HvJ 15-01-2013 Križan C-416/10

HvJ Križan arrest

1)      Artikel 267 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter, zoals de verwijzende rechter, ook dan verplicht is om ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen, wanneer de zaak na de vernietiging van zijn eerste beslissing en terugverwijzing door de constitutionele rechter van de betrokken lidstaat aan hem wordt voorgelegd en hij op grond van een nationaal voorschrift verplicht is om bij zijn beslissing de rechtsopvatting te volgen van die constitutionele rechter.

2)      Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006, moet aldus worden uitgelegd dat deze:

–        voorschrijft dat het betrokken publiek toegang heeft tot een stedenbouwkundig besluit zoals dat wat in het hoofdgeding aan de orde is, vanaf het begin van de procedure voor het verlenen van een vergunning voor de betrokken installatie;

–        niet toestaat dat de bevoegde nationale autoriteiten weigeren aan het betrokken publiek toegang te verlenen tot een dergelijk besluit met een beroep op de in het nationale recht of het Unierecht voorziene bescherming van de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, teneinde een legitiem economisch belang te beschermen, en

–        zich er niet tegen verzet dat een onterechte weigering om het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stedenbouwkundig besluit tijdens de administratieve procedure in eerste aanleg aan het betrokken publiek ter beschikking te stellen, kan worden hersteld tijdens de administratieve procedure in tweede aanleg, mits alle opties nog open zijn en herstel in dat stadium het betrokken publiek nog in staat stelt daadwerkelijk invloed uit te oefenen op de uitkomst van het besluitvormingsproces; het staat aan de nationale rechter om dit na te gaan.

3)      Artikel 15 bis van richtlijn 96/61, zoals gewijzigd bij verordening nr. 166/2006, moet aldus worden uitgelegd dat de leden van het betrokken publiek in het kader van een beroep krachtens die bepaling moeten beschikken over de mogelijkheid om bij de rechter of het bevoegde bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige orgaan te verzoeken dat voorlopige maatregelen worden gelast die de toepassing van een vergunning in de zin van artikel 4 van die richtlijn tijdelijk kunnen opschorten in afwachting van het definitieve besluit.

4)      Een beslissing die een nationale rechter heeft gegeven in het kader van een nationale procedure tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 15 bis van richtlijn 96/61, zoals gewijzigd bij verordening nr. 166/2006, en artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005, waarbij een in strijd met de bepalingen van die richtlijn verleende vergunning is nietig verklaard, kan als zodanig geen ongerechtvaardigde inbreuk vormen op het eigendomsrecht van de exploitant, zoals vervat in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

15 januari 2013 (*)

„Artikel 267 VWEU – Vernietiging van rechterlijke beslissing – Terugverwijzing naar betrokken rechter – Verplichting om te voldoen aan vernietigingsbeslissing – Prejudiciële verwijzing – Mogelijkheid – Milieu – Verdrag van Aarhus – Richtlijn 85/337/EEG – Richtlijn 96/61/EG – Inspraak van publiek bij besluitvorming – Aanleg van stortplaats van afvalstoffen – Aanvraag van vergunning – Zakengeheim – Niet-mededeling van stuk aan publiek – Gevolg voor geldigheid van besluit over vergunning voor stortplaats – Herstel – Milieueffectbeoordeling van project – Eindadvies voorafgaand aan toetreding van een lidstaat tot de Unie – Toepassing ratione temporis van richtlijn 85/337 – Beroep in rechte – Voorlopige maatregelen – Opschorting van tenuitvoerlegging – Nietigverklaring van bestreden besluit – Eigendomsrecht – Aantasting”

In zaak C‑416/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) bij beslissing van 17 augustus 2010, ingekomen bij het Hof op 23 augustus 2010, in de procedure

Jozef Križan,

Katarína Aksamitová,

Gabriela Kokošková,

Jozef Kokoška,

Martina Strezenická,

Jozef Strezenický,

Peter Šidlo,

Lenka Šidlová,

Drahoslava Šidlová,

Milan Šimovič,

Elena Šimovičová,

Stanislav Aksamit,

Tomáš Pitoňák,

Petra Pitoňáková,

Mária Križanová,

Vladimír Mizerák,

Ľubomír Pevný,

Darina Brunovská,

Mária Fišerová,

Lenka Fišerová,

Peter Zvolenský,

Katarína Zvolenská,

Kamila Mizeráková,

Anna Konfráterová,

Milan Konfráter,

Michaela Konfráterová,

Tomáš Pavlovič,

Jozef Krivošík,

Ema Krivošíková,

Eva Pavlovičová,

Jaroslav Pavlovič,

Pavol Šipoš,

Martina Šipošová,

Jozefína Šipošová,

Zuzana Šipošová,

Ivan Čaputa,

Zuzana Čaputová,

Štefan Strapák,

Katarína Strapáková,

František Slezák,

Agnesa Slezáková,

Vincent Zimka,

Elena Zimková,

Marián Šipoš,

Mesto Pezinok

tegen

Slovenská inšpekcia životného prostredia,

in tegenwoordigheid van:

Ekologická skládka as,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, M. Ilešič, L. Bay Larsen (rapporteur), J. Malenovský, kamerpresidenten, A. Borg Barthet, J.‑C. Bonichot, C. Toader, J.‑J. Kasel en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 januari 2012,

gelet op de opmerkingen van:

–        Jozef Križan, Katarína Aksamitová, Gabriela Kokošková, Jozef Kokoška, Martina Strezenická, Jozef Strezenický, Peter Šidlo, Lenka Šidlová, Drahoslava Šidlová, Milaan Šimovič, Elena Šimovičová, Stanislav Aksamit, Tomáš Pitoňák, Petra Pitoňáková, Mária Križanová, Vladimír Mizerák, Ľubomír Pevný, Darina Brunovská, Mária Fišerová, Lenka Fišerová, Peter Zvolenský, Katarína Zvolenská, Kamila Mizeráková, Anna Konfráterová, Milaan Konfráter, Michaela Konfráterová, Tomáš Pavlovič, Jozef Krivošík, Ema Krivošíková, Eva Pavlovičová, Jaroslav Pavlovič, Pavol Šipoš, Martina Šipošová, Jozefína Šipošová, Zuzana Šipošová, Ivan Čaputa, Zuzana Čaputová, Štefan Strapák, Katarína Strapáková, František Slezák, Agnesa Slezáková, Vincent Zimka, Elena Zimková, Marián Šipoš, vertegenwoordigd door T. Kamenec en Z. Čaputová, advokáti,

–        Mesto Pezinok, vertegenwoordigd door J. Ondruš en K. Siváková, advokáti,

–        Slovenská inšpekcia životného prostredia, vertegenwoordigd door L. Fogaš, advokát,

–        Ekologická skládka as, vertegenwoordigd door P. Kováč, advokát,

–        de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en D. Hadroušek als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door S. Menez als gemachtigde,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Oliver en A. Tokár als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 april 2012,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB L 124, blz. 1; hierna: „Verdrag van Aarhus”), artikelen 191, leden 1 en 2, VWEU en 267 VWEU, richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (PB L 156, blz. 17; hierna: „richtlijn 85/337”), en richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 (PB L 33, blz. 1; hierna: „richtlijn 96/61”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Križan en 43 andere verzoekers (natuurlijke personen en inwoners van de stad Pezinok) en de Mesto Pezinok (stad Pezinok), enerzijds, en de Slovenská inšpekcia životného prostredia (Slowaakse milieu-inspectie; hierna: „inšpekcia”), anderzijds, over de wettigheid van besluiten van de administratieve autoriteit waarbij vergunning is verleend voor de aanleg en exploitatie door Ekologická skládka as (hierna: „Ekologická skládka”), interveniënte in het hoofdgeding, van een stortplaats van afvalstoffen.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3        In artikel 6 van het Verdrag van Aarhus, met het opschrift „Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten”, wordt in de leden 1, 2, 4 en 6 bepaald:

„1.      Elke partij:

a)      past de bepalingen van dit artikel toe ten aanzien van besluiten over het al dan niet toestaan van voorgestelde activiteiten vermeld in bijlage I;

[…]

2.      Het betrokken publiek wordt, bij openbare bekendmaking of, indien van toepassing, individueel, vroegtijdig in een milieubesluitvormingsprocedure, en op adequate, tijdige en doeltreffende wijze, geïnformeerd over onder meer:

[…]

d)      de beoogde procedure, met inbegrip van, in de gevallen waarin deze informatie kan worden verstrekt:

[…]

iv)      een aanduiding van de overheidsinstantie waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij de relevante informatie voor het publiek ter inzage is gelegd;

[…]

4.      „Elke partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.

[…]

6.      Elke partij stelt aan de bevoegde overheidsinstanties de eis dat zij het betrokken publiek voor inzage toegang verschaffen, op verzoek wanneer het nationale recht dit vereist, kosteloos en zodra deze beschikbaar wordt, tot alle informatie die relevant is voor de in dit artikel bedoelde besluitvorming die beschikbaar is ten tijde van de inspraakprocedure, onverminderd het recht van partijen te weigeren bepaalde informatie bekend te maken in overeenstemming met artikel 4, [lid] 4.

[…]”

4        Artikel 9 van datzelfde Verdrag, met het opschrift „Toegang tot de rechter” bepaalt in de leden 2 en 4 ervan:

„2.      Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek

[…]

b)      […]      toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende lid 3, andere relevante bepalingen van dit Verdrag.

[…]

4.      Aanvullend op en onverminderd het voorgaande lid 1, voorzien de in de voorgaande leden 1, 2 en 3, bedoelde procedures in passende en doeltreffende middelen, met inbegrip van, zo nodig, een dwangmiddel tot rechtsherstel en zijn zij billijk, snel en niet onevenredig kostbaar. […]”

5        Bijlage I, lid 5, bij het Verdrag van Aarhus, vermeldt, als een van de in artikel 6, lid 1, sub a, bedoelde activiteiten:

„Afvalbeheer

[…]

–        Stortplaatsen die meer dan 10 ton per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25 000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.”

Unierecht

Richtlijn 85/337

6        Artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/337 definieert het begrip „vergunning” als: „[h]et besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren”.

7        Artikel 2 van die richtlijn is als volgt geformuleerd:

„1.      De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.

2.      De milieueffectbeoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande procedures van de lidstaten voor het verlenen van vergunningen voor projecten of, bij gebreke hiervan, in andere procedures of in de procedures die moeten worden ingesteld om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen.

[…]”

Richtlijn 96/61

8        Punt 23 van de considerans van richtlijn 96/61 luidt:

„[…]      om het grote publiek te informeren over de exploitatie van installaties en de mogelijke milieueffecten daarvan, en om de vergunningsprocedure in de hele Gemeenschap doorzichtig te maken, [moet] het publiek toegang hebben alvorens enige vergunning wordt afgegeven, tot informatie betreffende de aanvragen om een vergunning voor nieuwe installaties […]”

9        Artikel 1 van die richtlijn, met het opschrift „Doel en toepassingsgebied”, bepaalt:

„Deze richtlijn heeft de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel. Zij bevat maatregelen ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies door de bedoelde activiteiten in lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen voor afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, onverminderd de bepalingen van richtlijn [85/337] en andere gemeenschapsvoorschriften.”

10      Artikel 15 van diezelfde richtlijn, met het opschrift „Toegang tot informatie en deelneming van het publiek aan de vergunningsprocedure”, bepaalt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgt bij de besluitvormingsprocedure voor

–        de afgifte van een vergunning voor nieuwe installaties;

[…]

De procedure van bijlage V is voor deze inspraak van toepassing.

[…]

4.      [Met name lid 1 is] van toepassing onverminderd de in artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 90/313/EEG [van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie (PB L 158, blz. 56)] opgenomen beperkingen.

[…]”

11      Artikel 15 bis van richtlijn 96/61, met het opschrift „Toegang tot de rechter”, luidt als volgt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek […]:

[…]

in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten.

[…]

Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn.

[…]”

12      Bijlage I bij richtlijn 96/61, met het opschrift „In artikel 1 bedoelde categorieën van industriële activiteiten” verwijst in punt 5.4 ervan, naar „[s]tortplaatsen die meer dan 10 ton per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25 000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen”.

13      Bijlage V bij diezelfde richtlijn, met het opschrift „Inspraak van het publiek in de besluitvorming”, bepaalt met name:

„1.      Het publiek wordt (door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze) in een vroeg stadium van de besluitvormingsprocedure, en uiterlijk zodra de informatie redelijkerwijs kan worden verstrekt, in kennis gesteld van het volgende:

[…]

c)      nadere gegevens betreffende de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming, waarbij relevante informatie kan worden verkregen, waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens betreffende de termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen;

[…]

f)      tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie;

[…]”

Richtlijn 2003/4/EG

14      Punt 16 van de considerans van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313 (PB L 41, blz. 26) luidt als volgt:

„Het recht op informatie houdt in dat bekendmaking van de informatie de regel moet zijn en dat overheidsinstanties uitsluitend in bepaalde, welomschreven gevallen de mogelijkheid hebben een verzoek om milieu-informatie te weigeren. Redenen voor weigering moeten restrictief geïnterpreteerd worden, waarbij het algemene belang, dat is gediend met openbaarmaking, dient te worden afgewogen tegen het specifieke belang dat is gediend met de weigering om openbaar te maken. De redenen voor een weigering moeten binnen de in deze richtlijn vastgestelde termijn aan de aanvrager worden meegedeeld.”

15      Artikel 4, leden 2 en 4, van die richtlijn bepaalt met name:

„2.      De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd, indien openbaarmaking van de informatie afbreuk doet aan een van de volgende punten:

[…]

d)      de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, wanneer deze vertrouwelijkheid bij de nationale of de communautaire wetgeving geboden wordt om een gewettigd economisch belang te beschermen, met inbegrip van het algemeen belang dat met statistische en fiscale geheimhouding is gediend;

[…]

De [met name in lid 2] genoemde gronden voor weigering worden restrictief uitgelegd, met voor het specifieke geval inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang. In elk afzonderlijk geval dient het algemene belang dat is gediend met openbaarmaking te worden afgewogen tegen het specifieke belang dat is gediend met de weigering om openbaar te maken. […] […]

4.      Milieu-informatie waarover overheidsinstanties beschikken of die voor hen wordt beheerd, en waarom door een aanvrager is verzocht, wordt gedeeltelijk beschikbaar gesteld wanneer het mogelijk is informatie waarop lid 1, sub d en e, of lid 2 van toepassing is, van de overige gevraagde informatie te scheiden.”

Richtlijn 2003/35

16      In punt 5 van de considerans van richtlijn 2003/35 wordt verklaard dat het Unierecht met het oog op de bekrachtiging van het Verdrag van Aarhus aan dat Verdrag dient te worden aangepast.

Slowaaks recht

Proceduregels

17      In § 135, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt bepaald:

„[…] De rechter is ook gebonden aan de beslissingen van de Ústavný súd Slovenskej republiky of van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die gevolgen hebben voor de fundamentele rechten en vrijheden.”

18      § 56, lid 6, van wet nr. 38/1993 Z.z. inzake de organisatie van, de procesvoering bij en de status van de rechters van de Ústavný súd Slovenskej republiky, in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is, bepaalt:

„Wanneer de Ústavný súd Slovenskej republiky een beslissing, maatregel of andere geldige handeling vernietigt en de zaak terugverwijst, dan dient de instantie die in die zaak de maatregel heeft genomen of de handeling heeft verricht de zaak opnieuw te onderzoeken en een nieuwe beslissing te nemen. In die procedure is de instantie gebonden aan de právny názor [rechtsopvatting] van de Ústavný súd Slovenskej republiky.”

Bepalingen inzake milieueffectbeoordeling, stedenbouwkundige regels en geïntegreerde vergunningen

–       Wet nr. 24/2006 Z.z.

19      § 1, lid 1, van wet nr. 24/2006 Z.z. inzake milieueffectbeoordeling en tot wijziging van verschillende wetten, in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is, luidt:

„Deze wet regelt:

a)      de procedure voor de beoordeling, door deskundigen en door het publiek, van de vermoedelijke milieueffecten

[…]

2.      van voorgenomen activiteiten voordat een besluit wordt genomen over de locatie daarvan, of voordat voor die activiteiten vergunning wordt verleend overeenkomstig de bijzondere regeling.

[…]”

20      § 37 van die wet bepaalt:

„[…]

6)      De geldigheidsduur van het eindadvies inzake een activiteit bedraagt drie jaar vanaf de afgifte ervan. Het eindadvies behoudt zijn geldigheid wanneer in dit tijdvak een procedure inzake de locatie van, of inzake het verlenen van een vergunning voor de activiteit is ingeleid overeenkomstig de bijzondere regeling.

7)      De geldigheid van het eindadvies betreffende een activiteit kan op verzoek van de aanvrager telkens met twee jaar worden verlengd, mits de aanvrager schriftelijk aantoont dat de voorgenomen activiteit en de omstandigheden op het terrein geen aanzienlijke wijzigingen hebben ondergaan, er zich in verband met de materiële inhoud van het rapport inzake de beoordeling van de activiteit geen enkele nieuwe omstandigheid heeft voorgedaan en er geen nieuwe technologieën zijn ontwikkeld die nuttig zijn voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit. Het besluit om de geldigheid van het eindadvies betreffende de activiteit te verlengen, wordt genomen door de bevoegde instantie.”

21      § 65, lid 5, van die wet preciseert:

„Wanneer het eindadvies dateert van vóór 1 februari 2006 en er voor de aan beoordeling onderworpen activiteit geen procedure voor het verlenen van een vergunning is ingeleid overeenkomstig de bijzondere regeling, dient bij het ministerie een verlenging van de geldigheid van dit advies te worden aangevraagd overeenkomstig § 37, lid 7.”

–       Wet nr. 50/1976 Z.z.

22      § 32 van wet nr. 50/1976 Z.z. houdende het stedenbouwkundig wetboek, in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is, bepaalt:

„De locatie van een werk, de wijziging van de bestemming van de grond en de bescherming van essentiële belangen op het terrein zijn enkel mogelijk op basis van een stedenbouwkundig besluit in de vorm van een

a)      locatiebesluit;

[…]”

–       Wet nr. 245/2003 Z.z.

23      § 8, leden 3 en 4, van wet nr. 245/2003 Z.z. inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van vervuiling en tot wijziging van verschillende wetten, zoals gewijzigd bij wet nr. 532/2005 (hierna: „wet nr. 245/2003”), bepaalt:

„3)      Indien het gaat om een geïntegreerde exploitatievergunning die tevens de verlening van een vergunning voor de bouw van een nieuw werk of een wijziging van een bestaand werk vereist, omvat de procedure ook een stedenbouwkundige procedure, een procedure voor het wijzigen vóór de voltooiing van het bouwwerk en een procedure voor het verlenen van een vergunning voor verbouwingswerkzaamheden.

4)      De stedenbouwkundige procedure, de beoordeling van de milieueffecten van de installatie en de vaststelling van de voorwaarden voor de preventie van ernstige industriële ongelukken maken geen deel uit van de geïntegreerde vergunning.”

24      § 11, lid 2, van die wet preciseert:

„De aanvraag [voor de geïntegreerde vergunning] gaat vergezeld van een bijlage, met daarin:

[…]

c)      het eindadvies dat voortvloeit uit de milieueffectbeoordelingsprocedure, indien de exploitatie dit vereist,

[…]

g)      het stedenbouwkundig besluit, indien het gaat om een nieuwe exploitatie of de uitbreiding van een bestaande exploitatie […]”

25      § 12 van bovengenoemde wet, met het opschrift „Aanvang van de procedure”, bepaalt:

„[…]

(2)      Nadat de administratie heeft vastgesteld dat de aanvraag volledig is en heeft bepaald wie de partijen zijn in de procedure en welke de betrokken instanties zijn,

[…]

c)      […] publiceert zij de aanvraag op haar internetpagina, met uitzondering van de niet elektronisch beschikbare bijlagen, en publiceert zij gedurende ten minste 15 dagen op haar officiële lijst de essentiële informatie over de ingediende aanvraag, de exploitant en de exploitatie,

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

Administratieve procedure

26      Op 26 juni 1997 heeft de Mesto Pezinok algemene verordening nr. 2/1997 vastgesteld houdende het stedenbouwkundig plan dat, met name, voorzag in de locatiekeuze van een stortplaats van afvalstoffen in een groeve waaruit aarde werd gewonnen voor steenfabrieken, genaamd „Nová jama” (nieuwe groeve).

27      Op basis van een op 16 december 1998 door Pezinské tehelne overgelegd rapport inzake de beoordeling van een voorgenomen locatiekeuze van een stortplaats van afvalstoffen, heeft de minister van Milieu in 1999 een milieueffectbeoordeling verricht. Op 26 juli 1999 bracht de minister een eindadvies uit.

28      Op 7 augustus 2002 heeft Ekologická skládka bij de bevoegde dienst van de Mesto Pezinok een aanvraag ingediend voor een stedenbouwkundig besluit over de locatie van een stortplaats van afvalstoffen op het terrein van Nová jama.

29      Op 27 maart 2006 heeft de minister van Milieu, op verzoek van Pezinské tehelne, de geldigheid van zijn eindadvies verlengd van 26 juli 1999 tot 1 februari 2008.

30      Op 30 november 2006 verleende de Mesto Pezinok in de vorm van een besluit van de Krajský stavebný úrad v Bratislave (regionale stedenbouwkundige dienst van Bratislava) van 7 mei 2007 op aanvraag van Ekologická skládka de vergunning voor de locatie van een stortplaats van afvalstoffen op het terrein van Nová jama.

31      Na een op 25 september 2007 door Ekologická skládka ingediende aanvraag van een geïntegreerde vergunning leidde de Slovenská inšpekcia životného prostredia, Inšpektorát životného prostredia Bratislava (Slowaakse milieu-inspectie voor Bratislava; hierna: „inšpektorát”) een geïntegreerde procedure in overeenkomstig wet nr. 245/2003, waarbij richtlijn 96/61 was omgezet. Op 17 oktober 2007 publiceerde het inšpektorát samen met de openbare milieubeschermingsdiensten deze aanvraag onder vaststelling van een termijn van 30 dagen voor het indienen van opmerkingen door het publiek en betrokken staatsdiensten.

32      Aangezien verzoekers in het hoofdgeding hebben aangevoerd dat de door Ekologická skládka ingediende aanvraag van de geïntegreerde vergunning onvolledig was omdat deze niet het in § 11, lid 2, sub g, van wet nr. 245/2003 als bijlage voorziene stedenbouwkundig besluit over de locatie van de stortplaats bevatte, heeft het inšpektorát de geïntegreerde procedure op 26 november 2007 geschorst en verzocht om mededeling van dat besluit.

33      Op 27 december 2007 heeft Ekologická skládka voornoemd besluit verstrekt, waarbij zij meedeelde dit besluit aan te merken als een zakengeheim. Op basis van die mededeling heeft het inšpektorát het betrokken stuk niet aan verzoekers in het hoofdgeding ter beschikking gesteld.

34      Op 22 januari 2008, heeft het inšpektorát aan Ekologická skládka een geïntegreerde vergunning afgegeven voor de bouw van de installatie „Pezinok – stortplaats van afvalstoffen” en voor de exploitatie daarvan.

35      Verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen dat besluit beroep ingesteld bij de inšpekcia, een instantie ter bescherming van het milieu in tweede aanleg. Deze instantie heeft besloten om het stedenbouwkundig besluit over de locatie van de stortplaats bekend te maken op de lijst van officiële mededelingen van 14 maart tot en met 14 april 2008.

36      In het kader van de administratieve procedure in tweede aanleg hebben verzoekers in het hoofdgeding met name aangevoerd dat het blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting om de geïntegreerde procedure in te leiden zonder te beschikken over het stedenbouwkundig besluit over de locatie van de stortplaats, en vervolgens, nadat dat besluit was neergelegd, zonder dit bekend te maken, op grond dat het een zakengeheim zou bevatten.

37      Bij beschikking van 18 augustus 2008, heeft de inšpekcia het beroep ongegrond verklaard.

Gerechtelijke procedure

38      Verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen de beschikking van de inšpekcia van 18 augustus 2008 beroep ingesteld bij de Krajský súd Bratislava (regionaal gerechtshof te Bratislava), rechter in eerste aanleg in administratiefrechtelijke zaken. Bij arrest van 4 december 2008 heeft die rechter het beroep verworpen.

39      Verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen dat arrest hoger beroep ingesteld bij de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hooggerechtshof van de Slowaakse Republiek).

40      Bij beschikking van 6 april 2009 heeft de Najvyšší súd Slovenskej republiky de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde vergunning opgeschort.

41      Bij arrest van 28 mei 2009 heeft de Najvyšší súd Slovenskej republiky het arrest van de Krajský súd Bratislava vernietigd en de beschikkingen van de inšpekcia van 18 augustus 2008 en van het inšpektorát van 22 januari 2008 nietig verklaard, in wezen op grond dat de bevoegde autoriteiten de regels inzake de inspraak van het betrokken publiek bij de geïntegreerde procedure niet in acht zouden hebben genomen en onvoldoende onderzoek zouden hebben gedaan naar de milieueffecten van de aanleg van de stortplaats.

42      Op 25 juni 2009 heeft Ekologická skládka bij de Ústavný súd Slovenskej republiky (grondwettelijk hof van de Slowaakse Republiek) grondwettelijk beroep ingesteld tegen de beschikking van de Najvyšší súd Slovenskej republiky van 6 april 2009. Op 3 september 2009 heeft zij grondwettelijk beroep ingesteld tegen het arrest van de Najvyšší súd Slovenskej republiky van 28 mei 2009.

43      Bij arrest van 27 mei 2010 heeft de Ústavný súd Slovenskej republiky geoordeeld dat de Najvyšší súd Slovenskej republiky zich schuldig had gemaakt aan schending van het door artikel 46, lid 1, van de grondwet erkende fundamentele recht van Ekologická skládka op rechterlijke bescherming, aan schending van haar door § 20, lid 1, van de grondwet erkende fundamentele recht op eigendom, en aan schending van haar door artikel 1 van het Aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, erkende recht op het ongestoorde genot van haar goed.

44      De Ústavný súd Slovenskej republiky heeft met name overwogen dat de Najvyšší súd Slovenskej republiky geen rekening had gehouden met alle geldende beginselen van de administratieve procedure en zijn bevoegdheden had overschreden door de rechtmatigheid te onderzoeken van de procedure en van het besluit tot het verrichten van een milieueffectbeoordeling, ondanks dat verzoekers die rechtmatigheid niet hadden aangevochten en die rechterlijke instantie niet bevoegd was om hier uitspraak over te doen.

45      Bij zijn arrest heeft de Ústavný súd Slovenskej republiky derhalve de bestreden beschikking en het bestreden arrest vernietigd en de zaak voor verdere afdoening terugverwezen naar de Najvyšší súd Slovenskej.

46      De Najvyšší súd Slovenskej republiky merkt op dat verschillende deelnemers aan de bij hem aanhangige procedure betogen dat hij gebonden is aan het arrest van de Ústavný súd Slovenskej republiky van 27 mei 2010. De Najvyšší súd Slovenskej republiky blijft evenwel twijfelen aan de verenigbaarheid van de bestreden beslissingen met het Unierecht.

47      In die context heeft de Najvyšší súd Slovenskej republiky de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Verplicht het [Unierecht] (meer bepaald artikel 267 VWEU) het hooggerechtshof van een lidstaat, of staat het dit toe, ambtshalve een prejudiciële vraag naar het Hof […] te verwijzen, zelfs in een stand van de procedure waarin het grondwettelijk hof een beslissing van het hooggerechtshof heeft vernietigd wegens met name de toepassing van het [Unierecht] inzake milieubescherming, en dit laatste de verplichting heeft opgelegd om zich te houden aan de rechtsoordelen van het grondwettelijk hof ten aanzien van de schending van procedurele en materiële grondrechten van een bij een gerechtelijke procedure betrokken partij, zonder rekening te houden met de [Unierechtelijke] dimensie van het geschil; of anders gezegd, wanneer het grondwettelijk hof, dat in laatste instantie uitspraak doet, in die procedure niet tot de noodzaak van het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof […] heeft geconcludeerd en provisoir de toepassing van het recht op een passend milieu en de bescherming daarvan heeft uitgesloten?

2)      Kan de fundamentele doelstelling van geïntegreerde preventie, die volgt uit onder meer de punten 8, 9 en 23 van de considerans en de artikelen 1 en 15 van richtlijn [96/61] alsmede uit het […] [milieurecht van de Unie] in het algemeen, namelijk te komen tot preventie en bestrijding van milieuverontreiniging door ook het publiek daarbij te betrekken om zo een hoog niveau van milieubescherming te verwezenlijken, worden bereikt wanneer het publiek bij de aanvang van de procedure ter zake van de geïntegreerde preventie geen toegang tot alle relevante documenten wordt verleend (artikel 6 juncto artikel 15 van richtlijn [96/61]), en meer bepaald tot het besluit over de locatie van een stortplaats van afvalstoffen, en dit document vervolgens door de aanvrager in de procedure in eerste aanleg wordt overgelegd onder de voorwaarde dat het niet aan de overige partijen in de procedure ter inzage wordt gegeven omdat het een zakengeheim betreft, terwijl redelijkerwijs kan worden verondersteld dat het besluit over de locatie van een installatie (met name de motivering ervan) een wezenlijke invloed zal hebben op de aan te voeren argumenten, zienswijzen en overige opmerkingen?

3)      Worden de doelstellingen van […] richtlijn [85/337] bereikt, met name vanuit het oogpunt van het [milieurecht] van de Unie en meer concreet vanuit het oogpunt van de in artikel 2 neergelegde voorwaarde dat bepaalde projecten voorafgaand aan de vergunningverlening op hun milieueffecten worden beoordeeld, wanneer het aanvankelijke advies van het ministerie van Milieu, dat in 1999 is opgesteld na afronding van de procedure ter zake van de milieueffectbeoordeling, verscheidene jaren later bij eenvoudig besluit is verlengd zonder dat een nieuwe milieueffectbeoordeling wordt verricht? Anders gezegd, is een besluit krachtens […] richtlijn [85/337], wanneer dat eenmaal is vastgesteld, onbeperkt geldig in de tijd?

4)      Omvat de voorwaarde die in het algemeen uit richtlijn [96/61] (met name de considerans en de artikelen 1 en 15 bis ervan) voortvloeit, te weten dat de lidstaten de preventie en de bestrijding van milieuverontreiniging waarborgen door er onder meer voor te zorgen dat het publiek eerlijke, billijke en snelle bestuursrechtelijke en gerechtelijke procedures ter beschikking staan, gelezen in samenhang met artikel 10 bis van richtlijn [85/337] en de artikelen 6 en 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus, ook de mogelijkheid voor het publiek om krachtens nationaal recht om een bestuursrechtelijke of gerechtelijke voorlopige maatregel te verzoeken (bijvoorbeeld opschorting van de tenuitvoerlegging van een geïntegreerde beschikking), op grond waarvan de aanleg van de installatie tijdelijk, tot aan de beslissing ten gronde, kan worden stilgelegd?

5)      Is het mogelijk dat door middel van een gerechtelijke beslissing die voldoet aan de voorwaarden van richtlijn [96/61], richtlijn [85/337] of artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus, waarbij toepassing wordt gegeven aan het in die bepalingen neergelegde recht op billijke rechterlijke bescherming in de zin van artikel 191, leden 1 en 2, [VWEU] inzake het milieubeleid van de Unie, onrechtmatig wordt ingegrepen in het eigendomsrecht van de exploitant van een installatie, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 1 van het Aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, bijvoorbeeld doordat in een gerechtelijke procedure de aan een aanvrager geldig verleende vergunning voor een nieuwe exploitatie nietig wordt verklaard?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

48      De inšpekcia, Ekologická skládka en de Slowaakse regering betwisten op diverse gronden de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing of van sommige prejudiciële vragen.

49      In de eerste plaats zijn volgens de inšpekcia en Ekologická skládka alle prejudiciële vragen niet-ontvankelijk, aangezien zij betrekking hebben op situaties die volledig worden beheerst door nationale regels, en met name door de handelingen tot omzetting van richtlijnen 85/337 en 96/61. Ekologická skládka leidt hieruit af dat deze richtlijnen geen rechtstreekse werking hebben, terwijl zij volgens de inšpekcia zo duidelijk zijn dat zij de prejudiciële verwijzing overbodig maken. De inšpekcia betoogt voorts dat de prejudiciële vragen hadden moeten worden gesteld tijdens de eerste fase van de procedure voor de Najvyšší súd Slovenskej republiky. Ook Ekologická skládka is van mening dat deze vragen overbodig zijn, aangezien de Najvyšší súd Slovenskej republiky thans gebonden is aan de rechtsopvatting van de Ústavný súd Slovenskej republiky en geen van de partijen in het hoofdgeding heeft verzocht het Hof deze vragen te stellen.

50      In de tweede plaats betoogt Ekologická skládka dat ten gevolge van de in het nationale recht voorziene scheiding tussen de geïntegreerde procedure, de stedenbouwkundige procedure en de milieueffectbeoordeling, de tweede en derde vraag niet relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. Volgens de inšpekcia zijn de derde, vierde en vijfde vraag vanwege deze scheiding niet-ontvankelijk. De scheiding brengt namelijk met zich mee dat een gebrek van het stedenbouwkundig besluit of van de milieueffectbeoordeling geen invloed heeft op de rechtmatigheid van de geïntegreerde vergunning.

51      In de derde plaats zijn Ekologická skládka en de Slowaakse regering van mening dat de vierde vraag hypothetisch is. Enerzijds hebben de door de Najvyšší súd Slovenskej republiky in zijn beschikking van 6 april 2009 opgelegde maatregelen inmiddels elke nuttige werking verloren. Anderzijds is die vraag niet relevant voor de bij de verwijzende rechter aanhangige procedure, aangezien die procedure geen betrekking heeft op de vaststelling van nieuwe voorlopige maatregelen, maar veeleer op de geldigheid van de bestreden administratieve besluiten.

52      In de vierde en laatste plaats betoogt Ekologická skládka dat ook de vijfde vraag hypothetisch is, aangezien die vraag betrekking heeft op de door de Najvyšší súd Slovenskej republiky aan het einde van de procedure in de hoofdzaak te geven beslissing. Bovendien is de vraag ook niet-ontvankelijk omdat zij betrekking heeft op de uitlegging van nationaal constitutioneel recht.

53      In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arresten van 10 maart 2009, Hartlauer, C‑169/07, Jurispr. blz. I‑1721, punt 24, en 19 juli 2012, Garkalns, C‑470/11, punt 17).

54      Hieruit volgt dat op vragen betreffende het recht van de Unie een vermoeden van relevantie rust. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het recht van de Unie geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez, C‑570/07 en C‑571/07, Jurispr. blz. I‑4629, punt 36, en 5 juli 2012, Geistbeck, C‑509/10, punt 48).

55      Het argument dat het nationale recht een volledige regeling bevat, wettigt niet de conclusie dat de uitlegging van de door de verwijzende rechter aangehaalde regels van Unierecht kennelijk elk verband met het hoofdgeding ontbeert, temeer daar niet wordt betwist dat de toepasselijke nationale bepalingen deels maatregelen zijn waarbij handelingen van de Unie worden omgezet. Derhalve volstaat dit argument niet om het in het voorgaande punt genoemde vermoeden van relevantie te weerleggen.

56      Vastgesteld moet worden dat de stelling dat de betrokken richtlijnen geen rechtstreekse werking hebben, geen afbreuk doet aan die analyse, aangezien het Hof volgens artikel 267 VWEU bevoegd is bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Unie, ongeacht of deze rechtstreekse werking hebben of niet (arresten van 10 juli 1997, Maso e.a., C‑373/95, Jurispr. blz. I‑4051, punt 28; 16 juli 2009, Futura Immobiliare e.a., C‑254/08, Jurispr. blz. I‑6995, punt 34, en 27 november 2012, Pringle, C‑370/12, punt 89). Bovendien moet aangaande het argument dat het verzoek om een prejudiciële beslissing irrelevant is vanwege de duidelijkheid van de toepasselijke regels worden opgemerkt dat de nationale rechter aan artikel 267 VWEU de bevoegdheid blijft ontlenen om, indien hij zulks dienstig acht, vragen van uitlegging aan het Hof voor te leggen (zie in die zin arrest van 26 mei 2011, Stichting Natuur en Milieu e.a., C‑165/09–C‑167/09, Jurispr. blz. I-4599, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57      De andere argumenten die door de inšpekcia en Ekologická skládka zijn aangevoerd om aan te tonen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel niet-ontvankelijk is, hebben betrekking op het voorwerp van de eerste vraag en zullen derhalve door het Hof bij het onderzoek van die vraag worden beoordeeld.

58      Aangaande de factoren die samenhangen met de scheiding van de verschillende procedures in het nationale recht, moet worden beklemtoond dat de verwijzende rechter de vraag welke conclusies volgens het nationale recht moeten worden getrokken uit die scheiding, heel anders beoordeelt dan de inšpekcia en Ekologická skládka. In het kader van de in artikel 267 VWEU voorziene procedure zijn de taken van het Hof evenwel duidelijk onderscheiden van de taken van de verwijzende rechter en staat het uitsluitend aan laatstgenoemde om de nationale wettelijke regeling uit te leggen (arresten van 17 juni 1999, Piaggio, C‑295/97, Jurispr. blz. I‑3735, punt 29, en 17 juli 2008, Corporación Dermoestética, C‑500/06, Jurispr. blz. I‑5785, punt 21). Bijgevolg volstaan die factoren niet om aan te tonen dat de gestelde vragen kennelijk geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.

59      Wat de ontvankelijkheid van de vierde vraag betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de Najvyšší súd Slovenskej republiky nieuwe voorlopige maatregelen heeft vastgesteld om de gevolgen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluiten op te schorten. Bovendien preciseert Ekologická skládka in haar schriftelijke opmerkingen dat zij het nuttig heeft geacht beroep in te stellen tegen die maatregelen. In deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de vierde vraag moet worden aangemerkt als hypothetisch.

60      Wat ten slotte de ontvankelijkheid van de vijfde vraag betreft, staat vast dat de Ústavný súd Slovenskej republiky heeft geoordeeld dat de Najvyšší súd Slovenskej republiky met zijn arrest van 28 mei 2009, waarin werd vastgesteld dat de geïntegreerde vergunning was verleend in omstandigheden die niet verenigbaar waren met het Unierecht, het eigendomsrecht van Ekologická skládka heeft geschonden. Aangezien de verwijzende rechter nog steeds twijfelt aan de verenigbaarheid met het Unierecht van de in het hoofdgeding bestreden besluiten, is de vijfde vraag niet louter hypothetisch. Bovendien volgt uit de formulering van de vraag dat deze geen betrekking heeft op de uitlegging van het nationale constitutionele recht.

61      Derhalve dienen de door de verwijzende rechter gestelde vragen ontvankelijk te worden verklaard.

Eerste vraag

62      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 267 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter ook dan ambtshalve een prejudiciële vraag naar het Hof kan verwijzen, wanneer de zaak na de vernietiging van zijn eerste beslissing en terugverwijzing door de constitutionele rechter van de betrokken lidstaat aan hem wordt voorgelegd en hij op grond van een nationaal voorschrift verplicht is om bij zijn beslissing de rechtsopvatting te volgen van die constitutionele rechter. De verwijzende rechter vraagt zich voorts af of artikel 267 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het diezelfde nationale rechter, ofschoon tegen diens beslissingen beroep kan worden ingesteld bij een constitutionele rechter dat is beperkt tot de vraag of er sprake is van een eventuele schending van door de nationale constitutie of een internationale overeenkomst gewaarborgde rechten en vrijheden, verplicht om zich tot het Hof te wenden.

63      Om te beginnen zij opgemerkt dat de Najvyšší súd Slovenskej republiky met zijn eerste vraag wenst te vernemen of het Unierecht hem toestaat een nationaal voorschrift buiten toepassing te laten dat hem verbiedt om een aan schending van dat recht ontleend middel op te werpen, dat niet door partijen in het hoofdgeding is aangevoerd. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat deze vraag enkel betrekking heeft op richtlijn 85/337, zodat over dit onderwerp bijgevolg enkel uitspraak behoeft te worden gedaan indien blijkt dat, gelet op het antwoord op de derde vraag, die richtlijn in het hoofdgeding van toepassing is.

64      Wat de andere aspecten van de eerste prejudiciële vraag betreft, is het vaste rechtspraak dat artikel 267 VWEU aan de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid toekent zich tot het Hof te wenden indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie opwerpt waarover ter beslechting van het hun voorgelegde geschil moet worden beslist (arresten van 27 juni 1991, Mecanarte, C‑348/89, Jurispr. blz. I‑3277, punt 44, en 5 oktober 2010, Elchinov, C‑173/09, Jurispr. blz. I‑8889, punt 26).

65      Artikel 267 VWEU verleent de nationale rechterlijke instanties dus de bevoegdheid, en legt hun in voorkomend geval de verplichting op, om een prejudiciële vraag te stellen, zodra zij, ambtshalve of op verzoek van partijen, vaststellen dat in het geding ten gronde een in de eerste alinea van dit artikel bedoelde vraag rijst (arresten van 10 juli 1997, Palmisani, C‑261/95, Jurispr. blz. I‑4025, punt 20, en 21 juli 2011, Kelly, C‑104/10, Jurispr. blz. I-6813, punt 61). Daarom verzet het feit dat partijen in het hoofdgeding voor de verwijzende rechter geen vraag van Unierecht hebben opgeworpen zich er niet tegen dat de verwijzende rechter zich tot het Hof wendt (arresten van 16 juni 1981, Salonia, 126/80, Jurispr. blz. 1563, punt 7, en 8 maart 2012, Huet, C‑251/11, punt 23).

66      De prejudiciële verwijzing berust immers op een dialoog van rechter tot rechter, waarvan het initiatief volledig afhankelijk is van de beoordeling door de nationale rechter van de relevantie en de noodzaak van deze verwijzing (arresten van 16 december 2008, Cartesio, C‑210/06, Jurispr. blz. I‑9641, punt 91, en 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C‑137/08, Jurispr. blz. I‑10847, punt 29).

67      Bovendien doet het bestaan van een nationale procedureregel niet af aan de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties om het Hof prejudiciële vragen te stellen wanneer zij, zoals in het hoofdgeding, twijfels koesteren over de uitlegging van het recht van de Unie (reeds aangehaald arrest Elchinov, punt 25, en arrest van 20 oktober 2011, Interedil, C‑396/09, Jurispr. blz. I-9915, punt 35).

68      Een regel van nationaal recht op grond waarvan het rechtsoordeel van een hogere rechterlijke instantie bindend is voor een andere nationale rechter, ontneemt laatstgenoemde rechter dus niet de bevoegdheid het Hof vragen voor te leggen over de uitlegging van het recht van de Unie waar bedoeld oordeel betrekking op heeft. Het moet de nationale rechter immers vrijstaan zich met zijn vragen tot het Hof te wenden indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het recht van de Unie strijdig vonnis zou kunnen brengen (arrest van 9 maart 2010, ERG e.a., C‑378/08, Jurispr. blz. I‑1919, punt 32, en reeds aangehaald arrest Elchinov, punt 27).

69      Op dit punt zij erop gewezen dat de nationale rechter die gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 267 VWEU geboden mogelijkheid, voor de beslechting van het hoofdgeding gebonden is aan de door het Hof gegeven uitlegging van de betrokken bepalingen en dat hij in voorkomend geval het oordeel van de hogere rechter naast zich neer moet leggen indien hij, gelet op die uitlegging, meent dat dit oordeel in strijd is met het recht van de Unie (reeds aangehaald arrest Elchinov, punt 30).

70      De in de voorgaande punten genoemde beginselen gelden in gelijke mate voor de verwijzende rechter met het oog op de in het onderhavige hoofdgeding door de constitutionele rechter van de betrokken lidstaat geformuleerde rechtsopvatting, aangezien het volgens vaste rechtspraak onaanvaardbaar zou zijn dat nationale rechtsregels, ook al zijn deze van grondwettelijke aard, afbreuk zouden doen aan de eenheid en de werking van het recht van de Unie (arresten van 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft, 11/70, Jurispr. blz. 1125, punt 3, en 8 september 2010, Winner Wetten, C‑409/06, Jurispr. blz. I‑8015, punt 61). Het Hof heeft overigens reeds geoordeeld dat deze beginselen van toepassing zijn op de betrekkingen tussen een constitutionele rechter en elke andere nationale rechter (arrest van 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C‑188/10 en C‑189/10, Jurispr. blz. I‑5667, punten 41‑45).

71      Het nationale voorschrift dat de Najvyšší súd Slovenskej republiky verplicht de rechtsopvatting van de Ústavný súd Slovenskej republiky te volgen, kan de verwijzende rechter dus niet beletten om in elke fase van het geding waarin hij dat passend acht het Hof prejudiciële vragen te stellen en, in voorkomend geval, het door de Ústavný súd Slovenskej republiky geformuleerde oordeel opzij te zetten, indien dit in strijd met het Unierecht mocht blijken te zijn.

72      Ten slotte is de Najvyšší súd Slovenskej republiky, als hoogste rechterlijke instantie, zelfs verplicht om het Hof een prejudiciële vraag te stellen, zodra hij vaststelt dat in het geding ten gronde een in de eerste alinea van artikel 267 VWEU bedoelde vraag rijst. Uit de mogelijkheid om bij de constitutionele rechter van de betrokken lidstaat beroep tegen de beslissingen van een nationale rechter in te stellen dat is beperkt tot de vraag of er sprake is van een eventuele schending van door de nationale constitutie of een internationale overeenkomst gewaarborgde rechten en vrijheden, kan niet worden geconcludeerd dat die nationale rechter niet kan worden aangemerkt als een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep in de zin van artikel 267, derde alinea, VWEU.

73      Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 267 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter, zoals de verwijzende rechter, ook dan verplicht is om ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, wanneer de zaak na de vernietiging van zijn eerste beslissing en terugverwijzing door de constitutionele rechter van de betrokken lidstaat aan hem wordt voorgelegd en hij op grond van een nationaal voorschrift verplicht is om bij zijn beslissing de rechtsopvatting te volgen van die constitutionele rechter.

Tweede vraag

74      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 96/61 aldus moet worden uitgelegd dat deze vereist dat het betrokken publiek vanaf het begin van de procedure voor het verlenen van een vergunning voor een stortplaats toegang heeft tot een stedenbouwkundig besluit over de locatie van die installatie. De verwijzende rechter vraagt zich voorts af of de weigering om dat besluit ter beschikking te stellen kan worden gerechtvaardigd met een beroep op een zakengeheim op grond waarvan de in dat besluit vervatte gegevens zouden zijn beschermd of, wanneer dit niet het geval is, kan worden hersteld door het betrokken publiek tijdens de administratieve procedure in tweede aanleg toegang tot dat besluit te verschaffen.

75      Vooraf moet worden vastgesteld dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installatie een stortplaats is die meer dan 10 ton afvalstoffen per dag ontvangt of een totale capaciteit heeft van meer dan 25 000 ton afvalstoffen. Derhalve valt die installatie, overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 96/61 juncto punt 5.4 van bijlage I daarbij, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.

76      Artikel 15 van richtlijn 96/61 regelt de inspraak van het betrokken publiek bij de besluitvormingsprocedure voor de afgifte van een vergunning voor nieuwe installaties en preciseert dat deze inspraak plaatsvindt onder de in bijlage V bij die richtlijn neergelegde voorwaarden. Volgens deze bijlage moet het publiek met name in kennis worden gesteld van de contactgegevens van de autoriteiten waarbij de relevante informatie kan worden verkregen, en van tijd en plaats van de verstrekking van die informatie aan het publiek.

77      Deze voorschriften inzake de inspraak van het publiek moeten worden uitgelegd in het licht van en rekening houdend met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus waaraan het Unierecht, aldus punt 5 van de considerans van richtlijn 2003/35 – waarbij richtlijn 96/61 gedeeltelijk is gewijzigd – dient „te worden aangepast” (arrest van 12 mei 2011, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, Landesverband Nordrhein-Westfalen, C‑115/09, Jurispr. blz. I-3673, punt 41). Artikel 6, lid 6, van dat verdrag bepaalt evenwel dat het betrokken publiek toegang wordt verschaft tot alle informatie die relevant is voor de in dat artikel bedoelde besluitvorming met betrekking tot de vergunning voor de in bijlage I bij dat verdrag bedoelde activiteiten, waartoe met name stortplaatsen behoren die meer dan 10 ton afvalstoffen per dag ontvangen of een totale capaciteit hebben van meer dan 25 000 ton afvalstoffen.

78      Derhalve dient het bij de in richtlijn 96/61 voorziene vergunningsprocedure betrokken publiek toegang te hebben tot alle informatie die voor deze procedure relevant is.

79      Uit de verwijzingsbeslissing en het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat het stedenbouwkundig besluit over de locatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installatie een van de maatregelen is op basis waarvan het definitieve besluit wordt genomen om voor die installatie al dan niet een vergunning te verlenen, en dat dit besluit informatie bevat over de milieueffecten van het project, over de aan de exploitant opgelegde voorwaarden om die effecten te beperken, over de door partijen in de stedenbouwkundige procedure aangevoerde bezwaren en over de redenen waardoor de keuzes van de tot afgifte van dat stedenbouwkundig besluit bevoegde autoriteit waren ingegeven. Bovendien bepalen de toepasselijke nationale voorschriften dat het besluit als bijlage aan de bij de bevoegde autoriteit ingediende vergunningaanvraag wordt gehecht. Hieruit volgt dat dit stedenbouwkundig besluit moet worden aangemerkt als een besluit dat relevante informatie bevat in de zin van bijlage V bij richtlijn 96/61, en dat het betrokken publiek derhalve in beginsel toegang tot die informatie moet worden verschaft tijdens de procedure voor het verlenen van een vergunning voor die installatie.

80      Uit artikel 15, lid 4, van richtlijn 96/61 volgt evenwel dat de inspraak van het betrokken publiek kan worden gelimiteerd door de in artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 90/313 voorziene beperkingen. Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding was richtlijn 90/313 echter ingetrokken en vervangen door richtlijn 2003/4. Rekening houdende met de aan die richtlijn gehechte concordantietabel, met de verplichting om de wettelijke regeling van de Unie aan te passen aan het Verdrag van Aarhus, en met de formulering van artikel 15 van richtlijn 96/61 waarvoor werd gekozen bij de latere codificatie hiervan door richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 24, blz. 8), dient artikel 15, lid 4, van richtlijn 96/61 aldus te worden uitgelegd dat het verwijst naar de in artikel 4, leden 1, 2 en 4, van richtlijn 2003/4 bedoelde beperkingen.

81      Krachtens voornoemd artikel 4, lid 2, eerste alinea, sub d, kunnen de lidstaten een verzoek om informatie afwijzen, indien openbaarmaking van die informatie afbreuk doet aan de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, wanneer deze vertrouwelijkheid volgens de nationale regeling of de regeling van de Unie geboden is om een legitiem economisch belang te beschermen.

82      Dit kan, met name wanneer rekening wordt gehouden met het belang van de locatiekeuze van de verschillende in richtlijn 96/61 bedoelde activiteiten en zoals volgt uit punt 79 van het onderhavige arrest, evenwel niet gelden voor het besluit waarbij een openbare autoriteit overeenkomstig de geldende stedenbouwkundige voorschriften een vergunning verleent voor de locatie van een stortplaats die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.

83      Ook indien het niet uitgesloten zou zijn dat in uitzonderlijke omstandigheden bepaalde in de motivering van een stedenbouwkundig besluit genoemde gegevens vertrouwelijke of industriële gegevens bevatten, staat in casu vast dat de bescherming van de vertrouwelijkheid van die informatie in strijd met artikel 4, lid 4, van richtlijn 2003/4 is gebruikt om het betrokken publiek elke, zelfs gedeeltelijke, toegang te weigeren tot het stedenbouwkundig besluit over de locatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installatie.

84      Hieruit volgt dat de weigering om het stedenbouwkundig besluit over de locatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installatie tijdens de administratieve procedure in eerste aanleg ter beschikking te stellen aan het betrokken publiek, niet werd gerechtvaardigd door de in artikel 15, lid 4, van richtlijn 96/61 voorziene weigeringsgrond. Derhalve is het voor de verwijzende rechter noodzakelijk om te weten of de tijdens de administratieve procedure in tweede aanleg aan het publiek verleende toegang tot dat besluit voldoende is om de procedurefout in de administratieve procedure in eerste aanleg te herstellen en aldus een schending van artikel 15 van richtlijn 96/61 op te heffen.

85      Bij gebreke van Unierechtelijke bepalingen ter zake is het een aangelegenheid van de rechtsorde van elke lidstaat om de procesregels te geven voor beroepen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met dien verstande evenwel dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale beroepen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arresten van 14 december 1995, Peterbroeck, C‑312/93, Jurispr. blz. I‑4599, punt 12, en 12 juli 2012, VALE Építési, C‑378/10, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

86      Volgens het gelijkwaardigheidsbeginsel moet het geheel van regels die van toepassing zijn op beroepen gelijkelijk van toepassing zijn op beroepen op grond van schending van het recht van de Unie en op beroepen op grond van niet-inachtneming van het nationale recht (zie met name arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C‑591/10, punt 31, en 4 oktober 2012, Byankov, C‑249/11, punt 70). Het staat dus aan de nationale rechter om na te gaan of het nationale recht het herstel van vergelijkbare nationale procedurefouten tijdens de administratieve procedure in tweede aanleg toelaat.

87      Volgens het doeltreffendheidsbeginsel kan het Unierecht zich er weliswaar niet tegen verzetten dat verrichtingen of handelingen die naar Unierecht onregelmatig zijn, volgens de toepasselijke nationale regels in bepaalde gevallen kunnen worden hersteld, doch is een dergelijke mogelijkheid onderworpen aan de voorwaarden dat zij de belanghebbenden niet in de gelegenheid stelt de Unieregels te omzeilen of buiten toepassing te laten, en dat zij uitzondering blijft (arrest van 3 juli 2008, Commissie/Ierland, C‑215/06, Jurispr. blz. I‑4911, punt 57).

88      In dit verband zij erop gewezen dat artikel 15 van richtlijn 96/61 de lidstaten verplicht het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak te geven bij de besluitvormingsprocedure voor de afgifte van een vergunning. Deze bepaling moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van punt 23 van de considerans van die richtlijn, waarin wordt verklaard dat het publiek alvorens enige vergunning wordt afgegeven toegang moet hebben tot informatie betreffende de aanvragen om een vergunning voor nieuwe installaties, en van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus, dat enerzijds bepaalt dat de inspraak van het publiek vroegtijdig in de procedure aanvangt, dat wil zeggen, wanneer alle opties nog open zijn en het publiek daadwerkelijk invloed kan uitoefenen, en anderzijds dat het publiek toegang moet hebben tot de relevante informatie zodra deze beschikbaar wordt. Hieruit volgt dat het betrokken publiek toegang moet hebben tot alle relevante inlichtingen vanaf het stadium van de administratieve procedure in eerste aanleg en voordat een eerste besluit wordt genomen, voor zover deze inlichtingen in dat stadium van de procedure beschikbaar zijn.

89      Aangaande de vraag of het doeltreffendheidsbeginsel zich verzet tegen herstel van de procedure in tweede aanleg door de beschikbaarstelling aan het publiek van relevante documenten die niet toegankelijk waren tijdens de administratieve procedure in eerste aanleg, blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat volgens de toepasselijke nationale wettelijke regeling de administratieve instantie in tweede aanleg de bevoegdheid heeft het administratief besluit in eerste aanleg te wijzigen. Het staat dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of, enerzijds, in het kader van de administratieve procedure in tweede aanleg alle opties nog open zijn, in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 96/61, uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 6, lid 4, van het Verdrag van Aarhus en of, anderzijds, herstel in dat stadium van de procedure door de beschikbaarstelling aan het betrokken publiek van relevante documenten dat publiek nog in staat stelt daadwerkelijk invloed uit te oefenen op de uitkomst van het besluitvormingsproces.

90      Bijgevolg verzet het doeltreffendheidsbeginsel zich er niet tegen dat een onterechte weigering om het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stedenbouwkundig besluit tijdens de administratieve procedure in eerste aanleg aan het betrokken publiek ter beschikking te stellen, kan worden geregulariseerd tijdens de administratieve procedure in tweede aanleg, mits alle opties nog open zijn en herstel in dat stadium het betrokken publiek nog in staat stelt daadwerkelijk invloed uit te oefenen op de uitkomst van het besluitvormingsproces; het staat aan de nationale rechter om dit na te gaan.

91      Derhalve dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat richtlijn 96/61 aldus moet worden uitgelegd dat deze:

–        voorschrijft dat het betrokken publiek toegang heeft tot een stedenbouwkundig besluit zoals dat wat in het hoofdgeding aan de orde is, vanaf het begin van de procedure voor het verlenen van een vergunning voor de betrokken installatie;

–        niet toestaat dat de bevoegde nationale autoriteiten weigeren aan het betrokken publiek toegang te verlenen tot een dergelijk besluit met een beroep op de in het nationale recht of het Unierecht voorziene bescherming van de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, teneinde een legitiem economisch belang te beschermen, en

–        zich er niet tegen verzet dat een onterechte weigering om een stedenbouwkundig besluit zoals dat wat in het hoofdgeding aan de orde is, tijdens de administratieve procedure in eerste aanleg aan het betrokken publiek ter beschikking te stellen, kan worden hersteld tijdens de administratieve procedure in tweede aanleg, mits alle opties nog open zijn en herstel in dat stadium het betrokken publiek nog in staat stelt daadwerkelijk invloed uit te oefenen op de uitkomst van het besluitvormingsproces; het staat aan de nationale rechter om dit na te gaan.

Derde vraag

92      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat deze er zich tegen verzet dat de geldigheid van een advies over de milieueffectbeoordeling van een project na de vaststelling ervan rechtsgeldig met meerdere jaren kan worden verlengd en of, in dat geval, die richtlijn verplicht om een nieuwe milieueffectbeoordeling van dat project te verrichten.

93      Op dit punt betogen de inšpekcia alsmede de Slowaakse en de Tsjechische regering dat richtlijn 85/337 ratione temporis niet van toepassing is op de door de verwijzende rechter beschreven situatie.

94      Uit vaste rechtspraak volgt dat het beginsel dat projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, op die effecten moeten worden beoordeeld, niet geldt in gevallen waarin de formele vergunningsaanvraag voor een project is ingediend vóór het verstrijken van de termijn tot omzetting van richtlijn 85/337 (arresten van 11 augustus 1995, Commissie/Duitsland, C‑431/92, Jurispr. blz. I‑2189, punten 29 en 32, en 18 juni 1998, Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, C‑81/96, Jurispr. blz. I‑3923, punt 23).

95      Die richtlijn geldt immers overwegend voor projecten van een zekere omvang, waarvan de uitvoering dikwijls veel tijd vergt. Het gaat niet aan dat procedures die op nationaal niveau reeds gecompliceerd zijn, worden verzwaard en vertraagd ten gevolge van specifieke eisen die door deze richtlijn worden voorgeschreven, en dat daardoor reeds ontstane situaties worden geraakt (reeds aangehaald arrest Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, punt 24).

96      In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de stappen van de exploitant om een vergunning voor de uitvoering van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stortplaatsproject te verkrijgen, zijn begonnen op 16 december 1998, met de indiening van een aanvraag voor het verrichten van een milieueffectbeoordeling van dat project. Uit artikel 2 van de Akte betreffende de voorwaarden voor toetreding tot de Europese Unie van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33) volgt dat richtlijn 85/337 vanaf de datum van toetreding van deze lidstaat tot de Unie, dus vanaf 1 mei 2004, door deze lidstaat diende te zijn uitgevoerd.

97      Opgemerkt dient evenwel te worden dat de verlening door de Slowaakse administratie van de vergunning voor het aanleggen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stortplaats drie opeenvolgende procedures noodzakelijk maakte, die elk uitmondden in de vaststelling van een besluit.

98      De aanvragen van de exploitant met betrekking tot de eerste twee procedures zijn ingediend op 16 december 1998 respectievelijk 7 augustus 2002, dus vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 85/337. De aanvraag om een geïntegreerde vergunning is daarentegen ingediend op 25 september 2007, dus ná het verstrijken van die termijn. Derhalve moet worden bepaald of de indiening van de eerste twee aanvragen kan worden aangemerkt als tijdstip van formele inleiding van de vergunningprocedure in de zin van de in punt 94 van de in dit arrest aangehaalde rechtspraak.

99      Dienaangaande moet vooreerst worden vastgesteld, dat de tijdens de eerste twee fasen van de procedure ingediende aanvragen niet enkel bestonden in informele contacten die geen formele inleiding van de vergunningprocedure konden bewerkstelligen (zie in die zin reeds aangehaald arrest Commissie/Duitsland, punt 32).

100    Vervolgens moet worden benadrukt dat de in 1999 afgesloten milieueffectbeoordeling werd verricht om de uitvoering van het stortplaatsproject waarvoor de geïntegreerde vergunning was aangevraagd, mogelijk te maken. De verdere procedure, en met name de afgifte van de bouwvergunning, berust op die beoordeling. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 115 van haar conclusie, kan het feit dat volgens Slowaaks recht de milieueffecten los van de eigenlijke vergunningprocedure worden onderzocht niet tot gevolg hebben dat de werkingssfeer ratione temporis van richtlijn 85/337 wordt uitgebreid.

101    Evenzo blijkt uit de overwegingen in punt 79 van het onderhavige arrest dat het stedenbouwkundig besluit over de locatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stortplaats een onontbeerlijke stap vormt om de exploitant het betrokken stortplaatsproject te kunnen laten realiseren. Bovendien worden in dat besluit een aantal voorwaarden vastgesteld waaraan de exploitant bij de uitvoering van zijn project moet voldoen.

102    Bij het onderzoek van een vergelijkbare procedure heeft het Hof geoordeeld dat als datum om de toepassing ratione temporis te bepalen van een richtlijn die verplicht om een milieubeoordeling te verrichten moest worden aangemerkt de dag waarop het project formeel was ingediend, aangezien de verschillende fasen van het onderzoek van een project dermate met elkaar verbonden zijn dat zij een complexe handeling vormen (arrest van 23 maart 2006, Commissie/Oostenrijk, C‑209/04, Jurispr. blz. I‑2755, punt 58).

103    Ten slotte volgt uit vaste rechtspraak dat een vergunning in de zin van richtlijn 85/337 kan bestaan uit de combinatie van meerdere afzonderlijke besluiten, wanneer de nationale procedure waarin aan de opdrachtgever een vergunning kan worden verleend om te beginnen met de werken ter uitvoering van zijn project, meerdere opeenvolgende fasen omvat (zie in die zin arresten van 7 januari 2004, Wells, C‑201/02, Jurispr. blz. I‑723, punt 52, en 4 mei 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑508/03, Jurispr. blz. I‑3969, punt 102). Hieruit volgt dat in die situatie als datum van formele indiening van de aanvraag van een vergunning voor het project moet worden aangemerkt de dag waarop de opdrachtgever een aanvraag heeft ingediend waarmee de eerste fase van de procedure wordt ingeleid.

104    Uit het voorgaande volgt dat de formele indiening van de aanvraag van de vergunning voor het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stortplaatsproject heeft plaatsgevonden vóór het verstrijken van de termijn tot omzetting van richtlijn 85/337. Bijgevolg zijn de uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet van toepassing op dit project en behoeft de derde vraag dus niet te worden beantwoord.

Vierde vraag

105    Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1 en 15 bis van richtlijn 96/61 juncto de artikelen 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus aldus moeten worden uitgelegd dat de leden van het betrokken publiek in het kader van een beroep krachtens artikel 15 bis van voornoemde richtlijn moeten beschikken over de mogelijkheid om bij de rechter of het bevoegde bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige orgaan te verzoeken dat voorlopige maatregelen worden gelast die de toepassing van een vergunning in de zin van artikel 4 van die richtlijn tijdelijk kunnen opschorten in afwachting van het definitieve besluit.

106    Op grond van hun procedurele autonomie en mits zij het gelijkwaardigheids- en het effectiviteitsbeginsel eerbiedigen, beschikken de lidstaten bij de uitvoering van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 15 bis van richtlijn 96/61 over speelruimte. Met name is het hun zaak te bepalen welke rechterlijke instantie of welk bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan bevoegd is om kennis te nemen van de in die bepalingen bedoelde beroepen en volgens welke procedureregels uitspraak wordt gedaan, voor zover de voormelde bepalingen in acht zijn genomen (zie naar analogie arrest van 18 oktober 2011, Boxus e.a., C‑128/09–C‑131/09, C‑134/09 en C‑135/09, Jurispr. blz. I-9711, punt 52).

107    Bovendien is het vaste rechtspraak dat de rechter bij wie een door het Unierecht beheerst geding aanhangig is, de mogelijkheid moet hebben voorlopige maatregelen te gelasten ter verzekering van de volle werking van de rechterlijke uitspraak die moet worden gedaan over het bestaan van de rechten waarop krachtens het Unierecht een beroep wordt gedaan (arresten van 19 juni 1990, Factortame e.a., C‑213/89, Jurispr. blz. I‑2433, punt 21, en 13 maart 2007, Unibet, C-432/05, Jurispr. blz. I‑2271, punt 67).

108    Daar komt bij dat het in artikel 15 bis van richtlijn 96/61 voorziene recht om beroep in te stellen moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstelling van die richtlijn. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat die doelstelling, zoals omschreven in artikel 1 van richtlijn 96/61, bestaat in de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, door het in werking stellen van maatregelen ter voorkoming of beperking van emissies door de in bijlage I bedoelde activiteiten in lucht, water en bodem, om een hoog niveau van bescherming van het milieu te bereiken (arresten van 22 januari 2009, Association nationale pour la protection des eaux et rivières en OABA, C‑473/07, Jurispr. blz. I‑319, punt 25, en 15 december 2011, Møller, C‑585/10, Jurispr. blz. I-13407, punt 29).

109    Het instellen van het in artikel 15 bis van richtlijn 96/61 voorziene beroep kan die verontreiniging echter niet doeltreffend voorkomen wanneer niet kan worden verhinderd dat een installatie waarvoor mogelijkerwijze in strijd met die richtlijn een vergunning is verleend, in werking blijft in afwachting van een definitief besluit over de rechtmatigheid van die vergunning. Hieruit volgt dat de waarborging van de doeltreffendheid van het in voornoemd artikel 15 bis voorziene beroep vereist dat de leden van het betrokken publiek het recht hebben om bij de rechter of bij een onafhankelijk en onpartijdig orgaan te verzoeken dat voorlopige maatregelen worden gelast die deze verontreiniging kunnen voorkomen, eventueel ook door tijdelijke opschorting van de bestreden vergunning.

110    Gelet op het bovenstaande dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 15 bis van richtlijn 96/61 aldus moet worden uitgelegd dat de leden van het betrokken publiek in het kader van een beroep krachtens die bepaling moeten beschikken over de mogelijkheid om bij de rechter of het bevoegde bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige orgaan te verzoeken dat voorlopige maatregelen worden gelast die de toepassing van een vergunning in de zin van artikel 4 van die richtlijn tijdelijk kunnen opschorten in afwachting van het definitieve besluit.

Vijfde vraag

111    Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een beslissing die een nationale rechter heeft gegeven in het kader van een nationale procedure tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 15 bis van richtlijn 96/61 en artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus, waarbij een in strijd met de bepalingen van die richtlijn verleende vergunning is nietig verklaard, een ongerechtvaardigde inbreuk kan vormen op het eigendomsrecht van de exploitant, zoals vervat in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

112    Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 182 tot en met 184 van haar conclusie, beperken de door richtlijn 96/61 gestelde voorwaarden het gebruik van het eigendomsrecht op terreinen waarop een binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallende installatie betrekking heeft.

113    Het eigendomsrecht heeft echter geen absolute gelding, doch moet in relatie tot zijn sociale functie worden beschouwd. Het gebruik van dat recht kan dus aan beperkingen worden onderworpen, voor zover dergelijke beperkingen werkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare inbreuk, waardoor het gewaarborgde recht in zijn kern wordt aangetast (arresten van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, Jurispr. blz. I‑6351, punt 355, en 9 maart 2010, ERG e.a., C‑379/08 en C‑380/08, Jurispr. blz. I‑2007, punt 80).

114    Wat de hierboven bedoelde doeleinden van algemeen belang betreft, volgt uit vaste rechtspraak dat de bescherming van het milieu een van die doelstellingen is en dus een beperking van het gebruik van het eigendomsrecht kan rechtvaardigen (zie arresten van 7 februari 1985, ADBHU, 240/83, Jurispr. blz. 531, punt 13; 20 september 1988, Commissie/Denemarken, 302/86, Jurispr. blz. 4607, punt 8, en 2 april 1998, Outokumpu, C‑213/96, Jurispr. blz. I‑1777, punt 32, en reeds aangehaald arrest van 9 maart 2010, ERG e.a., C‑379/08 en C‑380/08, punt 81).

115    Wat de evenredigheid van de betrokken inbreuk op het eigendomsrecht betreft, kan, wanneer een dergelijke inbreuk kan worden aangetoond, worden volstaan met de vaststelling dat richtlijn 96/61 een evenwicht tot stand brengt tussen de vereisten van dat recht en de vereisten die samenhangen met de bescherming van het milieu.

116    Bijgevolg moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat een beslissing die een nationale rechter heeft gegeven in het kader van een nationale procedure tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 15 bis van richtlijn 96/61 en artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus, waarbij een in strijd met de bepalingen van die richtlijn verleende vergunning is nietig verklaard, als zodanig geen ongerechtvaardigde inbreuk kan vormen op het eigendomsrecht van de exploitant, zoals vervat in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Kosten

117    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 267 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter, zoals de verwijzende rechter, ook dan verplicht is om ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen, wanneer de zaak na de vernietiging van zijn eerste beslissing en terugverwijzing door de constitutionele rechter van de betrokken lidstaat aan hem wordt voorgelegd en hij op grond van een nationaal voorschrift verplicht is om bij zijn beslissing de rechtsopvatting te volgen van die constitutionele rechter.

2)      Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006, moet aldus worden uitgelegd dat deze:

–        voorschrijft dat het betrokken publiek toegang heeft tot een stedenbouwkundig besluit zoals dat wat in het hoofdgeding aan de orde is, vanaf het begin van de procedure voor het verlenen van een vergunning voor de betrokken installatie;

–        niet toestaat dat de bevoegde nationale autoriteiten weigeren aan het betrokken publiek toegang te verlenen tot een dergelijk besluit met een beroep op de in het nationale recht of het Unierecht voorziene bescherming van de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, teneinde een legitiem economisch belang te beschermen, en

–        zich er niet tegen verzet dat een onterechte weigering om het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stedenbouwkundig besluit tijdens de administratieve procedure in eerste aanleg aan het betrokken publiek ter beschikking te stellen, kan worden hersteld tijdens de administratieve procedure in tweede aanleg, mits alle opties nog open zijn en herstel in dat stadium het betrokken publiek nog in staat stelt daadwerkelijk invloed uit te oefenen op de uitkomst van het besluitvormingsproces; het staat aan de nationale rechter om dit na te gaan.

3)      Artikel 15 bis van richtlijn 96/61, zoals gewijzigd bij verordening nr. 166/2006, moet aldus worden uitgelegd dat de leden van het betrokken publiek in het kader van een beroep krachtens die bepaling moeten beschikken over de mogelijkheid om bij de rechter of het bevoegde bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige orgaan te verzoeken dat voorlopige maatregelen worden gelast die de toepassing van een vergunning in de zin van artikel 4 van die richtlijn tijdelijk kunnen opschorten in afwachting van het definitieve besluit.

4)      Een beslissing die een nationale rechter heeft gegeven in het kader van een nationale procedure tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 15 bis van richtlijn 96/61, zoals gewijzigd bij verordening nr. 166/2006, en artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005, waarbij een in strijd met de bepalingen van die richtlijn verleende vergunning is nietig verklaard, kan als zodanig geen ongerechtvaardigde inbreuk vormen op het eigendomsrecht van de exploitant, zoals vervat in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

ondertekeningen


* Procestaal: Slowaaks.

ECLI:EU:C:2013:8

Geplaatst in Arresten.