HvJ 18-01-2001 Stockholm Lindöpark C-150/99

HvJ Stockholm Lindöpark arrest

1)    De artikelen 13, A, lid 1, sub m, en 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn staan in de weg aan een nationale wettelijke regeling die voorziet in een algemene BTW-vrijstelling voor de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, ook indien deze diensten door instellingen met winstoogmerk worden verleend.

2)    Het bepaalde in artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn, gelezen in samenhang met het bepaalde in de artikelen 2, 6, lid 1, en 13, B, sub b, van de richtlijn, is voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, opdat een particulier zich daarop tegenover een lidstaat voor een nationale rechterlijke instantie kan beroepen.

3)    De toepassing van een algemene BTW-vrijstelling voor de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, terwijl een dergelijke algemene vrijstelling niet voorkomt in artikel 13 van de Zesde richtlijn, levert een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht op waarvoor de lidstaat aansprakelijk kan worden gehouden.

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

18 januari 2001 (1)

„Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde –

Zesde richtlijn – Vrijstellingen – Verhuur van onroerende goederen –

Beoefening van sport of lichamelijke opvoeding”

In zaak C-150/99,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van Svea hovrätt (Zweden), in het aldaar aanhangig geding tussen

Svenska staten

en

Stockholm Lindöpark AB

en tussen

Stockholm Lindöpark AB

en

Svenska staten,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 13, A, lid 1, sub m, en 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

–    Svenska staten, vertegenwoordigd door H. Regner en H. Rustand, als gemachtigden,

–    Stockholm Lindöpark AB, vertegenwoordigd door P.-O. Nordh, advokat,

–    Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en K. Simonsson, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Svenska staten, vertegenwoordigd door H. Regner; Stockholm Lindöpark AB, vertegenwoordigd door P.-O. Nordh; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door K. Simonsson, ter terechtzitting van 29 juni 2000,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2000,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij beschikking van 26 maart 1999, ingekomen bij het Hof op 23 april daaraanvolgend, heeft Svea hovrätt krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 13, A, lid 1, sub m, en 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1, hierna: „Zesde richtlijn”).
2.
    Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Svenska staten (Zweedse Staat) en Stockholm Lindöpark AB (hierna: „Lindöpark”), ter zake van een schadevordering die laatstgenoemde tegen de Zweedse Staat heeft ingediend op grond dat deze, bij de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie, geen juiste uitvoering zou hebben gegeven aan de Zesde richtlijn, met name artikel 13 daarvan.De gemeenschapswetgeving
3.
    Artikel 2 van de Zesde richtlijn luidt:„Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:

1.    de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

2.    de invoer van goederen.”

4.
    Artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn bepaalt:„1.    Als dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is.

Deze handeling kan onder meer zijn:

–    de overdracht van een onlichamelijke zaak, ongeacht of deze al dan niet in een titel is belichaamd;

–    de verplichting om een daad na te laten of om een daad of een situatie te dulden;

–    het verrichten van een dienst op grond van een vordering door of namens de overheid, dan wel krachtens de wet.”

5.
    Artikel 13, A, lid 1, van de Zesde richtlijn bepaalt:„1.    Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

(…)

m)    sommige diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en die door instellingen zonder winstoogmerk worden verleend aan personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen;

(…)”

6.
    Artikel 13, B, van de Zesde richtlijn bepaalt:„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om eenjuiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

(…)

b)    verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van:

1.    het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen;

2.    verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;

3.    verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;

4.    verhuur van safeloketten.

De lidstaten kunnen nog andere handelingen van de toepassing van deze vrijstelling uitsluiten.”

7.
    Artikel 17 van de Zesde richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991 (PB L 376, blz. 1), bepaalt:„1.    Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.

2.    Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen, mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken:

a)    de belasting over de toegevoegde waarde welke verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige in het binnenland geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere tot voldoening van belasting gehouden belastingplichtige in het binnenland verrichte of te verrichten diensten;

b)    de belasting over de toegevoegde waarde welke verschuldigd of voldaan is voor in het binnenland ingevoerde goederen;

(…)”

De nationale wetgeving

8.
    Volgens hoofdstuk 1, paragraaf 1, van de mervärdesskattelag (1994:200) (Zweedse wet op de belasting over de toegevoegde waarde, hierna: „BTW-wet”), moet aan de staat BTW worden betaald over onder meer de belastbare handelingen met betrekking tot goederen of diensten die in het kader van een beroepsactiviteit worden verricht. Hoofdstuk 3, paragraaf 1, van de BTW-wet bepaalt, dat handelingen met betrekking tot goederen en diensten alsmede invoer belastbaar zijn, tenzij in dat hoofdstuk uitdrukkelijk anders is bepaald. Tegenover de belastingplicht staat het recht van de belastingplichtige ingevolge hoofdstuk 8, paragraaf 3, van de BTW-wet, om de voorbelasting die hij voor zijn inkoop onder bezwarende titel of invoer ten behoeve van zijn activiteit heeft voldaan, af te trekken.
9.
    Hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, van de BTW-wet noemt een aantal vrijstellingen op het gebied van onroerend goed. Volgens paragraaf 2, eerste alinea, zo vermeldt de verwijzingsbeschikking, „zijn van belasting vrijgesteld de handelingen in verband met onroerende goederen, met inbegrip van verpachting, verhuur, rechten inzake appartementen, erfpacht, erfdienstbaarheden en andere rechten in verband metonroerend goed”. Tot 1 januari 1997 bevatte dit artikel nog een tweede lid, dat als volgt luidde:„Eveneens vrijgesteld van BTW zijn de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen of delen daarvan voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding en, in samenhang daarmee, van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding.”
10.
    Bij een wetswijziging per 1 januari 1997 is deze laatste bepaling geschrapt.Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
11.
    Lindöpark is een exploitatiemaatschappij die een voor bedrijven bestemd golfterrein beheert. De klantenkring bestaat uitsluitend uit bedrijven die daarmee hun personeel en klanten gelegenheid kunnen bieden op dat terrein golf te spelen.
12.
    Ingevolge hoofdstuk 3, paragraaf 2, tweede alinea, van de BTW-wet, welke bepaling vóór 1 januari 1997 gold, was het door Lindöpark gevoerde beheer van een golfterrein voor bedrijven, vrijgesteld van BTW. Lindöpark had dus geen recht op aftrek van voorbelasting over de ten behoeve van haar bedrijf betrokken goederen en diensten. Sinds de wijziging van deze bepaling, per 1 januari 1997, zijn de activiteiten van Lindöpark belastbaar voor de BTW en kan deze vennootschap dus voorbelasting aftrekken.
13.
    Volgens Lindöpark maakte de regeling zoals die vóór 1 januari 1997 gold, inbreuk op haar rechten, in ieder geval vanaf het moment waarop het Koninkrijk Zweden tot de Europese unie is toegetreden, dus sinds 1 januari 1995. Voor Solna tingsrätt vorderde zij daarom van de Zweedse Staat schadevergoeding ten bedrage van 500 000 SEK, het bedrag dat zij beweert tussen 1 januari 1995 en 31 december 1996, in welke periode zij geen voorbelasting kon aftrekken, aan voorbelasting te hebben betaald, vermeerderd met rente vanaf het moment waarop aftrek had moeten kunnen plaatsvinden, te weteneen bedrag van 41 632 SEK. Volgens Lindöpark had de Zweedse Staat de Zesde richtlijn op het punt van artikel 13 niet juist ten uitvoer gelegd.
14.
    Bij vonnis van 29 september 1997 wees Solna tingsrätt de vordering van Lindöpark toe en werd de Zweedse Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 500 000 SEK, vermeerderd met rente vanaf de datum van indiening van de vordering.
15.
    De Staat ging van dit vonnis in hoger beroep bij Svea hovrätt. Lindöpark stelde eveneens hoger beroep in, voorzover haar vordering niet integraal was toegewezen.
16.
    Omdat het twijfelt over de vraag hoe de Zesde richtlijn, met name artikel 13, in deze omstandigheden moet worden uitgelegd, heeft Svea hovrätt de behandeling van de zaak geschorst ten einde het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:„1.    Moeten de artikelen 13, A, lid 1, sub m, en 13, B, sub b, van de Zesde BTW-richtlijn aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan nationale bepalingen die voorzien in een algemene vrijstelling van BTW voor de terbeschikkingstelling van installaties voor sportbeoefening, zoals neergelegd in hoofdstuk 3, § 2, lid 2, van Mervärdesskattelagen (1994:200), in de vóór 1 januari 1997 geldende versie?

2.    Kent artikel 13, junctis de artikelen 2, 6 en 17, van de Zesde BTW-richtlijn particulieren rechten toe waarop deze zich tegenover de lidstaten voor de nationale rechter kunnen beroepen?

Indien deze twee vragen bevestigend worden beantwoord:

3.    Leveren de uitvoering en de toepassing van de vrijstelling van hoofdstuk 3, § 2, lid 2, van de Mervärdesskattelag (1994:200) een voldoende ernstige(gekwalificeerde) schending van het gemeenschapsrecht op, waarvoor een lidstaat aansprakelijk kan worden gesteld?”

De eerste vraag

17.
    Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 13, A, lid 1, sub m, en 13, B, sub b, van de Zesde BTW-richtlijn in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die voorziet in een algemene vrijstelling van BTW voor de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, met inbegrip van diensten die door instellingen met winstoogmerk worden geleverd.
18.
    Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, als diensten in de zin van artikel 6 van de Zesde richtlijn moeten worden aangemerkt. Deze activiteiten zijn dus in beginsel krachtens artikel 2, sub 1, van de richtlijn aan BTW onderworpen.
19.
    Als uitzondering op het beginsel van artikel 2, voorziet artikel 13, A, lid 1, sub m, van de Zesde richtlijn in een vrijstelling van belasting voor diensten die samenhangen met de beoefening van sport en met lichamelijke opvoeding. Deze vrijstelling is echter uitdrukkelijk beperkt tot diensten die door instellingen zonder winstoogmerk worden verleend. Indien dergelijke diensten door een instelling met winstoogmerk worden verleend, vallen zij dus buiten de werkingssfeer van de vrijstelling. Hoofdstuk 3 van de BTW-wet is dus, voorzover het in paragraaf 2, tweede alinea, in een algemene vrijstelling voor dergelijke diensten voorziet zonder die vrijstelling te beperken tot dienstverrichters zonder winstoogmerk, in strijd met de bewoordingen van de desbetreffende bepalingen van de Zesde richtlijn.
20.
    Ter rechtvaardiging van de nationale wettelijke regeling voert de Zweedse Staat aan, dat in het hoofdgeding een andere bepaling van toepassing is, namelijk artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn, dat verpachting en verhuur van onroerende goederen vrijstelt. Kenmerkend voor de activiteiten van Lindöpark was immers de verhuur van een golfterrein, dat wil zeggen een onroerend goed, aan haar klanten. Bijgevolg werden de activiteiten van Lindöpark terecht vrijgesteld.
21.
    In dit verband zij opgemerkt, dat het Hof in het kader van de hem door de nationale rechter voorgelegde vragen, de verwijzende rechter de criteria moet aanreiken aan de hand waarvan deze kan toetsen of een nationale wettelijke regeling als thans in geding, met de Zesde richtlijn in overeenstemming is. Hoe in het hoofdgeding, gelet op de bijzonderheden van het concrete geval moet worden beslist, is echter een zaak van de nationale rechter, die ter zake als enige bevoegd is.
22.
    Wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling betreft, is het stellig niet uitgesloten, dat de terbeschikkingstelling van ruimten voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding in bijzondere omstandigheden als verhuur van onroerend goed kan worden aangemerkt en daardoor onder de werkingssfeer van de vrijstelling van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn kan vallen. Bedoelde regeling ziet echter niet op een dergelijk bijzonder geval, maar voorziet algemeen in vrijstelling voor alle diensten die samenhangen met de beoefening van sport en met lichamelijke opvoeding, zonder daarbij diensten bestaande in de verhuur van onroerend goed te onderscheiden van andere diensten. Daarmee voert zij een nieuwe categorie van vrijstellingen in, waarin de Zesde richtlijn niet voorziet.
23.
    Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de artikelen 13, A, lid 1, sub m, en 13, B, sub b, van de Zesde BTW-richtlijn in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die voorziet in een algemene vrijstelling van BTW voor de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomendevoorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, ook indien deze diensten door instellingen met winstoogmerk worden verleend.
24.
    Wat de toepassing van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn op het hoofdgeding betreft, kan het Hof niet meer doen dan de nationale rechter, die in het voor hem aanhangig geding op dit punt moet beslissen, bepaalde, uit vaste rechtspraak af te leiden aanwijzingen geven.
25.
    Om te beginnen is het vaste rechtspraak, dat de bewoordingen waarin de in artikel 13 van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie, onder meer, arresten van 15 juni 1989, Stichting Uitvoering Financiële Acties, 348/87, Jurispr. blz. 1737, punt 13; en van 12 september 2000, Commissie/Ierland, C-358/97, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52, en Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-359/97, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 64).
26.
    Voorts moeten diensten verband houdend met de beoefening van sport en met lichamelijke opvoeding zoveel mogelijk als één geheel worden beschouwd. Volgens de rechtspraak van het Hof moeten, om de aard van een belastbare handeling vast te stellen, alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen (zie arrest van 2 mei 1996, Faaborg-Gelting Linien, C-231/94, Jurispr. blz. I-2395, punt 12). Zoals de Commissie terecht betoogt, behelst het beheer van een golfterrein in het algemeen niet alleen het passief ter beschikking stellen van een terrein, maar omvat deze activiteit tevens een groot aantal commerciële activiteiten, zoals het toezicht, het beheer en het voortdurende onderhoud door de dienstverrichter, de terbeschikkingstelling van andere installaties, enzovoorts. Zolang geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, kan de verhuur van het golfterrein dus niet de overwegende prestatie zijn.
27.
    Ten slotte moet worden bedacht, dat aan de terbeschikkingstelling van een golfterrein in de regel beperkingen zullen worden verbonden met betrekking tot het doel en de duur van het gebruik. Volgens de rechtspraak van het Hof is de duur van het gebruik van een onroerend goed een wezenlijk bestanddeel van een huurovereenkomst (reeds aangehaalde arresten Commissie/Ierland, punt 56 en Commissie/Verenigd Koninkrijk, punt 68).
28.
    Het staat aan de nationale rechter om aan de hand van deze elementen uit te maken, of de in geding zijnde activiteit kan worden geacht krachtens artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn te zijn vrijgesteld van BTW.De tweede vraag
29.
    Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter in hoofdzaak te vernemen, of het bepaalde in artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn, gelezen in samenhang met het bepaalde in de artikelen 2, 6 en 13, voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is opdat een particulier zich hierop tegenover een lidstaat voor een nationale rechterlijke instantie kan beroepen.
30.
    Voor een antwoord op deze vraag kan worden volstaan met te verwijzen naar de vaste rechtspraak van het Hof op het gebied van de inroepbaarheid van richtlijnen (zie arrest van 19 januari 1982, Becker, 8/81, Jurispr. blz. 53, punten 17-25).
31.
    Uit die rechtspraak volgt dat, hoewel de lidstaten een betrekkelijk grote handelingsvrijheid is gelaten bij de tenuitvoerlegging van sommige bepalingen van de Zesde richtlijn, particulieren zich voor de nationale rechter kunnen beroepen op die bepalingen van de richtlijn die voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn (zie arresten van 20 oktober 1993, Balocchi, C-10/92, Jurispr. blz. I-5105, punt 34 en 6 juli 1995, BP Soupergaz, C-62/93, Jurispr. blz. I-1883, punt 34).
32.
    Het Hof heeft reeds uitdrukkelijk bevestigd, dat dit het geval is met artikel 17, leden 1 en 2 (arrest BP Soupergaz, reeds aangehaald, punt 36), en artikel 13, B, sub d, punt 1 (arrest Becker, reeds aangehaald, punt 49), van de Zesde richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in de punten 45 en 46 van zijn conclusie opmerkt, beantwoorden artikel 2, artikel 6, lid 1, dat in het hoofdgeding als enige relevant is, en artikel 13, B, sub b, eveneens aan de criteria die in de in het voorgaande punt geciteerde rechtspraak zijn geformuleerd.
33.
    Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat het bepaalde in artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn, gelezen in samenhang met het bepaalde in de artikelen 2, 6, lid 1, en 13, B, sub b, van de richtlijn, voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is opdat een particulier zich daarop tegenover een lidstaat voor een nationale rechterlijke instantie kan beroepen.De derde vraag
34.
    Met de derde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de toepassing van een algemene vrijstelling van BTW voor de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, terwijl een dergelijke algemene vrijstelling niet in de Zesde richtlijn voorkomt, een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht oplevert waarvoor een lidstaat aansprakelijk kan worden gehouden.
35.
    Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof in antwoord op de tweede vraag heeft vastgesteld, dat het bepaalde in artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn, gelezen in samenhang met het bepaalde in de artikelen 2, 6, lid 1, en 13, B, sub b, aan particulieren rechten toekent die zij tegenover de betrokken lidstaat voor een nationale rechter kunnen doen gelden. Dat betekent, dat Lindöpark met terugwerkende kracht de vorderingen kan doen gelden die zij jegens de Zweedse Staat stelt te hebben, door zich rechtstreeks op de voor haar gunstige bepalingen van de Zesde richtlijn te beroepen. Een schadevordering op basis van de rechtspraak van het Hof inzake deaansprakelijkheid van lidstaten wegens schending van het gemeenschapsrecht schijnt op het eerste gezicht dus niet nodig.
36.
    Volgens eveneens vaste rechtspraak is bovendien het beginsel van aansprakelijkheid van de lidstaat voor schade die particulieren lijden als gevolg van aan die lidstaat toe te rekenen schendingen van het gemeenschapsrecht, inherent aan het systeem van het Verdrag (zie, met name, arresten van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C-46/93 en C-48/93, Jurispr. blz. I-1029, punt 31; 8 oktober 1996, Dillenkofer e.a., C-178/94, C-179/94, C-188/94-C-190/94, Jurispr. blz. I-4845, punt 20; 17 oktober 1996, Denkavit e.a., C-283/94, C-291/94 en C-292/94, Jurispr. blz. I-5063, punt 47, en 24 september 1998, Brinkmann, C-319/96, Jurispr. blz. I-5255, punt 24).
37.
    Eveneens heeft het Hof, de omstandigheden van de zaak in aanmerking nemende, geoordeeld dat het gemeenschapsrecht een recht op schadevergoeding toekent wanneer is voldaan aan drie voorwaarden, te weten dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending, en ten slotte dat er een direct causaal verband bestaat tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (de reeds aangehaalde arresten Brasserie du pêcheur en Factortame, punt 51; Dillenkofer e.a., punten 21 en 23; Denkavit e.a., punt 48, en Brinkmann, punt 25; zie eveneens arresten van 15 juni 1999, Rechberger e.a., C-140/97, Jurispr. blz. I-3499, punt 21, en 4 juli 2000, Haim, C-424/97, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 36).
38.
    Ofschoon het in beginsel aan de nationale rechter is om uit te maken, of de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de lidstaat wegens schending van het gemeenschapsrecht zijn vervuld, kan het Hof niettemin bepaalde omstandigheden nader preciseren waarmee de nationale rechter bij zijn beoordeling rekening kan houden. Inde zaak in het hoofdgeding vraagt de nationale rechter het Hof, onder welke voorwaarden sprake is van een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht.
39.
    Volgens de rechtspraak van het Hof is een schending voldoende gekwalificeerd, wanneer een lidstaat bij de uitoefening van zijn normatieve bevoegdheid de grenzen waarbinnen de uitoefening van die bevoegdheid dient te blijven, kennelijk en ernstig heeft miskend. Een van de elementen die in dit verband door de bevoegde rechterlijke instantie in de beschouwing kan worden betrokken, is de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel (arrest Rechberger e.a., reeds aangehaald, punt 50).
40.
    Zoals bij de beantwoording van de eerste en de tweede vraag is vastgesteld, blijkt uit de in geding zijnde bepalingen van de BTW-wet duidelijk, dat de algemene vrijstelling door de Zweedse wetgever geen grondslag vindt in de Zesde richtlijn en daarmee dus met ingang van de datum van toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Europese unie onverenigbaar met deze richtlijn is. Gezien de duidelijke bewoordingen van de bepalingen van de richtlijn, stond de betrokken lidstaat niet voor normatieve keuzes en had hij slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge. In die omstandigheden kan de enkele inbreuk op het gemeenschapsrecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststaan (zie arresten van 23 mei 1996, Hedley Lomas, C-5/94, Jurispr. blz. I-2553, punt 28, en Dillenkofer e.a., reeds aangehaald, punt 25). De omstandigheid dat de in geding zijnde nationale regeling per 1 januari 1997, dus twee jaar na die toetreding, werd ingetrokken, duidt er overigens op dat de Zweedse wetgever zich bewust was van deze onverenigbaarheid.
41.
    Het argument van de Zweedse Staat, dat de schending van het gemeenschapsrecht, zo daarvan sprake was, in ieder geval verontschuldigbaar was, omdat het Hof de toepasselijke bepalingen van de Zesde richtlijn nog niet had verduidelijkt en de Commissie nog geen niet-nakomingsprocedure had ingeleid, waardoor hij niet over een betrouwbare richtsnoer beschikte omtrent de strekking van het gemeenschapsrecht op dit punt, moet worden afgewezen. Immers, zoals de advocaat-generaal in de punten 73en 74 van zijn conclusie heeft uiteengezet, was er geen ruimte voor een redelijke twijfel over de strekking van de betrokken bepalingen, die de gestelde schending verontschuldigbaar kon maken.
42.
    Op de derde vraag moet dus worden geantwoord, dat de toepassing van een algemene vrijstelling van BTW voor de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, terwijl een dergelijke algemene vrijstelling niet voorkomt in artikel 13 van de Zesde richtlijn, een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht oplevert waarvoor de lidstaat aansprakelijk kan worden gehouden.Kosten
43.
    De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door Svea hovrätt bij beschikking van 26 maart 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)    De artikelen 13, A, lid 1, sub m, en 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatievan de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, staan in de weg aan een nationale wettelijke regeling die voorziet in een algemene vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, ook indien deze diensten door instellingen met winstoogmerk worden verleend.

2)    Het bepaalde in artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn (77/388), gelezen in samenhang met het bepaalde in de artikelen 2, 6, lid 1, en 13, B, sub b, van de richtlijn, is voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, opdat een particulier zich daarop tegenover een lidstaat voor een nationale rechterlijke instantie kan beroepen.

3)    De toepassing van een algemene vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de terbeschikkingstelling van ruimten en andere inrichtingen alsmede van bijkomende voorzieningen of andere installaties voor de beoefening van sport of voor lichamelijke opvoeding, terwijl een dergelijke algemene vrijstelling niet voorkomt in artikel 13 van de Zesde richtlijn (77/388), levert een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht op waarvoor de lidstaat aansprakelijk kan worden gehouden.

Edward
Jann

Sevón

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 januari 2001.

De griffier

De president van de Vijfde kamer

R. Grass

A. La Pergola

1: Procestaal: Zweeds.

ECLI:EU:C:2001:34