HvJ 22-10-2015 Hedqvist C-264/14

HvJ Hedqvist arrest

1)      Het inwisselen van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta bitcoin en omgekeerd, tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta’s koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten, vormt een dienst onder bezwarende titel.

2)      Het inwisselen van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta bitcoin en omgekeerd, verricht tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten, vormt een van de btw vrijgestelde handeling.

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

22 oktober 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikelen 2, lid 1, onder c), en 135, lid 1, onder d), tot en met f) – Diensten onder bezwarende titel – Inwisselen van de virtuele valuta ‚bitcoin’ tegen traditionele valuta’s – Vrijstelling”

In zaak C‑264/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Högsta förvaltningsdomstol (hooggerechtshof in bestuurszaken, Zweden) bij beslissing van 27 mei 2014, ingekomen bij het Hof op 2 juni 2014, in de procedure

Skatteverket

tegen

David Hedqvist,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Šváby, A. Rosas (rapporteur), E. Juhász en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 juni 2015,

gelet op de opmerkingen van:

–        het Skatteverk, vertegenwoordigd door M. Loeb, als juridisch adviseur,

–        Hedqvist, vertegenwoordigd door A. Erasmie, advokat, en F. Berndt, jur. kand.,

–        de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk en E. Karlsson als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en K. Petersen als gemachtigden,

–        de Estse regering, vertegenwoordigd door K. Kraavi-Käerdi als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Lozano Palacios, M. Owsiany-Hornung, K. Simonsson en J. Enegren als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 juli 2015,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, lid 1, en 135, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Skatteverk (Zweedse belastingdienst) en Hedqvist, over een prealabel advies van de Skatterättsnämnd (Zweedse commissie voor fiscale vraagstukken) over de heffing van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) op het inwisselen van traditionele valuta’s tegen de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd, die Hedqvist via een vennootschap wil gaan verrichten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        Artikel 2 van de btw-richtlijn luidt als volgt:

„1.      De volgende handelingen zijn aan de [btw] onderworpen:

a)      de leveringen van goederen, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]

c)      de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

4        Artikel 14, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„Als ‚levering van goederen’ wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.”

5        Artikel 24, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:

„Als ‚dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.”

6        Artikel 135 van de btw-richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[…]

d)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen.

e)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die verzamelobject zijn, namelijk gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten, die normaal niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben;

f)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen en van de in artikel 15, lid 2, bedoelde rechten of effecten;

[…]”

Zweeds recht

7        Overeenkomstig hoofdstuk 1, § 1, van de mervärdesskattelag (1994:200) (wet op de belasting over de toegevoegde waarde, hierna: „ML”), moet aan de staat btw worden betaald over de belastbare handelingen die in het binnenland in verband met goederen en diensten worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.

8        In hoofdstuk 3 van deze wet staat § 23, lid 1, op grond waarvan van btw zijn vrijgesteld de leveringen van bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van verzamelobjecten, namelijk gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten, die normaal niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben.

9        Krachtens § 9 in hetzelfde hoofdstuk 3, zijn bancaire en financiële diensten, alsmede de effectenhandel en soortgelijke transacties vrijgesteld. De bancaire en financiële diensten omvatten geen notariële werkzaamheden, incassoactiviteiten en administratieve diensten op het gebied van factoring of de verhuur van opslagruimte.

Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Hedqvist wil via een vennootschap diensten aanbieden die bestaan in het inwisselen van traditionele valuta’s tegen de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd.

11      Blijkens de verwijzingsbeslissing wordt de virtuele valuta „bitcoin” hoofdzakelijk gebruikt voor betalingen tussen particulieren op het internet alsmede in bepaalde webwinkels die deze valuta accepteren. Deze virtuele valuta heeft niet één enkele emittent, maar wordt rechtstreeks binnen een netwerk aangemaakt door middel van een speciaal algoritme. Binnen het systeem van de virtuele valuta „bitcoin” is het de gebruikers die een „bitcoin” adres bezitten toegestaan binnen het netwerk anoniem bedragen aan „bitcoins” in bezit te hebben en over te dragen. Een „bitcoin” adres is vergelijkbaar met een bankrekeningnummer.

12      Onder verwijzing naar een rapport uit 2012 van de Europese Centrale Bank over virtuele valuta, geeft de verwijzende rechter aan dat een virtuele valuta kan worden gedefinieerd als een soort ongereguleerd digitaal geld, dat wordt uitgegeven en gecontroleerd door de ontwikkelaars ervan en wordt geaccepteerd door de leden van een specifieke virtuele gemeenschap. De virtuele valuta „bitcoin” is een van de virtuele valuta’s met een zogeheten „bidirectional flow”, die de gebruikers kunnen kopen en verkopen op basis van een wisselkoers. Dergelijke virtuele valuta’s kunnen in de reële wereld op overeenkomstige wijze als de andere inwisselbare valuta’s worden gebruikt. Zij kunnen worden gebruikt voor het kopen van zowel reële als virtuele goederen en diensten. Virtuele valuta’s verschillen van elektronisch geld zoals omschreven in richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG (PB L 267, blz. 7), voor zover, anders dan bij dit geld, de waarden bij virtuele valuta’s niet worden uitgedrukt in de traditionele rekeneenheid zoals de euro, maar een virtuele rekeneenheid, zoal de „bitcoin”.

13      De verwijzende rechter vermeldt dat de handelingen die Hedqvist voornemens is te verrichten, elektronisch door middel van de website van zijn vennootschap moeten plaatsvinden. Deze vennootschap moet de eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” rechtstreeks kopen van particulieren of ondernemingen, dan wel op een internationale wisselmarkt. Vervolgens worden deze eenheden door deze vennootschap op een dergelijke beurs doorverkocht, dan wel opgeslagen. De vennootschap van Hedqvist wil dergelijke eenheden ook verkopen aan particulieren of ondernemingen die een bestelling op zijn website hebben geplaatst. Indien de klant de door de vennootschap van Hedqvist geboden prijs in Zweedse kronen heeft aanvaard en een betaling is ontvangen, worden de eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” automatisch naar het vermelde „bitcoin” adres verzonden. De eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” die door deze vennootschap worden verkocht, zijn die welke zij, direct nadat de klant zijn bestelling heeft geplaatst, op de wisselmarkt koopt, dan wel die welke zij al in voorraad heeft. De prijs die deze vennootschap aan de klanten aanbiedt, wordt vastgesteld aan de hand van de prijs die op een specifieke wisselmarkt geldt en vermeerderd met een bepaald percentage. Het verschil tussen de aankoop‑ en verkoopprijs vormt de winst voor de vennootschap voor Hedqvist. Deze vennootschap brengt geen andere kosten in rekening.

14      De enige handelingen die Hedqvist wil uitvoeren zijn dus de aan‑ en verkoop van eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” in ruil voor traditionele valuta’s, zoals de Zweedse kroon, of andersom. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet of zij betrekking moeten hebben op betalingen in „bitcoins”.

15      Alvorens met dergelijke handelingen te beginnen, heeft Hedqvist verzocht om een prealabel advies van de commissie voor fiscale vraagstukken, om te vernemen of bij de aankoop en verkoop van eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” btw moest worden voldaan.

16      In een advies van 14 oktober 2013 meende deze commissie op basis van het arrest First National Bank of Chicago (C‑172/96, EU:C:1998:354), dat Hedqvist een wisseldienst gaat aanbieden die onder bezwarende titel zal worden verricht. Volgens haar valt deze wisseldienst evenwel onder de vrijstelling van § 9 in hoofdstuk 3, ML.

17      Volgens de commissie voor fiscale vraagstukken is de virtuele valuta „bitcoin” een betaalmiddel dat op overeenkomstige wijze als wettige betaalmiddelen wordt gebruikt. De uitdrukking „wettig betaalmiddel” in artikel 135, lid 1, onder e, van de btw-richtlijn wordt overigens gebruikt ter beperking van de werkingssfeer van de vrijstelling betreffende bankbiljetten en munten. Hieruit volgt dat deze uitdrukking aldus moet worden gelezen dat zij enkel betrekking heeft op bankbiljetten en munten, en niet op valuta’s. Deze uitlegging is tevens in overeenstemming met de door de vrijstellingen in artikel 135, lid 1, onder b), tot en met g), van de btw-richtlijn nagestreefde doelstelling, namelijk om moeilijkheden bij de btw-heffing op financiële diensten te voorkomen.

18      Het Skatteverk is tegen de beslissing van de commissie voor fiscale vraagstukken opgekomen bij de Högsta förvaltningsdomstol en voerde daarbij aan dat de dienst waarop het verzoek van Hedqvist betrekking had, niet onder de vrijstelling in hoofdstuk 3, § 9, ML valt.

19      Volgens Hedqvist moet het beroep van het Skatteverk worden verworpen en het prealabel advies van de commissie voor fiscale vraagstukken worden bevestigd.

20      Volgens de verwijzende rechter kan uit het arrest First National Bank of Chicago (C‑172/96, EU:C:1998:354) worden afgeleid dat handelingen waarbij een virtuele valuta wordt ingewisseld tegen een traditionele valuta en omgekeerd, tegen een vergoeding in de vorm van de marge voor de dienstverrichter tussen de aankoop en verkoopprijs, een dienst onder bezwarende titel vormen. In dat geval rijst de vraag of deze handelingen vallen onder een van de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn inzake financiële diensten, meer bepaald die welke vermeld staan onder d), tot en met f), van deze bepaling.

21      Daar de Högsta förvaltningsdomstol twijfels heeft over de vraag of dergelijke handelingen onder een van deze vrijstellingen vallen, heeft deze rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat handelingen in de vorm van wat is omschreven als de inwisseling van virtuele valuta’s tegen traditionele valuta’s en omgekeerd, die worden verricht voor een tegenprestatie die de dienstverrichter bij de vaststelling van de wisselkoers mede aanrekent, een dienst onder bezwarende titel vormen?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 135, lid 1, [van deze richtlijn] dan aldus worden uitgelegd dat voormelde wisselhandelingen zijn vrijgesteld van belasting?”

Behandeling van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

22      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat handelingen zoals die aan de orde in het hoofdgeding, – die bestaan in de inwisseling van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd, die worden verricht tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta’s koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten –, diensten onder bezwarende titel in de zin van deze bepaling vormen.

23      Artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn vermeldt dat de leveringen van goederen en de diensten, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan btw worden onderworpen.

24      In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de virtuele valuta met „bidirectional flow” „bitcoin”, die in het kader van valutatransacties wordt ingewisseld tegen traditionele valuta’s, niet kan worden gekwalificeerd als een „lichamelijke zaak” in de zin van artikel 14 van de btw-richtlijn, omdat, zoals de advocaat-generaal in punt 17 van haar conclusie heeft opgemerkt, deze virtuele valuta geen ander doel heeft dan als betaalmiddel te worden gebruikt.

25      Dit geldt ook voor de traditionele valuta’s, wanneer dit geldeenheden met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel betreft (zie in die zin arrest First National Bank of Chicago, C‑172/96, EU:C:1998:354, punt 25).

26      Derhalve vallen de handelingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn en bestaan in het inwisselen van verschillende betaalmiddelen, niet onder het begrip „levering van goederen” van artikel 14 van de richtlijn. In deze omstandigheden vormen deze handelingen diensten in de zin van artikel 24 van de btw-richtlijn.

27      Wat in de tweede plaats de vergoeding voor een dienst betreft, moet eraan worden herinnerd dat een dienst enkel „onder bezwarende titel” in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn wordt verricht, en dus alleen aan btw is onderworpen, indien er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de door de belastingplichtige ontvangen tegenwaarde (arresten Loyalty Management UK en Baxi Group, C‑53/09 en C‑55/09, EU:C:2010:590, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Serebryannay vek, C‑283/12, EU:C:2013:599, punt 37). Een dergelijk rechtstreeks verband ontstaat wanneer tussen de verrichter en de ontvanger een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst (arrest Le Rayon d’Or, C‑151/13, EU:C:2014:185, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      In de zaak in het hoofdgeding komt uit de gegevens in het aan het Hof voorgelegde dossier naar voren dat tussen de vennootschap van Hedqvist en zijn wederpartijen een wederkerige rechtsverhouding bestaat, waarin de partijen bij de handeling zich er onderling toe verplichten bedragen in een bepaalde valuta over te dragen en de tegenwaarde ervan in een virtuele valuta met een „bidirectional flow” te ontvangen, of andersom. Ook is uiteengezet dat deze vennootschap in ruil voor haar dienstverrichting een vergoeding ontvangt bestaande uit de marge die zij opneemt in de berekening van de wisselkoersen waartegen zij de betreffende valuta’s wil aan‑ en verkopen.

29      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat om te bepalen of een dienst onder bezwarende titel is verricht, het feit dat een dergelijke vergoeding niet de vorm heeft van een betaling van een provisie of van specifieke kosten, irrelevant is (arrest First National Bank of Chicago, C‑172/96, EU:C:1998:354, punt 33).

30      Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat handelingen zoals die aan de orde in het hoofdgeding, diensten vormen die worden verricht tegen een vergoeding die rechtstreeks verband houdt met de verrichte dienst, dat wil zeggen diensten die onder bezwarende titel worden verricht in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn.

31      Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat handelingen zoals die aan de orde in het hoofdgeding – die bestaan in het inwisselen van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd, die worden verricht tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta’s koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten –, diensten onder bezwarende titel in de zin van deze bepaling vormen.

Tweede vraag

32      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 135, lid 1, onder d), tot en met f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat diensten zoals die aan de orde in het hoofdgeding – die bestaan in het inwisselen van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd, die worden verricht tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta’s koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten –, van de btw zijn vrijgesteld.

33      Vooraf moet eraan herinnerd dat, volgens de rechtspraak van het Hof, de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn autonome begrippen van het Unierecht vormen, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (zie met name arresten Skandinaviska Enskilda Banken, C‑540/09, EU:C:2011:137, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en DTZ Zadelhoff, C‑259/11, EU:C:2012:423, punt 19).

34      Het is tevens vaste rechtspraak dat de bewoordingen die worden gebruikt ter omschrijving van deze vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, daar deze vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die onder bezwarende titel door een belastingplichtige wordt verricht (arresten Ludwig, C‑453/05, EU:C:2007:369, punt 21, en DTZ Zadelhoff, C‑259/11, EU:C:2012:423, punt 20).

35      De uitlegging van die bewoordingen moet evenwel in overeenstemming zijn met de doeleinden die door de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn worden nagestreefd en stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel. Dit beginsel van strikte uitlegging betekent dus niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, zijn gebruikt, aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren (zie met name arresten Don Bosco Onroerend Goed, C‑461/08, EU:C:2009:722, punt 25; DTZ Zadelhoff, C‑259/11, EU:C:2012:423, punt 21, en J.J. Komen en Zonen Beheer Heerhugowaard, C‑326/11, EU:C:2012:461, punt 20).

36      In dat verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de vrijstellingen in artikel 135, lid 1, onder d), tot en met f), met name tot doel hebben de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag en het bedrag van de aftrekbare btw te verhelpen (zie met name arrest Velvet & Steel Immobilien, C‑455/05, EU:C:2007:232, punt 24, alsmede beschikking Tiercé Ladbroke, C‑231/07 en C‑232/07, EU:C:2008:275, punt 24).

37      Overigens zijn handelingen die op grond van deze bepalingen van de btw zijn vrijgesteld, naar hun aard financiële diensten, ofschoon zij niet noodzakelijkerwijs door banken of financiële instellingen behoeven te worden verricht (zie arresten Velvet & Steel Immobilien, C‑455/05, EU:C:2007:232, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Granton Advertising, C‑461/12, EU:C:2014:1745, punt 29).

38      Wat in de eerste plaats de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, onder d) van de btw-richtlijn betreft, moet eraan worden herinnerd dat de lidstaten volgens deze bepaling vrijstelling verlenen voor handelingen die met name betrekking hebben op „deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren”.

39      De handelingen waarvoor krachtens deze bepaling vrijstelling wordt verleend, worden dus bepaald aan de hand van de aard van de geleverde diensten. Om als vrijgestelde handeling te worden aangemerkt, moeten de betrokken diensten over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, dat de kenmerkende en essentiële functies van een in deze bepaling beschreven dienst vervult (zie arrest Axa UK, C‑175/09, EU:C:2010:646, punten 26 en 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Uit de tekst van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het arrest Granton Advertising (C‑461/12, EU:C:2014:1745, punten 37 en 38), blijkt dat de in deze bepaling bedoelde handelingen betrekking hebben op diensten of instrumenten waarvan een geldoverdracht onderdeel is.

41      Daarenboven is deze bepaling, zoals de advocaat-generaal in de punten 51 en 52 van haar conclusie heeft uiteengezet, niet gericht op de handelingen die de munt zelf betreffen, aangezien daarvoor een specifieke bepaling geldt, te weten artikel 135, lid 1, onder e), van de btw-richtlijn.

42      Daar de virtuele valuta „bitcoin” een contractueel betaalmiddel is, kan zij, ten eerste, niet worden beschouwd als een rekening-courant, noch als een deposito, betaling of overschrijving. Ten tweede vormt zij, anders dan de in artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn bedoelde schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren, een rechtstreeks betaalmiddel tussen de marktdeelnemers die haar accepteren.

43      Handelingen als die in het hoofdgeding vallen dus niet binnen de werkingssfeer van de in deze bepaling vastgestelde vrijstellingen.

44      Wat in de tweede plaats de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, onder e), van de btw-richtlijn betreft, verlenen de lidstaten krachtens deze bepaling vrijstelling voor handelingen betreffende met name „deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn”.

45      In dat verband moet eraan worden herinnerd dat de in deze bepaling gebruikte begrippen uniform moeten worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie (zie in die zin arresten Velvet & Steel Immobilien, C‑455/05, EU:C:2007:232, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Commissie/Spanje, C‑189/11, EU:C:2013:587, punt 56).

46      Zoals de advocaat-generaal in de punten 31 tot en met 34 van haar conclusie heeft uiteengezet, kan aan de hand van de verschillende taalversies van artikel 135, lid 1, onder e), van de btw-richtlijn niet ondubbelzinnig worden vastgesteld of deze bepaling slechts van toepassing is op handelingen die traditionele valuta’s betreffen of dat zij daarentegen tevens is gericht op handelingen waarbij een andere valuta betrokken is.

47      Gezien deze taalkundige verschillen, kan de strekking van die uitdrukking niet worden vastgesteld op basis van een letterlijke uitlegging alleen. Deze uitdrukking moet worden uitgelegd op basis van de context waarin zij wordt gebruikt, alsook van de doelstellingen en de opzet van de btw-richtlijn (zie arresten Velvet & Steel Immobilien, C‑455/05, EU:C:2007:232, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Commissie/Spanje, C‑189/11, EU:C:2013:587, punt 56).

48      Zoals hierboven in de punten 36 en 37 van dit arrest in herinnering is geroepen, hebben de vrijstellingen in artikel 135, lid 1, onder e), van de btw-richtlijn met name tot doel de moeilijkheden te verhelpen in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag en het bedrag van de aftrekbare btw, die ontstaan bij de belasting van financiële handelingen.

49      De handelingen betreffende niet-traditionele valuta’s, dat wil zeggen andere dan de munten die in een of meerdere landen het wettelijke betaalmiddel vormen, voor zover deze valuta’s door de partijen bij een transactie zijn aanvaard als alternatief betaalmiddel op de wettelijke betaalmiddelen en geen andere doel hebben dan te worden gebruikt als betaalmiddel, vormen financiële handelingen.

50      Daarenboven kunnen, zoals Hedqvist ter terechtzitting in wezen heeft betoogd, in het bijzondere geval van handelingen als wisselhandelingen, de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag en het bedrag van de aftrekbare btw, dezelfde zijn, of het nu gaat om het wisselen van traditionele valuta’s, die normaliter zijn vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, onder e), van de btw-richtlijn, of het inwisselen van dergelijke valuta’s tegen virtuele valuta’s met „bidirectional flow”, die, zonder een wettig betaalmiddel te zijn, een betaalmiddel vormen dat door de partijen bij een transactie wordt geaccepteerd, en omgekeerd.

51      Uit de context en de doelstelling van dit artikel 135, lid 1, onder e), volgt dus dat deze bepaling gedeeltelijk zou worden uitgehold indien zij aldus wordt opgevat dat zij enkel is gericht op handelingen die betrekking hebben op de traditionele valuta’s.

52      In het hoofdgeding staat vast dat de virtuele valuta „bitcoin” enkel tot doel heeft als betaalmiddel te worden gebruikt en met dat doel door sommige marktdeelnemers wordt geaccepteerd.

53      Dientengevolge moet worden vastgesteld dat artikel 135, lid 1, onder e), van de btw-richtlijn tevens is gericht op diensten, zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die bestaan in het inwisselen van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd, en worden verricht tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten.

54      Wat in de laatste plaats de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn betreft, hoeft er enkel aan te worden herinnerd dat deze bepaling met name ziet op handelingen inzake „aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen [en] obligaties”, dus titels die een eigendomsrecht op een rechtspersoon verlenen, alsook op „andere waardepapieren” die als naar hun aard vergelijkbaar zijnde moeten worden beschouwd met de titels die specifiek in deze bepaling worden genoemd (arrest Granton Advertising, C‑461/12, EU:C:2014:1745, punt 27).

55      Het staat echter vast dat de virtuele valuta „bitcoin” noch een titel vormt die een eigendomsrecht op rechtspersonen verleent, noch een titel van een vergelijkbare aard.

56      De handelingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn vallen dan ook niet binnen de werkingssfeer van de vrijstellingen in artikel 135, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn.

57      Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat:

–        artikel 135, lid 1, onder e), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat diensten zoals die aan de orde in het hoofdgeding – die bestaan in het inwisselen van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd, die worden verricht tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten –, van de btw vrijgestelde handelingen vormen in de zin van deze bepaling;

–        artikel 135, lid 1, onder d), en f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat dergelijke diensten niet binnen de werkingssfeer van deze bepalingen vallen.

Kosten

58      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat handelingen zoals die aan de orde in het hoofdgeding – die bestaan in het inwisselen van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd, die worden verricht tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta’s koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten –, diensten onder bezwarende titel in de zin van deze bepaling vormen.

2)      Artikel 135, lid 1, onder e), van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat diensten zoals die aan de orde in het hoofdgeding – die bestaan in het inwisselen van traditionele valuta’s tegen eenheden van de virtuele valuta „bitcoin” en omgekeerd, die worden verricht tegen betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten –, van de btw vrijgestelde handelingen vormen in de zin van deze bepaling.

Artikel 135, lid 1, onder d), en f), van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat dergelijke diensten niet binnen de werkingssfeer van deze bepalingen vallen.

ondertekeningen


* Procestaal: Zweeds.

ECLI:EU:C:2015:718