HvJ 14-10-1992 Commissie-Italie C-262/91

HvJ Commissie-Italie arrest

Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d, van de Zesde richtlijn met betrekking tot de btw-vrijstelling voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

ARREST VAN HET HOF

VAN 14 OKTOBER 1992

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN ITALIAANSE REPUBLIEK

NIET-NAKOMING – NIET-UITVOERING VAN NIET-NAKOMINGSARRESTEN VAN HET HOF

ZAAK C-262/91

Trefwoorden


++++

Beroep wegens niet-nakoming ° Arrest van Hof, waarbij niet-nakoming wordt vastgesteld ° Uitvoeringstermijn

(EEG-Verdrag, art. 171)

Samenvatting


De onmiddellijke en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht vereist, dat met de uitvoering van een arrest waarbij de niet-nakoming van een Lid-Staat wordt vastgesteld, onmiddellijk een begin wordt gemaakt en dat zij zo snel mogelijk wordt voltooid.

Partijen


In zaak C-262/91,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. F. Buhl en A. Aresu, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. Braguglia, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,

verweerster,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van de arresten van het Hof van 24 november 1987 (zaak 124/86 en zaak 125/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 4661 respectievelijk 4669), de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,

advocaat-generaal: C. O. Lenz

griffier: L. Hewlett, administrateur

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 oktober 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van de arresten van het Hof van 24 november 1987 (zaak 124/86 en zaak 125/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 4661, respectievelijk 4669), de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2 In deze arresten heeft het Hof verklaard, dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijnen de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van respectievelijk richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren, en richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d, van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

3 Daar de Commissie geen mededeling ontving over de maatregelen die de Italiaanse Republiek moest nemen om uitvoering te geven aan de twee voormelde arresten, heeft zij de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid en ten slotte het onderhavige niet-nakomingsberoep ingesteld.

4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

5 De Commissie betoogt, dat het feit dat de Italiaanse Republiek nog niet de nodige bepalingen heeft vastgesteld teneinde haar nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de twee bovengenoemde arresten van 24 november 1987, niet-nakoming oplevert van de verplichting van artikel 171 EEG-Verdrag, de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een arrest.

6 De Italiaanse Republiek beperkt zich tot de mededeling, dat de ter uitvoering van de twee arresten van het Hof noodzakelijke regeling binnenkort door de Kamer van afgevaardigden zal worden goedgekeurd.

7 Dienaangaande moet worden beklemtoond dat, ook al bepaalt artikel 171 niet binnen welke termijn aan een arrest uitvoering moet worden gegeven, het belang van een onmiddellijke en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht vereist, dat met die uitvoering onmiddellijk een begin wordt gemaakt en dat zij zo snel mogelijk wordt voltooid (zie het arrest van 13 juli 1988, zaak 169/87, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1988, blz. 4093, r.o. 14).

8 Derhalve moet de niet-nakoming conform de vordering van de Commissie worden vastgesteld.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

9 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE

rechtdoende, verstaat:

1) Door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van

° het arrest van 24 november 1987 (zaak 124/86, Commissie/Italië), waarin het Hof heeft verklaard:

“Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren, is de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen”, en

° het arrest van 24 november 1987 (zaak 125/86, Commissie/Italië), waarin het Hof heeft verklaard:

“Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d, van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, is de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen”, is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.

ECLI:EU:C:1992:391

Geplaatst in Arresten en getagd met , , , .