HvJ 28-06-2007 JP Morgan Fleming C-363/05

HvJ JP Morgan Fleming arrest

1)      Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in deze bepaling gesloten beleggingsfondsen zoals fiduciaire beleggingsmaatschappijen (Investment Trust Companies) kan omvatten.

2)      Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn kent de lidstaten een beoordelingsvrijheid toe bij het definiëren van de fondsen binnen hun rechtsgebied die ten behoeve van de vrijstelling onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” vallen. Bij de uitoefening van deze vrijheid moeten de lidstaten echter het door deze bepaling nagestreefde doel eerbiedigen, dat erin bestaat, beleggers het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen te vergemakkelijken, en tegelijkertijd acht slaan op het beginsel van fiscale neutraliteit vanuit het oogpunt van de heffing van btw over het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen die concurreren met andere gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals fondsen die vallen onder de werkingssfeer van de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s).

3)      Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn heeft rechtstreekse werking in die zin dat een belastingplichtige zich er voor de nationale rechter rechtstreeks op kan beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die onverenigbaar zou zijn met deze bepaling.

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

28 juni 2007 (*)

„Zesde btw-richtlijn – Artikel 13, B, sub d, punt 6 – Vrijstelling – Gemeenschappelijke beleggingsfondsen – Begrip – Definitie door lidstaten – Beoordelingsvrijheid – Grenzen – Gesloten fondsen”

In zaak C‑363/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het VAT and Duties Tribunal, London (Verenigd Koninkrijk), bij beslissing van 19 september 2005, ingekomen bij het Hof op 26 september 2005, in de procedure

JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust plc,

The Association of Investment Trust Companies

tegen

The Commissioners of HM Revenue and Customs,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, J. Klučka, U. Lõhmus, A. Ó Caoimh en P. Lindh, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 december 2006,

gelet op de opmerkingen van:

–        JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust plc, vertegenwoordigd door K. P. E. Lasok, QC, en M. Angiolini, barrister, geïnstrueerd door A. Khan, solicitor,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Gibbs en R. Hill als gemachtigden,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal en M. Afonso als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 maart 2007,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust plc (hierna: „Claverhouse”) en The Association of Investment Trust Companies, verzoeksters in het hoofdgeding, en de Commissioners of HM Revenue and Customs (hierna: „Commissioners”) over de weigering van deze laatste om vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) te verlenen voor de aan een fiduciaire beleggingsmaatschappij (Investment Trust Company; hierna: „ITC”) geleverde beheersdiensten.

Rechtskader

Gemeenschapsrecht

3        Krachtens artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn verlenen de lidstaten, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing te verzekeren van de vrijstellingen waarin deze richtlijn voorziet, en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling van btw voor:

„het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, als omschreven door de lidstaten”.

4        Artikel 1 van richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375, blz. 3), zoals herhaaldelijk gewijzigd, onder meer bij richtlijn 2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 (PB L 41, blz. 35) en laatstelijk bij richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005 (PB L 79, blz. 9) (hierna: „icbe-richtlijn”), bepaalt:

„1.      De lidstaten passen deze richtlijn toe op instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) die zich op hun grondgebied bevinden.

2.      Voor de toepassing van deze richtlijn en behoudens artikel 2, wordt onder icbe’s verstaan instellingen

–        waarvan het uitsluitende doel is de collectieve belegging in effecten en/of in andere in artikel 19, lid 1, bedoelde liquide financiële activa van uit het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding; en

–        waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. Met dergelijke inkopen of terugbetalingen wordt gelijkgesteld ieder handelen van een icbe om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming ter beurze aanzienlijk afwijkt van de intrinsieke waarde.

3.      Deze instellingen kunnen rechtens geregeld zijn bij overeenkomst (beleggingsfondsen beheerd door een beheermaatschappij), als trust (unit trust) dan wel bij statuten (beleggingsmaatschappij).

[…]”

5        Volgens artikel 2, lid 1, van de icbe-richtlijn gelden instellingen voor collectieve belegging in effecten (hierna: „instellingen voor collectieve belegging”) van het closed-end-type niet als beleggingsinstellingen in de zin van deze richtlijn.

6        De zesde overweging van de considerans van de icbe-richtlijn luidt als volgt:

„Overwegende dat de coördinatie van de wettelijke regelingen der lidstaten in een eerste fase moet worden beperkt tot instellingen voor collectieve belegging die niet van het closed-end-type zijn, die hun rechten van deelneming aan het publiek in de Gemeenschap te koop aanbieden en waarvan het uitsluitende doel is te beleggen in effecten (waarbij het hoofdzakelijk gaat om effecten die zijn genoteerd op officiële beurzen of op soortgelijke wijze gereglementeerde markten); dat de regelgeving voor instellingen voor collectieve belegging waarop de richtlijn niet van toepassing is, andere problemen doet rijzen waarvoor andersluidende bepalingen nodig zijn, en dat de coördinatie voor dergelijke instellingen derhalve in een later stadium zal plaatsvinden; […]”

Nationaal recht

7        Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn is in het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd bij de wet van 1994 inzake de belasting over de toegevoegde waarde (Value Added Tax Act 1994; hierna: „VATA 1994”).

8        In de Items 9 en 10, Group 5, van Schedule 9 bij de VATA 1994 worden respectievelijk het beheer van een toegelaten beleggingsfonds („Authorised Unit Trust”; hierna: „AUT”) en het beheer van het ingelegd vermogen van een beleggingsmaatschappij met variabel kapitaal („Open-Ended Investment Company”; hierna: „OEIC”) vrijgesteld.

9        De begrippen AUT en OEIC als gebruikt in de VATA 1994 zijn gedefinieerd in de wet van 2000 op de financiële dienstverlening en markten (Financial Services and Markets Act 2000), die de icbe-richtlijn gedeeltelijk omzet in de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk.

10      Blijkens het dossier worden ITC’s in beginsel gedefinieerd volgens de criteria van Section 842 van de wet van 1988 op de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting (Income and Corporation Taxes Act 1988). In deze Section zijn de voorwaarden vastgelegd waaraan een vennootschap moet voldoen om als ITC in aanmerking te komen voor vrijstelling van de belasting op de kapitaalwinst.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Claverhouse is een ITC die voor het beheer van haar portefeuilles een beroep heeft gedaan op de beheersdiensten van een derde, namelijk JP Morgan Fleming Asset Management (UK) Limited.

12      Claverhouse is onderworpen aan btw voor de beheersdiensten die zij ontvangt, aangezien de Commissioners weigeren om de levering van beheersdiensten aan een ITC te behandelen als een van btw vrijgestelde levering. Claverhouse heeft dan ook in de loop van een periode van tien jaar tot en met 31 december 2003 een bedrag van 2,7 miljoen GBP aan niet-terugvorderbare btw betaald.

13      Tegen deze achtergrond hebben Claverhouse en The Association of Investment Trust Companies, een vereniging die een aantal op de markt van het Verenigd Koninkrijk actieve ITC’s vertegenwoordigt, bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen de Commissioners.

14      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat AUT’s, die de vorm van een trust hebben, en OEIC’s, die geregeld zijn bij statuten, gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn waarvan respectievelijk het aantal rechten van deelneming (units) en het aantal door de beleggers gehouden aandelen varieert naargelang van de beleggingen. AUT’s en OEIC’s zijn immers fondsen met variabel kapitaal (of fondsen van het open-end-type), die verplicht zijn om hun rechten van deelneming of hun aandelen terug te kopen van de beleggers die ze wensen te verkopen. ITC’s, die geregeld zijn bij statuten, zijn daarentegen fondsen met vast kapitaal (of fondsen van het closed-end-type). ITC’s zijn collectieve beleggingsinstrumenten die zijn opgericht als naamloze vennootschap en aan de beurs zijn genoteerd. De belegger die zijn deelname aan dit laatste type fonds wenst te beëindigen, verkoopt zijn aandelen in het algemeen op een secundaire markt zoals een effectenbeurs, waar de prijs aan de hand van het aanbod en de vraag op de markt wordt onderhandeld.

15      De verwijzende rechter verklaart dat ITC’s, anders dan AUT’s en OEIC’s, geen toelating door de Financial Services Authority (autoriteit financiële dienstverlening) uit hoofde van de wet van 2000 op de financiële dienstverlening en markten behoeven. Als beursgenoteerde vennootschappen worden zij echter gereglementeerd door de Financial Services Authority als Listing Authority (autoriteit inzake toelating tot de beurs).

16      Bovendien merkt de verwijzende rechter op dat het beheer van AUT’s en OEIC’s moet worden uitbesteed aan een externe beheerder, terwijl ITC’s beschikken over een raad van bestuur die de beleggingen kan beheren. Toch heeft 90 % van de ITC’s het beheer van de beleggingen aan externe fondsbeheerders toevertrouwd.

17      Tot slot blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in het Verenigd Koninkrijk OEIC’s, waarvan het kapitaal variabel is, die instellingen voor collectieve belegging in de zin van de icbe-richtlijn vormen en verplicht zijn voor het beheer van hun fonds gebruik te maken van een derde, zijn vrijgesteld van btw over de diensten die hun worden geleverd door hun externe beheerder, terwijl gesloten beleggingsmaatschappijen zoals ITC’s niet worden vrijgesteld.

18      In deze omstandigheden heeft het VAT and Duties Tribunal, London, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Kan de uitdrukking ‚gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn gesloten beleggingsfondsen zoals ITC’s omvatten?

2)      Bij bevestigende beantwoording van de eerste vraag, staat dan de zinsnede ‚als omschreven door de lidstaten’ in artikel 13, B, sub d, punt 6, [van de Zesde richtlijn] de lidstaten toe:

a)      bepaalde ‚gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ binnen hun rechtsgebied te selecteren die onder de vrijstelling voor de levering van beheersdiensten vallen en andere van de vrijstelling uit te sluiten, of

b)      betekent de zinsnede dat de lidstaten moeten vaststellen welke fondsen binnen hun rechtsgebied onder de definitie van ‚gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ vallen, en dat het voordeel van de vrijstelling moet gelden voor al die fondsen?

3)      Wanneer het antwoord op de tweede vraag luidt dat lidstaten kunnen bepalen welke ‚gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ onder de vrijstelling vallen, hoe beïnvloeden dan de beginselen van fiscale neutraliteit, gelijke behandeling en het voorkomen van concurrentievervalsing de uitoefening van die bevoegdheid?

4)      Heeft artikel 13, B, sub d, punt 6, [van de Zesde richtlijn] rechtstreekse werking?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

19      Volgens vaste rechtspraak zijn de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn autonome begrippen van gemeenschapsrecht, die een communautaire definitie dienen te krijgen om verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (zie in die zin arresten van 3 maart 2005, Fonden Marselisborg Lystbådehavn, C‑428/02, Jurispr. blz. I‑1527, punt 27; 26 mei 2005, Kingscrest Associates en Montecello, C‑498/03, Jurispr. blz. I‑4427, punt 22; 1 december 2005, Ygeia, C‑394/04 en C‑395/04, Jurispr. blz. I‑10373, punt 15; 4 mei 2006, Abbey National, C‑169/04, Jurispr. blz. I‑4027, punt 38, en 14 december 2006, VDP Dental Laboratory, C‑401/05, Jurispr. blz. I‑0000, punt 26).

20      De gemeenschapswetgever kan de definitie van bepaalde termen van een vrijstelling echter overlaten aan de lidstaten (zie in die zin arrest van 28 maart 1996, Gemeente Emmen, C‑468/93, Jurispr. blz. I‑1721, punt 25, en arrest Abbey National, reeds aangehaald, punt 39).

21      In dat geval staat het aan de lidstaten om in hun nationale recht de betrokken begrippen te definiëren (zie in die zin arrest van 27 april 2006, Solleveld en Van den Hout-Van Eijnsbergen, C‑443/04 en C‑444/04, Jurispr. blz. I‑3617, punt 29), waarbij zij de door de gemeenschapswetgever voor de vrijstelling gebruikte termen dienen te eerbiedigen.

22      Bovendien blijkt uit de rechtspraak op het gebied van de btw dat de lidstaten, wanneer het aan hen staat om de termen van een vrijstelling te definiëren, geen afbreuk mogen doen aan de doelstellingen van de Zesde richtlijn of aan de algemene beginselen die aan deze richtlijn ten grondslag liggen, met name het beginsel van fiscale neutraliteit (zie in die zin arrest Gemeente Emmen, reeds aangehaald, punt 25, en arrest van 12 januari 2006, Turn‑ und Sportunion Waldburg, C‑246/04, Jurispr. blz. I‑589, punt 31).

Eerste vraag

23      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn gesloten beleggingsfondsen zoals ITC’s kan omvatten.

24      Anders dan de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn verzoeksters in het hoofdgeding en de Commissie van de Europese Gemeenschappen van mening dat de uitdrukking „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” gesloten beleggingsfondsen zoals ITC’s kan omvatten.

25      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn geen definitie van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” bevat.

26      In punt 53 van het reeds aangehaalde arrest Abbey National heeft het Hof geoordeeld dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn betrekking heeft op gemeenschappelijke beleggingsfondsen, ongeacht de rechtsvorm ervan. Binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen aldus zowel instellingen voor collectieve belegging die zijn geregeld bij overeenkomst of als trust, als instellingen die zijn geregeld bij statuten.

27      De rechtsvorm is bijgevolg weliswaar niet beslissend voor de toepassing van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn, maar de relevantie daarvoor van de operationele vorm moet nog worden onderzocht.

28      Uit de tekst noch de context van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn blijkt dat de gemeenschapswetgever de bedoeling had om de lidstaten de bevoegdheid te geven om bij het definiëren van de termen van de vrijstelling onderscheid te maken naargelang van de operationele vorm die de gemeenschappelijke beleggingsfondsen hebben genomen.

29      Een uitlegging van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn waarbij het beheer van fondsen met variabel kapitaal wel van btw wordt vrijgesteld en het beheer van gesloten fondsen niet, zou in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit, waarop het door de Zesde richtlijn ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel met name is gebaseerd en dat zich ertegen verzet dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, verschillend worden behandeld ter zake van de btw-heffing (zie in die zin arresten van 16 september 2004, Cimber Air, C‑382/02, Jurispr. blz. I‑8379, punten 23 en 24, en 8 december 2005, Jyske Finans, C‑280/04, Jurispr. blz. I‑10683, punt 39, en arrest Abbey National, reeds aangehaald, punt 56).

30      Zoals de advocaat-generaal immers heeft opgemerkt in punt 21 van haar conclusie, vertonen gesloten fondsen geen enkel relevant verschil dat op voorhand uitsluit dat zij op gelijke wijze als fondsen met variabel kapitaal worden gekwalificeerd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn.

31      Anders dan de regering van het Verenigd Koninkrijk stelt, kan niet met succes worden verwezen naar de bepalingen van de icbe-richtlijn om daaruit een beperkte uitlegging van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn af te leiden.

32      Uit de considerans en de bewoordingen van de icbe-richtlijn blijkt weliswaar dat deze tot doel heeft de nationale wettelijke regelingen voor instellingen voor collectieve belegging te coördineren, maar dat neemt niet weg, zoals de advocaat-generaal in punt 22 van haar conclusie heeft opgemerkt, dat ten tijde van de invoering van de Zesde richtlijn de communautaire terminologie op het gebied van gemeenschappelijke beleggingsfondsen nog niet was geharmoniseerd, aangezien de icbe-richtlijn, die in artikel 1, lid 3, een communautaire definitie van instellingen voor collectieve belegging geeft, pas in 1985 is vastgesteld (zie arrest Abbey National, reeds aangehaald, punt 55).

33      Voorts wordt in sommige taalversies, zoals onder meer de Spaanse, de Franse, de Italiaanse en de Portugese versie, van artikel 1, lid 3, van de icbe-richtlijn voor het aanduiden van instellingen voor collectieve belegging die zijn geregeld bij overeenkomst, weliswaar de in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn gehanteerde uitdrukking „gemeenschappelijk beleggingsfonds” gebruikt om contractuele fondsen met variabel kapitaal te beschrijven tegenover fondsen in de vorm van een trust of fondsen die bij statuten zijn geregeld, maar dat is niet het geval in andere taalversies van deze bepaling, onder meer de Engelse, de Deense en de Duitse versie (zie in die zin arrest Abbey National, reeds aangehaald, punt 55).

34      Tot slot kan niet worden betoogd dat de door de icbe-richtlijn tot stand gebrachte harmonisatie zich niet uitstrekt tot gesloten fondsen. Zoals de Commissie benadrukt, zijn gesloten fondsen niet definitief uitgesloten van de in deze richtlijn afgekondigde coördinatiemaatregelen. Uit de zesde overweging van de considerans daarvan blijkt immers dat deze fondsen eenvoudigweg tijdelijk buiten de coördinatie door de richtlijn zijn gehouden. Het is dan ook niet uitgesloten dat gesloten gemeenschappelijke beleggingsfondsen later zullen worden geharmoniseerd.

35      Uit het voorgaande volgt dat een gesloten beleggingsmaatschappij zoals een ITC , die een beroep doet op beheersdiensten van een derde, onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn kan vallen.

36      Aan deze uitlegging wordt geenszins afgedaan door het feit dat gesloten fondsen niet verplicht zijn om gebruik te maken van een externe beheerder, maar evengoed kunnen verkiezen om zichzelf te beheren. Het feit dat gesloten fondsen zoals ITC’s anders dan OEIC’s de mogelijkheid hebben om zichzelf te beheren, en niet verplicht zijn om gebruik te maken van extern beheer, heeft immers geen enkele invloed op de situatie van een ITC die besluit om een beroep te doen op extern beheer. Voor zover een dergelijk fonds ervoor kiest een beroep te doen op extern beheer, bevindt het zich objectief in dezelfde situatie als een fonds met variabel kapitaal, zoals een OEIC, die verplicht is een beroep te doen op een externe beheerder.

37      Op de eerste vraag dient derhalve te worden geantwoord dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in deze bepaling gesloten beleggingsfondsen zoals ITC’s kan omvatten.

Tweede en derde vraag

38      Met zijn tweede en zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, wat de draagwijdte is van de term „als omschreven door de lidstaten” in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn.

39      Verzoeksters in het hoofdgeding en de Commissie zijn van mening dat de lidstaten uitsluitend bevoegd zijn om vast te stellen welke fondsen binnen hun rechtsgebied overeenstemmen met de definitie van „gemeenschappelijke beleggingsfondsen”. Wanneer eenmaal is vastgesteld dat een fonds een gemeenschappelijk beleggingsfonds is, moet het volgens de Commissie onder de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn kunnen vallen. De beoordelingsvrijheid van de lidstaten strekt zich derhalve niet uit tot de keuze of het btw-stelsel al dan niet werkelijk wordt toegepast. De Commissie voegt hieraan toe dat de vaststelling of de fondsen gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn, moet geschieden in het licht van de bepalingen van de icbe-richtlijn.

40      De regering van het Verenigd Koninkrijk stelt van haar kant dat een ruime uitlegging van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn noodzakelijkerwijs gepaard moet gaan met een uitlegging van de term „als omschreven door de lidstaten” volgens welke aan de lidstaten een ruime beoordelingsvrijheid wordt toegekend om de fondsen te selecteren die onder de vrijstelling moeten vallen.

41      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het feit dat het aan de lidstaten is overgelaten om de inhoud van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” te definiëren, hun geenszins de bevoegdheid geeft om bepaalde fondsen binnen hun rechtsgebied te selecteren die onder de vrijstelling vallen en andere van de vrijstelling uit te sluiten. Uit punt 21 van dit arrest volgt immers dat de term „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” het vertrekpunt moet zijn voor de aan de lidstaten toegekende beoordelingsvrijheid.

42      De uitlegging volgens welke het aan de lidstaten zou zijn om de beleggingsfondsen te selecteren die worden vrijgesteld, en andere ervan uit te sluiten, zou alle betekenis ontnemen aan de term „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn zelf, die tot doel heeft verschillen in de toepassing van het btw-stelsel op deze fondsen te voorkomen.

43      Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn kent de lidstaten dus alleen de bevoegdheid toe om in hun nationale recht de fondsen te definiëren die onder het begrip gemeenschappelijke beleggingsfondsen vallen. Zoals blijkt uit punt 22 van dit arrest, moet deze bevoegdheid worden uitgeoefend met inachtneming van de doelstelling van de Zesde richtlijn en van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel.

44      Derhalve moet worden onderzocht of de grenzen van de in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn aan de lidstaten verleende bevoegdheid worden geëerbiedigd wanneer een belastingplichtige vraagt om erkenning dat de hem geleverde beheersdiensten behoren tot het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds, zodat zij onder de in deze bepaling vastgelegde vrijstelling van btw vallen.

45      Ten eerste bestaat het doel van de vrijstelling in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn voor verrichtingen in verband met het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, met name erin het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen voor beleggers te vergemakkelijken door de btw-kosten uit te sluiten. Deze bepaling beoogt immers te garanderen dat het gemeenschappelijke btw-stelsel fiscaal neutraal is met betrekking tot de keuze tussen rechtstreeks beleggen in effecten en beleggen via gemeenschappelijke beleggingsfondsen (arrest Abbey National, reeds aangehaald, punt 62).

46      Ten tweede verzet het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel, zich ertegen dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, verschillend worden behandeld ter zake van de btw-heffing. Dit beginsel vereist niet dat het identieke handelingen betreft. Uit vaste rechtspraak blijkt immers dat dit beginsel zich ertegen verzet dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld (zie met name arresten van 23 oktober 2003, Commissie/Duitsland, C‑109/02, Jurispr. blz. I‑12691, punt 20, en 17 februari 2005, Linneweber en Akritidis, C‑453/02 en C‑462/02, Jurispr. blz. I‑1131, punt 24; arrest Kingscrest, Associates en Montecello, reeds aangehaald, punt 54; arrest van 8 juni 2006, L.u.P., C‑106/05, Jurispr. blz. I‑5123, punt 32; arresten Turn‑ und Sportunion Waldburg, reeds aangehaald, punt 33, en Solleveld en Van den Hout-Van Eijnsbergen, reeds aangehaald, punt 39).

47      Het beginsel van fiscale neutraliteit omvat tevens het beginsel van het opheffen van concurrentievervalsingen die voortvloeien uit een verschillende behandeling vanuit het oogpunt van de btw (zie in die zin arrest van 3 mei 2001, Commissie/Frankrijk, C‑481/98, Jurispr. blz. I‑3369, punt 22). De vervalsing is dan ook aangetoond zodra wordt vastgesteld dat diensten met elkaar concurreren en ongelijk worden behandeld vanuit het oogpunt van de btw (zie in die zin arrest van 29 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C‑404/99, Jurispr. blz. I‑2667, punten 45‑47). Het is in dat opzicht irrelevant of de vervalsing die daaruit voortvloeit, aanmerkelijk is.

48      Uit het voorgaande volgt dat iedere toepassing van een nationale regeling die het beheer van gesloten gemeenschappelijke beleggingsfondsen uitsluit van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn, in strijd is met het doel van deze bepaling en met het beginsel van fiscale neutraliteit, voor zover deze gesloten fondsen instellingen voor collectieve belegging zijn die beleggers in staat stellen te beleggen in effecten, en zij concurreren met van btw vrijgestelde fondsen.

49      Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of de toepassing van de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, in het licht van de in dit arrest gegeven aanwijzingen in overeenstemming is met het doel van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en met het beginsel van fiscale neutraliteit.

50      Dienaangaande kunnen de verwijzende rechter, gelet op de informatie die hij het Hof heeft verstrekt, enkele aanvullende aanwijzingen worden gegeven. Zo wordt vastgesteld dat in ieder geval het beheer van AUT’s en OEIC’s, die instellingen voor collectieve belegging volgens de definitie van de icbe-richtlijn zijn, in het Verenigd Koninkrijk van btw is vrijgesteld. Ook al zijn ITC’s thans geen instellingen voor collectieve belegging in de zin van de icbe-richtlijn, dat neemt niet weg dat AUT’s, OEIC’s en ITC’s drie vormen van gemeenschappelijke beleggingsinstrumenten met risicospreiding zijn, zoals de verwijzende rechter opmerkt. Bovendien is de verwijzende rechter van oordeel dat het bij ITC’s, evenals AUT’s en OEIC’s, gaat om het beleggen in effecten via een instelling voor collectieve belegging, hetgeen particuliere beleggers in staat stelt te beleggen in grote beleggingsportefeuilles en aldus hun risico op de aandelenmarkt te verminderen.

51      Uit de aan het Hof voorgelegde vaststellingen blijkt dus dat het beheer van ITC’s binnen de doelstelling van de Zesde richtlijn past en dat ITC’s beleggingsfondsen zijn die vergelijkbaar zijn met AUT’s en OEIC’s die onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” vallen. Onder deze omstandigheden lijkt de gehanteerde uitsluiting van ITC’s van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn niet gerechtvaardigd in het licht van het doel van deze bepaling en het beginsel van fiscale neutraliteit.

52      Zoals de Commissie stelt, maakt de vraag of deze uitlegging tot gevolg heeft dat de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn zich tevens uitstrekt tot andere fondsen dan die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, geen deel uit van de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen.

53      Hieraan dient te worden toegevoegd dat de kwalificatie naar nationaal recht als „gemeenschappelijk beleggingsfonds” onvoldoende rechtvaardiging vormt om in aanmerking te komen voor een communautaire vrijstelling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is. Het moet voorts fondsen betreffen die onder het begrip „gemeenschappelijk beleggingsfonds” in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn vallen en die kunnen worden vrijgesteld in het licht van het doel van deze richtlijn en het beginsel van fiscale neutraliteit.

54      Gelet op een en ander dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten een beoordelingsvrijheid toekent bij het definiëren van de fondsen binnen hun rechtsgebied die ten behoeve van de vrijstelling in deze bepaling onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” vallen. Bij de uitoefening van deze vrijheid moeten de lidstaten echter het door deze bepaling nagestreefde doel eerbiedigen, dat erin bestaat, beleggers het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen te vergemakkelijken, en tegelijkertijd acht te slaan op het beginsel van fiscale neutraliteit vanuit het oogpunt van de heffing van btw over het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen die concurreren met andere gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals fondsen die onder de werkingssfeer van de icbe-richtlijn vallen.

Vierde vraag

55      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn rechtstreekse werking heeft.

56      Verzoeksters in het hoofdgeding menen het recht te hebben om zich op deze bepaling te beroepen. Het enkele feit dat deze de lidstaten een bepaalde beoordelingsvrijheid lijkt te laten bij het definiëren van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, staat niet in de weg aan de mogelijkheid om zich erop te beroepen wanneer de nationale maatregelen ter uitvoering daarvan de grenzen van deze beoordelingsmarge overschrijden doordat zij in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit en/of het doel dat wordt nagestreefd met de vrijstelling waarin deze bepaling voorziet. De Commissie deelt deze opvatting en voegt hieraan toe dat op artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn rechtstreeks beroep kan worden gedaan, aangezien de aan de beoordelingsvrijheid van de lidstaten gestelde grenzen duidelijk, nauwkeurig omschreven en voldoende onvoorwaardelijk zijn.

57      De regering van het Verenigd Koninkrijk is daarentegen van mening dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn geen rechtstreekse werking heeft, omdat het aanvullende uitvoeringsmaatregelen van de lidstaten behoeft.

58      Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak dat, wanneer de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn en niet tijdig uitvoeringsmaatregelen zijn getroffen, particulieren zich op die bepalingen kunnen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is, en zich ook op die bepalingen kunnen beroepen voor zover zij rechten vastleggen die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden (zie arresten van 19 januari 1982, Becker, 8/81, Jurispr. blz. 53, punt 25; 10 september 2002, Kügler, C‑141/00, Jurispr. blz. I‑6833, punt 51, en 20 mei 2003, Österreichischer Rundfunk e.a., C‑465/00, C‑138/01 en C‑139/01, Jurispr. blz. I‑4989, punt 98, en arrest Linneweber en Akriditis, reeds aangehaald, punt 33).

59      Wat de inhoud van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn betreft, moet worden vastgesteld dat daarin op voldoende nauwkeurige en onvoorwaardelijke wijze wordt aangegeven dat het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen moet worden vrijgesteld.

60      De omstandigheid dat deze bepaling het bestaan van een beoordelingsvrijheid voor de lidstaten bevestigt, kan aan deze uitlegging niet afdoen indien de litigieuze dienstverrichting volgens objectieve aanwijzingen voldoet aan de criteria voor genoemde vrijstelling (zie naar analogie arrest van 6 november 2003, Dornier, C‑45/01, Jurispr. blz. I‑12911, punt 81).

61      Bijgevolg belet het feit dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn de lidstaten een beoordelingsvrijheid toekent door te verklaren dat zij bevoegd zijn om gemeenschappelijke beleggingsfondsen te omschrijven, de betrokkenen niet om zich rechtstreeks op deze bepaling te beroepen (zie naar analogie arrest Dornier, reeds aangehaald, punt 81), wanneer een lidstaat bij de uitoefening van deze beoordelingsvrijheid nationale maatregelen heeft vastgesteld die niet verenigbaar zijn met deze richtlijn (zie in die zin arrest Linneweber en Akriditis, reeds aangehaald, punten 36 en 37).

62      Op de vierde vraag dient dus te worden geantwoord dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn rechtstreekse werking heeft in die zin dat een belastingplichtige zich er voor de nationale rechter rechtstreeks op kan beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die onverenigbaar zou zijn met deze bepaling.

Kosten

63      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in deze bepaling gesloten beleggingsfondsen zoals fiduciaire beleggingsmaatschappijen (Investment Trust Companies) kan omvatten.

2)      Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten een beoordelingsvrijheid toekent bij het definiëren van de fondsen binnen hun rechtsgebied die ten behoeve van de vrijstelling in deze bepaling onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” vallen. Bij de uitoefening van deze vrijheid moeten de lidstaten echter het door deze bepaling nagestreefde doel eerbiedigen, dat erin bestaat, beleggers het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen te vergemakkelijken, en tegelijkertijd acht slaan op het beginsel van fiscale neutraliteit vanuit het oogpunt van de heffing van btw over het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen die concurreren met andere gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals fondsen die vallen onder de werkingssfeer van de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s), zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005.

3)      Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388) heeft rechtstreekse werking in die zin dat een belastingplichtige zich er voor de nationale rechter rechtstreeks op kan beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die onverenigbaar zou zijn met deze bepaling.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.

ECLI:EU:C:2007:391