HvJ 23-04-2015 Property Development Company C-16/14

HvJ Property Development Company arrest

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

23 april 2015

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Zesde btw-richtlijn – Artikel 11, A – Bestemming van een goed die wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel – Bestemming van een gebouw voor een van btw vrijgestelde activiteit – Maatstaf van heffing voor deze bestemming – Intercalaire interest die bij de oprichting van het gebouw is betaald”

In zaak C‑16/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Beroep te Gent (België) bij beslissing van 7 januari 2014, ingekomen bij het Hof op 16 januari 2014, in de procedure

Property Development Company NV

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič (rapporteur), kamerpresident, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Property Development Company NV, vertegenwoordigd door M. Vanden Broeck en S. Geluyckens, advocaten,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en J.‑C. Halleux als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Paraskevopoulou en M. Skorila als gemachtigden,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door S. Hartikainen als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Lozano Palacios en G. Wils als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11, A, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Property Development Company NV (hierna: „Prodeco”) en de Belgische Staat over de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) die is geheven naar aanleiding van de bestemming van een gebouw voor verhuur.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        De Zesde richtlijn is per 1 januari 2007 ingetrokken en vervangen door richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1). Gelet op de datum van de feiten in het hoofdgeding blijft op het hoofdgeding evenwel de Zesde richtlijn van toepassing.

4        Artikel 2 van de Zesde richtlijn luidde:

„Aan de [btw] zijn onderworpen:

1.      de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

2.      de invoer van goederen.”

5        Artikel 4 van deze richtlijn bepaalde:

„1.      Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht […].

2.      De in lid 1 bedoelde economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter […]. Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

[…]”

6        Hoofdstuk V van de Zesde richtlijn had als titel „Belastbare handelingen” en bestond uit de artikelen 5 tot en met 7 van deze richtlijn, met respectievelijk de opschriften „Levering van goederen”, „Diensten” en „Invoer”.

7        Artikel 5 van de Zesde richtlijn bepaalde:

„1.      Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.

[…]

6.      Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt, ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de [btw] is ontstaan. Onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster, worden niet als zodanig beschouwd.

7.      De lidstaten kunnen met een levering onder bezwarende titel gelijkstellen:

a)      het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van een goed dat in het kader van zijn bedrijf is vervaardigd, gebouwd, gewonnen, bewerkt, aangekocht of ingevoerd, indien het van een andere belastingplichtige betrekken van een dergelijk goed hem geen recht zou geven op volledige aftrek van de [btw];

b)      het door een belastingplichtige voor een niet-belaste sector van zijn bedrijfsuitoefening bestemmen van een goed, voor zover bij de verwerving van dat goed of bij de bestemming ervan overeenkomstig het bepaalde onder a) recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de [btw] is ontstaan;

[…]”

8        Artikel 11 van deze richtlijn bepaalde:

„A.      In het binnenland

1.      De maatstaf van heffing is:

a)      voor andere goederenleveringen en diensten dan hierna bedoeld onder b), c) en d): alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde […]

b)      voor de in artikel 5, leden 6 en 7, bedoelde handelingen: de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop deze handelingen worden uitgevoerd;

[…]

2.      In de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen:

a)      belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de [btw] zelf;

b)      bijkomende kosten, zoals kosten van commissie, verpakking, vervoer en verzekering, die de leverancier in rekening brengt aan de koper of de ontvanger. Uitgaven die bij afzonderlijke overeenkomst zijn geregeld mogen door de lidstaten als bijkomende kosten worden beschouwd.

[…]”

9        De artikelen 18, 73 en 74 van richtlijn 2006/112 komen overeen met de artikelen 5, lid 7, 11, A, lid 1, onder a), respectievelijk 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn.

Belgisch recht

10      Artikel 12, § 1, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 17 juli 1969, blz. 7046), zoals van toepassing ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (hierna: „WBTW”), bepaalt:

„Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld:

[…]

3°      de ingebruikneming door een belastingplichtige, als bedrijfsmiddel, van een goed dat hij anders dan als bedrijfsmiddel heeft opgericht, heeft laten oprichten, heeft vervaardigd, heeft laten vervaardigen, heeft verkregen of heeft ingevoerd of waarvoor, met toepassing van de belasting, te zijnen bate zakelijke rechten […] werden gevestigd of aan hem werden overgedragen of wederovergedragen, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;

[…]”

11      Met dit artikel 12, § 1, 3°, heeft de Belgische wetgever willen gebruikmaken van de bij artikel 5, lid 7, onder a) en b), van de Zesde richtlijn geboden mogelijkheid.

12      Artikel 26 WBTW luidt:

„Voor de leveringen van goederen en de diensten wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.

Tot de maatstaf van heffing behoren onder meer de sommen die de leverancier van het goed of de dienstverrichter aan degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt in rekening brengt als kosten van commissie, verzekering en vervoer, ongeacht of zulks al dan niet bij een afzonderlijk debetdocument wordt gedaan of ingevolge een afzonderlijke overeenkomst.

Belastingen, rechten en heffingen moeten eveneens in de maatstaf van heffing worden opgenomen.”

13      Artikel 33, § 1, WBTW bepaalt:

„De maatstaf van heffing is:

1°      voor de handelingen bedoeld in […] artikel 12 de aankoopprijs van de goederen, of soortgelijke goederen, of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, in voorkomend geval rekening houdend met het tweede lid en derde lid van artikel 26 […] bepaald op het tijdstip waarop die handelingen worden verricht;

[…]”

14      Artikel 22 bis, eerste alinea, van het Koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen (Belgisch Staatsblad van 19 oktober 1976, blz. 13460), alsmede artikel 38 van het Koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen (Belgisch Staatsblad van 6 februari 2001, blz. 3008) luiden:

„In de aanschaffingswaarde van immateriële en materiële vaste activa mag de rente op vreemd vermogen dat wordt gebruikt voor hun financiering worden opgenomen, doch slechts voor zover zij betrekking heeft op de periode welke de bedrijfsklaarheid van deze vaste activa voorafgaat.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15      Prodeco heeft tussen 1991 en 1994 een kantoorgebouw doen oprichten met de bedoeling dat gebouw te verkopen. Bijgevolg heeft zij dat gebouw als voorraad geboekt. Bij de waardering van de voorraad heeft Prodeco overeenkomstig de door haar vastgestelde waarderingsregels de intercalaire interest mee geactiveerd.

16      Deze intercalaire interest was interest die tegen het tarief van de voor de oprichting van dat gebouw aangegane lening was betaald over de leenbedragen die tijdens de bouw zijn vrijgegeven.

17      De btw die Prodeco had voldaan over de goederenleveringen en diensten die zij voor de oprichting van het gebouw had betrokken, heeft zij afgetrokken.

18      In afwachting van de verkoop van het betrokken gebouw, die uiteindelijk in 2000 heeft plaatsgevonden, heeft Prodeco in 1995 en in de daaropvolgende jaren delen van dat gebouw verhuurd. Tijdens deze economische activiteit heeft Prodeco in haar belastingaangiften artikel 12, § 1, 3°, WBTW niet toegepast, hetgeen bij een controle door de Belgische belastingadministratie in 1998 is gekwalificeerd als een inbreuk op deze bepaling.

19      Prodeco heeft een deel van het door de Belgische belastingadministratie gevorderde btw-bedrag betaald, zijnde een som van 1 178 489 EUR, die overeenkomt met het totaal van de eerder afgetrokken btw op de inkomende facturen voor de oprichting van het kantoorgebouw.

20      Zij heeft evenwel geweigerd het andere deel te betalen van het btw-bedrag dat ook door de Belgische belastingadministratie werd gevorderd, zijnde een som van 554 416,67 EUR. Dat bedrag was berekend op basis van de interest die Prodeco had betaald voor de lening ter financiering van de oprichting van het kantoorgebouw.

21      In 2004 is aan Prodeco een dwangbevel tot betaling van dit laatste btw-bedrag betekend. Prodeco heeft tegen dat dwangbevel verzet gedaan bij de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, die het verzet bij vonnis van 9 mei 2008 heeft afgewezen.

22      Prodeco heeft hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld bij het Hof van Beroep te Antwerpen. Bij arrest van 16 februari 2010 heeft dat Hof het hoger beroep gegrond verklaard met betrekking tot de intercalaire interest die, aldus dat Hof, geen deel uitmaakt van de maatstaf van heffing ingeval artikel 12, § 1, 3°, van toepassing is.

23      De Belgische belastingadministratie heeft cassatieberoep tegen dat arrest ingesteld. Bij arrest van 19 januari 2012 heeft het Hof van Cassatie dat arrest vernietigd voor zover daarbij uitspraak was gedaan over de intercalaire interest, en de zaak naar het Hof van Beroep te Gent verwezen.

24      Het Hof van Beroep te Gent merkt op dat het Hof van Cassatie zich in de motivering van zijn oordeel dat de intercalaire interest in de maatstaf van heffing moet worden opgenomen, heeft gebaseerd op het arrest Muys’ en De Winter’s Bouw- en Aannemingsbedrijf (C‑281/91, EU:C:1993:855). In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een leverancier van goederen of een dienstverrichter zijn afnemer tot aan het ogenblik van levering uitstel van betaling van de prijs verleent tegen betaling van interest, deze interest deel uitmaakt van de tegenprestatie voor de goederenlevering of de dienst in de zin van artikel 11, A, lid 1, onder a), van de Zesde richtlijn.

25      Het Hof van Beroep te Gent is van oordeel dat hoewel het Hof van Cassatie zich duidelijk heeft uitgesproken, de vraag blijft of de intercalaire interest in aanmerking moet worden genomen.

26      Volgens het Hof van Beroep te Gent is het arrest Muys’ en De Winter’s Bouw- en Aannemingsbedrijf (C‑281/91, EU:C:1993:855) betreffende de uitlegging van artikel 11, A, lid 1, onder a), van de Zesde richtlijn niet noodzakelijk relevant in een geval als in het hoofdgeding. De intercalaire interest moet veeleer worden beschouwd als deel van de „kostprijs”, die een van de referentiewaarden is van artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn, dan wel als „bijkomende kosten” in de zin van dat artikel 11, A, lid 2, worden aangemerkt.

27      Voor deze conclusie pleit artikel 35, lid 4, van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB L 222, blz. 11). Deze bepaling, die in Belgisch recht is omgezet in artikel 22 bis, eerste alinea, van het Koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, bepaalde dat „[r]ente op vreemd vermogen dat wordt gebruikt voor de financiering van de productie van vaste activa […] in de vervaardigingskosten [mag] worden opgenomen voor zover zij op de productieperiode betrekking heeft”.

28      Overigens dient ook het neutraliteitsbeginsel in aanmerking te worden genomen. In dit verband vestigt het Hof van Beroep te Gent de aandacht erop dat de intercalaire interest niet aan btw is onderworpen en dus, anders dan de goederenleveringen en de diensten die voor de oprichting van het kantoorgebouw noodzakelijk waren, geen aanleiding tot aftrek van btw heeft gegeven.

29      Daarom heeft het Hof van Beroep te Gent de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Maakt de intercalaire interest die overeenkomstig artikel 35, lid 4, van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) (van de Raad van 25 juli 1978) in de vervaardigingskosten mag worden opgenomen voor zover zij op de productieperiode betrekking heeft, deel uit van de maatstaf van heffing van een onttrekking zoals bedoeld in artikel 5, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) (van de Raad van 17 mei 1977), met name van de ,kostprijs’ bepaald in artikel 11, A, lid 1, onder b), van die Zesde richtlijn en/of de bijkomende kosten bedoeld in artikel 11, A, lid 2, van die Zesde richtlijn?”

30      Bij brief van 8 oktober 2014 heeft de griffie van het Hof de verwijzende rechter in een verzoek om verduidelijking met name gevraagd of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastbare handeling naar het oordeel van deze rechter een situatie uitmaakt als bedoeld in artikel 5, lid 6, van de Zesde richtlijn of veeleer een situatie als bedoeld in lid 7 van dat artikel. De verwijzende rechter werd ook verzocht na te gaan of de in het hoofdgeding relevante referentiewaarde de kostprijs dan wel de aankoopprijs van soortgelijke goederen is.

31      In zijn antwoord, dat op 11 februari 2015 bij het Hof is ingekomen, heeft de verwijzende rechter verduidelijkt dat de bestemming door Prodeco van het betrokken gebouw voor de van btw vrijgestelde economische activiteit bestaande in de verhuur van dat gebouw een situatie uitmaakt als bedoeld in artikel 5, lid 7, onder b), van de Zesde richtlijn en dat van de referentiewaarden vermeld in artikel 11, A, van de Zesde richtlijn de voor de beslechting van het hoofdgeding relevante waarde de aankoopprijs van soortgelijke goederen in de zin van dat artikel 11, A, lid 1, onder b), is.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

32      Gelet op het antwoord van de verwijzende rechter op het verzoek om verduidelijking van het Hof dient de prejudiciële vraag aldus te worden begrepen dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat in een geval als in het hoofdgeding de maatstaf van heffing voor de berekening van de btw over een bestemming, in de zin van artikel 5, lid 7, onder b), van deze richtlijn, van een gebouw dat de belastingplichtige heeft doen oprichten, de bij de oprichting betaalde intercalaire interest moet omvatten.

33      Allereerst zij eraan herinnerd dat de regel van artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn, die voorschrijft dat de maatstaf van heffing voor de in artikel 5, leden 6 en 7, van deze richtlijn bedoelde handelingen gelijk is aan „de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop deze handelingen worden uitgevoerd”, een afwijking vormt van de algemene regel van artikel 11, A, lid 1, onder a), van deze richtlijn, die bepaalt dat voor de aan btw onderworpen handelingen de maatstaf van heffing bestaat uit „alles wat de leverancier of dienstverrichter […] als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde” (zie naar analogie, met betrekking tot de artikelen 73 en 74 van richtlijn 2006/112, arrest Marinov, C‑142/12, EU:C:2013:292, punt 31).

34      De in artikel 5, leden 6 en 7, van de Zesde richtlijn bedoelde handelingen bestaan immers in met name onttrekkingen van goederen door een belastingplichtige voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel of, zoals in casu, bestemmingen voor een van btw vrijgestelde economische activiteit. In al deze gevallen van gelijkstelling met een levering onder bezwarende titel verkrijgt deze belastingplichtige van een koper, een ontvanger of een derde geen daadwerkelijke tegenprestatie die kan dienen als maatstaf van heffing voor de berekening van de btw, met als gevolg dat de algemene regel van artikel 11, A, lid 1, onder a), van deze richtlijn niet van toepassing kan zijn (zie in die zin arrest Campsa Estaciones de Servicio, C‑285/10, EU:C:2011:381, punten 26 en 27).

35      Vervolgens zij opgemerkt dat in de veronderstelling dat de goederen die voorwerp zijn van een onttrekking of een bestemming in de zin van artikel 5, leden 6 en 7, van de Zesde richtlijn, zijn aangekocht door de belastingplichtige, de maatstaf van heffing voor de berekening van de btw over deze onttrekking of bestemming overeenkomstig artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn de aankoopprijs van deze goederen is. Daartoe dient onder de „aankoopprijs van de goederen” te worden verstaan de restwaarde van de goederen op het tijdstip van de onttrekking of bestemming ervan (arresten Fischer en Brandenstein, C‑322/99 en C‑323/99, EU:C:2001:280, punt 80, en Marinov, C‑142/12, EU:C:2013:292, punt 32).

36      Aangaande het in diezelfde bepaling genoemde criterium van de „aankoopprijs van soortgelijke goederen” volgt uit de in het vorige punt gegeven uitlegging dat dit criterium het mogelijk maakt de maatstaf van heffing voor een onttrekking of bestemming in de zin van artikel 5, leden 6 en 7, van de Zesde richtlijn te bepalen in gevallen waarin de belastingplichtige de goederen die voorwerp van deze onttrekking of bestemming zijn, niet heeft verworven door ze aan te kopen.

37      Voor het overige vloeit uit dat artikel 11, A, lid 1, onder b), ondubbelzinnig voort dat de maatstaf van heffing, zo er geen aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen is, de „kostprijs” is.

38      Bijgevolg heeft de verwijzende rechter in het hoofdgeding, dat ziet op een bestemming in de zin van artikel 5, lid 7, onder b), van de Zesde richtlijn van een gebouw dat de belastingplichtige niet heeft aangekocht maar heeft doen optrekken en waarvoor op de markt soortgelijke goederen bestaan, geheel in overeenstemming met artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn vastgesteld dat de maatstaf van heffing voor de berekening van de btw over deze bestemming gelijk is aan de aankoopprijs van soortgelijke gebouwen op het tijdstip van deze bestemming.

39      Voor de berekening van de btw op basis van deze maatstaf van heffing is het van belang dat de goederen waarvan de aankoopprijs als criterium geldt, gebouwen zijn waarvan de ligging, de omvang en de andere wezenlijke kenmerken vergelijkbaar zijn met die van het betrokken gebouw (zie naar analogie arrest Gemeente Vlaardingen, C‑299/11, EU:C:2012:698, punt 30).

40      Daarentegen is van geen belang of de aankoopprijs van de soortgelijke gebouwen de intercalaire interest omvat die in voorkomend geval is betaald bij de oprichting van die gebouwen. Anders dan voor het criterium van de kostprijs, die ingevolge artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn als maatstaf van heffing geldt zo er geen aankoopprijs is, stelt het criterium van de aankoopprijs van soortgelijke goederen de belastingoverheid immers in staat om zich te baseren op de marktprijzen voor dit soort goederen op het tijdstip van de bestemming van het betrokken gebouw, zonder dat in detail behoeft te worden onderzocht welke waardecomponenten tot deze prijzen hebben geleid.

41      Om dezelfde reden speelt de intercalaire interest die de belastingplichtige zelf heeft betaald bij de oprichting van het betrokken gebouw, in een geval als in het hoofdgeding geen rol bij de bepaling van de maatstaf van heffing.

42      Ten slotte zij eraan herinnerd dat de maatstaf van heffing zoals bedoeld in artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn in geen geval een waarde kan omvatten waarover de belastingplichtige reeds btw heeft voldaan zonder die vervolgens te hebben kunnen aftrekken. Het is de taak van de nationale rechter om op dit punt het een en het ander na te gaan (arresten Gemeente Vlaardingen, C‑299/11, EU:C:2012:698, punten 31‑33, en Gemeente ’s-Hertogenbosch, C‑92/13, EU:C:2014:2188, punt 35).

43      Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat in een geval als in het hoofdgeding de maatstaf van heffing voor de berekening van de btw over een bestemming, in de zin van artikel 5, lid 7, onder b), van deze richtlijn, van een gebouw dat de belastingplichtige heeft doen oprichten, gelijk is aan de aankoopprijs die op het tijdstip van deze bestemming gold voor gebouwen waarvan de ligging, de omvang en de andere wezenlijke kenmerken te vergelijken zijn met die van het betrokken gebouw. Daarbij is van geen belang of een deel van deze aankoopprijs het gevolg is van de betaling van intercalaire interest.

Kosten

44      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 11, A, lid 1, onder b), van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat in een geval als in het hoofdgeding de maatstaf van heffing voor de berekening van de belasting over de toegevoegde waarde over een bestemming, in de zin van artikel 5, lid 7, onder b), van deze richtlijn, van een gebouw dat de belastingplichtige heeft doen oprichten, gelijk is aan de aankoopprijs die op het tijdstip van deze bestemming gold voor gebouwen waarvan de ligging, de omvang en de andere wezenlijke kenmerken te vergelijken zijn met die van het betrokken gebouw. Daarbij is van geen belang of een deel van deze aankoopprijs het gevolg is van de betaling van intercalaire interest.

 

ECLI:EU:C:2015:265

Geplaatst in Arresten en getagd met , , , , , , , , , , , .