HvJ 26-05-2005 Kingscrest Associates en Montecello C-498/03

HvJ Kingscrest Associates en Montecello arrest

1)      Het woord „charitable” in de Engelse taalversie van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn, is een autonoom communautair rechtsbegrip dat moet worden uitgelegd met inachtneming van alle taalversies van deze richtlijn.

2)      Het begrip „organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend” in artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn sluit particuliere entiteiten met winstoogmerk niet uit.

3)      Het staat aan de nationale rechter om uit te maken of, gelet met name op de beginselen van gelijke behandeling en fiscale neutraliteit, en rekening houdend met de aard van de betrokken diensten, alsmede met de voorwaarden voor de verrichting ervan, de erkenning als instelling van sociale aard met het oog op de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn, van een particuliere entiteit die het maken van winst beoogt en dus naar nationaal recht geen „charity” is, buiten de grenzen van de bij deze bepalingen voor een dergelijke erkenning aan de lidstaten verleende beoordelingsmarge treedt.

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

26 mei 2005 (*)

„Zesde BTW-richtlijn – Artikel 13, A, lid 1, sub g en h – Vrijgestelde handelingen – Met maatschappelijk werk en sociale zekerheid nauw samenhangende diensten – Met bescherming van kinderen en jongeren nauw samenhangende diensten – Diensten verricht door andere dan publiekrechtelijke instellingen die door betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend – Particuliere entiteit met winstoogmerk – Begrip sociale aard”

In zaak C‑498/03,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door VAT and Duties Tribunal, London (Verenigd Koninkrijk), bij beschikking van 10 juni 2003, ingekomen bij het Hof op 26 november 2003, in de procedure

Kingscrest Associates Ltd,

Montecello Ltd

tegen

Commissioners of Customs & Excise,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, A. Borg Barthet, A. La Pergola, J. Malenovský en A. Ó Caoimh (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 januari 2005,

gelet op de opmerkingen van:

–        Kingscrest Associates Ltd en Montecello Ltd, vertegenwoordigd door A. Hitchmough, barrister, geïnstrueerd door C. Mainprice, solicitor,

–        het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door K. Manji en C. White als gemachtigden, bijgestaan door N. Paines, QC, en P. Mantle, barrister,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2005,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, Kingscrest Associates Ltd en Montecello Ltd, en, anderzijds, Commissioners of Customs & Excise (hierna: „Commissioners”), de in het Verenigd Koninkrijk voor de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) bevoegde autoriteit, betreffende de vrijstelling van BTW voor de diensten verricht door Kingscrest Residential Care Homes (hierna: „Kingscrest”), een door verzoeksters in het hoofdgeding opgerichte personenvennootschap („partnership”) voor de exploitatie van verzorgingstehuizen in het Verenigd Koninkrijk, terwijl volgens laatstgenoemden deze diensten wél aan BTW moeten worden onderworpen.

Toepasselijke bepalingen

Bepalingen van gemeenschapsrecht

3        Artikel 13, A, lid 1, van de Zesde richtlijn bepaalt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[…]

g)      diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, inclusief die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend [‚recognized as charitable’];

h)      diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend [‚recognized as charitable’];

[…]”

4        Artikel 13, A, lid 2, van de Zesde richtlijn luidt:

„2.      a)     De lidstaten kunnen de verlening van elk der in lid 1, sub b, g, h, i, l, m, en n, bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval, afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:

–        de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; wordt er wel winst gemaakt, dan mag deze niet worden uitgekeerd, maar moet zij worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verleend,

–        […]”

Bepalingen van nationaal recht

Nationale regeling voor de registratie van personen die verzorgingstehuizen exploiteren

5        Vóór 1 april 2002 was de registratie, door de bevoegde plaatselijke autoriteiten, van verzorgingstehuizen voor volwassenen geregeld bij de wet van 1984 betreffende de erkende verzorgingstehuizen (Registered Homes Act 1984) en die van kindertehuizen bij de wet van 1989 op de kinderbescherming (Children Act 1989). Sinds 1 april 2002 voorziet de wet van 2000 betreffende verzorgingsnormen (Care Standards Act 2000) in de registratie door de National Care Standards Commission (Nationale commissie voor verzorgingsnormen) van de personen of entiteiten die deze tehuizen exploiteren.

6        In de Care Standards Act 2000 wordt een „kindertehuis” omschreven als een instelling die uitsluitend of hoofdzakelijk aan kinderen zorgen en huisvesting verstrekt. Een „opvangtehuis” wordt erin omschreven als een instelling die huisvesting en verpleging of persoonlijke verzorging biedt aan personen die dat nodig hebben wegens een huidige of vroegere ziekte, hun huidige of vroegere geestestoestand, een gebrek of handicap, dan wel hun huidige of vroegere afhankelijkheid van alcohol of drugs.

7        Conform de Care Standards Act 2000 moeten personen of entiteiten die een kindertehuis of een opvangtehuis exploiteren bij de National Care Standards Commission zijn geregistreerd. Enkel wanneer volgens bedoelde Commission is voldaan aan de wettelijke voorwaarden, kan de registratie-aanvraag worden toegewezen. De registratie kan achteraf ongedaan worden gemaakt, met name bij overtreding door de aanvrager van de Care Standards Act 2000, de Registered Homes Act 1984 of de Children Act 1989, of wanneer de instelling niet overeenkomstig de vereisten van de Care Standards Act 2000 of enige andere relevante wet wordt bestuurd.

8        De National Care Standards Commission kan steeds informatie over een instelling opvragen, er controles ter plaatse verrichten, bescheiden inkijken of meenemen en met het personeel en met de inwoners, mits die daarmee instemmen, een persoonlijk gesprek voeren.

9        De Care Standards Act 2000 vormt voor de nationale autoriteiten de noodzakelijke rechtsgrondslag om voorschriften met eventueel aanvullende vereisten vast te stellen of om mededelingen met betrekking tot nationale minimumnormen voor deze instellingen bekend te maken.

Nationale bepalingen inzake BTW

10      Ingevolge de BTW-wet van 1994 (Value Added Tax Act 1994; hierna: „VAT Act”) kunnen diensten van sociale aard van BTW worden vrijgesteld.

11      Vóór 21 maart 2002 voorzag bijlage 9, groep 7, punt 9, bij de VAT Act alleen in een vrijstelling voor door een „charity” of een publiekrechtelijk lichaam zonder winstoogmerk verrichte diensten van sociale aard en daarmee verband houdende leveringen van goederen.

12      Naar nationaal recht kan een „charity” uitsluitend voor liefdadige doeleinden worden opgericht et mag zij dus geen winst nastreven.

13      Ingevolge bijlage 9, groep 7, punt 9, bij de VAT Act, zoals gewijzigd bij het besluit betreffende de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing inzake sociale bescherming en gezondheid [Value Added Tax (Health and Welfare) Order 2002 (SI 2002/762); hierna: „gewijzigde VAT Act”], worden vrijgesteld „diensten van sociale aard en daarmee verband houdende leveringen van goederen die worden verricht door:

a)      een ‚charity’,

b)      een door de staat gereglementeerde particuliere instelling met een sociaal oogmerk,

c)      een publiekrechtelijk lichaam”.

14      Volgens noot 6 betreffende groep 7 van de gewijzigde VAT Act worden de diensten van sociale aard waarvoor vrijstelling geldt omschreven als diensten die rechtstreeks verband houden met verzorging, behandeling of begeleiding ter bevordering van het lichamelijke of geestelijke welzijn van bejaarden, zieken, hulpbehoevenden of gehandicapten en met de bescherming van kinderen of jongeren.

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

15      Verzoeksters in het hoofdgeding hebben de personenvennootschap Kingscrest opgericht voor de exploitatie van verzorgingstehuizen in het Verenigd Koninkrijk. Kingscrest beoogt het maken van winst en is dus geen „charity” in de zin van de nationale regeling. Zij exploiteert vier tehuizen, die alle vroeger door de bevoegde plaatselijke autoriteiten krachtens de Registered Homes Act 1984 of de Children Act 1989 waren geregistreerd, en thans krachtens de Care Standards Act 2000 zijn geregistreerd.

16      Volgens de verwijzingsbeschikking is onbetwist dat de door Kingscrest verrichte diensten „diensten van sociale aard” zijn in de zin van bijlage 9, groep 7, punt 9, bij de gewijzigde VAT Act, en dat deze vennootschap een „door de staat gereglementeerde particuliere instelling met een sociaal oogmerk” is, eveneens in de zin van deze bepaling.

17      Tot en met 21 maart 2002 waren de diensten van Kingscrest onderworpen aan BTW. Daarna zijn zij bij beslissing van de Commissioners van BTW vrijgesteld, op grond dat deze vennootschap overeenkomstig het voormelde punt 9 sinds die datum geen belastbare diensten meer verricht.

18      Verzoeksters in het hoofdgeding hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld op grond dat bijlage 9, groep 7, punt 9, bij de gewijzigde VAT Act niet in overeenstemming is met artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn. Met de invoering van het begrip „door de staat gereglementeerde particuliere instelling met een sociaal oogmerk”, is de nationale regeling buiten de grenzen getreden van wat bij de Zesde richtlijn is toegestaan.

19      De Commissioners hebben geantwoord dat de term „charitable” in artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn naar een communautair rechtsbegrip verwijst dat niet dezelfde betekenis heeft als „charitable” in het nationale recht. De „organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend [‚recognized as charitable’]”, kunnen in de zin van deze bepaling instellingen omvatten die zijn geregistreerd krachtens de Registered Homes Act 1984, de Children Act 1989 of de Care Standards Act 2000.

20      In deze omstandigheden heeft het VAT and Duties Tribunal, London, beslist de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:

„1)      Mag een beroep worden gedaan op andere taalversies van de Zesde richtlijn […] om de betekenis van het woord ‚charitable’ [in de Engelse taalversie van] artikel 13, A, lid 1, sub g en h, te bepalen of heeft dit woord dezelfde betekenis als in het nationale recht?

2)      Indien artikel 13, A, lid 1, sub g en h, [van de Zesde richtlijn] aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een organisatie die als een instelling van sociale aard is erkend, brengt dit dan mee dat het tevens van toepassing is op een entiteit met winstoogmerk zoals het ‚partnership’ Kingscrest verzorgingstehuizen?

3)      Moet artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de [Zesde] richtlijn aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten een discretionaire bevoegdheid verleent om een organisatie die overeenkomstig de Care Standards Act 2000 (dan wel de Registered Homes Act 1984 of de Children Act 1989) is geregistreerd, doch geen publiekrechtelijk lichaam is en naar het nationale recht van de betrokken lidstaat geen [‚charity’] is, te erkennen voor de toepassing van artikel 13, A, lid 1, sub g en h?”

De prejudiciële vragen

De eerste vraag

21      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het woord „charitable” in de Engelse taalversie van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn een eigen omschrijving moet krijgen ten opzichte van die in het nationale recht, en, zo ja, of bij de uitlegging van dit woord met alle taalversies van de Zesde richtlijn rekening moet worden gehouden.

22      In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn autonome communautaire rechtsbegrippen zijn en derhalve een communautaire definitie dienen te krijgen (zie arresten van 12 september 2000, Commissie/Ierland, C‑358/97, Jurispr. blz. I‑6301, punt 51; 12 juni 2003, Sinclair Collis, C‑275/01, Jurispr. blz. I‑5965, punt 22, en 18 november 2004, Temco Europe, C‑284/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 16).

23      Dit moet eveneens gelden voor de specifieke voorwaarden die worden gesteld om voor deze vrijstellingen in aanmerking te komen en, in het bijzonder, voor de voorwaarden betreffende de hoedanigheid of de identiteit van de ondernemer die vrijgestelde diensten verricht (arrest van 11 augustus 1995, Bulthuis-Griffioen, C‑453/93, Jurispr. blz. I‑2341, punt 18).

24      Zoals het Hof immers reeds heeft geoordeeld, stellen de lidstaten ingevolge de aanhef van artikel 13, A, lid 1, van de Zesde richtlijn wel de voorwaarden voor de vrijstellingen vast om een juiste en eenvoudige toepassing daarvan te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, maar kunnen deze voorwaarden niet de materiële omschrijving van die vrijstellingen betreffen (arrest van 20 juni 2002, Commissie/Duitsland, C‑287/00, Jurispr. blz. I‑5811, punt 50).

25      In dat licht kan niet van de kwalificatie van een handeling in het nationale recht afhankelijk zijn of die handeling aan BTW wordt onderworpen dan wel daarvan wordt vrijgesteld (zie arresten van 11 januari 2001, Commissie/Frankrijk, C‑76/99, Jurispr. blz. I‑249, punt 26, en 16 januari 2003, Maierhofer, C‑315/00, Jurispr. blz. I‑563, punt 26).

26      Verder brengt volgens vaste rechtspraak het vereiste van een uniforme uitlegging van de gemeenschapsrichtlijnen mee, dat de tekst van een bepaling in geval van twijfel niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere officiële talen (arresten van 2 april 1998, EMU Tabac e.a., C‑296/95, Jurispr. blz. I‑1605, punt 36, en 17 juni 1998, Mecklenburg, C‑321/96, Jurispr. blz. I‑3809, punt 29).

27      In deze omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord dat het woord „charitable” in de Engelse taalversie van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn een autonoom communautair rechtsbegrip is dat moet worden uitgelegd met inachtneming van alle taalversies van deze richtlijn.

De tweede vraag

28      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend” in artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn ook voor particuliere entiteiten met winstoogmerk geldt.

29      Er zij aan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn eng moeten worden uitgelegd, daar zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie met name arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 43; arrest van 20 november 2003, Taksatorringen, C‑8/01, Jurispr. blz. I‑13711, punt 36, en arrest Temco Europe, reeds aangehaald, punt 17). De uitlegging van de in deze bepaling gebezigde termen moet echter in overeenstemming zijn met de door bedoelde vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke BTW-stelsel, te eerbiedigen (arrest van 6 november 2003, Dornier, C‑45/01, Jurispr. blz. I‑12911, punt 42).

30      In dit verband, wat in de eerste plaats de met de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn beoogde doelstellingen betreft, blijkt uit deze bepaling dat het doel van die vrijstellingen erin bestaat bepaalde in de sociale sector verrichte diensten van algemeen belang op het gebied van BTW gunstiger te behandelen, en ze aldus goedkoper en bijgevolg toegankelijker te maken voor de particulieren die er recht op hebben.

31      Gelet op deze doelstelling, zij er om te beginnen aan herinnerd dat het commerciële karakter van een activiteit in de context van artikel 13, A, van de Zesde richtlijn niet uitsluit dat deze ook het karakter van een activiteit van algemeen belang kan hebben (arrest van 3 april 2003, Hoffmann, C‑144/00, Jurispr. blz. I‑2921, punt 38).

32      Verder zij vastgesteld dat het begrip „organisaties die als instellingen van sociale aard worden erkend” in artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn niet al te eng mag worden uitgelegd (zie, in deze zin, arrest Dornier, reeds aangehaald, punt 48).

33      Opgemerkt moet evenwel worden dat, in casu, behalve de Deense en de Zweedse versie van deze bepaling, die in wezen refereren aan het nastreven van het algemeen belang, geen enkele andere taalversie de vrijstellingen waarin deze bepaling voorziet uitsluitend aan entiteiten zonder winstoogmerk voorbehoudt.

34      Volgens een letterlijke uitlegging van deze andere taalversies van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn, volstaat voor de vrijstelling immers dat is voldaan aan twee voorwaarden, namelijk dat het diensten betreft die samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid of met de bescherming van kinderen en jongeren, en dat deze diensten worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat in wezen als instellingen van sociale aard worden erkend.

35      Het woord „organisatie” is in beginsel evenwel ruim genoeg om ook particuliere entiteiten met winstoogmerk te omvatten (zie, in deze zin, arrest van 7 september 1999, Gregg, C‑216/97, Jurispr. blz. I‑4947, punt 17, en arrest Hoffmann, reeds aangehaald, punt 24).

36      Zo zij opgemerkt dat het Hof met betrekking tot een particuliere entiteit die het maken van winst beoogt, reeds heeft geoordeeld dat de uitdrukking „andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend” in artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn, de natuurlijke personen die een „onderneming” exploiteren, niet van de vrijstelling uitsluit (zie arrest Gregg, reeds aangehaald, punt 21).

37      Verder moet worden vastgesteld, zoals de Commissie en het Verenigd Koninkrijk terecht betogen, dat de communautaire wetgever, wanneer het zijn bedoeling was de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, van de Zesde richtlijn aan bepaalde entiteiten zonder winstoogmerk of zonder commercieel karakter voor te behouden, dat uitdrukkelijk heeft vermeld, zoals blijkt uit bedoelde bepaling, sub l, m, en q.

38      Ten slotte zij opgemerkt dat artikel 13, A, lid 2, sub a, eerste streepje, van de Zesde richtlijn een aanvullende voorwaarde is die de lidstaten mogen stellen voor de verlening van bepaalde in artikel 13, A, lid 1, van deze richtlijn genoemde vrijstellingen (zie in deze zin arrest van 21 maart 2002, Zoological Society, C‑267/00, Jurispr. blz. I‑3353, punt 16), en de lidstaten dus toestaat, maar niet verplicht, de vrijstellingen van lid 1, sub g en h, voor te behouden aan andere dan publiekrechtelijke lichamen die niet systematisch het maken van winst beogen (arrest Hoffmann, reeds aangehaald, punt 38).

39      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, valt de voorwaarde in artikel 13, A, lid 2, sub a, eerste streepje, van de Zesde richtlijn, betreffende het niet systematisch beogen van het maken van winst, evenwel in wezen samen met het criterium instelling zonder winstoogmerk in artikel 13, A, lid 1, sub m, van deze richtlijn (arrest van 21 maart 2002, Kennemer Golf, C‑174/00, Jurispr. blz. I‑3293, punt 33).

40      In deze omstandigheden moet noodzakelijkerwijs worden aangenomen dat, wanneer de communautaire wetgever, zoals in artikel 13, A, lid 1, sub g en h, aan de betrokken vrijstellingen niet uitdrukkelijk de voorwaarde van het ontbreken van winstoogmerk heeft verbonden, het nastreven van winst de toepassing van deze vrijstellingen niet uitsluit, anders verliest artikel 13, A, lid 2, sub a, eerste streepje, van de Zesde richtlijn elke zin (zie in deze zin reeds aangehaalde arresten Kennemer Golf, punt 34, en Hoffmann, punt 38).

41      Wat, in de tweede plaats, het beginsel van fiscale neutraliteit betreft, zij eraan herinnerd dat dit beginsel zich er meer bepaald tegen verzet dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar in concurrentie staan, uit het oogpunt van de BTW verschillend worden behandeld (zie in deze zin arresten van 10 september 2002, Kügler, C‑141/00, Jurispr. blz. I‑6833, punt 30, en 23 oktober 2003, Commissie/Duitsland, C‑109/02, Jurispr. blz. I‑12691, punt 20).

42      Zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, wordt aan dit beginsel kennelijk voorbijgegaan wanneer, in het geval dat de nationale wetgever aan de vrijstelling niet de voorwaarde van artikel 13, A, lid 2, sub a, eerste streepje, van de Zesde richtlijn heeft verbonden, de in lid 1, sub g en h, van dit artikel 13, A, bedoelde sociale diensten op het gebied van BTW verschillend worden behandeld naargelang de entiteiten die ze verrichten al dan niet het maken van winst beogen.

43      Uit een en ander volgt dat het nastreven van winst niet de toepassing van de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn uitsluit.

44      Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat verzoeksters in het hoofdgeding het maken van winst beogen en dus naar nationaal recht geen „charity” zijn, terwijl in de Engelse versie van artikel 13, A, lid 1, sub g, en h, van de Zesde richtlijn de daarin genoemde vrijstellingen worden voorbehouden aan organisaties die als „charitable” zijn erkend. Zoals voortvloeit uit het antwoord op de eerste vraag, zijn de begrippen in de Zesde richtlijn immers autonome communautaire rechtsbegrippen en geen begrippen van nationaal recht.

45      Bijgevolg vallen verzoeksters in het hoofdgeding, daar zij de hoedanigheid hebben van organisatie die als instelling van sociale aard is erkend in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn, en hoewel zij het maken van winst beogen en naar nationaal recht dus geen „charity” zijn, onder de vrijstellingen waarin deze bepaling voorziet.

46      In dit verband zij opgemerkt dat verzoeksters in het hoofdgeding ter terechtzitting zelf hebben erkend dat het nastreven van winst weliswaar een relevant criterium is om uit te maken of een organisatie een instelling van sociale aard is in de zin van deze bepaling, maar deze aard geenszins uitsluit.

47      Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord dat het begrip „organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend” in artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn, particuliere entiteiten met winstoogmerk niet uitsluit.

De derde vraag

48      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de lidstaten over een discretionaire bevoegdheid beschikken om een particuliere entiteit met winstoogmerk die naar nationaal recht geen „charity” is, te erkennen als een instelling van sociale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn.

49      In dit verband moet om te beginnen worden geconstateerd dat artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn niet preciseert, onder welke voorwaarden en hoe de erkenning van andere dan publiekrechtelijke instellingen als instellingen van sociale aard dient te geschieden. In beginsel staat het dus aan het nationale rechtsstelsel van elke lidstaat om te bepalen volgens welke regels dergelijke organisaties kunnen worden erkend (zie in deze zin arrest Dornier, reeds aangehaald, punt 64).

50      Overigens voorziet artikel 13, A, lid 2, sub a, van de Zesde richtlijn in de vaststelling van nationale regels ter zake, nu het daarin heet dat „de lidstaten de verlening van elk der in lid 1, sub […] g, h, […] bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval, afhankelijk kunnen stellen van een of meer van de [verder in deze bepaling genoemde] voorwaarden” (zie in deze zin arrest Dornier, reeds aangehaald, punt 65).

51      Hieruit volgt dat artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn de lidstaten, zoals het Hof met betrekking tot de eerste van deze bepalingen reeds heeft geoordeeld (zie arrest Kügler, reeds aangehaald, punt 54), een beoordelingsmarge verleent om bepaalde, andere dan publiekrechtelijke, organisaties als instellingen van sociale aard te erkennen.

52      Uit de rechtspraak volgt evenwel ook dat, wanneer een belastingplichtige de erkenning als instelling van sociale aard betwist, het aan de nationale rechterlijke instanties staat om na te gaan of de bevoegde instanties binnen de grenzen van de door artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn toegekende beoordelingsmarge zijn gebleven en de beginselen van gemeenschapsrecht, met name het beginsel van gelijke behandeling, hebben toegepast (zie in deze zin reeds aangehaalde arresten Kügler, punt 56, en Dornier, punt 69).

53      In dit verband vloeit uit de rechtspraak voort dat de nationale autoriteiten, overeenkomstig het gemeenschapsrecht en met de mogelijkheid van toetsing door de nationale rechterlijke instanties, met name rekening moeten houden met specifieke bepalingen – op nationaal of regionaal vlak, van wettelijke of bestuursrechtelijke dan wel van fiscale of sociale aard –, het algemeen belang van de activiteiten van de betrokken belastingplichtige, het feit dat andere belastingplichtigen met dezelfde activiteiten reeds een soortgelijke erkenning hebben gekregen, alsmede het feit dat de kosten van de betrokken diensten eventueel grotendeels worden gedragen door ziekenfondsen of andere socialezekerheidsinstellingen (zie reeds aangehaalde arresten Kügler, punten 57 en 58, en Dornier, punt 72).

54      Verder zij eraan herinnerd dat het beginsel van fiscale neutraliteit zich er meer in het bijzonder tegen verzet dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar in concurrentie staan, uit het oogpunt van de BTW verschillend worden behandeld (zie in deze zin reeds aangehaalde arresten Kügler, punt 30, en 23 oktober 2003, Commissie/Duitsland, punt 20).

55      In het hoofdgeding staat het dus aan de verwijzende rechter om uit te maken of, gelet op al deze elementen, de erkenning van Kingscrest als instelling van sociale aard voor de toepassing van de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn, al dan niet een schending oplevert van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde diensten in vergelijkbare situaties verrichten.

56      In dit verband zij herinnerd aan het antwoord op de tweede vraag, waaruit voortvloeit dat de voorwaarde dat particuliere entiteiten met winstoogmerk kunnen worden erkend als instellingen van sociale aard, niet buiten de grenzen treedt van de bij artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn aan de lidstaten verleende beoordelingsmarge.

57      Om te bepalen of in casu de grenzen van deze beoordelingsmarge zijn overschreden, kan de nationale rechter er echter wel rekening mee houden dat, overeenkomstig de gewijzigde VAT Act, de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn voor alle krachtens de Care Standards Act 2000 geregistreerde organisaties gelden, en dat laatstbedoelde Act en de gewijzigde VAT Act in specifieke bepalingen voorzien waarbij deze vrijstellingen niet alleen worden voorbehouden aan organisaties die diensten van sociale aard verstrekken waarvan de inhoud in deze wettelijke regelingen is omschreven, maar waarin tevens de voorwaarden worden bepaald waaronder deze diensten worden verricht, waarbij de organisaties die ze verrichten worden onderworpen aan verplichtingen en controles door de nationale autoriteiten, zoals registratie, inspectie en voorschriften die zowel betrekking hebben op de inrichtingen als op de kwalificaties van de met het beheer ervan belaste personen.

58      Bijgevolg moet op de derde vraag worden geantwoord, dat het aan de nationale rechter staat om uit te maken of, gelet met name op de beginselen van gelijke behandeling en fiscale neutraliteit, en rekening houdend met de inhoud van de betrokken diensten, alsmede met de voorwaarden voor de verrichting ervan, de erkenning als instelling van sociale aard met het oog op de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn, van een particuliere entiteit die het maken van winst beoogt en dus naar nationaal recht geen „charity” is, buiten de grenzen van de bij deze bepalingen voor een dergelijke erkenning aan de lidstaten verleende beoordelingsmarge treedt.

Kosten

59      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Het woord „charitable” in de Engelse taalversie van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, is een autonoom communautair rechtsbegrip dat moet worden uitgelegd met inachtneming van alle taalversies van deze richtlijn.

2)      Het begrip „organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend” in artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn (77/388) sluit particuliere entiteiten met winstoogmerk niet uit.

3)      Het staat aan de nationale rechter om uit te maken of, gelet met name op de beginselen van gelijke behandeling en fiscale neutraliteit, en rekening houdend met de aard van de betrokken diensten, alsmede met de voorwaarden voor de verrichting ervan, de erkenning als instelling van sociale aard met het oog op de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn (77/388), van een particuliere entiteit die het maken van winst beoogt en dus naar nationaal recht geen „charity” is, buiten de grenzen van de bij deze bepalingen voor een dergelijke erkenning aan de lidstaten verleende beoordelingsmarge treedt.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.

ECLI:EU:C:2005:322

Geplaatst in Arresten en getagd met , .