no cure no pay btw

No cure no pay btw

No cure no pay btw

Diensten door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel verricht zijn aan de btw onderworpen op grond van art 2 Btw-richtlijn. In het Hong-Kong Trade arrest geeft het HvJ aan dat btw-belastbare handelingen het bestaan van een transactie tussen partijen veronderstellen waarbij een prijs of een tegenwaarde is bedongen.

De zaak Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats bepaalde dat een dienst alleen belastbaar is als er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie. In het Tolsma arrest gaf het HvJ vervolgens aan dat een dienst alleen onder bezwarende titel wordt verricht (en dus alleen belastbaar is) wanneer tussen de dienstverrichter en de afnemer een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de verleende dienst.

Het Bastova arrest leerde ons dat als het bestaan van een vergoeding onzeker is, dit volstaat om de rechtstreekse band te verbreken (met verwijzing naar Tolsma en Cibo). Over de reikwijdte van dit arrest is in de literatuur flink gediscussieerd. Soltysik en Spiessens zijn in WFR 2017/44 van mening dat het zich ook uitstrekt tot no cure no pay, omdat de vergoeding bij een dergelijke overeenkomst onzeker is. Bijl en Zegers hebben hierop gereageerd in WFR 2017/97. Naar hun mening is de rechtsbetrekking bepalend. Ook als is het onzeker of er een vergoeding zal worden ontvangen voor de verrichte diensten, wil dat nog niet zeggen dat de rechtstreekse band is verbroken.

In de zaak die speelde voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant had belanghebbende met zijn cliënten afgesproken uitsluitend een vergoeding verschuldigd te zijn bij een succesvolle afloop van juridische procedures, in die zin dat daarbij een proceskostenvergoeding wordt toegekend (no cure no pay). De rechtbank was van oordeel dat over dergelijke vergoedingen btw verschuldigd is, omdat sprake is van een dienst onder bezwarende titel. In het Baštová-arrest is overwogen dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de terbeschikkingstelling van een paard en het behalen van prijzengeld. Dit rechtstreekse verband is naar het oordeel van de rechtbank wel aanwezig bij de no cure no pay afspraken tussen belanghebbende en zijn cliënten. Dat onzeker is of een vergoeding wordt ontvangen is niet relevant volgens de rechtbank, want de vergoeding is voor de juridische werkzaamheden en niet voor het resultaat.

Rechtbank
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
BRE – 16 _ 4298
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Omzetbelasting verschuldigd over vergoedingen voor juridische bijstand op basis van ‘no cure, no pay’. Betekenis Baštová-arrest.

Belanghebbende heeft met zijn cliënten afgesproken uitsluitend een vergoeding verschuldigd te zijn bij een succesvolle afloop van juridische procedures, in die zin dat daarbij een proceskostenvergoeding wordt toegekend (‘no cure, no pay’). De rechtbank is van oordeel dat over dergelijke vergoedingen omzetbelasting verschuldigd is, nu sprake is van een dienst onder bezwarende titel. In het Baštová-arrest is overwogen dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de terbeschikkingstelling van een paard en het behalen van prijzengeld. Dit rechtstreekse verband is naar het oordeel van de rechtbank wel aanwezig bij de no cure, no pay afspraken tussen belanghebbende en zijn cliënten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-11-2017
FutD 2017-2748 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/4298

uitspraak van 4 oktober 2017

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 mei 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 van € 3.604 (aanslagnummer: [aanslagnummer] .F01.1501) en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 335.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] , vergezeld van [persoon A] .

1Beslissing

De rechtbank:

  • -verklaart het beroep gegrond;
  • -vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • -vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting tot € 2.484;
  • -vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

– veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.605;

– gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 168 aan deze vergoedt.

2Gronden

2.1.Belanghebbende drijft een eenmanszaak, te weten “ [A BV] ”. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. In de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente is over 2010 een bedrag van € 231 aan omzetbelasting begrepen en € 27 aan heffingsrente en over 2011 is een bedrag van € 3.373 aan omzetbelasting begrepen en € 308 aan heffingsrente.

2.2.De inspecteur heeft in de uitspraak van 27 mei 2016 de omzetbelasting en heffingsrente over 2010 verminderd tot nihil. Over 2011 is de omzetbelasting verminderd tot € 2.634 en de heffingsrente tot € 241.

2.3.De inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar geen beslissing over vergoeding van kosten voor de bezwaarfase genomen. Na het instellen van beroep is alsnog een kostenvergoeding van € 307,50 toegekend.

2.4.In geschil zijn de antwoorden op de vragen of:

– belanghebbende recht heeft op aanvullende vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase;

– de omzetbelasting over energiekosten al dan niet terecht is gecorrigeerd;

– belanghebbende recht heeft op vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase;

– omzetbelasting verschuldigd is over vergoedingen op basis van no cure, no pay werkzaamheden;

– belanghebbende recht heeft op immateriële-schadevergoeding.

Beroep gegrond

2.5.Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat het beroep gegrond is reeds omdat aanvankelijk niet is beslist op het verzoek om kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Naheffingsaanslag omzetbelasting

2.6.Ter zitting is bij wijze van compromis overeengekomen dat de correctie van energiekosten met € 150 moet worden verminderd opdat wat betreft de naheffingsaanslag alleen geoordeeld hoeft te worden over het hierna aan de orde komende principiële punt.

2.7.Ten aanzien van de naheffingsaanslag is verder alleen in geschil of er omzetbelasting is verschuldigd over vergoedingen die belanghebbende ontvangt voor dienstverlening die zij verricht op basis van no cure, no pay.

2.8.

Belanghebbende heeft cliënten vertegenwoordigd in procedures en daarvoor een vergoeding op basis van ‘no cure, no pay’ bedongen. In het controlerapport is hierover opgemerkt:

“Over een gedeelte van de omzet wordt geen omzetbelasting berekend. Het gaat hierbij om de werkzaamheden die worden verricht, op basis van ‘no cure, no pay’, in verband met het voeren van procedures voor diverse klanten. De uren voor deze werkzaamheden worden niet gefactureerd. De proceskostenvergoeding wordt rechtstreeks op de bankrekening van belastingplichtige gestort (gecedeerd). Verder zijn er ook procedures waarvoor geen proceskostenvergoeding wordt ontvangen.”.

Deze omschrijving van de werkzaamheden is niet bestreden.

2.9.Belanghebbende voert aan dat zij geen omzetbelasting verschuldigd is over de vergoedingen die zij ontvangt voor haar werkzaamheden op basis van ‘no cure, no pay’.

2.10.1.In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 10 november 2016, C-432/15, ECLI:EU:C:2016:855 (Baštová-arrest) is voor recht verklaard dat wanneer een ondernemer een paard ter beschikking stelt aan de organisator van een paardenrace met het oog op deelname van dat paard aan die race zonder dat hij daarvoor deelnamegeld of een andere directe vergoeding ontvangt, er geen sprake is van een dienst onder bezwarende titel. Het prijzengeld dat de ondernemer die het paard ter beschikking heeft gesteld eventueel ontvangt indien het paard tot de winnaars van de race behoort, kan niet worden beschouwd als een vergoeding voor het ter beschikking stellen van het paard. Het Hof van Justitie heeft daartoe overwogen dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de terbeschikkingstelling van het paard en het behalen van het prijzengeld. Niet de terbeschikkingstelling van het paard leidt tot de ontvangst van het prijzengeld, maar de goede rangschikking die het paard uiteindelijk heeft behaald.

2.10.2.

De rechtbank is van oordeel dat hier wel sprake is van een dienst onder bezwarende titel. Uit de hiervoor bij 2.8 vermelde omschrijving begrijpt de rechtbank dat belanghebbende met een cliënt overeenkomt dat zij juridische procedures voor de cliënt voert waarvoor de cliënt alleen een vergoeding verschuldigd is bij een succesvolle afloop in die zin dat daarbij een proceskostenvergoeding wordt toegekend. De hoogte van het bedrag dat een cliënt aan belanghebbende dient te vergoeden in dat laatste geval, is gelijk aan de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding, zo begrijpt de rechtbank. Gelet op een en ander bestaat een rechtstreeks verband tussen de vergoeding die belanghebbende ontvangt en de door haar verrichte dienst.

Dat het al dan niet ontvangen van een vergoeding en de hoogte van de vergoeding, afhankelijk is van het resultaat van de procedure en het aldus vooraf onzeker is of er een vergoeding zal worden ontvangen, maakt niet dat er geen rechtstreeks verband bestaat (vgl. ook rechtbank Noord-Holland 9 juni 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4553, ro. 22-23). Het hier aan de orde zijnde geval onderscheidt zich daarmee van het geval van het Baštová-arrest. In dat arrest werd geoordeeld dat er voor de aan de orde zijnde dienst (de terbeschikkingstelling van het paard) als zodanig geen directe vergoeding werd ontvangen; tussen het wel ontvangen bedrag (prijzengeld) en die dienst (de terbeschikkingstelling van het paard) werd geen rechtstreeks verband aanwezig geoordeeld. In het onderhavige geval is wel sprake van een vergoeding die rechtstreeks verband houdt met de dienst als zodanig (werkzaamheden in verband met het voeren van een juridische procedure).

2.10.3.Zo belanghebbende zou bedoelen te betogen dat geen omzetbelasting verschuldigd is omdat de ontvangen vergoeding een proceskostenvergoeding betreft, faalt dat betoog. Dat belanghebbende met haar cliënten afspreekt dat de hoogte van de vergoeding gelijk is aan de hoogte van de aan cliënten toegekende proceskostenvergoeding, doet niet eraan af dat sprake is van een vergoeding. Ook de eventuele omstandigheid dat de vergoeding direct wordt overgemaakt (door de wederpartij van de cliënt) naar de rekening van belanghebbende (zonder tussenkomst van de cliënt), geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De wijze waarop belanghebbende de vergoeding betaald krijgt, is niet relevant.

2.10.4.Nu vaststaat dat belanghebbende overeenkomsten sloot op basis van de beloningswijze ‘no cure, no pay’ en zij op basis daarvan vergoedingen heeft ontvangen, zijn deze vergoedingen terecht in de naheffingsaanslag begrepen. De correctie van € 1.437 is vastgesteld volgens de formule 19/119 x de ontvangen vergoedingen van in totaal € 9.002,50 en is aldus juist berekend.

2.11.

Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 150 (zie 2.6) tot € 2.484.

Kostenvergoeding bezwaarfase

2.12.

Anders dan belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om een hogere kostenvergoeding dan het Besluit proceskosten bestuursrecht toe te kennen. Voor dat geval is tussen partijen ter zitting overeengekomen dat de kosten worden gesteld op € 615, zij het dat belanghebbende nog wel aanvoert dat dit bedrag verhoogd moet worden met een bedrag aan omzetbelasting, omdat anders sprake is van een ongelijke behandeling tussen ondernemers die omzetbelasting kunnen verrekenen en particulieren en ondernemers die dat niet kunnen.

Nog ervan afgezien dat de rechtbank, in aanmerking nemende dat belanghebbende ondernemer is voor de omzetbelasting, de strekking van het betoog van belanghebbende niet goed doorgrondt, biedt het Besluit proceskosten bestuursrecht geen mogelijkheid om het forfaitaire bedrag te verhogen met een bedrag aan omzetbelasting. Op dit punt leidt het Besluit proceskosten bestuursrecht niet tot een schending van het discriminatieverbod (vgl. Hoge Raad van 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3320).

Verzoek immateriële-schadevergoeding

2.13.

Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift verzocht om immateriële-schadevergoeding wegens ervaren spanning en frustratie. Aan dit verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat in relatief korte tijd bij belanghebbende meerdere boekenonderzoeken zijn ingesteld, dat dit een vorm is van belastingpesterij en dat dit tot onacceptabel hoge kosten heeft geleid. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat de door haar aangevoerde spanning en frustratie is gelegen in het feit dat wederom een boekenonderzoek is gehouden en de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd.

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Vergoeding van schade op een grond zoals hier aangevoerd, is alleen toewijsbaar voor zover de schade verband houdt met een onrechtmatigheid in het bestreden besluit. Niet aannemelijk is dat er sprake is van een causaal verband tussen de vervallen correcties en de gestelde geleden schade.

Proceskostenvergoeding beroep

2.14.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding om de werkelijke proceskosten te vergoeden en evenmin om de proceskostenvergoeding te verhogen met omzetbelasting (zie 2.12 hiervoor).

2.15.De totale proceskostenvergoeding (zie 2.12 en 2.13) komt daarmee uit op € 1.605. Bij de betaling van dit bedrag kan daarop in mindering worden gebracht het reeds toegekende bedrag van € 307,50 (zie 2.3) indien dat reeds is uitbetaald.

2.16Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond verklaard.

Deze uitspraak is gedaan op 4 oktober 2017 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.T.G. de Jong, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

ECLI:NL:RBZWB:2017:6283