HvJ 20-05-1976 Mazzalai 111/75

HvJ Mazzalai/Ferrovia del Renon arrest

Art. 6 lid 4 Tweede Richtlijn kan niet aldus worden uitgelegd, dat het tijdstip waarop de dienst wordt verricht, mag worden gelijkgesteld met het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het ontvangen van een vooruitbetaling wanneer deze handelingen plaatsvinden na de voltooiing van de dienst.

ARREST VAN HET HOF VAN 20 MEI 1976

IMPRESA COSTRUZIONI COMM. QUIRINO MAZZALAI TEGEN FERROVIA DEL RENON. – (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET TRIBUNALE TE TRENTE).

ZAAK NO. 111/75.

Trefwoorden

1 . PREJUDICIELE VRAGEN – BEVOEGDHEDEN VAN HET HOF – GRENZEN

( EEG-VERDRAG , ARTIKEL 177 )

2 . BELASTINGHEFFING – WETGEVING DER LID-STATEN – HARMONISATIE – OMZETBELASTING – BTW – BELASTBAAR FEIT – REALISATIE – OGENBLIK

( TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 . 4 . 1967 , ARTIKEL 6 PAR 4 INZAKE HARMONISATIE VAN WETGEVINGEN )

Samenvatting


1 . VOLGENS ARTIKEL 177 IS HET HOF BEVOEGD BIJ WIJZE VAN PREJUDICIELE BESLISSING UITSPRAAK TE DOEN OVER DE UITLEGGING VAN DOOR DE INSTELLINGEN VAN DE GEMEENSCHAP VERRICHTE HANDELINGEN , ONGEACHT OF DEZE DIRECTE WERKING HEBBEN OF NIET .

HET IS NIET DE TAAK VAN HET HOF TE OORDELEN OVER DE RELEVANTIE VAN DE KRACHTENS ARTIKEL 177 GESTELDE VRAGEN , AANGEZIEN DIT ARTIKEL OP EEN DUIDELIJKE SCHEIDING VAN BEVOEGDHEDEN IS GEBASEERD EN AAN DE NATIONALE RECHTER DE BESLISSING OVERLAAT OF TER BESLECHTING VAN VOOR HEM AANHANGIGE GESCHILLEN GEBRUIK MOET WORDEN GEMAAKT VAN DE PREJUDICIELE PROCEDURE .

2 . ARTIKEL 6 , LID 4 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 KAN NIET ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT HET TIJDSTIP WAAROP DE DIENST WORDT VERRICHT , MAG WORDEN GELIJKGESTELD MET HET TIJDSTIP VAN HET UITREIKEN VAN DE FACTUUR OF HET ONTVANGEN VAN EEN VOORUITBETALING WANNEER DEZE HANDELINGEN PLAATSVINDEN NA DE VOLTOOIING VAN DE DIENST .

Partijen


IN DE ZAAK 111-75 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN HET TRIBUNALE TE TRENTE , IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

IMPRESA COSTRUZIONI COMM . QUIRINO MAZZALAI

EN

FERROVIA DEL RENON

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 6 , LID 4 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING – STRUCTUUR EN WIJZE VAN TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE ( 67/228/EEG ; PB 1967 , BLZ . 1303 ),

Overwegingen van het arrest


1 OVERWEGENDE DAT HET TRIBUNALE TE TRENTE BIJ BESCHIKKING VAN 30 JUNI 1975 , INGESCHREVEN TER GRIFFIE VAN HET HOF OP 24 OKTOBER DAAROPVOLGEND , HET HOF VAN JUSTITIE HEEFT VERZOCHT BIJ WIJZE VAN PREJUDICIELE BESLISSING UITSPRAAK TE DOEN OVER DE VRAAG OF ‘ ‘ ARTIKEL 6 , LID 4 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 ( PB 1967 , BLZ . 1363 ) ‘ ‘ ALDUS MOET WORDEN UITGELEGD , DAT ‘ ‘ BIJ HET VERRICHTEN VAN DIENSTEN EN IN HET BIJZONDER BIJ AANNEMINGSOVEREENKOMSTEN HET BELASTBARE FEIT PLAATSVINDT OP HET MOMENT WAAROP DE DIENST WORDT VERRICHT , DOCH DAT DE AFZONDERLIJKE LID-STATEN ALS ZODANIG KUNNEN AANWIJZEN HET MOMENT WAAROP EEN FACTUUR WORDT UITGEREIKT OF EEN VOORUITBETALING WORDT ONTVANGEN , OM HET EVEN OF DIE UITREIKING OF ONTVANGST VOOR DE VOLTOOIING VAN HET WERK DAN WEL – ZOALS IN CASU – NA DE VOLTOOIING ERVAN PLAATSVINDT ‘ ‘ ;

2 OVERWEGENDE DAT DE VRAAG IS GESTELD IN EEN GESCHIL OVER HETGEEN HETZIJ ALS OMZETBELASTING , HETZIJ ALS BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE VERSCHULDIGD WAS OVER DE IN 1973 DOOR FERROVIA DEL RENON , VERZOEKSTER IN HET HOOFDGEDING , GEDANE AFBETALING VOOR DE IN 1967 VOLTOOIDE WERKZAAMHEDEN IN VERBAND MET DE BOUW VAN DE KABELBAAN BOLZANO-SOPRA BOLZANO ;

3 DAT VERZOEKSTER IN HET HOOFDGEDING , NA OVEREENKOMSTIG DE OP 1 JANUARI 1973 IN WERKING GETREDEN NATIONALE WETTELIJKE REGELING OVER DE ONTVANGEN SOM 12 % BTW TE HEBBEN BETAALD , VERWEERSTER IN HET HOOFDGEDING HEEFT VERZOCHT OM TERUGBETALING VAN HET BTW-BEDRAG , MAAR KREEG TEGENGEWORPEN DAT , AANGEZIEN DE WERKZAAMHEDEN REEDS IN 1967 WAREN VOLTOOID , ALLEEEN DE OMZETBELASTING VOLGENS HET DESTIJDS GELDENDE TARIEF VAN 4 % MOEST WORDEN BETAALD ;

4 OVERWEGENDE DAT DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE IN OVEREENSTEMMING MET DE COMMUNAUTAIRE RICHTLIJNEN PER 1 JANUARI 1973 IN ITALIE IS INGEVOERD KRACHTENS DELEGATIEWET NR . 825 VAN 9 OKTOBER 1971 ( GURI NR . 263 VAN 16 . 10 . 1971 ) EN HET OVEREENKOMSTIGE PRESIDENTIELE DECREET NR . 633 VAN 26 . 10 . 1972 ( GURI NR . 292 VAN 11 . 11 . 1972 );

5 DAT , OFSCHOON VOLGENS ARTIKEL 76 VAN DIT DECREET DE BELASTING VAN TOEPASSING IS OP LEVERINGEN VAN GOEDEREN EN OP DIENSTVERRICHTINGEN ( WAARONDER OOK DE UIT EEN AANNEMINGSCONTRACT VOORTVLOEIENDE WERKZAAMHEDEN ) DIE NA 31 DECEMBER 1972 PLAATSVINDEN , DIENSTVERRICHTINGEN INGEVOLGE ARTIKEL 6 , DERDE ALINEA , WORDEN GEACHT TE ZIJN UITGEVOERD OP HET TIJDSTIP VAN BETALING VAN DE VERGOEDING ;

6 OVERWEGENDE DAT DE ITALIAANSE REGERING IN DE LOOP VAN DE PROCEDURE ZOWEL DE RELEVANTIE VAN DE VRAAG VOOR DE BESLISSING VAN HET HOOFDGEDING ALS DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF IN TWIJFEL HEEFT GETROKKEN , MET NAME OMDAT ENERZIJDS DE GEMEENSCHAPSNORM , IN CASU DE TWEEDE RICHTLIJN , NIET RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK ZOU ZIJN EN DUS GEEN DIRECTE WERKING ZOU HEBBEN , EN ANDERZIJDS HET GESCHIL VOORAL BETREKKING ZOU HEBBEN OP PROBLEMEN VAN OVERGANGSRECHT , WAAROVER DE GEMEENSCHAPSNORM ZWIJGT EN DIE UITSLUITEND MET BEHULP VAN HET NATIONALE RECHT KUNNEN WORDEN OPGELOST ;

7 OVERWEGENDE DAT HET HOF VOLGENS ARTIKEL 177 BEVOEGD IS BIJ WIJZE VAN PREJUDICIELE BESLISSING UITSPRAAK TE DOEN OVER DE UITLEGGING VAN DOOR DE INSTELLINGEN VAN DE GEMEENSCHAP VERRICHTE HANDELINGEN , ONGEACHT OF DEZE DIRECTE WERKING HEBBEN OF NIET ;

8 DAT DE GESTELDE VRAAG UITSLUITEND BETREKKING HEEFT OP DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 6 , LID 4 , VAN DE RICHTLIJN EN HET HOF MITSDIEN BEVOEGD IS ;

9 DAT HET BOVENDIEN NIET DE TAAK VAN HET HOF IS TE OORDELEN OVER DE RELEVANTIE VAN DE KRACHTENS ARTIKEL 177 GESTELDE VRAGEN , AANGEZIEN DIT ARTIKEL OP EEN DUIDELIJKE SCHEIDING VAN BEVOEGDHEDEN IS GEBASEERD EN AAN DE NATIONALE RECHTER DE BESLISSING OVERLAAT OF TER BESLECHTING VAN VOOR HEM AANHANGIGE GESCHILLEN GEBRUIK MOET WORDEN GEMAAKT VAN DE PREJUDICIELE PROCEDURE ;

10 DAT TROUWENS , ONAFHANKELIJK VAN DE WERKING VAN DE RICHTLIJN , IN GEVALLEN ALS DE ONDERHAVIGE UITLEGGING ERVAN NUTTIG KAN ZIJN VOOR DE NATIONALE RECHTER TEN EINDE TE VERZEKEREN DAT DE WET WELKE TER UITVOERING DEZER RICHTLIJN IS VASTGESTELD , WORDT TOEGEPAST OP EEN WIJZE DIE ZICH MET DE EISEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT VERDRAAGT ;

11 DAT HETZELFDE ZOU KUNNEN GELDEN MET BETREKKING TOT DE IN DIT GESCHIL OPGEWORPEN PROBLEMEN VAN OVERGANGSRECHT ;

12 OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE GESTELDE VRAAG , DAT VOLGENS ARTIKEL 6 , LID 4 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE DE OMZETBELASTING – STRUCTUUR EN WIJZE VAN TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE – ‘ ‘ HET BELASTBARE FEIT PLAATSVINDT OP HET TIJDSTIP WAAROP DE DIENST WORDT VERRICHT . TEN AANZIEN VAN DIENSTEN WELKE GEDURENDE EEN ONBEPAALDE TIJD WORDEN VERRICHT , EEN ZEKERE TIJDSDUUR OVERSCHRIJDEN OF WAARVOOR VOORUITBETALINGEN WORDEN GEDAAN , KAN EVENWEL WORDEN BEPAALD DAT HET BELASTBARE FEIT REEDS PLAATSVINDT OP HET TIJDSTIP VAN HET UITREIKEN VAN DE FACTUUR OF UITERLIJK OP HET TIJDSTIP VAN HET ONTVANGEN VAN DE VOORUITBETALINGEN , ZULKS TEN BELOPE VAN HET GEFACTUREERDE OF HET ONTVANGEN BEDRAG ‘ ‘ ;

13 DAT IN DE EERSTE ZIN VAN HET ARTIKELLID DE ALGEMENE REGEL WORDT GESTELD , TERWIJL DE TWEEDE ZIN DE MOGELIJKHEID BIEDT IN BEPAALDE GEVALLEN VAN DEZE REGEL AF TE WIJKEN ;

14 DAT DEZE AFWIJKINGEN EVENWEL SLECHTS BETREKKING HEBBEN OP GEVALLEN WAARIN VOORUITBETALINGEN ZIJN GEDAAN VOORDAT DE DIENST OF DE DIENSTEN VOLLEDIG ZIJN VERRICHT , EN DERHALVE SLECHTS HET MOMENT VERVROEGEN WAAROP VOLGENS DE EERSTE ZIN BELASTING VERSCHULDIGD IS ;

15 DAT DAARENTEGEN HET BETROKKEN ARTIKELLID GEENSZINS DE MOGELIJKHEID NOEMT DIT MOMENT UIT TE STELLEN TOT NA DE VOLLEDIGE VERRICHTING VAN DE DIENST OF DE DIENSTEN ;

16 DAT DERHALVE NATIONALE BEPALINGEN DIE HET TIJDSTIP WAAROP DE DIENST WORDT VERRICHT , LATEN SAMENVALLEN MET HET TIJDSTIP WAAROP DE VERGOEDING WORDT BETAALD , HET DOOR HET GENOEMDE ARTIKELLID BEOOGDE KADER TE BUITEN GAAN ;

17 OVERWEGENDE DAT DUS MOET WORDEN GEANTWOORD DAT ARTIKEL 6 , LID 4 , VAN DE RICHTLIJN NIET ALDUS KAN WORDEN UITGELEGD , DAT HET TIJDSTIP WAAROP DE DIENST WORDT VERRICHT , MAG WORDEN GELIJKGESTELD MET HET TIJDSTIP VAN HET UITREIKEN VAN DE FACTUUR OF HET ONTVANGEN VAN EEN VOORUITBETALING WANNEER DEZE HANDELINGEN PLAATSVINDEN NA DE VOLTOOIING VAN DE DIENST ;

Beslissing inzake de kosten


TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN

18 OVERWEGENDE DAT DE KOSTEN DOOR DE REGERING VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK EN DE COMMISSIE DER EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KUNNEN KOMEN ;

DAT DE PROCEDURE TEN AANZIEN VAN PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING ALS EEN VOOR DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE GEREZEN INCIDENT IS TE BESCHOUWEN , ZODAT DEZE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN ;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ,

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR HET TRIBUNALE TE TRENTE BIJ BESCHIKKING VAN 30 JUNI 1975 GESTELDE VRAAG , VERKLAART VOOR RECHT :

ARTIKEL 6 , LID 4 , VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE DE OMZETBELASTING KAN NIET ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT HET TIJDSTIP WAAROP DE DIENST WORDT VERRICHT , MAG WORDEN GELIJKGESTELD MET HET TIJDSTIP VAN HET UITREIKEN VAN DE FACTUUR OF HET ONTVANGEN VAN EEN VOORUITBETALING WANNEER DEZE HANDELINGEN PLAATSVINDEN NA DE VOLTOOIING VAN DE DIENST .

ECLI:EU:C:1976:68

Geplaatst in Arresten en getagd met , , , , , , , , , , , , .