HvJ 17-02-2005 Linneweber en Akritidis C-453/02

HvJ Linneweber en Akritidis arrest

 

1)
Artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de exploitatie van alle kansspelen en kansspelautomaten in erkende openbare speelbanken is vrijgesteld van BTW, terwijl de uitoefening van deze activiteit door andere marktdeelnemers dan de uitbaters van dergelijke speelbanken niet is vrijgesteld.
2)
Artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn heeft rechtstreekse werking in die zin dat het door een uitbater van kansspelen of kansspelautomaten kan worden ingeroepen voor de nationale rechterlijke instanties om de toepassing te verhinderen van met deze bepaling onverenigbare nationale rechtsregels.

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
17 februari 2005 (1)

„Zesde BTW-richtlijn – Vrijstelling voor kansspelen – Vaststelling van toepassingsvoorwaarden en beperkingen van vrijstelling – Onderwerping aan belasting van buiten openbare speelbanken georganiseerde spelen – Naleving van beginsel van fiscale neutraliteit – Artikel 13, B, sub f – Rechtstreekse werking”

In de gevoegde zaken C‑453/02 en C‑462/02,betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) bij beslissingen van 6 november 2002, ingekomen bij het Hof op 13 respectievelijk 23 december 2002, in de procedures

Finanzamt Gladbeck

tegen

Edith Linneweber

(C‑453/02)en

Finanzamt Herne-West

tegen

Savvas Akritidis

(C‑462/02),wijst

 

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

 

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, C. Gulmann en R. Schintgen (rapporteur), rechters,advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,

 

griffier: M.‑F. Contet, hoofdadministrateur,gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 mei 2004,gelet op de opmerkingen van:

E. Linneweber, vertegenwoordigd door M. Nettesheim, Rechtsanwalt,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.‑D. Plessing als gemachtigde, bijgestaan door D. Sellner, Rechtsanwalt,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en K. Gross als gemachtigden, bijgestaan door A. Böhlke, Rechtsanwalt,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 2004,

het navolgende

 

Arrest

 

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen het Finanzamt Gladbeck en E. Linneweber, als enige rechtsopvolgster van haar in 1999 overleden echtgenoot, en tussen het Finanzamt Herne-West en S. Akritidis inzake de betaling van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) over opbrengsten uit de exploitatie van kansspelen.

RechtskaderDe gemeenschapsregeling

3

Artikel 2 van de Zesde richtlijn, dat hoofdstuk II daarvan vormt met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt:„Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:

1.
de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;
[…]”

4

Overeenkomstig artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn worden door de lidstaten van BTW vrijgesteld:„weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen, met inachtneming van de door elke lidstaat vastgestelde voorwaarden en beperkingen”.

De nationale regeling

5

Volgens § 1, lid 1, van het Umsatzsteuergesetz 1993 (Duitse wet op de omzetbelasting 1993, BGBl. 1993 I, blz. 565; hierna: „UStG”) zijn de handelingen die een ondernemer in het binnenland in het kader van zijn onderneming onder bezwarende titel verricht, aan BTW onderworpen.

6

Ingevolge § 4, lid 9, sub b, UStG zijn de omzetten die onder de wet op de weddenschappen en loterijen vallen, evenals de omzetten van de erkende openbare speelbanken die worden behaald door de exploitatie ervan, vrijgesteld van BTW.

Hoofdgedingen en prejudiciële vragenZaak C‑453/02

7

Linneweber is de enige rechtsopvolgster van haar in 1999 overleden echtgenoot. Deze bezat een door de overheid afgegeven vergunning om in horecabedrijven en hem toebehorende gokhallen speelautomaten en amusementstoestellen tegen betaling ter beschikking van het publiek te stellen. Linneweber en haar echtgenoot hebben de door de exploitatie van die automaten gerealiseerde omzetten voor de boekjaren 1997 en 1998 aangegeven als van BTW vrijgestelde omzetten, met als motivering dat de omzetten behaald door de exploitatie van speelautomaten door de erkende speelbanken van deze belasting zijn vrijgesteld.

8

Het Finanzamt Gladbeck heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat de betrokken opbrengsten niet ingevolge § 4, lid 9, sub b, UStG waren vrijgesteld, aangezien zij niet waren onderworpen aan de belasting over weddenschappen, wedrennen en loterijen, en niet afkomstig waren van de exploitatie van een erkende openbare speelbank.

9

Het Finanzgericht Münster, waar het geding aanhangig was gemaakt, heeft het door Linneweber ingestelde beroep toegewezen op grond dat, naar analogie van hetgeen het Hof heeft overwogen in zijn arrest van 11 juni 1998, Fischer (C‑283/95, Jurispr. blz. I‑3369), omzetten van speelautomaten krachtens artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn moeten worden vrijgesteld van BTW. In punt 28 van dit arrest heeft het Hof immers vastgesteld dat het beginsel van fiscale neutraliteit zich verzet tegen een onderscheid tussen legale en illegale transacties bij de heffing van BTW.

10

Ter ondersteuning van zijn bij het Bundesfinanzhof ingestelde beroep in „Revision” heeft het Finanzamt Gladbeck aangevoerd dat bij de in de speelbanken opgestelde toestellen de inzetten en de winstkansen aanzienlijk hoger zijn dan bij de buiten dergelijke inrichtingen uitgebate toestellen. In tegenstelling tot wat het Finanzgericht Münster heeft aangenomen, is er volgens het Finanzamt dan ook geen concurrentie tussen deze twee soorten toestellen.

11

Van oordeel dat de uitlegging van de Zesde richtlijn noodzakelijk is voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding, heeft het Bundesfinanzhof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

„1)
Moet artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de organisatie van een kans‑ en geldspel niet aan BTW mag onderwerpen wanneer de organisatie van een dergelijk spel door een erkende openbare speelbank is vrijgesteld?
2)
Verbiedt artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn een lidstaat reeds dan de exploitatie van een speelautomaat aan BTW te onderwerpen wanneer de exploitatie van een speelautomaat door een erkende openbare speelbank is vrijgesteld, of moet bovendien vaststaan dat de buiten de speelbanken geëxploiteerde speelautomaten op essentiële punten, zoals de maximuminzet en de maximumwinst, vergelijkbaar zijn met de speelautomaten in de speelbanken?
3)
Kan de speelautomatenexploitant zich op de belastingvrijstelling uit hoofde van artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn beroepen?”

Zaak C‑462/02

12

Zoals blijkt uit het door de verwijzende rechter aan het Hof overgelegde dossier, heeft Akritidis tussen 1987 en 1991 een speelhal uitgebaat in Herne-Eickel. Hij organiseerde er roulette evenals kaartspelen. Overeenkomstig de vergunning waarover hij beschikte moesten deze spelen worden gespeeld met naleving van bepaalde regels die waren vastgesteld in een door de bevoegde instanties verleende verklaring van geen bezwaar („Unbedenklichkeitsbescheinigung”).

13

Tussen 1989 en 1991 heeft Akritidis de door de bevoegde instanties voorgeschreven regels zowel voor het roulettespel als voor het kaartspel niet nageleefd. Zo heeft hij onder meer geen kaarttafel gebruikt, zich niet gehouden aan het maximaal toegestane bedrag aan inzet en geen administratie gevoerd van de door de betrokken spelen gerealiseerde omzet.

14

Het Finanzamt Herne-West heeft de omzet voor de betrokken periode geraamd door rekening te houden met de illegale inkomsten uit de organisatie van de roulette‑ en kaartspelen. Na een bezwaar van Akritidis en gelet op voormeld arrest Fischer heeft het Finanzamt Herne-West afgezien van heffing van BTW op de inkomsten uit het roulettespel. Het heeft echter besloten dat het illegaal georganiseerde kaartspel belastbaar moest worden geacht en heeft het deel van de omzet met betrekking tot de organisatie van dit spel forfaitair vastgesteld.

15

Akritidis heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het Finanzgericht Münster. Volgens deze rechterlijke instantie moest het betrokken kaartspel overeenkomstig de door het Hof in voormeld arrest Fischer geformuleerde beginselen uit hoofde van artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn worden vrijgesteld van BTW. Zijns inziens kon Akritidis voorts deze bepaling rechtstreeks inroepen voor de nationale rechter. Er was geen enkele reden om de toepassing van de door het Hof in het voormelde arrest geformuleerde beginselen te beperken tot het roulettespel.

16

Ter ondersteuning van zijn bij het Bundesfinanzhof ingestelde beroep in „Revision” heeft het Finanzamt Herne-West aangevoerd dat de beginselen waarnaar het Finanzgericht Münster verwees, niet kunnen worden toegepast op het kaartspel dat in casu aan de orde is. In tegenstelling tot het spel waarom het ging in de zaak waarin voormeld arrest Fischer is gewezen, was er in casu geen enkele concurrentie tussen het door Akritidis georganiseerde kaartspel en die welke door de speelbanken werden georganiseerd, omdat deze spelen niet echt vergelijkbaar waren. Volgens Akritidis komt het kaartspel zoals het in zijn etablissement werd gespeeld, overeen met „blackjack” dat in erkende openbare speelbanken wordt gespeeld.

17

Van oordeel dat de uitlegging van de Zesde richtlijn noodzakelijk is voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding, heeft het Bundesfinanzhof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

„1)
Verbiedt artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn een lidstaat reeds dan de organisatie van een kaartspel aan BTW te onderwerpen wanneer de organisatie van een kaartspel door een erkende openbare speelbank is vrijgesteld, of moet bovendien vaststaan dat de buiten de speelbanken georganiseerde kaartspelen op essentiële punten, zoals de spelregels, de maximuminzet en de maximumwinst, vergelijkbaar zijn met de kaartspelen in de speelbanken?
2)
Kan de organisator zich op de belastingvrijstelling uit hoofde van artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn beroepen?”
18

Bij beschikking van de president van het Hof van 6 februari 2003 zijn de zaken C‑453/02 en C‑462/02 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragenDe eerste vraag in de zaak C‑453/02

19

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat § 4, lid 9, sub b, UStG de met kansspelen of kansspelautomaten gerealiseerde omzetten van de erkende openbare speelbanken vrijstelt van BTW, zonder dat de vorm of de wijze van organisatie en exploitatie van deze spelen en automaten is bepaald.

20

Voorts moet, zoals het Bundesfinanzhof in zijn verwijzingsbeschikking heeft verduidelijkt, worden vastgesteld dat de erkende openbare speelbanken aan geen enkele beperking zijn onderworpen wat betreft de kansspelen en kansspelautomaten die zij mogen exploiteren.

21

Derhalve kunnen kansspelen en kansspelautomaten als die waarom het gaat in het hoofdgeding, onafhankelijk van de wijze van organisatie en exploitatie ervan door de erkende openbare speelbanken worden georganiseerd en geëxploiteerd, zonder dat de daarmee behaalde omzet onderworpen is aan BTW.

22

Onder deze omstandigheden moet de eerste vraag in zaak C‑453/02 aldus worden opgevat, dat de verwijzende rechter daarmee in wezen wenst te vernemen of artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de exploitatie van alle kansspelen en kansspelautomaten in erkende openbare speelbanken is vrijgesteld van BTW, terwijl de uitoefening van deze activiteit door andere marktdeelnemers dan de uitbaters van speelbanken niet is vrijgesteld.

23

Teneinde een antwoord te geven op de aldus geherformuleerde vraag, zij eraan herinnerd dat uit artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn volgt dat de exploitatie van kansspelen en kansspelautomaten in beginsel van BTW moet worden vrijgesteld, waarbij de lidstaten evenwel bevoegd blijven om de toepassingsvoorwaarden en beperkingen van deze vrijstelling vast te stellen (arrest Fischer, reeds aangehaald, punt 25).

24

Bij de uitoefening van deze bevoegdheid dienen de lidstaten echter het beginsel van fiscale neutraliteit in acht te nemen. Zoals uit de rechtspraak van het Hof volgt, verzet dit beginsel zich er met name tegen dat soortgelijke goederen of diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de BTW ongelijk worden behandeld, zodat die goederen of diensten aan een uniform tarief moeten worden onderworpen (zie onder meer arresten van 11 oktober 2001, Adam, C‑267/99, Jurispr. blz. I‑7467, punt 36, en 23 oktober 2003, Commissie/Duitsland, C‑109/02, Jurispr. blz. I‑12691, punt 20).

25

Volgens deze rechtspraak, alsook het arrest van 7 september 1999, Gregg (C‑216/97, Jurispr. blz. I‑4947, punt 20), en voormeld arrest Fischer, zijn de identiteit van de producent of de dienstverrichter en de rechtsvorm waarin zij hun activiteit uitoefenen, in beginsel irrelevant om na te gaan of de goederen of diensten soortgelijk zijn.

26

Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 37 en 38 van haar conclusie, heeft het Hof namelijk uitsluitend de vergelijkbaarheid onderzocht van de activiteiten waarom het ging in de zaak waarin het arrest Fischer is gewezen, teneinde te bepalen of de betrokken activiteiten soortgelijk waren, en heeft het geen rekening gehouden met het argument dat de kansspelen zich vanuit het oogpunt van het beginsel van fiscale neutraliteit alleen onderscheiden door het feit dat zij door of in erkende openbare speelbanken worden georganiseerd.

27

Derhalve heeft het Hof in punt 31 van voormeld arrest Fischer geoordeeld dat artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn zich ertegen verzet dat een lidstaat de illegale exploitatie van een buiten een erkende openbare speelbank georganiseerd kansspel aan BTW onderwerpt, wanneer de exploitatie van hetzelfde kansspel door een dergelijke inrichting is vrijgesteld.

28

Aangezien de identiteit van de uitbater van een kansspel niet van belang is om te bepalen of de illegale organisatie van dit spel moet worden geacht in concurrentie te staan met de legale organisatie daarvan, moet dit a fortiori gelden voor de vaststelling of twee legaal uitgebate kansspelen of kansspelautomaten als met elkaar concurrerend moeten worden beschouwd.

29

Hieruit volgt dat de lidstaten bij de uitoefening van de hun bij artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn toegekende bevoegdheden, namelijk die om de toepassingsvoorwaarden en beperkingen vast te stellen van de in die bepaling voorziene BTW-vrijstelling voor de exploitatie van kansspelen en kansspelautomaten, die vrijstelling niet op goede gronden afhankelijk kunnen stellen van de identiteit van de uitbater van die spelen en automaten.

30

Gelet op deze overwegingen, moet op de eerste vraag in zaak C‑453/02 worden geantwoord dat artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de exploitatie van alle kansspelen en kansspelautomaten in erkende openbare speelbanken is vrijgesteld van BTW, terwijl de uitoefening van deze activiteit door andere marktdeelnemers dan de uitbaters van dergelijke speelbanken niet is vrijgesteld.

De tweede vraag in zaak C‑453/02 en de eerste vraag in zaak C‑462/02

31

Gelet op het antwoord op de eerste vraag in zaak C‑453/02, behoeven de tweede vraag in zaak C‑453/02 en de eerste vraag in zaak C‑462/02 niet te worden beantwoord.

De derde vraag in zaak C‑453/02 en de tweede vraag in zaak C‑462/02

32

Met deze vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn rechtstreekse werking heeft in die zin dat het door een uitbater van kansspelen of kansspelautomaten kan worden ingeroepen voor de nationale rechterlijke instanties om de toepassing te verhinderen van met deze bepaling onverenigbare nationale rechtsregels.

33

Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat, wanneer de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn en niet tijdig uitvoeringsmaatregelen zijn getroffen, particulieren zich op die bepalingen kunnen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is; zij kunnen zich op die bepalingen ook beroepen voorzover zij rechten vastleggen die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden (zie onder meer arresten van 19 januari 1982, Becker, 8/81, Jurispr. blz. 53, punt 25; 10 september 2002, Kügler, C‑141/00, Jurispr. blz. I‑6833, punt 51, en 20 mei 2003, Österreichischer Rundfunk e.a., C‑465/00, C‑138/01 en C‑139/01, Jurispr. blz. I‑4989, punt 98).

34

Meer in het bijzonder met betrekking tot artikel 13, B, van de Zesde richtlijn volgt uit de rechtspraak dat hoewel deze bepaling de lidstaten ontegenzeglijk een discretionaire bevoegdheid toekent om de voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van sommige van de vrijstellingen waarin deze bepaling voorziet, dit niet wegneemt dat een lidstaat een belastingplichtige die weet aan te tonen dat hij fiscaal onder één van de door de Zesde richtlijn vrijgestelde categorieën valt, niet kan tegenwerpen dat de bepalingen die de toepassing van de vrijstelling juist moeten vergemakkelijken, nog niet door hem zijn vastgesteld (arrest Becker, reeds aangehaald, punt 33).

35

Voorts doet het feit dat artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn het bestaan van deze discretionaire bevoegdheid van de lidstaten bevestigt door te verduidelijken dat zij bevoegd zijn om de toepassingsvoorwaarden en beperkingen vast te stellen van de vrijstelling van kans‑ en geldspelen, niet af aan deze uitlegging. Daar deze spelen namelijk in beginsel vrijgesteld zijn van BTW, kan iedere uitbater ervan zich rechtstreeks op deze vrijstelling beroepen wanneer de betrokken lidstaat ervan heeft afgezien de hem door artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn uitdrukkelijk toegekende bevoegdheden uit te oefenen of heeft nagelaten dergelijke bevoegdheden aan te wenden.

36

Bovendien moet worden vastgesteld dat wat geldt voor het geval dat een lidstaat de hem door artikel 13, B, van de Zesde richtlijn toegekende bevoegdheden niet heeft uitgeoefend, a fortiori moet gelden voor het geval dat een lidstaat bij de uitoefening van deze bevoegdheden nationale bepalingen heeft vastgesteld die niet verenigbaar zijn met deze richtlijn.

37

Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 72 van haar conclusie, volgt hieruit dat wanneer, zoals in de hoofdgedingen, de voorwaarden of beperkingen waarvan een lidstaat de BTW‑vrijstelling voor kans‑ en geldspelen afhankelijk stelt, strijdig zijn met het beginsel van de fiscale neutraliteit, deze lidstaat zich niet op dergelijke voorwaarden of beperkingen kan baseren om een uitbater van dergelijke spelen de vrijstelling te weigeren waarop deze uit hoofde van de Zesde richtlijn rechtmatig aanspraak kan maken.

38

Op de derde vraag in zaak C‑453/02 en op de tweede vraag in zaak C‑462/02 moet dan ook worden geantwoord dat artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn rechtstreekse werking heeft in die zin dat het door een uitbater van kansspelen of kansspelautomaten kan worden ingeroepen voor de nationale rechterlijke instanties om de toepassing te verhinderen van met deze bepaling onverenigbare nationale rechtsregels.

Werking in de tijd van het onderhavige arrest

39

In haar mondelinge opmerkingen heeft de Duitse regering gewezen op de mogelijkheid voor het Hof om, zo het een nationale regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, met de Zesde richtlijn onverenigbaar verklaart, de werking van het onderhavige arrest in de tijd te beperken.

40

Tot staving van haar verzoek heeft zij de aandacht van het Hof gevestigd op de nefaste financiële gevolgen van een arrest houdende vaststelling dat een bepaling als § 4, lid 9, UStG onverenigbaar is met de Zesde richtlijn. Voorts had de handelwijze van de Commissie van de Europese Gemeenschappen na het arrest van 5 mei 1994, Glawe (C‑38/93, Jurispr. blz. I‑1679), bij de Bondsrepubliek Duitsland de mening doen post vatten dat § 4, lid 9, UStG conform de Zesde richtlijn was.

41

In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 234 EG verleende bevoegdheid geeft aan een voorschrift van gemeenschapsrecht, de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van de inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast, verklaart en preciseert. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht (zie onder meer arresten van 11 augustus 1995, Roders e.a., C‑367/93–C‑377/93, Jurispr. blz. I‑2229, punt 42, en 3 oktober 2002, Barreira Pérez, C‑347/00, Jurispr. blz. I‑8191, punt 44).

42

Slechts bij uitzondering kan het Hof krachtens een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid aanleiding vinden om beperkingen te stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen opnieuw aan de orde te stellen (zie onder meer arrest van 23 mei 2000, Buchner e.a., C‑104/98, Jurispr. blz. I‑3625, punt 39, en arrest Barreira Pérez, reeds aangehaald, punt 45).

43

Met betrekking tot de hoofdgedingen moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de handelwijze van de Commissie na het arrest Glawe niet geldig kan worden ingeroepen ter onderbouwing van de stelling dat § 4, lid 9, UStG redelijkerwijze conform de Zesde richtlijn kon worden geacht. De zaak die tot het voormelde arrest heeft geleid, had namelijk enkel betrekking op de vaststelling van de maatstaf van heffing bij de door de exploitatie van speelautomaten gerealiseerde omzet en handelde geenszins over het verschil in behandeling tussen de erkende openbare speelbanken en de andere uitbaters van kansspelen dat op algemene wijze tot stand werd gebracht door de Duitse BTW-regeling.

44

In de tweede plaats dient eraan te worden herinnerd dat de mogelijke financiële gevolgen van een prejudicieel arrest voor een lidstaat op zichzelf geen rechtvaardiging vormen voor een beperking van de werking van dit arrest in de tijd (zie onder meer arresten Roders e.a., punt 48, en Buchner e.a., punt 41, beide reeds aangehaald).

45

Mitsdien zijn er geen termen aanwezig om de werking van dit arrest in de tijd te beperken.

Kosten

46

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1)
Artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de exploitatie van alle kansspelen en kansspelautomaten in erkende openbare speelbanken is vrijgesteld van BTW, terwijl de uitoefening van deze activiteit door andere marktdeelnemers dan de uitbaters van dergelijke speelbanken niet is vrijgesteld.
2)
Artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn (77/388) heeft rechtstreekse werking in die zin dat het door een uitbater van kansspelen of kansspelautomaten kan worden ingeroepen voor de nationale rechterlijke instanties om de toepassing te verhinderen van met deze bepaling onverenigbare nationale rechtsregels.

 

ondertekeningen

1 –
Procestaal: Duits.

ECLI:EU:C:2005:92