HvJ 19-04-2007 Velvet & Steel Immobilien C-455/05

HvJ Velvet & Steel Immobilien arrest

Het begrip „aangaan van […] verbintenissen” in artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat andere dan financiële verbintenissen, zoals de verbintenis tot renovatie van een onroerend goed, van de werkingssfeer van deze bepaling zijn uitgesloten.

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

19 april 2007 (*)

„Zesde btw-richtlijn – Vrijstellingen – Artikel 13, B, sub d, punt 2 – Begrip ‚aangaan van verbintenissen’ – Aangaan van verbintenis tot renovatie van onroerend goed – Weigering van vrijstelling”

In zaak C‑455/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissing van 1 december 2005, ingekomen bij het Hof op 23 december 2005, in de procedure

Velvet & Steel Immobilien und Handels GmbH

tegen

Finanzamt Hamburg-Eimsbüttel,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues, U. Lõhmus (rapporteur), A. Ó Caoimh en P. Lindh, rechters,

advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en U. Forsthoff als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Georgiadis en Z. Chatzipavlou als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en J.‑C. Gracia als gemachtigden,

–        Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, bijgestaan door G. Clohessy, SC, en C. Ramsay, BL,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato,

–        de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door D. Ergatoudi als gemachtigde,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door T. Harris en T. Ward als gemachtigden,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou als gemachtigde,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Velvet & Steel Immobilien und Handels GmbH (hierna: „Velvet & Steel”) en het Finanzamt Hamburg-Eimsbüttel (hierna: „Finanzamt”) inzake de onderwerping aan de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) van de door Velvet & Steel aangegane verbintenis tot renovatie van een gebouw.

Rechtskader

Gemeenschapsrecht

3        Artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn bepaalt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[…]

d)      de volgende handelingen:

[…]

2.       het bemiddelen bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend.”

Nationaal recht

4        Volgens § 1, lid 1, sub 1, van de wet betreffende de omzetbelasting (Umsatzsteuergesetz; hierna: „UStG”), in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie ervan, zijn de leveringen en andere prestaties die een ondernemer in het kader van zijn bedrijf onder bezwarende titel in het binnenland verricht, onderworpen aan de omzetbelasting.

5        Ingevolge § 4, punt 8, sub g, UStG zijn de volgende onder § 1, lid 1, sub 1 tot en met 3, vallende handelingen vrijgesteld van belasting:

„het aangaan van verbintenissen, borgtochten en andere zekerheden, alsook het bemiddelen bij deze handelingen”.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6        Burmeister Immobilien GmbH (hierna: „Burmeister”) heeft in september 1998 een perceel grond verkocht waarop een verhuurde meergezinswoning was gebouwd. Twee particulieren hebben in juli 1999 een soortgelijke verkoop verricht. In de twee betrokken koopovereenkomsten zijn de verkopers de verbintenis aangegaan om de nodige renovaties aan de betrokken gebouwen te verrichten. De twee particulieren bleven tevens verantwoordelijk voor de terugbetaling van een huurwaarborg.

7        Na deze verkooptransacties hebben de verkopers respectievelijk op 25 september 1998 en 12 juli 1999 met Velvet & Steel overeenkomsten gesloten, getiteld „Afstand van een gedeelte van de verkoopprijs tegen de overname van verplichtingen”.

8        Met deze overeenkomsten heeft Velvet & Steel de door de verkopers aangegane verbintenissen tot renovatie van de gebouwen alsook de huurwaarborg overgenomen in ruil voor een gedeelte van de verkoopprijs van deze gebouwen, te weten 200 000 DEM in het kader van de met Burmeister gesloten overeenkomst en 250 000 DEM in het kader van de met de particulieren gesloten overeenkomst. Volgens deze overeenkomsten heeft Velvet & Steel er zich toe verbonden, de verkopers in te dekken tegen alle kosten en vorderingen van de verkrijgers van de gebouwen met betrekking tot de renovatiewerkzaamheden en de huurwaarborg.

9        Nadien zijn de twee kopers van de gebouwen ermee akkoord gegaan om in ruil voor een deel van de fractie van de verkoopprijs die aan Velvet & Steel was afgestaan, deze laatste van haar verplichtingen vrij te stellen. De uit deze handeling voortvloeiende nettowinst, te weten 11 000 DEM en 13 750 DEM voor de respectievelijk met Burmeister en de betrokken particulieren gesloten overeenkomsten, mocht Velvet & Steel houden als „compensatie of globale vergoeding/afkoopsom voor eventuele gederfde winst”. Velvet & Steel heeft deze winst opgenomen in zijn btw-aangifte.

10      Na een inspectie heeft het Finanzamt geoordeeld dat de overname van de renovatieverplichting door Velvet & Steel een noodzakelijkerwijs aan de btw onderworpen handeling vormde overeenkomstig § 1, lid 1, punt 1, eerste volzin, UStG. Deze laatste heeft bezwaar ingediend tegen de door het Finanzamt vastgestelde aanslag. Het Finanzamt heeft dit bezwaar op 10 juni 2003 afgewezen.

11      Op 14 juli 2003 is Velvet & Steel tegen deze beslissing opgekomen voor het Finanzgericht Hamburg. Op basis van het argument dat geen van de twee door haar aangegane verbintenissen waren uitgevoerd, heeft zij voor deze rechterlijke instantie betoogd dat de betrokken transacties moesten worden gekwalificeerd als „het aangaan van verbintenissen” in de zin van § 4, punt 8, sub g, UStG, waarmee artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn is omgezet in het nationale recht. Het Finanzamt heeft daarentegen aangevoerd dat de ingeroepen gemeenschapsrechtelijke bepaling enkel betrekking heeft op het aangaan van financiële verbintenissen, terwijl het aangaan van een verbintenis tot renovatie van een gebouw tot de categorie van de dienstverrichtingen behoort.

12      De verwijzende rechterlijke instantie wenst te vernemen of de overname van de verplichting tot renovatie van onroerende goederen een krachtens § 4, punt 8, sub g, UStG, van de omzetbelasting vrijgestelde handeling vormt. Zij is van oordeel dat de bewoordingen van dit artikel elke beperking van de vrijstelling tot financiële verplichtingen uitsluiten. Zij betwijfelt evenwel of deze uitlegging in overeenstemming is met artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn omdat de Engelse taalversie van deze bepaling van de Zesde richtlijn, anders dan de Duitse en de Franse taalversie, niet gewaagt van het aangaan van verbintenissen in het algemeen, maar enkel van bijzondere vormen van garanties of zekerheden. In die omstandigheden heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Dient het begrip ‚aangaan van […] verbintenissen’ in artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn […] aldus te worden uitgelegd dat daaronder alleen financiële verbintenissen moeten worden verstaan, of omvat deze bepaling ook het aangaan van andere verbintenissen, zoals verbintenissen tot het verrichten van diensten?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

13      Met haar prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of het begrip „aangaan van […] verbintenissen” in artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat andere dan financiële verbintenissen, zoals de verbintenis tot renovatie van een onroerend goed, van de werkingssfeer van deze bepaling zijn uitgesloten.

14      Vooraf zij eraan herinnerd dat de bewoordingen waarin de in artikel 13 van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd, daar deze vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie onder meer arresten van 3 maart 2005, Arthur Andersen, C‑472/03, Jurispr. blz. I‑1719, punt 24; 9 februari 2006, Stichting Kinderopvang Enschede, C‑415/04, Jurispr. blz. I‑1385, punt 13, en 13 juli 2006, United Utilities, C‑89/05, Jurispr. blz. I‑6813, punt 21).

15      Het is eveneens vaste rechtspraak dat deze vrijstellingen autonome begrippen van gemeenschapsrecht zijn die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (arresten van 20 november 2003, Taksatorringen, C‑8/01, Jurispr. blz. I‑13711, punt 37, en 1 december 2005, Ygeia, C‑394/04 en C‑395/04, Jurispr. blz. I‑10373, punt 15).

16      Derhalve moeten de gemeenschapsbepalingen uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Gemeenschap (zie arresten van 7 december 1995, Rockfon, C‑449/93, Jurispr. blz. I‑4291, punt 28, en 8 december 2005, Jyske Finans, C‑280/04, Jurispr. blz. I‑10683, punt 31).

17      In dit verband moet worden vastgesteld dat de Zesde richtlijn geen definitie bevat van het in artikel 13, B, sub d, punt 2, van deze richtlijn opgenomen begrip „aangaan van […] verbintenissen”.

18      Bij vergelijking van de verschillende taalversies van deze bepaling van de Zesde richtlijn blijkt dat er terminologische verschillen met betrekking tot het begrip „aangaan van […] verbintenissen” bestaan. In sommige taalversies, zoals de Duitse, de Franse en de Italiaanse, heeft deze uitdrukking een algemene betekenis, terwijl andere taalversies, zoals de Engelse en de Spaanse, duidelijk refereren aan financiële verbintenissen.

19      Volgens vaste rechtspraak kan de in een van de taalversies van een gemeenschapsbepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen; evenmin kan er in zoverre voorrang aan worden toegekend boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht (zie arrest van 12 november 1998, Institute of the Motor Industry, C‑149/97, Jurispr. blz. I‑7053, punt 16).

20      Gezien de taalkundige verschillen kan de betekenis van de betrokken uitdrukking niet worden vastgesteld op basis van een letterlijke uitlegging alleen. Derhalve moet deze uitdrukking worden uitgelegd op basis van de context waarin zij wordt gebruikt, alsook van de doelstellingen en de opzet van de Zesde richtlijn (zie in die zin arresten van 5 juni 1997, SDC, C‑2/95, Jurispr. blz. I‑3017, punt 22, en 3 maart 2005, Fonden Marselisborg Lystbådehavn, C‑428/02, Jurispr. blz. I‑1527, punt 42, en arrest Jyske Finans, reeds aangehaald, punt 31).

21      Met betrekking tot de context waarin deze uitdrukking wordt gebruikt, zij erop gewezen dat de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn niet alleen betrekking heeft op het aangaan van verbintenissen, maar ook op het bemiddelen bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen, alsook op het beheer van kredietgaranties. Vaststaat dat al deze handelingen naar hun aard financiële diensten zijn.

22      Dezelfde conclusie geldt voor de andere handelingen die in de punten 1 en 3 tot en met 6 van artikel 13, B, sub d, van de Zesde richtlijn zijn vermeld. Aldus betreft punt 1 kredieten, punt 3 deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren, punt 4 betaalmiddelen, punt 5 aandelen en andere waardepapieren, en punt 6 het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Hoewel deze handelingen, die op basis van de aard van de geleverde diensten worden gedefinieerd, niet noodzakelijkerwijs door banken of financiële instellingen hoeven te worden verricht (zie in die zin arrest SDC, reeds aangehaald, punt 32; arresten van 26 juni 2003, MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring, C‑305/01, Jurispr. blz. I‑6729, punt 64, en 4 mei 2006, Abbey National, C‑169/04, Jurispr. blz. I‑4027, punt 66), behoren zij niettemin alle tot de categorie van financiële transacties.

23      In casu is het aangaan van de verbintenis tot renovatie van een gebouw naar zijn aard geen financiële verrichting in de zin van artikel 13, B, sub d, van de Zesde richtlijn en valt deze handeling dus niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling.

24      Deze uitlegging vindt overigens steun in het doel van de vrijstelling van financiële verrichtingen, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, namelijk het verhelpen van de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag en het bedrag van de aftrekbare btw en het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van het consumentenkrediet. Aangezien de onderwerping van een verbintenis tot renovatie van een gebouw aan de btw niet dergelijke moeilijkheden doet rijzen, komt het aangaan van een dergelijke verbintenis niet voor vrijstelling in aanmerking.

25      Derhalve kunnen noch de formulering, noch de context, noch het doel van artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn tot de conclusie leiden dat de gemeenschapswetgever de bedoeling had, het aangaan van verbintenissen van niet-financiële aard vrij te stellen van btw. Bijgevolg is het aangaan van dergelijke verbintenissen onderworpen aan btw.

26      Bijgevolg dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat het begrip „aangaan van […] verbintenissen” in artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat andere dan financiële verbintenissen, zoals de verbintenis tot renovatie van een onroerend goed, van de werkingssfeer van deze bepaling zijn uitgesloten.

Kosten

27      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

Het begrip „aangaan van […] verbintenissen” in artikel 13, B, sub d, punt 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat andere dan financiële verbintenissen, zoals de verbintenis tot renovatie van een onroerend goed, van de werkingssfeer van deze bepaling zijn uitgesloten.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.

ECLI:EU:C:2007:232

Geplaatst in Arresten en getagd met , , .