorgestelde wijziging behelsde de toevoeging van de volgende passage aan artikel 19, lid 1, tweede streepje:„Met betrekking tot de overdrachten van deviezen en effecten, die krachtens het bepaalde in artikel 13, B., punt d, sub 4 en 5, zijn vrijgesteld, wordt het in de noemer in aanmerking te nemen bedrag verminderd met hun aanschafwaarde; dit bedrag moet in voorkomend geval de van de koper verlangde provisie en kosten omvatten. Indien de belastingplichtige de aanschafwaarde niet kan bepalen kan hij de waarde van de aankopen van deviezen of effecten die in dezelfde periode hebben plaatsgevonden, daarvoor in de plaats stellen, mits het gaat om deviezen of effecten die gelijk zijn aan die welke werden verkocht.”
40.
    De Commissie verklaart dit voorstel te hebben ingetrokken om redenen die met deze bepaling geen verband houden.
41.
    De regering van het Verenigd Koninkrijk van haar kant meent, dat wanneer het Hof de betrokken deviezentransactie als dienst onder bezwarende titel zou aanmerken, de waarde om twee redenen niet aan de hand van de marge („spread”) tussen de aankoop- en de verkoopkoers mag worden bepaald. In de eerste plaats wordt deze marge de cliënt niet in rekening gebracht door de bank. In de tweede plaats zou waardering op die basis erop neerkomen, dat BTW wordt geheven over de winst in plaats van over de omzet. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk valt bij deviezentransacties bovendien geen tegenprestatie aan te wijzen, daar de winst of opbrengst voor de bank het resultaat is van haar deelneming aan een hele reeks transacties met telkens verschillende wisselkoersen, en niet van een afzonderlijke transactie. Bovendien zijn de over en weer geleverde valuta’s niet als wederzijdse tegenprestatie aan te merken.
42.
    Volgens artikel 11 A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn is de maatstaf van heffing voor diensten alles wat de dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de ontvanger.
43.
    Hoewel zij het voorwerp van de transactie vormen, kunnen de bij een deviezentransactie door een marktdeelnemer van zijn wederpartij ontvangen valuta’s niet worden beschouwd als vergoeding voor de dienst, bestaande in het omwisselen van valuta’s in andere valuta’s, en dus niet als tegenprestatie ter zake.
44.
    Om vast te stellen waaruit de tegenprestatie bestaat, moet dus het bedrag worden bepaald dat de bank voor de deviezentransacties ontvangt, dat wil zeggen de vergoeding voor de deviezentransacties waarover zij daadwerkelijk voor eigen rekening kan beschikken (zie in deze zin het arrest van 5 mei 1994, Glawe, C-38/93, Jurispr. blz. I-1679, punt 9).
45.
    De marge, dus het verschil tussen de aankoop- en de verkoopkoers, is niet meer dan de theoretische prijs die de bank zou realiseren wanneer zij gelijktijdig enonder gelijke voorwaarden, twee corresponderende aan- en verkooptransacties zou afsluiten voor dezelfde bedragen in dezelfde valuta.
46.
    Dat is echter slechts een theoretische benadering, aangezien de bank zeer vele transacties verricht die betrekking hebben op zeer uiteenlopende bedragen en valuta’s, waarvan de koersen voortdurend fluctueren. Bij afsluiting van een afzonderlijke transactie kan een marktdeelnemer in de regel niet voorzien, op welk moment en tegen welke koers hij het na die transactie intredende risico van koerswijziging met een of meer andere transacties kan elimineren of op een bepaald bedrag fixeren.
47.
    Daarom moet worden aanvaard, dat de tegenprestatie, dat wil zeggen het bedrag waarover de bank daadwerkelijk voor eigen rekening kan beschikken, bestaat uit het bruto resultaat van al haar transacties in een bepaalde periode.
48.
    Er zij in dit verband aan herinnerd, dat het Hof ten aanzien van transacties onder bezwarende titel, waarbij de feitelijke tegenprestatie afhangt van toekomstige factoren zoals een zeker tijdsverloop, reeds heeft uitgemaakt dat de maatstaf van heffing moet worden bepaald aan de hand van met name de over de periode van betalingsuitstel verschuldigde rente, waarvan het bedrag bij de afsluiting van de belaste transactie nog niet vaststond (arrest van 27 oktober 1993, Muys’ en De Winter’s Bouw- en Aannemingsbedrijf, C-281/91, Jurispr. blz. I-5405, punt 18).
49.
    Voorts is voor de belastbaarheid van een transactie evenmin vereist, dat de belastingplichtige die de goederen levert of de dienst verricht, dan wel diens wederpartij, het precieze bedrag kent van de tegenprestatie die de maatstaf van heffing vormt (arrest van 24 oktober 1996, Argos Distributors, C-288/94, Jurispr. blz. I-5311, punten 21 en 22). Derhalve speelt het geen rol, dat de grondslag waarover de BTW zal worden geheven, partijen niet bekend is op het moment waarop de transactie wordt aangegaan, en dat de ontvanger van de verrichte dienst daarvan ook nadien onwetend blijft.
50.
    Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 11 A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat in het geval van deviezentransacties waarbij geen kosten of provisie worden berekend voor bepaalde specifieke transacties, de maatstaf van heffing bestaat uit het bruto resultaat van de transacties van de dienstverrichter in een bepaalde periode.Kosten
51.
    De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Franse regering alsmede de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door de High Court of Justice, Queen’s Bench Division, bij beschikking van 13 mei 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)    Transacties waarbij de ene partij een overeengekomen bedrag in een valuta koopt en daartegenover aan de andere partij een overeengekomen bedrag in een andere valuta verkoopt, waarbij de twee bedragen op dezelfde valutadatum betaalbaar zijn en partijen (mondeling, via elektronische weg of schriftelijk) overeenstemming hebben bereikt over de betrokken valuta’s, de in die valuta’s te kopen respectievelijk te verkopen bedragen, de

valutadatum en over welke partij welke valuta koopt, zijn diensten onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

2)    Artikel 11 A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat in het geval van deviezentransacties waarbij geen kosten of provisie worden berekend voor bepaalde specifieke transacties, de maatstaf van heffing bestaat uit het bruto resultaat van de transacties van de dienstverrichter in een bepaalde periode.

Gulmann

Wathelet

Moitinho de Almeida

Jann

Sevón

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 juli 1998.

De griffier

De president van de Vijfde kamer

R. Grass

C. Gulmann

1: Procestaal: Engels.

ECLI:EU:C:1998:354