HvJ 15-09-2011 Slaby en Kuc C-180/10

HvJ Slaby en Kuc arrest

De levering van een bouwterrein moet worden beschouwd als krachtens de nationale wettelijke regeling van een lidstaat onderworpen aan de btw wanneer deze staat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 12, lid 1, van de btw richtlijn, ongeacht of de handeling duurzaam is en of de persoon die de levering heeft uitgevoerd, een activiteit als fabrikant, handelaar of dienstverrichter uitoefent, voor zover deze handeling niet de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht vormt.

Een natuurlijke persoon die een landbouwbedrijf heeft uitgeoefend op een terrein dat na een wijziging in de bestemmingsplannen buiten zijn wil om als nieuwe bestemming bouwgrond krijgt, moet niet worden beschouwd als een belastingplichtige in de zin van de artikelen 9, lid 1, en 12, lid 1, van de btw richtlijn 2006/112, wanneer hij dit terrein wenst te verkopen, op voorwaarde dat deze verkopen deel uitmaken van het beheer van zijn privévermogen.

Wanneer deze persoon met het oog op het sluiten van deze verkopen daarentegen voor de verkoop van onroerend goed actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke worden aangewend door een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de btw richtlijn, moet hij worden beschouwd als een persoon die een „economische activiteit” in de zin van dit artikel uitoefent, en bijgevolg als een belastingplichtige ter zake van de btw.

Het gegeven dat deze persoon een „forfaitair belaste landbouwer” is in de zin van artikel 295, lid 1, punt 3, van de btw richtlijn, is in dit opzicht van geen belang.

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

15 september 2011 (*)

„Fiscale bepalingen – Belasting over toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112/EG – Begrip belastingplichtige – Verkoop van bouwterreinen – Artikelen 9, 12 en 16 – Geen aftrek van voorbelasting”

In de gevoegde zaken C‑180/10 en C‑181/10,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (Polen) bij beslissingen van 9 maart 2010, ingekomen bij het Hof op 9 april 2010, in de procedures

Jarosław Słaby

tegen

Minister Finansów (C‑180/10),

en

Emilian Kuć,

Halina Jeziorska-Kuć

tegen

Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie (C‑181/10),

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, A. Arabadjiev (rapporteur), U. Lõhmus, A. Ó Caoimh en P. Lindh, rechters,

advocaat-generaal: J. Mazák,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de opmerkingen van:

–        E. Kuć en H. Jeziorska-Kuć, vertegenwoordigd door W. Modzelewski, radcy prawni,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Szpunar als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en K. Herrmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 april 2011,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 4, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/98/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363, blz. 129; hierna: „Zesde richtlijn”), alsmede van de artikelen 9, lid 1, 16 en 295, lid 1, punt 3, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138/EG van de Raad van 19 december 2006 (PB L 384, blz. 24; hierna: „btw-richtlijn”).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen J. Słaby en de Minister Finansów (minister van Financiën) enerzijds (zaak C‑180/10) en E. Kuć en H. Jeziorska-Kuć (hierna: „echtpaar Kuć”) en de Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie (directeur van het belastingkantoor te Warschau) (zaak C‑181/10) anderzijds over de vraag of de verkopen van voor bebouwing bestemde terreinen moeten worden onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        De btw-richtlijn heeft, overeenkomstig de artikelen 411 en 413 ervan, met ingang van 1 januari 2007 de btw-regeling van de Unie, met name de Zesde richtlijn, ingetrokken en vervangen. Volgens de punten 1 en 3 van de considerans van de btw-richtlijn diende tot herschikking van de Zesde richtlijn te worden overgegaan om de bepalingen betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake btw helder en rationeel te presenteren in een herschikte structuur en formulering, zonder dat in principe materiële wijzigingen werden aangebracht. De bepalingen van de btw-richtlijn stemmen dus in wezen overeen met de overeenkomstige bepalingen van de Zesde richtlijn.

4        Overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub a, van de btw-richtlijn, dat in wezen hetzelfde bepaalt als artikel 2, lid 1, van de Zesde richtlijn, zijn „de leveringen van goederen, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht” aan de btw onderworpen.

5        Artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn, dat in wezen hetzelfde bepaalt als artikel 4, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn, luidt:

„Als ,belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

Als ,economische activiteit’ worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

6        Artikel 12, leden 1 en 3, van de btw-richtlijn, dat in wezen hetzelfde bepaalt als artikel 4, lid 3, van de Zesde richtlijn, bepaalt:

„1.      De lidstaten kunnen als belastingplichtige aanmerken eenieder die incidenteel een handeling verricht in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden, met name een van de volgende handelingen:

[…]

b)      de levering van een bouwterrein.

[…]

3.      Voor de toepassing van lid 1, sub b, wordt als ,bouwterrein’ beschouwd, de door de lidstaten als zodanig omschreven al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen.”

7        Artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn, dat in wezen overeenstemt met artikel 5, lid 6, van de Zesde richtlijn, luidt:

„Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt, ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan.”

8        Artikel 295, lid 1, punten 1 en 3, van de btw-richtlijn definieert, zoals artikel 25, lid 2, eerste en derde streepje, van de Zesde richtlijn, een „landbouwproducent” voor de toepassing van hoofdstuk 2 van titel XII als een „belastingplichtige die zijn werkzaamheid uitoefent in het kader van een landbouw-, bosbouw- of visserijbedrijf” en een „forfaitair belaste landbouwer” als een „landbouwproducent op die de in [dat] hoofdstuk vastgestelde forfaitair regeling van toepassing is”.

9        Artikel 296, lid 1, van de btw-richtlijn, dat overeenstemt met artikel 25, lid 1, van de Zesde richtlijn, luidt:

„De lidstaten kunnen ten aanzien van landbouwproducenten voor wie de toepassing van de normale btw-regeling of, in voorkomend geval, van de bijzondere regeling van hoofdstuk 1, op moeilijkheden zou stuiten, overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk een forfaitaire regeling toepassen ter compensatie van de btw die is betaald over de aankopen van goederen en diensten van de forfaitair belaste landbouwers.”

Nationale regeling

10      Artikel 15, leden 1, 2, 4 en 5, van de wet van 11 maart 2004 inzake de belasting over goederen en diensten (hierna: „btw-wet”) bepaalt:

„1.      Belastingplichtig zijn rechtspersonen, organisatie-eenheden zonder rechtspersoonlijkheid en natuurlijke personen die een economische activiteit in de zin van lid 2 als zelfstandige verrichten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

2.      Als economische activiteit worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de personen die natuurlijke rijkdommen winnen, en van de landbouwers, alsmede de werkzaamheden van personen die een vrij beroep of een daarmee gelijkgesteld beroep uitoefenen, zelfs wanneer de handeling eenmalig werd verricht in omstandigheden die wijzen op het voornemen, de handeling frequent te verrichten. Als economische activiteit worden ook beschouwd de handelingen bestaande in de exploitatie van lichamelijke of onlichamelijke zaken om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

[…]

4.      Van de natuurlijke personen die uitsluitend een landbouw-, bosbouw- of visserijbedrijf uitoefenen, worden als belastingplichtig beschouwd zij die een registratieaangifte als bedoeld in artikel 96, lid 1, hebben ingevuld.

5.      Het bepaalde in lid 4 is naar analogie van toepassing op natuurlijke personen die uitsluitend een landbouwbedrijf uitoefenen in andere omstandigheden dan vermeld in dat lid.”

11      Artikel 43, lid 1, punten 3 en 9, van de btw-wet bepaalt:

„1.      Van de belasting zijn vrijgesteld:

[…]

3)      de levering door een forfaitair belaste landbouwer van landbouwproducten verkregen uit zijn landbouwactiviteit, alsmede de verrichting van agrarische diensten door een forfaitair belaste landbouwer;

[…]

9)      de levering van onbebouwde onroerende goederen, met uitzondering van bouwterreinen en voor bebouwing bestemde terreinen.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑180/10

12      Słaby heeft in 1996 als natuurlijke persoon zonder economische activiteit een terrein aangekocht dat volgens het destijds geldende bestemmingsplan was aangemerkt als landbouwgrond. Van 1996 tot en met 1998 heeft hij dit terrein voor zijn landbouwbedrijf gebruikt en in 1999 heeft hij deze activiteit stopgezet.

13      In 1997 is het bestemmingsplan gewijzigd waarbij het betrokken terrein voortaan bestemd was voor de bouw van vakantiewoningen. Na deze wijziging heeft Słaby het terrein in 64 percelen opgedeeld die hij vanaf het jaar 2000 één voor één aan natuurlijke personen heeft verkocht.

14      Op 17 september 2007 heeft Słaby de Minister Finansów verzocht om een voorafgaande beslissing teneinde te vernemen of de opdeling van het terrein in percelen, gevolgd door de verkoop van deze percelen aan verschillende kopers, ingevolge artikel 15, lid 1, van de btw-wet moest worden beschouwd als een belastbare handeling.

15      In zijn individuele ruling van 13 december 2007 heeft de Minister Finansów geantwoord dat deze handelingen een economische activiteit uitmaakten, aangezien de landbouwproducent overeenkomstig de btw-wet een belastingplichtige is die een economische activiteit uitoefent, en dat de omvang en het oogmerk van de betrokken handelingen alsmede het feit dat het terrein in percelen is opgedeeld, erop wijzen dat Słaby de bedoeling had frequent een verkoop te sluiten.

16      Słaby heeft tegen deze ruling beroep ingesteld. De Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie heeft de uitlegging van de Minister Finansów van de hand gewezen op grond dat uit de feitelijke omstandigheden van het concrete geval niet bleek dat Słaby een economische activiteit in onroerende goederen uitoefende of dat van plan was, maar wel een landbouwactiviteit, die destijds niet aan de btw was onderworpen. Volgens deze rechterlijke instantie was er geen enkel bewijs dat het terrein was aangekocht met de bedoeling van latere wederverkoop, aangezien dat terrein was aangekocht en gebruikt voor de uitoefening van een landbouwactiviteit. Opdeling in percelen en verkoop van deze percelen waren het gevolg van een niet aan Słaby toerekenbare wijziging van het bestemmingsplan. Daarom was deze rechterlijke instantie van oordeel dat verzoeker in het hoofdgeding bij de aankoop van het betrokken terrein niet als handelaar had gehandeld.

17      De Minister Finansów heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter. Volgens de Minister Finansów is het betrokken terrein, dat voor een landbouwbedrijf werd aangekocht, niet uitsluitend voor de privédoeleinden van Słaby gebruikt, maar was het bestemd voor zijn landbouwbedrijf, zodat het diende voor de uitoefening van een economische activiteit.

18      Daarop heeft de Naczelny Sąd Administracyjny de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is een natuurlijke persoon die op een terrein een landbouwactiviteit heeft verricht en later, wegens een wijziging van het bestemmingsplan om redenen buiten zijn wil, deze activiteit heeft gestaakt, het onroerend goed heeft geherkwalificeerd als privévermogen, het heeft gesplitst in kleinere delen (terreinen bestemd voor de bouw van vakantiewoningen) en is begonnen met de verkoop ervan, uit dien hoofde een btw-plichtige in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn en artikel 4, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn, die tot afdracht van btw op grond van een handelsactiviteit gehouden is?”

Zaak C‑181/10

19      Het echtpaar Kuć is sinds 1996 eigenaar van een landbouwbedrijf dat was aangeworven als landbouwgrond met een bouwverbod. Tot einde 2006 heeft dit echtpaar dat terrein gebruikt voor een landbouwactiviteit, namelijk een paardenfokkerij en later de teelt van veevoer voor zijn dieren.

20      Nadat het echtpaar Kuć in 2004 een bindende inlichting van de belastingdienst had ontvangen, heeft dit echtpaar zich als btw-plichtige doen registreren, hoewel het bedrijf, volgens dit echtpaar, tot zijn privévermogen behoorde.

21      Na een wijziging van het bestemmingsplan, waarbij het betrokken terrein voortaan werd bestemd voor de bouw van woon- en dienstenfaciliteiten, is het echtpaar Kuć begonnen een aantal delen van hun bedrijf incidenteel en op niet-georganiseerde wijze te verkopen. Deze leveringen waren aan de btw onderworpen.

22      Volgens het echtpaar Kuć hadden deze leveringen niet aan de btw moeten worden onderworpen, aangezien de terreinen tot hun privévermogen behoorden. Het echtpaar Kuć heeft de directeur van de belastingdienst verzocht om een voorafgaande beslissing. In deze ruling van 13 juni 2008 heeft deze directeur geoordeeld dat de verkoop van de terreinen als goederenlevering onder bezwarende titel aan de btw was onderworpen. Deze beslissing is door de Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie bevestigd.

23      Het echtpaar Kuć heeft bij de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie beroep tegen deze ruling ingesteld. Volgens de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie moesten de leveringen van de betrokken bouwterreinen aan de btw worden onderworpen omdat deze terreinen deel uitmaakten van het landbouwbedrijf van het echtpaar Kuć en dit echtpaar bovendien deze leveringen had verricht als handelaar. Deze twee omstandigheden rechtvaardigden onafhankelijk van elkaar dat deze handelingen aan de btw moesten worden onderworpen.

24      De Naczelny Sąd Administracyjny, waarbij het echtpaar Kuć beroep in cassatie heeft ingesteld, merkt allereerst op dat dit echtpaar als landbouwproducent onder de forfaitaire btw-regeling valt. Bijgevolg vraagt deze rechterlijke instantie zich af of de verkoop van de betrokken terreinen moet worden aangemerkt als een verkoop van goederen die uit zijn privévermogen afkomstig zijn, wanneer voor aankoop van deze terreinen geen aftrek van de btw is toegepast. Deze rechterlijke instantie benadrukt bovendien dat de betrokken terreinen niet alleen zijn gebruikt voor de levering van landbouwproducten, maar ook voor de privédoeleinden van de landbouwproducent en zijn gezinsleden.

25      Daarop heeft de Naczelny Sąd Administracyjny de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is op een forfaitair belaste landbouwer in de zin van artikel 295, lid 1, punt 3, van de btw-richtlijn, die voor zijn landbouwactiviteit gebruikte percelen verkoopt die volgens het bestemmingsplan van de gemeente zijn bestemd voor de bouw van woon‑ en dienstenfaciliteiten, maar als landbouwterreinen (zonder btw) zijn verworven, artikel 16 van deze richtlijn van toepassing, volgens hetwelk de bestemming van activa van een bedrijf voor privédoeleinden van de belastingplichtige of voor andere dan bedrijfsdoeleinden enkel met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld ingeval met betrekking tot deze activa recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan?

2)      Dient een forfaitair belaste landbouwer in de zin van artikel 295, lid 1, punt 3, van de btw-richtlijn, die eerder voor zijn landbouwactiviteit gebruikte percelen verkoopt die volgens het bestemmingsplan van de gemeente zijn bestemd voor de bouw van woon‑ en dienstenfaciliteiten, maar als landbouwterreinen (zonder btw) zijn verworven, te worden beschouwd als een belastingplichtige die tot afdracht van btw over deze verkopen overeenkomstig de normale regeling gehouden is?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

26      Met zijn prejudiciële vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een natuurlijke persoon die een landbouwactiviteit heeft uitgeoefend op een terrein dat met vrijstelling van btw is aangekocht en na een wijziging in het bestemmingsplan buiten zijn wil om als nieuwe bestemming bouwgrond heeft gekregen, als btw-plichtige moet worden beschouwd wanneer hij dit terrein wenst te verkopen. Bovendien wenst de verwijzende rechter te vernemen of in dergelijke omstandigheden een „forfaitair belaste landbouwer” in de zin van artikel 295, lid 1, punt 3 van de btw-richtlijn moet worden beschouwd als een belastingplichtige die tot afdracht van de btw gehouden is volgens de normale regeling en of artikel 16 van deze richtlijn op hem van toepassing is.

27      Vooraf zij gepreciseerd dat in de hoofdgedingen een deel van de verkopen betrekking heeft op een belastbaar tijdvak van vóór toetreding van de Republiek Polen tot de Europese Unie. Het Hof is echter uitsluitend bevoegd om het recht van de Unie uit te leggen met het oog op toepassing ervan in een nieuwe lidstaat vanaf de datum van toetreding van deze lidstaat tot de Unie (zie met name beschikking van 6 maart 2007, Ceramika Paradyż, C‑168/06, punt 22). De hierna volgende overwegingen betreffen dus uitsluitend de handelingen die dateren van na de datum van toetreding van de Republiek Polen tot de Unie.

28      Tevens zij opgemerkt dat de hoofdgedingen een tijdvak betreffen waarin de Zesde richtlijn en de btw-richtlijn achtereenvolgens van toepassing waren. Voor de beantwoording van de prejudiciële vragen dient echter geen onderscheid tussen de bepalingen van deze richtlijnen te worden gemaakt, aangezien met het oog op de uitlegging die het Hof in casu aan deze richtlijnen wordt verzocht te geven, dient te worden aangenomen dat de inhoud ervan in wezen identiek is.

29      Wat de grond van de zaken betreft blijkt uit de verwijzingsbeslissingen dat de terreinen na een wijziging van de bestemmingsplannen die buiten de wil om van Słaby en het echtpaar Kuć is aangebracht, als nieuwe bestemming bouwgrond hebben gekregen.

30      Ingevolge artikel 12, lid 1, van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten als belastingplichtige aanmerken eenieder die incidenteel een handeling verricht in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden, met name een enkele levering van een bouwterrein.

31      De Poolse regering stelt van de haar bij deze bepaling geboden mogelijkheid gebruik te hebben gemaakt door in haar nationale regeling artikel 15, lid 2, van de btw-wet in te voeren, dat bepaalt dat „[a]ls economische activiteit worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, […] zelfs wanneer de handeling eenmalig werd verricht in omstandigheden die wijzen op het voornemen, de handeling frequent te verrichten […]”.

32      Uit de verwijzingsbeslissingen noch overigens uit de bewoordingen van dit artikel 15, lid 2, van de btw-wet blijkt evenwel dat de Republiek Polen daadwerkelijk van artikel 12, lid 1, van de btw-richtlijn gebruik heeft gemaakt, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan.

33      Dienaangaande zij beklemtoond dat laatstgenoemde bepaling de lidstaten een mogelijkheid biedt, doch geen verplichting oplegt. Om gebruik te kunnen maken van de door deze bepaling geboden mogelijkheid moeten de lidstaten daar dus voor kiezen (zie naar analogie arrest van 4 juni 2009, SALIX Grundstücks-Vermietungsgesellschaft, C‑102/08, Jurispr. blz. I‑4629, punten 51 en 52).

34      Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist omzetting van een richtlijn in nationaal recht niet noodzakelijkerwijs dat de bepalingen ervan formeel en letterlijk worden overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepaling, en kan een algemene juridische context volstaan wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekert (zie naar analogie arrest SALIX Grundstücks-Vermietungsgesellschaft, reeds aangehaald, punt 40).

35      Zo de nationale rechter vaststelt dat de betrokken lidstaat gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van artikel 12, lid 1, van de btw-richtlijn, moet de levering van een bouwterrein krachtens de nationale regeling worden beschouwd als aan de btw onderworpen, ongeacht of de handeling duurzaam is en de persoon die de levering heeft uitgevoerd, een fabrikant, handelaar of dienstverrichter is, voor zover deze handeling niet de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht is.

36      Volgens de rechtspraak kan de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht op zich niet als een economische activiteit worden beschouwd (zie arrest van 20 juni 1996, Wellcome Trust, C‑155/94, Jurispr. blz. I‑3013, punt 32).

37      Het aantal en de omvang van de in casu verrichte verkopen zijn op zich niet van doorslaggevend belang. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, kan de omvang van de verkopen niet dienen als criterium om een onderscheid te maken tussen de handelingen van een marktdeelnemer die als particulier handelt, die buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, en de handelingen van een marktdeelnemer die een economische activiteit vormen. Het Hof heeft opgemerkt dat aanzienlijke verkopen ook door particuliere marktdeelnemers kunnen worden verricht (zie in die zin arrest Wellcome Trust, reeds aangehaald, punt 37).

38      Het feit dat de betrokkene vóór verkoop het terrein heeft verkaveld om een hogere prijs in het totaal te verkrijgen, de tijdspanne waarbinnen deze handelingen zijn verricht, of het bedrag van de ermee verkregen inkomsten zijn evenmin op zich van doorslaggevend belang. Al deze omstandigheden kunnen immers eigen zijn aan het beheer van het privévermogen van de betrokkene.

39      Dat ligt evenwel anders wanneer de betrokkene voor de verkoop van onroerend goed actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn aanwendt.

40      Dergelijke actieve stappen kunnen onder meer bestaan in de uitvoering van werken om deze terreinen bouwrijp te maken en het gebruik van beproefde verkooptechnieken.

41      Aangezien dergelijke initiatieven normaal gezien niet passen bij het beheer van een privévermogen, kan de levering van een bouwterrein in een dergelijk geval niet worden beschouwd als de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht.

42      Ingeval de verwijzende rechter vaststelt dat de Republiek Polen geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 12, lid 1, van de btw-richtlijn, moet worden nagegaan of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde handeling overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn aan de btw is onderworpen.

43      Volgens de bewoordingen van deze bepaling wordt het begrip belastingplichtige gedefinieerd in relatie tot het begrip economische activiteit. Juist het bestaan van een dergelijke activiteit rechtvaardigt namelijk de kwalificatie als belastingplichtige (zie arrest van 3 maart 2005, Fini H, C‑32/03, Jurispr. blz. I‑1599, punt 19).

44      Het begrip economische activiteit wordt in artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn omschreven als alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, en met name de handelingen betreffende de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

45      Volgens vaste rechtspraak vormen de loutere aankoop en de loutere verkoop van een zaak geen exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn, omdat de enige opbrengst van deze handelingen voortspruit uit eventuele winst bij de verkoop van de zaak. Dergelijke handelingen kunnen immers in beginsel als zodanig geen economische activiteiten in de zin van deze richtlijn vormen (zie arresten van 29 april 2004, EDM, C‑77/01, Jurispr. blz. I‑4295, punt 58, en 21 oktober 2004, BBL, C‑8/03, Jurispr. blz. I‑10157, punt 39).

46      De in de punten 37 tot en met 41 van het onderhavige arrest genoemde criteria vinden toepassing.

47      Artikel 16 van de btw-richtlijn is van toepassing, zoals blijkt uit de bewoordingen ervan, wanneer de betrokken zaak of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw hebben gegeven. Volgens de verwijzingsbeslissingen hebben verzoekers in de hoofdgedingen de betrokken terreinen met vrijstelling van btw aangekocht. De aankoop van deze terreinen heeft dus geen recht op aftrek van btw gegeven. Dit artikel 16 is derhalve niet van toepassing in een situatie als die in de hoofdgedingen.

48      Overigens is de omstandigheid dat verzoekers in het hoofdgeding in zaak C‑181/10 zich hebben geregistreerd als btw-plichtigen die onder de forfaitaire regeling van landbouwproducenten vallen, van geen belang voor de voorgaande overwegingen. Zoals de Poolse regering en de Europese Commissie terecht hebben aangevoerd, blijven andere handelingen dan de levering van landbouwproducten en de verrichting van agrarische diensten, in de zin van artikel 295, lid 1, van de btw-richtlijn, door een landbouwproducent in het kader van zijn landbouwbedrijf, onderworpen aan de algemene regeling van deze richtlijn (zie arresten van 15 juli 2004, Harbs, C‑321/02, Jurispr. blz. I‑7101, punten 31 en 36, en 26 mei 2005, Stadt Sundern, C‑43/04, Jurispr. blz. I‑4491, punt 20).

49      Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat de levering van een bouwterrein moet worden beschouwd als krachtens de nationale wettelijke regeling van een lidstaat onderworpen aan de btw wanneer deze staat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 12, lid 1, van de btw-richtlijn, ongeacht of de handeling duurzaam is en of de persoon die de levering heeft uitgevoerd, een activiteit als fabrikant, handelaar of dienstverrichter uitoefent, voor zover deze handeling niet de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht vormt.

50      Een natuurlijke persoon die een landbouwbedrijf heeft uitgeoefend op een terrein dat na een wijziging in de bestemmingsplannen buiten zijn wil om als nieuwe bestemming bouwgrond krijgt, moet niet worden beschouwd als btw-plichtige in de zin van de artikelen 9, lid 1, en 12, lid 1, van de btw-richtlijn wanneer hij dit terrein wenst te verkopen, op voorwaarde dat deze verkopen deel uitmaken van het beheer van zijn privévermogen.

51      Wanneer deze persoon met het oog op het sluiten van deze verkopen daarentegen voor de verkoop van onroerend goed actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke worden aangewend door een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn, moet hij worden beschouwd als een persoon die een „economische activiteit” in de zin van dit artikel uitoefent, en bijgevolg als een btw-plichtige.

52      Het gegeven dat deze persoon een „forfaitair belaste landbouwer” is in de zin van artikel 295, lid 1, punt 3, van de btw-richtlijn, is in dit opzicht van geen belang.

Kosten

53      Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

De levering van een bouwterrein moet worden beschouwd als krachtens de nationale wettelijke regeling van een lidstaat onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde wanneer deze staat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138/EG van de Raad van 19 december 2006, ongeacht of de handeling duurzaam is en of de persoon die de levering heeft uitgevoerd, een activiteit als fabrikant, handelaar of dienstverrichter uitoefent, voor zover deze handeling niet de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht vormt.

Een natuurlijke persoon die een landbouwbedrijf heeft uitgeoefend op een terrein dat na een wijziging in de bestemmingsplannen buiten zijn wil om als nieuwe bestemming bouwgrond krijgt, moet niet worden beschouwd als een belastingplichtige ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in de zin van de artikelen 9, lid 1, en 12, lid 1, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, wanneer hij dit terrein wenst te verkopen, op voorwaarde dat deze verkopen deel uitmaken van het beheer van zijn privévermogen.

Wanneer deze persoon met het oog op het sluiten van deze verkopen daarentegen voor de verkoop van onroerend goed actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke worden aangewend door een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, moet hij worden beschouwd als een persoon die een „economische activiteit” in de zin van dit artikel uitoefent, en bijgevolg als een belastingplichtige ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde.

Het gegeven dat deze persoon een „forfaitair belaste landbouwer” is in de zin van artikel 295, lid 1, punt 3, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, is in dit opzicht van geen belang.

ondertekeningen


* Procestaal: Pools.

ECLI:EU:C:2011:589

Geplaatst in Arresten en getagd met , , , , , .