HvJ 18-03-2010 Erotic Center C-3/09

HvJ Erotic Center arrest

Het begrip verlenen van toegang tot een bioscoop in bijlage H, categorie 7, eerste alinea, bij de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de betaling door een consument om individueel een of meer films of nog filmfragmenten te kunnen bekijken in een afgesloten ruimte als de cabines in het hoofdgeding.

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

18 maart 2010 (*)

„Zesde btw-richtlijn – Artikel 12, lid 3, sub a – Bijlage H – Verlaagd btw-tarief – Begrip ‚verlenen van toegang tot bioscoop’ – Individuele cabine voor bekijken van films op verzoek”

In zaak C‑3/09,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Hof van Beroep te Gent (België) bij beslissing van 23 december 2008, ingekomen bij het Hof op 8 januari 2009, in de procedure

Erotic Center BVBA

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: C. Toader, kamerpresident, K. Schiemann (rapporteur) en P. Kūris, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 januari 2010,

gelet op de opmerkingen van:

–        Erotic Center BVBA, vertegenwoordigd door J. van Besien, advocaat,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en W. Roels als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het begrip „bioscoop” in bijlage H, categorie 7, bij de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/4/EG van de Raad van 19 januari 2001 (PB L 22, blz. 17; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Erotic Center BVBA (hierna: „E. Center”) en de Belgische Staat over de al dan niet toepassing van een verlaagd tarief van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) over de door E. Center ontvangen bedragen voor het gebruik van individuele cabines voor het bekijken van films in de lokalen van deze vennootschap.

Toepasselijke bepalingen

Unieregeling

3        Artikel 12, lid 3, sub a, van de Zesde richtlijn bepaalt:

„Het normale tarief van de [btw] wordt door elke lidstaat vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing, dat voor leveringen van goederen en voor diensten gelijk is. […] […]

De lidstaten kunnen bovendien een of twee verlaagde tarieven toepassen. Deze tarieven worden vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing dat niet lager mag zijn dan 5 % en zijn uitsluitend van toepassing op de in bijlage H genoemde categorieën goederen en diensten.”

4        Bijlage H bij de Zesde richtlijn, met als titel „Lijst van de leveringen van goederen en de diensten waarop verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast”, noemt verschillende categorieën. Categorie 7 van deze bijlage luidt als volgt:

„Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen.

Ontvangst van radio‑ en televisie-uitzendingen.”

Nationale regeling

5        Artikel 1, 1°, van Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven (hierna: „koninklijk besluit nr. 20”) bepaalt dat de btw wordt geheven tegen het verlaagde tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.

6        Rubriek XXVIII van deze tabel A noemt de volgende diensten:

„De toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken, met uitzondering van:

a)      de toekenning van het recht gebruik te maken van automatische ontspanningstoestellen;

b)      de terbeschikkingstelling van roerende goederen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

7        Op 15 september 2004 verrichtte de belastingdienst bij E. Center een controle met betrekking tot de toepassing van de btw-regeling in de periode van 1 januari tot 30 juni 2004. Na deze controle stelde deze dienst op 9 november 2004 een proces‑verbaal op waarbij aan E. Center een naheffingsaanslag werd opgelegd op grond dat deze laatste ten onrechte het verlaagde btw-tarief van 6 % in plaats van het algemene tarief van 21 % over de ontvangsten voor de terbeschikkingstelling van cabines voor het bekijken van films had toegepast. E. Center zijn dus 48 454,36 EUR aan beweerdelijk ontdoken btw en 4 840 EUR als geldboete opgelegd.

8        Nadat haar op 24 december 2004 een dwangbevel tot betaling van deze bedragen was betekend, diende E. Center op 22 maart 2005 bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge een vordering in tot nietigverklaring van dit dwangbevel. Nadat deze vordering bij vonnis van 10 september 2007 was afgewezen, stelde E. Center tegen de beslissing hoger beroep in bij het Hof van Beroep te Gent.

9        Voor deze rechterlijke instantie voert E. Center aan dat de betrokken cabines voor het bekijken van films onder de categorie „inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak” in de zin van rubriek XXVIII van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20 vallen, aangezien deze cabines met name als een „bioscoop” in de zin van categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn moeten worden beschouwd, zoals de Nederlandse rechters overigens reeds hebben geoordeeld. Volgens E. Center kunnen bij deze kwalificatie inzonderheid het aantal zitplaatsen, de aard van de vertoonde films of de techniek van de filmvertoning geen rol spelen.

10      De Belgische regering is van mening dat de diensten in deze cabines beantwoorden aan het begrip „automatische ontspanningstoestellen” in de zin van voormelde rubriek XXVIII, daar het starten van de films gebeurt met een geldinworp in een toestel waarbij van de ene naar de andere film kan worden overgeschakeld. Volgens de Belgische regering kunnen deze cabines voorts niet als een „bioscoop” worden gekwalificeerd aangezien zij geen ruimte zijn waarin een groep mensen samen naar één en dezelfde film kan kijken die wordt gestart buiten toedoen van de toeschouwers die op voorhand een recht van toegang hebben betaald.

11      Volgens de verwijzende rechter heeft de Belgische wetgever met de vaststelling van rubriek XXVIII van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20 gebruikgemaakt van de bij artikel 12, lid 3, sub a, van de Zesde richtlijn juncto bijlage H, categorie 7, geboden mogelijkheid zodat deze rubriek XXVIII met name bioscopen in de zin van deze categorie 7 dekt. De noodzaak om de nationale regeling in overeenstemming met de Zesde richtlijn en de daaraan eigen uniforme begrippen uit te leggen, brengt volgens de verwijzende rechter mee dat de betrokken cabines, indien zij als bioscopen in de zin van deze richtlijn moeten worden beschouwd, niet meer als automatische ontspanningstoestellen in de zin van voormelde rubriek XXVIII zullen kunnen worden gekwalificeerd en het verlaagde tarief van 6 % erop van toepassing zal zijn.

12      Daarop heeft het Hof van Beroep te Gent de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet een cabine die bestaat uit een afsluitbare ruimte waar plaats is voor slechts 1 persoon en waarin deze persoon op een televisiescherm films kan bekijken tegen betaling waarbij deze persoon de filmprojectie zelf op gang brengt door middel van een geldinworp en keuze heeft uit verschillende films en tijdens de betaalde tijd de keuze van de geprojecteerde film voortdurend kan wijzigen, beschouwd worden als een ‚bioscoop’ zoals bedoeld in de [Zesde richtlijn], bijlage H, categorie 7 […]?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

13      Zoals blijkt uit de bewoordingen ervan, betreft bijlage H, categorie 7, eerste alinea, van de Zesde richtlijn het „verlenen van toegang” tot verschillende daarin genoemde evenementen en voorzieningen op het gebied van cultuur en vermaak (zie arrest van 23 oktober 2003, Commissie/Duitsland, C‑109/02, Jurispr. blz. I‑12691, punt 25), waaronder met name „bioscopen”.

14      Aangezien de Zesde richtlijn het in voormelde bijlage H, categorie 7, bedoelde begrip verlenen van toegang tot bioscopen niet definieert, dient dit begrip te worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context waarin het in de Zesde richtlijn wordt gebruikt (zie in die zin arrest van 18 januari 2001, Commissie/Spanje, C‑83/99, Jurispr. blz. I‑445, punt 17).

15      Dienaangaande, en zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, volgt uit artikel 12, lid 3, sub a, van de Zesde richtlijn dat de toepassing van een of twee verlaagde btw-tarieven een aan de lidstaten toegekende mogelijkheid is in afwijking van het beginsel volgens hetwelk het normale tarief van toepassing is. Bovendien kunnen de verlaagde btw-tarieven ingevolge deze bepaling uitsluitend op de in bijlage H genoemde categorieën goederen en diensten worden toegepast. Volgens vaste rechtspraak moeten bepalingen die een afwijking vormen op een beginsel, strikt worden uitgelegd (zie met name arrest Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punten 18 en 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

16      Daaruit volgt met name dat het begrip verlenen van toegang tot een bioscoop volgens de gebruikelijke betekenis van deze woorden moet worden uitgelegd (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Commissie/Spanje, punt 20, en Commissie/Duitsland, punt 23).

17      Zoals de Belgische regering en de Europese Commissie hebben benadrukt, dient voorts te worden opgemerkt dat de verschillende in bijlage H, categorie 7, eerste alinea, bij de Zesde richtlijn genoemde evenementen en voorzieningen met name als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze voor het publiek toegankelijk zijn tegen voorafgaande betaling van een toegangsrecht, zodat al wie dit toegangsrecht betaalt, het recht krijgt gezamenlijk gebruik te maken van de voor deze evenementen of voorzieningen kenmerkende culturele diensten en ontspanning.

18      Uit het voorgaande vloeit voort dat het begrip verlenen van toegang tot een bioscoop in de zin van bijlage H, categorie 7, eerste alinea, bij de Zesde richtlijn, gelet op de gebruikelijke betekenis van deze woorden en op de aan deze bepaling eigen context waarin zij worden gebruikt, niet aldus kan worden uitgelegd dat het betrekking heeft op de betaling door een consument om individueel een of meer films of nog filmfragmenten te kunnen bekijken in een afgesloten ruimte als de cabines in het hoofdgeding.

19      Op de prejudiciële vraag dient dus te worden geantwoord dat het begrip verlenen van toegang tot een bioscoop in bijlage H, categorie 7, eerste alinea, bij de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de betaling door een consument om individueel een of meer films of nog filmfragmenten te kunnen bekijken in een afgesloten ruimte als de cabines in het hoofdgeding.

Kosten

20      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Het begrip verlenen van toegang tot een bioscoop in bijlage H, categorie 7, eerste alinea, bij de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/4/EG van de Raad van 19 januari 2001, moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de betaling door een consument om individueel een of meer films of nog filmfragmenten te kunnen bekijken in een afgesloten ruimte als de cabines in het hoofdgeding.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.

ECLI:EU:C:2010:149