HvJ 20-06-1996 Wellcome Trust C-155/94

HvJ Wellcome Trust arrest

Het begrip economische activiteiten in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat het niet een activiteit omvat zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, en die bestaat in de aankoop en verkoop van aandelen en andere effecten door een trustee in het kader van het beheer van het vermogen van een charitatieve trust.

Arrest van het Hof (Vijfde kamer)

van 20 juni 1996

Wellcome Trust Ltd tegen Commissioners of Customs and Excise. – Verzoek om een prejudiciële beslissing: Value Added Tax Tribunal, London – Verenigd Koninkrijk. – Zesde BTW-richtlijn – Begrip economische activiteit. – Zaak C-155/94.

Trefwoorden


++++

Fiscale bepalingen ° Harmonisatie van wetgevingen ° Omzetbelasting ° Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde ° Economische activiteiten in de zin van artikel 4 van Zesde richtlijn ° Koop en verkoop van effecten in kader van beheer van caritatieve trust ° Daarvan uitgesloten

(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 4, lid 2)

Samenvatting


Het begrip economische activiteiten in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet een activiteit omvat die bestaat in de aankoop en verkoop van aandelen en andere effecten door een trustee in het kader van het beheer van het vermogen van een caritatieve trust.

De omstandigheid dat een dergelijke trust niet de hoedanigheid van effectenmakelaar heeft, sluit niet noodzakelijk uit, dat een activiteit zoals die welke thans aan de orde is, eventueel kan worden aangemerkt als economische activiteit, nu artikel 4 aan de BTW een zeer ruim toepassingsgebied toekent. Als economische activiteit kan evenwel niet worden aangemerkt, de loutere uitoefening van het eigendomsrecht, die bestaat in de verwerving of verkoop van financiële participaties in andere ondernemingen door een trust die zich, zoals een particulier investeerder, bezighoudt met het beheer van zijn vermogen, en wiens investeringsactiviteiten hoofdzakelijk bestaan in voormelde verrichtingen, ter verkrijging van zo hoog mogelijke dividenden of een zo hoog mogelijke opbrengst van het kapitaal, die zijn bedoeld voor de bevordering van zijn niet-commercieel oogmerk.

Partijen


In zaak C-155/94,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Value Added Tax Tribunal te Londen, in het aldaar aanhangig geding tussen

Wellcome Trust Ltd

en

Commissioners of Customs & Excise,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting ° Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J.-P. Puissochet, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), C. Gulmann en P. Jann, rechters,

advocaat-generaal: C. O. Lenz

griffier: L. Hewlett, administrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door A. Thornhill, QC, R. Thomas en J. Anderson, Barristers, geïnstrueerd door Cameron Markby Hewitt, Solicitors,

° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door P. Lasok, QC,

° Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. F. Cusack, juridisch adviseur, en E. Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door A. Thornhill en R. Thomas, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door P. Lasok, bijgestaan door M. Hall, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door T. F. Cusack, ter terechtzitting van 5 oktober 1995,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 december 1995,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 16 mei 1994, ingekomen ten Hove op 13 juni daaraanvolgend, heeft het Value Added Tax Tribunal te Londen krachtens artikel 177 EG-Verdrag verschillende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting ° Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: “richtlijn”).

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Wellcome Trust Ltd (hierna: “trust” of “verzoekster in het hoofdgeding”), in haar hoedanigheid van enige trustee van de Wellcome Trust, een caritatieve organisatie in de vorm van een charitable trust (caritatieve trust), en de Commissioners of Customs and Excise (bestuur der indirecte belastingen; hierna: “Commissioners”), betreffende een verzoek om terugbetaling van de bij wege van voorbelasting betaalde belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “BTW”), in verband met een verkoop van aandelen en overeenkomend met het gedeelte van de aandelen die aan kopers buiten de Europese Gemeenschap zijn verkocht.

3 In 1924 heeft de Wellcome Foundation Ltd (hierna: “fonds”) de activiteiten overgenomen van de farmaceutische onderneming Burroughs, Wellcome & Co., die in 1880 is opgericht door twee apothekers, Silas Burroughs en Henry Wellcome, in de vorm van een maatschap (partnership). Sir Henry Wellcome, die is overleden in 1936, heeft bij testament het beheer van zijn volledig aandeel in het fonds opgedragen aan de Wellcome Trust, waarvan de trustees zijn belast met de aanwending van de opbrengst van de aandelen voor onderzoek inzake diergeneeskunde en menselijke geneeskunde en voor de studie van de medische geschiedenis. Op grond van een rechterlijke beslissing van 1 juni 1992 is verzoekster in het hoofdgeding als enige trustee aangewezen, in de plaats van de natuurlijke personen die voordien de hoedanigheid van trustee hadden.

4 In 1980 bedroeg de waarde van het belang van de trust in het fonds 250 miljoen UKL. In 1984 werd het raadzaam geacht de investeringen te diversifiëren, aangezien de activa van de trust tot dan steeds hadden bestaan uit aandelen en andere effecten van het fonds.

5 In 1985 werd door de Charity Commissioners (overheidsinstelling belast met het toezicht op de caritatieve stichtingen) een plan uitgewerkt waarbij toestemming werd verleend voor de verkoop van een deel van het belang in het fonds (hierna: “eerste aandelenverkoop”), voor zover de trust 50 % der stemgerechtigde aandelen zou behouden. Bovendien werden de aandelen van het fonds ingeruild tegen aandelen van een nieuwe holdingmaatschappij (Wellcome plc).

6 De verkoop die dat jaar plaatsvond, bracht 200 miljoen UKL op, die werden gebruikt voor andere investeringen.

7 Bij rechterlijke beslissing van juli 1987 zijn de bevoegdheden van de trust inzake investeringen aanzienlijk verruimd. Deze beslissing heeft de trustees evenwel de verplichting opgelegd alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk is om zich in het kader van de uitoefening van hun investeringsbevoegdheid te onthouden van handelsactiviteiten.

8 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat eind september 1991 de investeringen van de trust op 277 miljoen UKL werden geraamd. Tijdens het boekjaar was voor 126 miljoen UKL gekocht en voor 94 miljoen UKL verkocht. De operaties betreffende effecten met vaste opbrengst bedroegen 44 miljoen UKL, een groter bedrag dan dat van de operaties betreffende aandelen. De andere activa bestonden uit 632 miljoen aandelen van Wellcome plc, geraamd op 4 772 miljoen UKL, termijndeposito’ s voor een bedrag van 57,5 miljoen UKL, bankdeposito’ s en contant geld voor een bedrag van 12,5 miljoen UKL, alsmede uit schuldvorderingen, vooruitbetalingen en belastingkredieten voor in totaal 4,2 miljoen UKL. De passiva bedroegen 102 miljoen UKL, waarvan 92 miljoen voor toegekende maar nog niet betaalde toelagen. De kosten bedroegen 78 miljoen UKL, waarvan 61 miljoen voor toelagen en 10 miljoen voor rechtstreekse research. De totale inkomsten bedroegen 90,2 miljoen UKL, waarvan 67,4 miljoen uit dividenden van Wellcome plc; de dividenden van ter beurs genoteerde effecten en de interesten bedroegen 13,7 miljoen UKL, de interesten op termijndeposito’ s en bankdeposito’ s 9,7 miljoen UKL. Bij de verkoop van aandelen en andere effecten was een verlies geleden van 670 000 UKL.

9 Op 2 maart 1992 gaven de trust en Wellcome plc een gezamenlijke verklaring uit, waarin inlichtingen werden gegeven over de verkoop van een tweede pakket aandelen van Wellcome plc (hierna: “tweede aandelenverkoop”). Bij rechterlijke beslissing van 30 april 1992 werd een verzoek om verruiming van de bevoegdheden van de trust inzake verkoop van effecten toegewezen, voor zover de trust 214 951 378 aandelen van Wellcome plc behield.

10 Aangezien werd geoordeeld, dat de omvang van de tweede aandelenverkoop te groot was om via de gebruikelijke kanalen te kunnen plaatsvinden, namelijk bij wege van openbare inschrijving, werd besloten een beroep te doen op de “bookbuilding”-methode, een vorm van toewijzing die hierin bestaat, dat de investeerders de gelegenheid wordt geboden op de aandelen een bod te doen gedurende een vooraf bepaalde periode, na afloop waarvan de omvang en de prijs van het aanbod wordt bepaald in het licht van de vraag. Deze verkoopmethode maakt een lange voorbereiding noodzakelijk en brengt aanzienlijke uitgaven mee voor de diensten van juristen, belastingexperts, en experts in public relations, waarop voor de verwezenlijking van de operatie een beroep moet worden gedaan.

11 De inschrijvingsperiode ging in op 6 juli 1992. Het openbaar aanbod sloot op 21 juli daaropvolgend, en de inschrijvingsperiode werd vijf dagen later afgesloten. 288 miljoen aandelen werden verkocht tegen de prijs van 8 UKL per stuk, waarbij 33,22 % werd verkocht aan kopers buiten de Gemeenschap. De verkoop bij inschrijving was bedoeld om middelen te verzamelen om te herbeleggen in meer gediversifieerde investeringen. De operatie bracht 2,18 miljard UKL op. Zoals in 1987, heeft de trust het beheer van het geld toevertrouwd aan externe organisaties, waarbij streng wordt toegezien op hun resultaten. Vóór 15 september 1992 werd aldus meer dan 1,8 miljard UKL geïnvesteerd.

12 Uit de verwijzingsbeschikking volgt bovendien, dat de trust mag beleggen in opties en in diverse andere instrumenten die gewoonlijk niet als investeringen worden beschouwd. Ten tijde van de terechtzitting was 1 à 2 % van het geheel der investeringen in futures of opties geïnvesteerd. Het gebruik daarvan is volstrekt defensief en geenszins speculatief. De financieel directeur van de trust houdt toezicht op alle portefeuilles, om te voorkomen dat de trust bij toeval een zodanig aandeel in een vennootschap zou verwerven, dat het moet worden aangemeld bij een controleorgaan.

13 Tijdens dezelfde periode waren ongeveer 72 miljoen UKL geïnvesteerd in een vastgoedportefeuille die kantoren, winkels en een pakhuis omvat. Voor een aantal van die onroerende goederen heeft de trust besloten af te zien van de vrijstelling bedoeld in de Value Added Tax Act van 1983 (BTW-wet van 1983, hierna: “VAT Act 1983”), een keuzemogelijkheid waarin is voorzien in artikel 13, C, sub a, van de richtlijn. De trust neemt eveneens deel in risicodragende investeringsprojecten, voor een beperkte duur en met beperkte verplichtingen. Ten slotte verkrijgt de trust interesten uit rechtstreeks aan instellingen en banken verstrekte leningen, los van enige investering in verhandelbare effecten.

14 Bij brief van 11 maart 1993 heeft de trust onder verwijzing naar artikel 17, lid 3, sub c, van de richtlijn de teruggave gevraagd van als voorbelasting betaalde BTW ten bedrage van 297 832,65 UKL, betreffende de kosten verband houdend met de voorbereiding van de tweede aandelenverkoop, die volgens de trust een economische activiteit in de zin van de richtlijn was. Dit bedrag is gelijk aan 33,22 % van de totale belasting over de gemaakte kosten, en komt overeen met het percentage van de aandelen die zijn verkocht aan personen met woonplaats buiten de Gemeenschap.

15 Artikel 17, lid 3, sub c, van de richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten aan iedere belastingplichtige recht op aftrek of op teruggaaf verlenen van de BTW, die verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere belastingplichtige verrichte of te verrichten diensten, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor:

“(…)

c) door de belastingplichtige verrichte handelingen die krachtens artikel 13, punt B, sub a) en sub d), punten 1 tot en met 5, zijn vrijgesteld, wanneer de ontvanger buiten de Gemeenschap gevestigd is of wanneer de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap”.

16 Ingevolge artikel 13, punt B, sub d), punt 5, van de richtlijn zijn vrijgesteld:

“handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van:

° documenten die goederen vertegenwoordigen;

° de in artikel 5, lid 3, genoemde rechten of effecten”.

17 Naar luid van artikel 2, lid 1, van de VAT Act 1983, wordt de BTW geheven over alle leveringen van goederen of dienstverrichtingen in het Verenigd Koninkrijk, voor zover het gaat om belastbare leveringen of dienstverrichtingen door een belastingplichtige in het kader van diens economische activiteit (“business”).

18 Bij beschikking van 20 maart 1993 hebben de Commissioners hogerbedoeld verzoek afgewezen op grond dat de trust de aandelen en andere effecten in zijn bezit had met caritatieve oogmerken, en dat de betrokken verkopen niet te zien waren in het kader van economische activiteiten van de trust, maar wel in dat van een normaal beheer van investeringen bedoeld om caritatieve activiteiten te financieren. Zij waren dus van oordeel, dat de belastingen met betrekking tot beroepsmatig verrichte diensten ten behoeve van de trust in het kader van de verkoop van aandelen, geen voorbelasting waren in de zin van de VAT Act 1983.

19 De trust is tegen deze beschikking opgekomen bij het Value Added Tax Tribunal te Londen. Volgens de verwijzende rechter strekt de voorgelegde vraag ertoe te vernemen, of verzoekster in het hoofdgeding de hoedanigheid van belastingplichtige heeft, in verband met de activiteiten die specifiek verband houden met de tweede aandelenverkoop, dan wel in verband met haar investeringsactiviteiten in het algemeen, waarvan deze verkoop een onderdeel uitmaakt.

20 Onder deze omstandigheden heeft het Value Added Tax Tribunal te Londen besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:

“1) Valt de verkoop van aandelen en effecten door een persoon die geen makelaar in aandelen en effecten is, onder het begrip ‘economische activiteiten’ in artikel 4, lid 2 [van de Zesde richtlijn (77/388/EEG)]?

2) Vormt een aandelenverkoop door een persoon die geen makelaar is, aan een groot aantal kopers, dezelfde dag, en na complexe en langdurige voorbereidingen, op zich een ‘economische activiteit’ in de zin van artikel 4, lid 2?

3) Indien de eerste en/of de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de verkoop van aandelen door een dergelijke ‘trustee’ dan worden geacht te zijn verricht door een ‘als zodanig handelende belastingplichtige’ in de zin van artikel 2, punt 1?

4) Moet bij de beantwoording van de eerste en/of de tweede en/of de derde vraag in aanmerking worden genomen of de verkoop van aandelen en effecten het overwegende element is van de activiteit in het kader waarvan die verkoop plaatsvindt? Zo ja, hoe moet die activiteit en de omvang daarvan worden gedefinieerd?”

De prejudiciële vragen

21 Met de prejudiciële vragen wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het begrip “economische activiteiten” in de zin van artikel 4, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het eveneens een activiteit omvat zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die bestaat in de aankoop en verkoop van aandelen en andere effecten door een trustee in het kader van het beheer van de goederen van een caritatieve trust.

22 Verzoekster in het hoofdgeding is van mening, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

23 Zij wijst erop, dat investeringen door gewone investeerders weliswaar buiten het toepassingsgebied van de BTW vallen, maar dat dit anders is wanneer de investeerder ingevolge zijn hoedanigheid of de hem verstrekte opdracht, regelmatig investeringen verricht met het oog op het verkrijgen van inkomsten of het verhogen van zijn kapitaal. Dit is in casu het geval.

24 Verzoekster in het hoofdgeding preciseert in dit verband dat zij, evengoed als beleggingsmaatschappijen of pensioenfondsen, waarvan de investeringsactiviteit in het Verenigd Koninkrijk wordt geacht binnen het toepassingsgebied van de BTW te vallen, dient te zorgen voor een redelijke vermogensaanwas, hetgeen gepaard gaat met de regelmatige verkoop van aandelen en andere effecten.

25 Verzoekster in het hoofdgeding voegt hieraan toe, dat het overigens in strijd ware met het beginsel van de fiscale neutraliteit, wel BTW te heffen bij de beroepsmatige verkoop of aankoop van aandelen, en niet bij de verkoop of aankoop door een investeerder zoals de trust. De BTW dient namelijk te worden toegepast op alle economische activiteiten, ongeacht de aard ervan, zonder rekening te houden met de oogmerken of de resultaten van de activiteit als zodanig. Dat het doel of het voorwerp van de activiteit erin bestaat investeringen te verrichten dan wel handel te drijven, is irrelevant.

26 Wat meer in het bijzonder de tweede aandelenverkoop betreft, lijdt het geen twijfel, dat de uitgeoefende activiteit een economische activiteit is. Was de trust namelijk, in plaats van de verkoop op één dag te laten doorgaan, overgegaan tot verschillende verkopen in de loop van de jaren 1991 en 1992, dan zou het feit dat regelmatig verkopen plaatsvonden, aan deze activiteit het karakter van een economische activiteit hebben verleend. Dat de trust om technische redenen de toepassing van deze werkwijze heeft uitgesloten, kan de tweede aandelenverkoop dus niet het karakter van economische activiteit in de zin van de richtlijn ontnemen. Leveringen met een aanzienlijke waarde, zoals in casu verricht in een korte tijdspanne, vormen dus een economische activiteit.

27 Deze redenering kan niet worden aanvaard.

28 Artikel 2, punt 1, van de richtlijn onderwerpt de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan BTW.

29 Artikel 4, lid 1, van de richtlijn bepaalt: “Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.”

30 Volgens de in lid 2 van deze bepaling gegeven definitie omvat het begrip economische activiteiten “alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen”. Voorts heet het in dezelfde bepaling, dat “als economische activiteit onder andere wordt beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen”.

31 Vooreerst zij erop gewezen dat, hoewel volgens de gegevens in de verwijzingsbeschikking de trust in het Verenigd Koninkrijk niet de hoedanigheid van effectenmakelaar heeft, deze omstandigheid niet noodzakelijk uitsluit, dat een activiteit zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, en die bestaat in de aankoop en verkoop van aandelen en andere effecten, eventueel kan worden aangemerkt als economische activiteit in de zin van artikel 4 van de richtlijn, welke bepaling volgens de rechtspraak van het Hof (in die zin, arrest van 20 juni 1991, zaak C-60/90, Polysar Investments Netherlands, Jurispr. 1991, blz. I-3111, r.o. 12) aan de BTW een zeer ruim toepassingsgebied toekent.

32 Uit deze rechtspraak volgt evenwel ook, dat de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht op zich niet als een economische activiteit kan worden beschouwd. Het Hof heeft in die zin beslist in verband met de financiële deelneming van een holdingmaatschappij in andere ondernemingen (zie met name het arrest Polysar Investments Netherlands, reeds aangehaald, r.o. 13, en het arrest van 22 juni 1993, zaak C-333/91, Sofitam, Jurispr. 1993, blz. I-3513, r.o. 12).

33 De Commissie heeft terecht gesteld dat, indien deze activiteiten op zich geen economische activiteit in de zin van de richtlijn vormen, dit eveneens geldt voor de activiteit die bestaat in de verkoop van deze participaties.

34 In dit verband zij erop gewezen, dat de trust zich bezighoudt met het beheer van zijn vermogen, dat gedeeltelijk bestaat in zijn participatie in het fonds en in andere financiële instrumenten. De investeringsactiviteiten, zoals die welke hierboven zijn beschreven, bestaan hoofdzakelijk in de aankoop en verkoop van aandelen en andere effecten, ter verkrijging van zo hoog mogelijke dividenden of een zo hoog mogelijke kapitaalsopbrengst, bedoeld om de medische research te stimuleren.

35 Wel volgt uit artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn, dat handelingen inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, binnen het toepassingsgebied van de BTW kunnen vallen. Dit is met name het geval wanneer die handelingen worden verricht in het kader van een handelsactiviteit van effectenmakelaar dan wel in het kader van een directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschappen waarin wordt deelgenomen (zie arrest Polysar Investments Netherlands, reeds aangehaald, r.o. 14). Uit de verwijzingsbeschikking volgt evenwel, dat het de trust verboden is zich met precies deze activiteiten in te laten, nu hij gehouden is zoveel als redelijkerwijs mogelijk is ervoor te zorgen, dat hij bij de uitoefening van zijn bevoegdheden geen handelsactiviteiten verricht, en hij geen meerderheidsparticipatie mag hebben in andere vennootschappen.

36 Bijgevolg, en afgezien van de vraag of de betrokken activiteiten van soortgelijke aard zijn als die van een investeringsmaatschappij of een pensioenfonds, moet worden geconcludeerd, dat een trust die zich in de door de verwijzende rechter beschreven situatie bevindt, vanuit het oogpunt van artikel 4 van de richtlijn moet worden geacht zich te beperken tot het beheer van een investeringsportefeuille op dezelfde wijze als een particulier investeerder.

37 Anders dan verzoekster in het hoofdgeding stelt, kan overigens niet worden uitgegaan van de omvang van een aandelenverkoop, zoals de tweede verkoop in de hoofdzaak, noch van de omstandigheid dat in het kader van een dergelijke verkoop een beroep is gedaan op consultancybureaus, als criteria om een onderscheid te maken tussen de activiteiten van een particulier investeerder, die buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, en die van een investeerder waarvan de operaties een economische activiteit vormen. Nog daargelaten dat aanzienlijke aandelenverkopen ook door particuliere investeerders kunnen worden verricht, zou de zienswijze van verzoekster in het hoofdgeding hierop neerkomen, dat de kwalificatie van een operatie als economische activiteit afhankelijk zou worden gesteld van de vaardigheid en de competentie van de investeerder.

38 Wat het beginsel van de fiscale neutraliteit betreft, dit heeft niet de strekking die verzoekster in het hoofdgeding daaraan toekent. Dit beginsel houdt weliswaar in, dat alle economische activiteiten gelijk moeten worden behandeld, doch het veronderstelt eveneens, dat de betrokken activiteit als economische activiteit kan worden gekwalificeerd, wat in casu niet het geval is.

39 Zoals de advocaat-generaal bovendien in punt 27 van zijn conclusie heeft aangetoond, zou, indien de activiteiten van de trust als een economische activiteit in de zin van de richtlijn werden beschouwd, en dus de aftrekbaarheid van de als voorbelasting betaalde BTW werd erkend, dit een investeerder als de trust bevoordelen ten opzichte van andere particuliere investeerders, die niet de als voorbelasting betaalde BTW overeenkomstig artikel 17, lid 3, sub c, van de richtlijn kunnen aftrekken wanneer de ontvanger buiten de Gemeenschap is gevestigd.

40 Ten slotte, en gelet op wat voorafgaat, kan het antwoord op de vraag of de verkoop van aandelen en andere effecten het voornaamste oogmerk vormt van de activiteit in het kader waarvan de betrokken verkopen plaatsvinden, geen enkele weerslag hebben op de kwalificatie van de investeringsactiviteit van verzoekster in het hoofdgeding in het licht van artikel 4 van de richtlijn.

41 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat het begrip economische activiteiten in de zin van artikel 4, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het niet een activiteit omvat zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, en die bestaat in de aankoop en verkoop van aandelen en andere effecten door een trustee in het kader van het beheer van het vermogen van een caritatieve trust.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

42 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het Value Added Tax Tribunal te Londen bij beschikking van 16 mei 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Het begrip economische activiteiten in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting ° Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet een activiteit omvat zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, en die bestaat in de aankoop en verkoop van aandelen en andere effecten door een trustee in het kader van het beheer van het vermogen van een caritatieve trust.

ECLI:EU:C:1996:243