HvJ 21-10-2004 BBL C-8/03

HvJ BBL arrest

Beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEK’s) die uitsluitend de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal tot doel hebben overeenkomstig richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s), hebben de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn, zodat de plaats waar de in artikel 9, lid 2, sub e, van dezelfde richtlijn bedoelde diensten aan dergelijke in een andere lidstaat dan die van de dienstverrichter gevestigde BEVEK’s worden verleend, de plaats is waar deze BEVEK’s de zetel van hun bedrijfsuitoefening hebben gevestigd.

ARREST VAN HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer)
21 oktober 2004 (1)

„Zesde BTW-richtlijn – Artikelen 4 en 9, lid 2, sub e – Begrip ‚belastingplichtige’ – Plaats van diensten – BEVEK”

In zaak C-8/03,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG,ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), bij beslissing van 24 december 2002, ingekomen bij het Hof op 10 januari 2003, in de procedure

Bank Brussel Lambert NV (BBL)

tegen

Belgische Staat,

wijst

 

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

 

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Rosas, R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts en S. von Bahr (rapporteur), rechters,advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,

 

griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 maart 2004,gelet op de opmerkingen van:

Bank Brussel Lambert NV (BBL), vertegenwoordigd door B. de Duve, S. Houx en F. Herbert, advocaten,

het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door E. Dominkovitis als gemachtigde, bijgestaan door G. Vandersanden en E. De Plaen, advocaten,

de Helleense Republiek, vertegenwoordigd door D. Kalogiros en S. Spyropoulos als gemachtigden, bijgestaan door M. Tassopoulou,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en C. Giolito als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 2004,

het navolgende

 

Arrest

 

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4, 9, lid 2, sub e, en 13, B, sub d, punt 6 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Bank Brussel Lambert NV (BBL) (hierna: „BBL”) en de Belgische Staat over het vaststellen van de plaats waar BBL aan Luxemburgse beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (hierna: „BEVEK’s”) diensten verleent, met het oog op de onderwerping ervan aan de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”).

Het rechtskaderDe communautaire regeling

3

Artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn bepaalt dat „de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht”, aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen.

4

Artikel 4, leden 1 en 2, van deze richtlijn bepalen:„1.    Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit .2.      De in lid 1 bedoelde economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

5

Artikel 9, leden 1 en 2, sub e, derde en vijfde streepje, van dezelfde richtlijn bepaalt:„1.    Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.2.      In afwijking hiervan is[…]

e)
de plaats van de hieronder vermelde diensten, die worden verleend aan ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd, de plaats waar de ontvanger de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats:
[…]
diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, accountants en andere soortgelijke diensten, alsmede informatieverwerking en -verschaffing;
[…]
bank-, financiële en verzekeringsverrichtingen met inbegrip van herverzekeringsverrichtingen en met uitzondering van de verhuur van safeloketten.”
6

Volgens artikel 13, B, sub d, punten 5 en 6, van de Zesde richtlijn verlenen de lidstaten vrijstelling voor:

„5.
handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren […]
6.
het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, als omschreven door de lidstaten”.
7

Artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375, blz. 3), omschrijft de instellingen voor collectieve belegging in effecten (hierna: „icbe’s”) als instellingen:

„–
waarvan het uitsluitende doel is de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding,

en

waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald […]”.
8

Ingevolge lid 3 van hetzelfde artikel 1 kunnen deze instellingen geregeld zijn „bij overeenkomst (beleggingsfondsen beheerd door een beheermaatschappij), als

trust

(

unit trust

) dan wel bij statuten (beleggingsmaatschappij)”.

De nationale regeling

9

Artikel 4, § 1, van het Belgische BTW-wetboek, in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, luidt:„Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.”

10

Artikel 21, § 2, van hetzelfde wetboek bepaalt:„Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.”

11

Artikel 21, § 3, punt 7, sub d en e, van het Belgische BTW-wetboek preciseert dat in afwijking van § 2 als plaats van de dienst wordt aangemerkt:„7°    de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit, en voorzover de dienst tot voorwerp heeft:[…]

d)
intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters alsook informatieverwerking en ‑verschaffing […];
e)
bank-, financiële en verzekeringsverrichtingen met inbegrip van herverzekeringsverrichtingen en met uitzondering van de verhuur van safeloketten”.

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

12

Blijkens het verwijzingsvonnis verleende BBL in de periode waarop het hoofdgeding betrekking heeft, diensten aan Luxemburgse BEVEK’s [BBL Renta Fund, BBL Renta Cash, BBL Patrimonial, International Aviation Fund, BBL Capital Cash, BBL Portfolio et BBL (L) Invest]. Volgens de met elke van die BEVEK’s gesloten adviesovereenkomst heeft BBL zich ertoe verbonden:

de BEVEK bij te staan bij het beheer van haar tegoeden door erop toe te zien dat haar adviezen strikt overeenstemmen met de algemene lijn van het beheer en met het door de BEVEK vastgestelde beleggingsbeleid;

het dagelijks beheer van de BEVEK de documentatie, de informatie alsmede de mondelinge of schriftelijke adviezen te verschaffen die dit noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taak;

de BEVEK bij te staan op het gebied van verkrijging van, inschrijving op, overdracht en vervreemding van aandelen, obligaties en alle andere verhandelbare effecten alsmede op het gebied van transacties in deviezen of liquiditeiten.

13

In februari 1998 controleerde de Bijzondere Belastinginspectie van Luik BBL over het tijdvak van 1 mei 1993 tot en met 31 december 1997. Na afloop van deze controle werd op 28 mei 1998 een proces-verbaal opgesteld, waarin staat dat BBL over de van de Luxemburgse BEVEK’s gevraagde provisies voor adviezen geen BTW in rekening heeft gebracht omdat deze diensten volgens haar krachtens artikel 21, § 3, punt 7, sub d of e, van het Belgische BTW-wetboek in het Groothertogdom Luxemburg hebben plaatsgevonden.

14

Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat artikel 21, § 3, punt 7, van het Belgische BTW-wetboek blijkens het proces-verbaal niet van toepassing is omdat de Luxemburgse BEVEK’s volgens de Luxemburgse wettelijke regeling niet als belastingplichtigen worden aangemerkt.

15

Bovendien heeft BBL volgens dit proces-verbaal gehandeld met de bedoeling de BTW te ontwijken of te kunnen ontwijken, aangezien zij had moeten weten dat de BTW die over de prijs van de aan de Luxemburgse BEVEK’s verleende diensten verschuldigd was, noch aan de Belgische Staat noch aan de Luxemburgse Staat was voldaan.

16

Op 8 juni 1998 is jegens BBL een dwangbevel gegeven, met name voor 45 491 373,03 euro aan BTW verschuldigd over het tijdvak van 1 mei 1993 tot en met 31 december 1997, voor 90 982 746,07 euro als geldboete tegen het tarief van 200 % en voor 1 819 654,49 euro als moratoire interessen over het tijdvak van 1 januari tot en met 20 juni 1998.

17

BBL heeft bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel beroep ingesteld tegen dit dwangbevel.

18

De verwijzende rechter merkt op dat, door aan te nemen dat het elke lidstaat vrijstaat de op zijn grondgebied gevestigde of werkzame personen de hoedanigheid van BTW-plichtige te verlenen, zou worden voorbijgegaan aan de gemeenschapsbepalingen inzake BTW, die juist tot doel hebben het begrip belastingplichtige te harmoniseren en de bevoegdheid inzake de heffing van belasting op handelingen te verdelen tussen de lidstaten door de plaats van de leveringen van goederen en diensten op eenvormige wijze te omschrijven.

19

Op grond van de verplichting tot conforme uitlegging moet artikel 21, § 3, punt 7, van het Belgische BTW-wetboek, waarbij artikel 9, lid 2, sub e, van de Zesde richtlijn in Belgisch recht is omgezet, worden uitgelegd tegen de achtergrond van de bewoordingen en het doel van deze richtlijn, zonder dat naar het Luxemburgse recht hoeft te worden verwezen.

20

De verwijzende rechter is echter van oordeel dat de vraag of BEVEK’s een economische activiteit in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn verrichten en of zij bijgevolg aan BTW zijn onderworpen, door het Hof nog niet werd beantwoord.

21

Indien Luxemburgse BEVEK’s niet als BTW-plichtigen zouden moeten worden aangemerkt, met het gevolg dat de door BBL verleende diensten zouden worden geacht in België te hebben plaatsgevonden, rijst volgens de verwijzende rechter de vraag of deze diensten in aanmerking komen voor de in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling.

22

Gelet op een en ander heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende twee prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)
Hebben in een lidstaat gevestigde beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEK’s), die uitsluitend de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal tot doel hebben overeenkomstig richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s), de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zodat als plaats van de in artikel 9, lid 2, sub e, van dezelfde richtlijn bedoelde diensten die aan deze BEVEK’s worden verleend, wordt aangemerkt de plaats waar deze BEVEK’s zijn gevestigd?
2)
Indien het antwoord op de voorgaande vraag ontkennend luidt, dient voor de beslechting van het hoofdgeding te worden uitgemaakt welke soort diensten ten behoeve van BEVEK’s in aanmerking komen voor de in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling: moet dienaangaande een onderscheid worden gemaakt tussen diensten van bijstand en advisering bij beheer enerzijds en de eigenlijke diensten van beheer anderzijds, welke zich van eerstgenoemde diensten onderscheiden door het feit dat zij voor de beheerder beslissingsbevoegdheid inhouden aangaande het beheer en de beschikking over de te beheren tegoeden?”

De eerste vraag

23

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of BEVEK’s die uitsluitend de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal tot doel hebben overeenkomstig richtlijn 85/611, de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn hebben, zodat de plaats waar de in artikel 9, lid 2, sub e, van dezelfde richtlijn bedoelde diensten aan dergelijke in een andere lidstaat dan die van de dienstverrichter gevestigde BEVEK’s worden verleend, de plaats is waar deze BEVEK’s de zetel van hun bedrijfsuitoefening hebben gevestigd.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

24

Alle partijen die opmerkingen hebben ingediend, zijn van mening dat overeenkomstig richtlijn 85/611 opgerichte BEVEK’s economische activiteiten uitoefenen waardoor zij krachtens artikel 4 van de Zesde richtlijn de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgen.

25

BBL herinnert in dit verband aan de rechtspraak van het Hof waarin ter zake van financiële instrumenten de grens wordt afgebakend tussen handelingen die onder de economische activiteiten in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn vallen, en handelingen die daar niet onder vallen, met name de arresten van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, Jurispr. blz. I‑3111); 22 juni 1993, Sofitam (C‑333/91, Jurispr. blz. I‑3513), en 20 juni 1996, Wellcome Trust (C‑155/94, Jurispr. blz. I‑3013).

26

De desbetreffende activiteiten van de icbe’s moeten op twee niveaus worden geanalyseerd: enerzijds de verhouding tussen de icbe en de deelnemers en anderzijds de verhouding tussen de icbe en de markt.

27

Met betrekking tot de verhouding tussen de icbe en de deelnemers betoogt BBL dat de icbe’s, in vergelijking met de andere financiële marktdeelnemers, de bijzonderheid vertonen dat zij zich actief bezighouden met de verhandeling van hun eigen aandelen. Bij deze verhandeling ontvangt de icbe een vergoeding, die instap‑ of uitstapprijs wordt genoemd naar gelang van het geval. Deze vergoeding vormt de tegenprestatie voor een toegangsrecht of uitstaprecht van de inschrijver op een icbe en voor de diensten die inherent zijn aan deze in- of uitstap.

28

Wat de verhoudingen tussen de icbe en de markt betreft, betoogt BBL dat de icbe’s het grote publiek een vergelijkbare dienst beogen aan te bieden als die welke de particuliere banken inzake vermogensbeheer aan hun bevoorrechte klanten aanbieden.

29

Van oordeel dat de BEVEK’s waarvan de activiteiten door richtlijn 85/611 worden geregeld, krachtens artikel 4 van de Zesde richtlijn de hoedanigheid van belastingplichtige hebben, concludeert BBL dat artikel 9, lid 2, sub e, van laatstgenoemde richtlijn van toepassing is.

30

De Belgische regering betoogt dat volgens de rechtspraak van het Hof het enkele verwerven en het enkele houden van aandelen niet als een economische activiteit in de zin van de Zesde richtlijn is te beschouwen, die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verleent (zie met name arrest Polysar Investments Netherlands, reeds aangehaald, punt 13, en arrest van 6 februari 1997, Harnas & Helm, C‑80/95, Jurispr. blz. I‑745, punt 15).

31

De activiteiten van BEVEK’s vallen echter onder artikel 13, B, sub d, punten 4 en 5, van de Zesde richtlijn en de in die bepalingen bedoelde handelingen vallen binnen de werkingssfeer van de BTW, met name wanneer zij worden verricht in het kader van een bedrijfsmatig handelen in effecten (zie reeds aangehaalde arresten Polysar Investments Netherlands, punt 14, en Harnas & Helm, punt 16).

32

De Griekse regering betoogt dat de door BEVEK’s verrichte handelingen niet een activiteit vormen van een gewone investeerder die aandelen heeft gekocht om ze aan te houden en er winst uit te halen, wat het geval was in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Polysar Investments Netherlands, maar een georganiseerde exploitatie van kapitaal die erin bestaat roerende effecten te kopen en te verkopen. Deze regering wijst er bovendien op dat het feit dat het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen volgens artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn, van BTW is vrijgesteld, betekent dat de personen die dat beheer voeren, in beginsel belastingplichtig zijn.

33

De Commissie stelt om te beginnen dat, behalve in België en Luxemburg, de BTW-plichtigheid van de BEVEK’s in de lidstaten niet sluitend is geregeld. In Nederland worden BEVEK’s, onder verwijzing naar de reeds aangehaalde rechtspraak Polysar Investments Netherlands, net als in Luxemburg als niet-belastingplichtigen aangemerkt. In België, Duitsland, Denemarken, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Portugal en het Verenigd Koninkrijk worden BEVEK’s als belastingplichtigen aangemerkt, maar worden zij vrijgesteld.

34

Vervolgens merkt de Commissie op dat de beheermaatschappij in de zin van richtlijn 85/611 over het algemeen een onderneming is die diensten verricht waarvoor zij beheersprovisies krijgt. Dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn uitdrukkelijk voorziet in de vrijstelling van het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, toont aan dat het gaat om verrichtingen die binnen de werkingssfeer van de BTW vallen.

35

De beheermaatschappij of de BEVEK die een fonds beheert, oefent ontegenzeglijk een activiteit uit die kan worden aangemerkt als exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn en onderscheidt zich zo van holdings die aandelen alleen aanhouden. Een verschillende behandeling van de fondsbeheerders naargelang die activiteit wordt uitgeoefend door een beheermaatschappij die losstaat van het fonds, dan wel door de BEVEK zelf, is in strijd met het beginsel van neutraliteit van de BTW.

Beoordeling door het Hof

36

Ingevolge artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd, ieder die zelfstandig een van de in lid 2 van dit artikel omschreven economische activiteiten verricht. Het begrip „economische activiteiten” wordt in dat lid 2 gedefinieerd als alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, en onder andere de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Dit begrip „exploitatie” heeft, overeenkomstig de vereisten van het beginsel van neutraliteit van het gemeenschappelijk BTW-stelsel, betrekking op alle handelingen, ongeacht hun rechtsvorm (zie arresten van 4 december 1990, Van Tiem, C‑186/89, Jurispr. blz. I‑4363, punt 18; 11 juli 1996, Régie dauphinoise, C‑306/94, Jurispr. blz. I‑3695, punt 15, en 29 april 2004, EDM, C‑77/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 48).

37

Overeenkomstig de strekking van de Zesde richtlijn, die er onder meer op is gericht, het gemeenschappelijk BTW-stelsel te baseren op een uniform begrip belastingplichtigen, moet deze hoedanigheid uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 4 van deze richtlijn genoemde criteria (zie arrest Van Tiem, reeds aangehaald, punt 25).

38

Voorts is het vaste rechtspraak dat het enkele verwerven en het enkele houden van aandelen niet is te beschouwen als een economische activiteit in de zin van de Zesde richtlijn, die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verleent. De financiële deelneming in een onderneming als zodanig is immers niet aan te merken als exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, omdat het eventuele dividend dat de opbrengst is van deze deelneming, voortspruit uit de loutere eigendom van het goed en geen tegenprestatie is voor enige economische activiteit in de zin van dezelfde richtlijn (zie arrest Harnas & Helm, reeds aangehaald, punt 15, en arrest van 26 juni 2003, KapHag, C‑442/01, Jurispr. blz. I‑6851, punt 38). Indien deze activiteiten op zich geen economische activiteit in de zin van de richtlijn vormen, geldt dit derhalve eveneens voor de activiteit die bestaat in de verkoop van deze participaties (zie reeds aangehaalde arresten Wellcome Trust, punt 33, en KapHag, punt 40).

39

Ook de enkele aankoop en de enkele verkoop van andere verhandelbare waardepapieren zijn geen exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, omdat de enige opbrengst van deze handelingen voortspruit uit eventuele winst bij de verkoop van deze waardepapieren (zie arrest EDM, reeds aangehaald, punt 58).

40

Dergelijke handelingen kunnen in beginsel als zodanig geen economische activiteiten in de zin van de Zesde richtlijn vormen.

41

Uit artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn volgt echter dat handelingen inzake waardepapieren binnen de werkingssfeer van de BTW kunnen vallen. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de in deze bepaling bedoelde handelingen die zijn welke bestaan in het verkrijgen van duurzame opbrengsten uit activiteiten die verder gaan dan het enkele verwerven en verkopen van waardepapieren, zoals handelingen bij de uitoefening van een handelsactiviteit inzake transacties van waardepapieren (zie arrest EDM, reeds aangehaald, punt 59).

42

Uit artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/611 volgt echter dat de handelingen van BEVEK’s bestaan in de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal. Met het kapitaal dat de inschrijvers deponeren door aandelen te kopen, vormen en beheren de BEVEK’s, voor rekening van de inschrijvers en tegen een vergoeding, portefeuilles van roerende effecten.

43

Een dergelijke activiteit, die meer is dan de enkele aankoop en de enkele verkoop van waardepapieren en die duurzame opbrengst beoogt, vormt een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn.

44

Daaruit volgt dat BEVEK’s de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn hebben.

45

Bijgevolg is de plaats waar de in artikel 9, lid 2, sub e, van dezelfde richtlijn bedoelde diensten aan in een andere lidstaat dan die van de dienstverrichter gevestigde BEVEK’s worden verleend, de plaats waar deze BEVEK’s de zetel van hun bedrijfsuitoefening hebben gevestigd.

46

In deze context betoogt de Belgische regering, die erkent dat aan BEVEK’s verleende diensten van raadgeving, informatieverwerking en ‑verschaffing binnen de werkingssfeer van artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje, van de Zesde richtlijn vallen, echter dat de aan BEVEKルs verleende diensten van beheer, die door een beslissingsbevoegdheid rechtens of feitelijk worden gekenmerkt, niet onder deze bepaling vallen.

47

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht, zowel diensten van raadgeving als bank- en financiële verrichtingen onder artikel 9, lid 2, sub e, derde en vijfde streepje, van de Zesde richtlijn vallen.

48

Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat BEVEK’s die uitsluitend de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal tot doel hebben overeenkomstig richtlijn 85/611, de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn hebben, zodat de plaats waar de in artikel 9, lid 2, sub e, van dezelfde richtlijn bedoelde diensten aan dergelijke in een andere lidstaat dan die van de dienstverrichter gevestigde BEVEK’s worden verleend, de plaats is waar deze BEVEK’s de zetel van hun bedrijfsuitoefening hebben gevestigd.

De tweede vraag

49

Aangezien de tweede vraag is gesteld voor het geval dat de eerste ontkennend wordt beantwoord, behoeft zij niet te worden beantwoord.

Kosten

50

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEK’s) die uitsluitend de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal tot doel hebben overeenkomstig richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s), hebben de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zodat de plaats waar de in artikel 9, lid 2, sub e, van dezelfde richtlijn bedoelde diensten aan dergelijke in een andere lidstaat dan die van de dienstverrichter gevestigde BEVEK’s worden verleend, de plaats is waar deze BEVEK’s de zetel van hun bedrijfsuitoefening hebben gevestigd.

ondertekeningen

1 –
Procestaal: Frans.

ECLI:EU:C:2004:650

Geplaatst in Arresten en getagd met , , , , , .