HvJ 16-07-2015 Mapfre asistencia en Mapfre warranty C-584/13

HvJ Mapfre asistencia en Mapfre warranty arrest

De dienst die erin bestaat dat een van de verkoper van een tweedehandsauto onafhankelijke marktdeelnemer tegen betaling van een vast bedrag een garantie verstrekt voor het geval dat zich aan bepaalde onderdelen van deze auto een mechanisch defect voordoet, vormt een vrijgestelde handeling ter zake van verzekering.

De verrichting van een dergelijke prestatie en de verkoop van de tweedehandsauto moeten in beginsel worden beschouwd als onderscheiden en zelfstandige prestaties die vanuit het oogpunt van de btw afzonderlijk moeten worden behandeld.

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

16 juli 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Omzetbelasting – Werkingssfeer – Vrijstelling – Begrip ‚handelingen ter zake van verzekering’ – Begrip ‚dienstverrichtingen’– Vast bedrag ter garantie van een defect aan een tweedehandsauto”

In zaak C‑584/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) bij beslissing van 13 november 2013, ingekomen bij het Hof op 19 november 2013, in de procedures

Directeur général des finances publiques

tegen

Mapfre asistencia compania internacional de seguros y reaseguros SA,

en

Mapfre warranty SpA

tegen

Directeur général des finances publiques,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Vajda, A. Rosas (rapporteur), E. Juhász en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: V. Tourrès, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 november 2014,

gelet op de opmerkingen van:

–        Mapfre asistencia compania internacional de seguros y reaseguros SA en Mapfre warranty SpA, vertegenwoordigd door G. Hannotin, avocat,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door J.‑S. Pilczer en D. Colas als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Soulay en L. Lozano Palacios als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 februari 2015,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, en 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991 (PB L 376, blz. 1, hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van geschillen tussen ten eerste de Directeur général des finances publiques en Mapfre asistencia compania internacional de seguros y reaseguros SA (hierna: „Mapfre asistencia”), een vennootschap naar Spaans recht, en ten tweede Mapfre warranty SpA (hierna: „Mapfre warranty”), een vennootschap naar Italiaans recht, en de Directeur général des finances publiques, inzake de belasting van de handelingen die door deze twee vennootschappen zijn verricht.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        Artikel 2 van de Zesde richtlijn bepaalt:

„Aan de belasting over de toegevoegde waarde [hierna: ‚btw’] zijn onderworpen:

1.      de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

2.      de invoer van goederen.”

4        Artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn luidt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de volgende handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

a)      handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten.”

5        Artikel 33, lid 1, van de Zesde richtlijn bepaalt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen, met name betreffende de algemene regeling voor het voorhanden hebben, het verkeer en de controle van aan accijns onderworpen producten, vormen de bepalingen van deze richtlijn geen beletsel voor de handhaving of invoering door een lidstaat van belastingen op verzekeringsovereenkomsten en op spelen en weddenschappen, alsmede van accijnzen, registratierechten en, meer in het algemeen, van alle belastingen, rechten en heffingen die niet het karakter van omzetbelasting bezitten, mits deze belastingen, rechten en heffingen in het verkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met het overschrijden van een grens.”

Frans recht

6        Artikel 256, I, van de Code général des impôts (belastingwetboek, hierna: „CGI”), in de versie ervan die van toepassing is op de hoofdgedingen, bepaalt:

„Aan [btw] zijn onderworpen de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.”

7        Artikel 261 CGI bepaalt:

„Zijn vrijgesteld van [btw]:

[…]

2° handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten.

[…]”

8        Artikel 991 CGI bepaalt:

„Over iedere verzekeringsovereenkomst die is gesloten met een verzekeringsvennootschap of ‑maatschappij of met enige andere Franse of buitenlandse verzekeraar, ongeacht de plaats en de datum van sluiting ervan, is een verplichte jaarlijkse heffing verschuldigd, tegen betaling waarvan ieder schriftelijk document waarbij de totstandkoming, de wijziging of de minnelijke opzegging wordt vastgesteld, alsmede de afschriften, uittreksels of kopieën die ervan worden afgegeven, ongeacht de plaats waar zij worden of zijn opgesteld, zijn vrijgesteld van zegelrecht en gratis worden geregistreerd wanneer deze formaliteit verplicht is.

De heffing wordt geïnd over het bedrag dat is overeengekomen ten gunste van de verzekeraar en over alle bijkomende bedragen waarvan deze rechtstreeks of indirect profiteert bij wege van de verzekerde.”

9        Blijkens artikel 1001, 5°bis, CGI, bedraagt het tarief van de bijzondere assurantiebelasting voor allriskverzekeringen van motorvoertuigen, 18 %.

10      Verder blijkt uit artikel 1001, 6°, CGI dat het gemeenrechtelijke tarief van de bijzondere heffing op verzekeringsovereenkomsten is vastgesteld op 9 %.

Hoofdgedingen en prejudiciële vraag

11      Uit de verwijzingsbeslissing komt naar voren dat garagehouders die tweedehandsauto’s verkopen, de kopers van deze auto’s via de vennootschap NSA Sage, thans Mapfre warranty, een garantie aanbieden voor de reparatie van mechanische defecten aan deze auto’s.

12      Mapfre warranty was van oordeel dat zij een dienst verrichtte en heeft derhalve btw geïnd, terwijl Mapfre asistencia de assurantiebelasting tegen het gemeenrechtelijke tarief van 9 % heeft afgedragen over de premie die door Mapfre warranty was betaald.

13      De belastingdienst heeft Mapfre warranty een wijzigingsvoorstel gestuurd, waarin de door haar verrichte prestaties werden gekwalificeerd als handelingen ter zake van verzekering die waren onderworpen aan de assurantiebelasting van artikel 991 CGI tegen het in artikel 1001, 5° bis, CGI bepaalde tarief voor autoverzekeringen van 18 %.

14      Daarenboven meende deze dienst dat Mapfre warranty voor rekening van de autokopers een verzekering had afgesloten bij Mapfre asistencia, die tot doel had het risico van mechanische pech te dekken. Zij stuurde daarop een naheffing aan Mapfre asistencia en berekende de assurantiebelasting op basis van het tarief van 18 % over de bedragen die door deze kopers waren betaald.

15      Nadat hun bezwaar was verworpen, hebben deze twee vennootschappen beroep ingesteld bij het tribunal de grande instance te Lyon en vervolgens bij de cour d’appel de Lyon, om van deze belastingheffingen te worden vrijgesteld.

16      Zij voerden aan dat de wederverkopers van de tweedehandsauto’s een deel van hun klantenservice uitbesteedden aan Mapfre warranty en dat deze vennootschap haar risico van financieel verlies had verzekerd bij Mapfre asistencia.

17      Bij twee arresten van 22 september 2011, heeft de cour d’appel te Lyon de twee vonnissen van het tribunal de grande instance te Lyon van 31 maart 2010 bekrachtigd en in het eerste arrest de kwalificatie bevestigd van de door Mapfre warranty verrichte diensten als handeling ter zake van verzekering waarover assurantiebelasting van 18 % verschuldigd is en in het tweede arrest het tarief van 9 % bevestigd voor de door Mapfre asistencia verschuldigde assurantiebelasting.

18      Uit de middelen van partijen in het hoofdgeding die bij de verwijzingsbeslissing zijn gevoegd, komt naar voren dat de cour d’appel te Lyon met name heeft vastgesteld dat de koper van een tweedehandsauto, wanneer hij besloot de door de verkoper aangeboden aanvullende verzekering af te sluiten, tegen betaling van de gevraagde toeslag, in het garantieboekje een aanmeldingsformulier ontving met het briefhoofd van NSA Sage, thans Mapfre warranty. Volgens deze rechter ontving deze laatste het rapport van het defect van de erkende garage waartoe de koper zich had gewend, ging vervolgens na of de garantie geldig was, controleerde of het bedrag van de offerte aan de normen voldeed en gaf dan toestemming om het defecte onderdeel te repareren of te vervangen.

19      De cour d’appel te Lyon heeft benadrukt dat uit geen van de door partijen aangehaalde bepalingen, noch uit enig ander gegeven in de procedure blijkt dat de koper van de verkoper kan eisen dat hij de prestatie verricht in het geval van een defect dat onder de garantiebepalingen valt, met name in het geval van een eventuele tekortkoming van de in de overeenkomst aangewezen debiteur. Volgens deze rechter kan er niet van worden uitgegaan dat de wederverkoper een verplichting waartoe hij niet was gehouden, heeft uitbesteed. Daarentegen is bij de overhandiging van het garantieboekje een rechtstreekse contractuele verhouding tot stand gekomen tussen de koper en Mapfre warranty, aangezien de koper van haar, en van haar alleen, kan eisen dat zij de beloofde reparatie uitvoert en de kosten ervan draagt. Deze contractuele verbintenis tussen de koper en een entiteit die geen partij is bij de verkoop, heeft een eigen voorwerp en vormt doel op zich. Mapfre warranty heeft een verzekeringsactiviteit verricht door zich er in ruil voor de betaling van een overeengekomen bedrag toe te verplichten in het geval zich een, toevallig, schadegeval voordeed aan de verzekerde zaak, de bij het sluiten van het contract overeengekomen dienst te verrichten ten gunste van de verzekerde.

20      Verder heeft de cour d’appel te Lyon vastgesteld dat Mapfre warranty bij Mapfre asistencia een verzekeringspolis had afgesloten die ertoe strekte de vergoeding te garanderen van de financiële verliezen die werden veroorzaakt door een defect waarvoor een contractuele garantie bestond op de auto’s die bij een verkopende garage waren gekocht en waarvoor een garantieboekje was afgegeven. Volgens de cour d’appel te Lyon vormde deze polis echter geen „verzekering voor rekening van degene die zulks aangaat” en viel hij niet onder een allriskverzekering voor motorvoertuigen als bedoeld in artikel 1001, 5° bis, CGI.

21      Mapfre warranty heeft bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van de cour d’appel te Lyon, waarin haar verrichtingen werden aangemerkt als handelingen ter zake van verzekering waarover een assurantiebelasting van 18 % was verschuldigd.

22      De Directeur général des finances publiques heeft op zijn beurt bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het cour d’appel te Lyon, waarin was geoordeeld dat het tarief van de door Mapfre asistencia te betalen assurantiebelasting geen 18 % bedroeg, zoals de belastingdienst meende, maar 9 %.

23      Gelet op de onderlinge samenhang tussen deze twee cassatieberoepen, heeft de verwijzende rechter besloten ze gezamenlijk te behandelen.

24      Gezien zijn twijfels over de uitlegging van het begrip „handelingen ter zake van verzekering”, dat niet in de Zesde richtlijn wordt gedefinieerd, heeft de Cour de Cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten de artikelen 2 en 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn aldus worden uitgelegd dat de verrichting die erin bestaat dat een marktdeelnemer die onafhankelijk is van de wederverkoper van tweedehandsauto’s, tegen betaling van een vast bedrag, garantie biedt bij mechanische defecten die kunnen ontstaan aan bepaalde onderdelen van de tweedehandsauto, valt binnen de categorie handelingen ter zake van verzekering die zijn vrijgesteld van de btw, of integendeel binnen de categorie diensten?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

25      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de dienst die erin bestaat dat een marktdeelnemer die onafhankelijk is van de verkoper van een tweedehandsauto, tegen betaling van een vast bedrag, een garantie verstrekt in het geval zich een mechanisch defect voordoet aan bepaalde onderdelen van deze auto, een vrijgestelde handeling ter zake van verzekering in de zin van deze bepaling vormt.

26      Vooraf moet eraan worden herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak, de bewoordingen waarin de in artikel 13 van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd. De uitlegging van die bewoordingen moet echter in overeenstemming zijn met de door bedoelde vrijstellingen nagestreefde doeleinden en stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit dat inherent is aan het gemeenschappelijke stelsel van btw. Dit beginsel van strikte uitlegging betekent dus niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van artikel 13 zijn gebruikt, aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren (zie met name arrest Zimmermann, C‑174/11, EU:C:2012:716, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      De handelingen die krachtens artikel 13 van de Zesde richtlijn zijn vrijgesteld, vormen overigens autonome begrippen van het Unierecht teneinde verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (zie in die zin arresten CPP, C‑349/96, EU:C:1999:93, punt 15; Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punt 37; Commissie/Griekenland, C‑13/06, EU:C:2006:765, punt 9, en BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 56).

28      Meer bepaald wat het begrip „handelingen ter zake van verzekering” uit artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn betreft, dat nergens in deze richtlijn wordt gedefinieerd, heeft het Hof meermaals geoordeeld dat voor een handeling ter zake van verzekering algemeen als kenmerkend wordt aangenomen dat de verzekeraar zich tegen de voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt, de verzekerde bij het intreden van het verzekerde risico de uitkering te doen die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen (zie in die zin arresten Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punt 39; Commissie/Griekenland, C‑13/06, EU:C:2006:765, punt 10, en BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 58).

29      Het Hof heeft benadrukt dat de handelingen ter zake van verzekering, naar de aard ervan, impliceren dat er een rechtsverhouding bestaat tussen de verrichter van de verzekeringsdienst en degene wiens risico’s door de verzekering zijn gedekt, dat wil zeggen de verzekerde (zie arresten Skandia, C‑240/99, EU:C:2001:140, punt 41; Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punt 41, en BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 58).

30      Daarenboven is dit begrip „handelingen ter zake van verzekering” in beginsel ruim genoeg om de dekking van een verzekering te omvatten die wordt geboden door een belastingplichtige die zelf geen verzekeraar is, maar die in het kader van een collectieve verzekering zijn klanten een dergelijke dekking verschaft door gebruik te maken van de diensten van een verzekeraar die het verzekerde risico op zich neemt (zie in die zin arresten CPP, C‑349/96, EU:C:1999:93, punt 22, en BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 59).

31      Ten aanzien van de behandeling van dit verzoek om een prejudiciële beslissing, zij eraan herinnerd dat uit artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en de vaste rechtspraak voortvloeit, dat, om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, het verzoek om een prejudiciële beslissing ten eerste een korte uiteenzetting moet geven van het onderwerp in het hoofdgeding alsmede van de relevante feiten, zoals deze door de verwijzende rechter zijn vastgesteld, of althans een uiteenzetting van de feiten waarop de vragen zijn gebaseerd. Ten tweede moet dit verzoek de bewoordingen bevatten van de nationale bepalingen die in het hoofdgeding van toepassing kunnen zijn en in het voorkomende geval de relevante nationale rechtspraak. Ten derde moet de verwijzende rechter een uiteenzetting geven van de redenen voor zijn twijfel over de uitlegging of de geldigheid van sommige bepalingen van het Unierecht, alsook van het verband dat hij legt tussen deze bepalingen en de nationale wetgeving die van toepassing is op het hoofdgeding (zie met name beschikking Municipiul Piatra Neamț, C‑13/14, ECLI:EU:C:2014:2000, punt 10 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      De verwijzende rechter heeft in het verzoek om een prejudiciële beslissing echter met name geen feitelijke gegevens vastgesteld over de aard van de dienstverrichting die in het hoofdgeding aan de orde is, maar enkel de in cassatie aangevoerde middelen aan zijn verwijzingsbeslissing gehecht, zodat het Hof uiteindelijk niet kan beoordelen of een dienstverrichting zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, daadwerkelijk een vrijgestelde handeling ter zake van verzekering vormt in de zin van artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn, in de zin van de in de punten 28 en 29 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.

33      Gelet op de geest van samenwerking waarop de betrekkingen tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof in het kader van de prejudiciële procedure zijn gebaseerd, leidt de omstandigheid dat de verwijzende rechter niet de noodzakelijke feitelijke vaststellingen heeft gedaan niet noodzakelijkerwijze tot de niet-ontvankelijkheid van het verzoek indien het Hof, ondanks deze hiaten, gelet op de gegevens in het dossier, toch van oordeel is dat het de verwijzende rechter een nuttig antwoord kan geven (zie in die zin arrest Azienda sanitaria locale n. 5 „Spezzino” e.a., C‑113/13, ECLI:EU:C:2014:2440, punt 48).

34      Ten aanzien van een dienst als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, komt uit de stukken die aan het Hof zijn voorgelegd naar voren dat Mapfre warranty zich er tegen de voorafgaande betaling van een vast bedrag toe verbindt de kosten van de reparatie van een tweedehandsauto te vergoeden indien aan bepaalde onderdelen van de tweedehandsauto een mechanisch defect ontstaat dat is omschreven in een „garantieboekje” dat aan de koper van deze auto is overhandigd.

35      Mapfre warranty en Mapfre asistencia betwisten echter dat in de hoofdgedingen een contractuele verhouding bestaat tussen Mapfre warranty en de koper van de tweedehandsauto. Deze twee vennootschappen benadrukken met name dat er enkel een contractuele verhouding bestaat tussen Mapfre warranty en de wederverkoper van deze auto. De verkoper belast Mapfre warranty er alleen mee zijn verplichtingen als wederverkoper uit de wet of uit overeenkomst jegens de koper na te komen. Volgens Mapfre warranty en Mapfre asistencia, is het ook de wederverkoper van deze tweedehandsauto die ten aanzien van Mapfre warranty de premie moet betalen voor de door deze vennootschap verstrekte dekking. De wederverkoper trekt dit bedrag af van de gerealiseerde winst, een en ander om de tweedehandsauto aantrekkelijker te maken.

36      In dit verband komt, onder voorbehoud van een door de verwijzende rechter te verrichten verificatie van de precieze aard van de verhoudingen van de verschillende personen die een rol spelen in de context van de verrichting die in het hoofdgeding aan de orde is, uit de stukken die aan het Hof zijn voorgelegd naar voren dat, ten eerste, de wederverkoper van de tweedehandsauto niet deelneemt aan de uitvoering van de garantieovereenkomst. Indien zich een mechanisch defect voordoet dat onder de garantie valt, hoeft de koper van de betrokken tweedehandsauto deze auto namelijk niet te laten repareren in een garage van deze wederverkoper of in een door hem aangewezen garage. De garage die de koper van deze auto voor de reparatie heeft gekozen moet rechtstreeks contact opnemen met Mapfre warranty, die de offerte van deze garage moet goedkeuren.

37      In de tweede plaats wordt het forfaitaire bedrag dat recht geeft op garantie uiteindelijk betaald door de koper van de tweedehandsauto, ook al is dit bedrag, zoals door Mapfre warranty en Mapfre asistencia wordt gesteld, inbegrepen in de koopsom van deze auto.

38      Los van de vraag of een overeenkomst is gesloten tussen de koper van een tweedehandsauto en Mapfre warranty, waarbij de wederverkoper van deze auto slechts optreedt als tussenpersoon, of dat de overeenkomst op eigen naam maar voor rekening van de koper door deze wederverkoper is gesloten, dan wel dat de wederverkoper de rechten uit deze overeenkomst die hij op eigen naam en voor eigen rekening met Mapfre warranty heeft gesloten overdraagt aan de koper, komt in ieder geval uit de in de punten 28 en 30 van dit arrest aangehaalde rechtspraak naar voren dat het begrip „handeling ter zake van verzekering” in de zin van artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn voldoende ruim is om ieder van deze situaties te omvatten.

39      In elk van deze situaties zijn de kenmerkende bestanddelen van de handeling ter zake van verzekering, die in de in punt 28 van dit arrest aangehaalde rechtspraak zijn ontwikkeld, immers aanwezig. Zo is de verzekeraar, in dit geval Mapfre warranty, een marktdeelnemer die onafhankelijk is van de wederverkoper van de tweedehandsauto en is de koper van deze auto de verzekerde. Bovendien bestaat het risico in de vorm van de reparatiekosten die de koper van de tweedehandsauto moet betalen indien zich een door de garantie gedekt mechanisch defect voordoet, die de verzekeraar op zich neemt. Tot slot bestaat de premie uit het forfaitaire bedrag dat door de koper van de tweedehandsauto wordt betaald, ongeacht of dit is inbegrepen in de koopprijs van deze auto dan wel aanvullend is.

40      Op basis van de aanwezigheid van deze bestanddelen kan, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, worden vastgesteld dat tussen de verzekeraar en de verzekerde de door de rechtspraak van het Hof vereiste rechtsverhouding bestaat om een verrichting aan te merken als „handeling ter zake van verzekering” in de zin van artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn.

41      Daarenboven kan, anders dan door Mapfre warranty en Mapfre asistencia in wezen wordt beweerd, de kwalificatie van een verrichting als „handeling ter zake van verzekering” in de zin van artikel 13, B, sub a), van de Zesde richtlijn niet afhangen van de wijze waarop de verzekeraar het door hem gedekte risico beheert en de precieze premie berekent.

42      In dat verband is, zoals door de advocaat-generaal is opgemerkt in punt 28 van zijn conclusie en naar voren komt uit de in punt 28 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, de essentie van de „handeling ter zake van verzekering” in de zin van artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn, dat de verzekerde zichzelf beschermt tegen het risico van een onzeker, maar potentieel ernstig financieel verlies tegen betaling van een zekere, maar in hoogte beperkte premie.

43      In dit geval lijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken naar voren te komen dat het bedrag dat Mapfre warranty in de vorm van een premie in rekening heeft gebracht, niet aan de koper van de tweedehandsauto wordt gerestitueerd indien het garantietijdvak zonder defecten verstrijkt of in het geval de reparatiekosten lager zijn uitgevallen dan deze premie. Ook in het geval een defect meer kost dan de betaalde premie, hoeft de koper van de auto de aanvullende kosten niet te betalen. De door Mapfre warranty gefactureerde bedragen lijken dus, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, op typische verzekeringspremies door de betaling waarvan de verzekerde geheel van het verzekerde risico wordt bevrijd. Mapfre warranty heeft overigens het risico van het financiële verlies dat zijzelf in dat verband ondergaat, verzekerd bij Mapfre asistencia.

44      In deze context is de wijze van de berekening van de premies en het beheer van de reparatiekosten een zaak van interne organisatie van Mapfre warranty, die niet bepalend kan zijn voor de kwalificatie van de door haar verrichte diensten.

45      Tot slot betogen Mapfre warranty en Mapfre asistencia dat wanneer de fabrikanten of de wederverkopers van auto’s zelf een aanvullende garantie aan hun klanten aanbieden, dit wordt beschouwd als een aanbod van klantenservice waarover btw wordt geheven, terwijl zij een verrichting aanbieden die lijkt op degene die door Mapfre warranty aan de kopers van tweedehandsauto’s wordt aangeboden. Dergelijke verrichtingen zouden echter hetzelfde moeten worden behandeld.

46      Ten eerste moet worden vastgesteld dat dit argument berust op feitelijke gegevens, met name de fiscale behandeling van de door de wederverkoper verstrekte garanties, die niet in de verwijzingsbeslissing staan vermeld en ten tweede dat een dergelijk argument hierin nergens is uiteengezet. Zoals echter in punt 31 van dit arrest is opgemerkt, vloeit uit artikel 94 van zijn Reglement voor de procesvoering voort dat het Hof bij gebreke van dergelijke gegevens niet op een dergelijk argument kan antwoorden.

47      Uit een en ander vloeit voort dat een verrichting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, onder het begrip „handeling ter zake van verzekering” zou kunnen vallen in de zin van artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn.

48      Er zij echter opgemerkt dat Mapfre warranty en Mapfre asistencia nog betogen dat, verondersteld dat een dergelijke verrichting als handeling ter zake van verzekering moet worden aangemerkt, hierover niettemin btw wordt geheven omdat zij onlosmakelijk is verbonden met de verkoop van de tweedehandsauto en derhalve fiscaal hetzelfde moet worden behandeld als deze auto.

49      In dat verband zij eraan herinnerd dat voor de toepassing van de btw, elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd, zoals voortvloeit uit artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn (zie in die zin arresten Aktiebolaget NN, C‑111/05, EU:C:2007:195, punt 22; Field Fisher Waterhouse, C‑392/11, EU:C:2012:597, punt 14, en BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 29).

50      Niettemin komt uit ʼs Hofs rechtspraak naar voren dat verschillende formeel onderscheiden prestaties die afzonderlijk kunnen worden verricht en dus ieder als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, in bepaalde omstandigheden als één enkele handeling moeten worden beschouwd wanneer zij niet zelfstandig zijn. Het betreft één enkele handeling wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige verricht, zo nauw met elkaar zijn verbonden dat zij objectief gezien één niet te splitsen economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Dat is ook het geval wanneer een of meer elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen (zie arrest BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Ten aanzien van handelingen ter zake van verzekering heeft het Hof reeds geoordeeld dat iedere handeling ter zake van verzekering per definitie een verband vertoont met het goed dat wordt verzekerd. Toch kan een dergelijk verband op zich niet volstaan om te bepalen of er voor de toepassing van de btw kan worden gesproken van één enkele samengestelde prestatie. Indien elke handeling ter zake van verzekering aan de btw zou worden onderworpen afhankelijk van de btw die wordt geheven op het goed waarop zij betrekking heeft, zou de doelstelling zelf van artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn, te weten de vrijstelling van handelingen ter zake van verzekering, immers in het gedrang komen (zie in die zin arrest BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 36).

52      Ingevolge de in punt 49 van dit arrest vermelde regel dat iedere handeling normaliter als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd, moet worden opgemerkt dat de verkoop van een tweedehandsauto en de verstrekking door een marktdeelnemer die onafhankelijk is van de wederverkoper van deze auto, van een garantie voor het mechanische defect dat zich aan bepaalde onderdelen van deze auto kan voordoen, niet als zo nauw met elkaar verbonden kunnen worden beschouwd, dat zij een enkele handeling vormen. Het feit dat deze prestaties afzonderlijk worden beoordeeld, houdt immers op zich niet in dat één enkele economische handeling kunstmatig uit elkaar wordt gehaald waardoor de goede werking van het btw-stelsel in gevaar kan komen.

53      Gelet op het voorgaande, dient te worden onderzocht of er voor de omstandigheden van het hoofdgeding kenmerkende redenen zijn waarom moet worden aangenomen dat de betrokken elementen één enkele handeling vormen (zie in die zin arrest BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 40).

54      Vanuit deze optiek zij eraan herinnerd dat in de eerste plaats, volgens de in punt 50 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof, een prestatie met name als bijkomend bij een hoofdprestatie wordt beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, doch het middel om onder de best mogelijke voorwaarden te profiteren van de hoofddienst (zie arrest BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 41).

55      Ofschoon de koper van een tweedehandsauto dankzij een garantie als die welke aan de orde is in het hoofdgeding minder risico loopt financieel verlies te lijden dan zonder een dergelijke garantie, vloeit deze omstandigheid niettemin voort uit de aard van de garantie zelf. Deze omstandigheid impliceert op zich echter niet dat een dergelijke prestatie moet worden beschouwd als een bijkomende prestatie bij de verkoop van de tweedehandsauto.

56      Zoals naar voren lijkt te komen uit de stukken die aan het Hof zijn voorgelegd, wordt de garantie die aan de orde is in het hoofdgeding verstrekt aan de koper van een tweedehandsauto door een marktdeelnemer die onafhankelijk is van de wederverkoper van deze auto en geen partij is bij de verkoop, zodat deze garantie, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, niet kan worden beschouwd als een garantie die door de verkoper is verstrekt. Daarenboven kan de koper van een tweedehandsauto deze auto kopen zonder deze garantie af te sluiten en kan hij tevens, zonder gebruik te maken van de tussenpersoon van de wederverkoper van de auto, een garantieovereenkomst sluiten met een andere vennootschap dan Mapfre warranty. Tot slot blijkt uit het garantieboekje dat ter terechtzitting door de Franse regering aan het Hof is overgelegd, dat Mapfre warranty zich onder bepaalde omstandigheden het recht voorbehoudt de garantieovereenkomst te ontbinden, zonder dat een dergelijke ontbinding gevolgen lijkt te hebben voor de koopovereenkomst voor de auto.

57      Onder deze omstandigheden, en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijkt een garantie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet zo nauw verbonden met de verkoop van de tweedehandsauto, dat deze twee handelingen, die bovendien worden verricht door twee verschillende dienstverleners, een onlosmakelijke economische prestatie vormen waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Derhalve moeten zij vanuit het oogpunt van de btw in beginsel worden beschouwd als onderscheiden en zelfstandige handelingen.

58      Gelet op het voorgaande, moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de dienst die erin bestaat dat een van de verkoper van een tweedehandsauto onafhankelijke marktdeelnemer tegen betaling van een vast bedrag een garantie verstrekt voor het geval dat zich aan bepaalde onderdelen van deze auto een mechanisch defect voordoet, een vrijgestelde handeling ter zake van verzekering in de zin van deze bepaling vormt. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op de omstandigheden van de hoofdgedingen, de dienstverrichting die in het hoofdgeding aan de orde is, een dergelijke prestatie is. De verrichting van een dergelijke prestatie en de verkoop van de tweedehandsauto moeten in beginsel worden beschouwd als onderscheiden en zelfstandige prestaties die vanuit het oogpunt van de btw afzonderlijk moeten worden behandeld. Het is aan de verwijzende rechter om vast te stellen of, gelet op de bijzondere omstandigheden van de hoofdgedingen, de verkoop van een tweedehandsauto en de garantie die wordt verstrekt door een van de verkoper van deze auto onafhankelijke marktdeelnemer voor het geval dat zich aan bepaalde onderdelen van deze auto een mechanisch defect voordoet, dusdanig onderling zijn verbonden dat zij moeten worden beschouwd als één handeling, dan wel of zij zelfstandige handelingen vormen.

Kosten

59      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 13, B, onder a), van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991, moet aldus worden uitgelegd dat de dienst die erin bestaat dat een van de verkoper van een tweedehandsauto onafhankelijke marktdeelnemer tegen betaling van een vast bedrag een garantie verstrekt voor het geval dat zich aan bepaalde onderdelen van deze auto een mechanisch defect voordoet, een vrijgestelde handeling ter zake van verzekering in de zin van deze bepaling vormt. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op de omstandigheden van de hoofdgedingen, de dienstverrichting die in het hoofdgeding aan de orde is, een dergelijke prestatie is. De verrichting van een dergelijke prestatie en de verkoop van de tweedehandsauto moeten in beginsel worden beschouwd als onderscheiden en zelfstandige prestaties die vanuit het oogpunt van de btw afzonderlijk moeten worden behandeld. Het is aan de verwijzende rechter om vast te stellen of, gelet op de bijzondere omstandigheden van de hoofdgedingen, de verkoop van een tweedehandsauto en de garantie die wordt verstrekt door een van de verkoper van deze auto onafhankelijke marktdeelnemer voor het geval dat zich aan bepaalde onderdelen van deze auto een mechanisch defect voordoet, dusdanig onderling zijn verbonden dat zij moeten worden beschouwd als één handeling dan wel of zij zelfstandige handelingen vormen.

ondertekeningen


** Procestaal: Frans.

ECLI:EU:C:2015:488