Tweede Richtlijn BTW 67/228/EEG

TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 11 april 1967

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

(67/228/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 99 en 100,

Gelet op de eerste richtlijn van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende dat de vervanging van de in de Lid-Staten geldende omzetbelastingstelsels door een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde tot doel heeft de in de eerste richtlijn vastgestelde doeleinden te verwezenlijken;

Overwegende dat het tot aan de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer mogelijk is de Lid-Staten een grote autonomie te laten bij de vaststelling van het belastingtarief of van gedifferentieerde belastingtarieven;

Overwegende dat het eveneens mogelijk is om als overgang bepaalde verschillen in de wijze van toepassing van de belasting in de Lid-Staten toe te laten; dat er evenwel procedures moeten worden geschapen om enerzijds de neutraliteit ten aanzien van de mededinging tussen de LidStaten te waarborgen en om anderzijds de bedoelde verschillen geleidelijk te beperken of af te schaffen, ten einde de nationale stelsels van belasting over de toegevoegde waarde steeds nader tot elkaar te doen komen, zulks ter voorbereiding van de tenuitvoerlegging van de in artikel 4 der eerste richtlijn omschreven doelstelling ;

Overwegende dat het, om het stelsel op eenvoudige en neutrale wijze te kunnen toepassen en om het normale tarief van de belasting binnen redelijke grenzen te kunnen houden, nood­zakelijk is de bijzondere regelingen en uitzonderingsmaatregelen in te perken;

Overwegende dat het in het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde mogelijk is om, in voorkomend geval, om redenen van sociale en economische aard de belastingdruk op bepaalde goederen en diensten te verlichten of te verzwaren door een differentiatie van de tarieven, doch dat de invoering van nultarieven moeilijkheden met zich brengt, zodat het zeer wenselijk is om de gevallen van vrijstelling strikt te beperken en om tot de noodzakelijk geachte verlichtingen over te gaan door toepassing van lagere tarieven waarvan het niveau hoog genoeg is om normaliter de in de vorige fase betaalde belasting te kunnen aftrekken, hetgeen trouwens in het algemeen tot hetzelfde resultaat leidt als hetwelk thans in de cumulatieve cascadestelsels door toepassing van vrijstellingen wordt verkregen;

Overwegende dat het mogelijk is gebleken het aan de Lid-Staten over te laten zelf de voorschriften vast te stellen voor de talrijke diensten waarvan de kosten geen invloed hebben op de goederenprijzen, alsmede de regeling voor de kleine ondernemingen, zij het in laatstbedoeld geval onder voorbehoud van voorafgaande raadpleging;

Overwegende dat het noodzakelijk is gebleken tot bijzondere regelingen te komen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de landbouwsector en om de Commissie op te dragen zo spoedig mogelijk bij de Raad voorstellen daartoe in te dienen ;

Overwegende dat het noodzakelijk is om een betrekkelijk groot aantal bijzondere bepalingen vast te stellen, welke interpretatievoorschriften, afwijkingen en enkele gedetailleerde regelingen voor de toepassing bevatten, en om een lijst van diensten op te stellen waarvoor het gemeenschappelijk stelsel dwingend van toepassing is; dat deze bepalingen en deze lijst dienen te worden opgenomen als bijlagen welke een integrerend deel van deze richtlijn vormen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De Lid-Staten voeren, volgens een gemeenschappelijk stelsel, een omzetbelasting in welke hierna belasting over de toegevoegde waarde wordt genoemd.

De Lid-Staten stellen de structuur en de wijze van toepassing van deze belasting vast overeenkomstig het bepaalde in de hierna volgende artikelen en in de bijlagen A en B.

Artikel 2

Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen :

a) de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

b) de invoer van goederen.

Artikel 3

Als binnenland wordt beschouwd het grondgebied waar de betreffende Lid-Staat de belasting over de toegevoegde waarde toepast; dit gebied dient in beginsel het gehele nationale grondgebied met inbegrip van de territoriale wateren te omvatten.

Artikel 4

Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die zelfstandig en regelmatig, met of zonder winstoogmerk, handelingen verricht welke tot de werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter behoren.

Artikel 5

1 . Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.

2 . Als leveringen in de zin van lid 1 worden eveneens beschouwd :

a) de afgifte van een goed ingevolge een overeenkomst volgens welke een goed gedurende een bepaalde periode in huur wordt gegeven of ingevolge een overeenkomst tot koop en verkoop op afbetaling, in beide gevallen onder het beding dat het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen;

b) de eigendomsovergang van een goed tegen betaling van een vergoeding, ingevolge een vordering door of namens de overheid ;

c) de overdracht van een goed ingevolge een overeenkomst tot aan- of verkoop in commissie ;

d) de oplevering van een werk in roerende staat door de fabrikant van dat werk, dat wil zeggen de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd met behulp van stoffen of voorwerpen, welke daartoe door de laatste aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verschaft;

e) de oplevering van een werk in onroerende staat, met inbegrip van de handeling waardoor een roerend goed tot blijvend gebruik aan een onroerend goed verbonden wordt.

3 . Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld :

a) het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed, dat hij voor privégebruik bestemt of dat hij om niet verstrekt;

b) het voor bedrijfsdoeleinden in gebruik nemen van een goed door een belastingplichtige, dat door hemzelf of voor zijn rekening door een derde is vervaardigd of gewonnen.

4 . Als plaats van de levering wordt aangemerkt:

a) ingeval het goed door de leverancier, door de afnemer, dan wel door een derde wordt verzonden of vervoerd: de plaats, waar het goed zich op het tijdstip van de aanvang van de verzending of het vervoer naar de afnemer bevindt;

b) ingeval het goed niet wordt verzonden of vervoerd : de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering.

5 . Het belastbare feit vindt plaats op het tijdstip waarop de levering wordt verricht. Ten aanzien van leveringen waarvoor vooruitbetalingen worden gedaan voordat de levering is verricht, kan evenwel worden bepaald dat het belastbare feit reeds plaatsvindt op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of uiterlijk op het tijdstip van het ontvangen van de vooruitbetalingen, zulks ten belope van het gefactureerde of het ontvangen bedrag.

Artikel 6

1 . Als dienst wordt beschouwd elke prestatie, die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is.

2 . De in deze richtlijn opgenomen regels inzake het belasten van diensten zijn slechts dwingend van toepassing voor de in bijlage B opgesomde diensten.

3 . Als plaats van de dienst wordt in beginsel aangemerkt de plaats waar van de verleende dienst of het verhuurde voorwerp gebruik wordt gemaakt of waar het overgedragen of verleende recht wordt uitgeoefend.

4 . Het belastbare feit vindt plaats op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht. Ten aanzien van diensten welke gedurende een on­bepaalde tijd worden verricht, een zekere tijdsduur overschrijden of waarvoor vooruitbetalingen worden gedaan, kan evenwel worden bepaald dat het belastbare feit reeds plaatsvindt op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of uiterlijk op het tijdstip van het ontvangen van de vooruitbetalingen, zulks ten belope van het gefactureerde of het ontvangen bedrag.

Artikel 7

1 . Als invoer van een goed wordt beschouwd het binnenkomen van dit goed in het in artikel 3 omschreven binnenland.

2 . Bij invoer vindt het belastbare feit plaats op het tijdstip van het binnenkomen van het goed in het binnenland. De Lid-Staten hebben echter de bevoegdheid om het belastbare feit en de opeisbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde te verbinden met het belastbare feit en de opeisbaarheid ter zake van invoerrechten of van andere rechten, belastingen en heffingen bij invoer.

Hetzelfde geldt voor het belastbare feit en de opeisbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde voor leveringen van ingevoerde goederen welke vallen onder een regeling tot opschorting van de heffing van invoerrechten of van andere rechten, belastingen en heffingen bij invoer.

Artikel 8

De belastinggrondslag is:

a) voor leveringen en diensten : alles wat de tegenwaarde vormt voor de levering van het goed of voor de dienst, met inbegrip van alle kosten en belastingen, doch met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde zelf;

b) voor de handelingen, bedoeld in artikel 5 , lid 3 , sub a) en b): de inkoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen inkoopprijs is, de kostprijs;

c) bij invoer van goederen: de douanewaarde, vermeerderd met alle ter zake van de invoer verschuldigde rechten, belastingen en heffingen, met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde zelf. Dezelfde grondslag is van toepassing, indien het goed is vrijgesteld van invoerrechten of niet aan een invoerrecht ad valorem is onderworpen.

Elke Lid-Staat heeft de bevoegdheid de belastinggrondslag voor de invoer van goederen te verhogen met de niet in deze grondslag begrepen bijkomende kosten (verpakking, vervoer, verzekering, enz.) tot de plaats van bestemming.

Artikel 9

1 . Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde wordt door elke LidStaat vastgesteld op een percentage van de belastinggrondslag, dat voor leveringen van goederen en voor diensten gelijk is.

2 . Bepaalde leveringen en bepaalde diensten kunnen echter aan hogere of lagere tarieven worden onderworpen. Een lager tarief wordt zodanig vastgesteld, dat het bij toepassing van dit tarief verkregen bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde het normaliter mogelijk maakt de krachtens artikel 11 aftrekbare belasting volledig af te trekken.

3 . Het bij invoer van een goed toe te passen tarief is gelijk aan het tarief dat op de levering van een zelfde goed in het binnenland wordt toegepast.

Artikel 10

1 . Van de belasting over de toegevoegde waarde zijn onder de door elke Lid-Staat vast te stellen voorwaarden vrijgesteld :

a) de leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten het grondgebied waar de betreffende Lid-Staat de belasting over de toegevoegde waarde toepast;

b) de diensten welke betrekking hebben op de sub a) bedoelde of in doorvoer zijnde goederen.

2 . Van de belasting over de toegevoegde waarde kunnen, onder voorbehoud van de in artikel 16 bedoelde raadpleging, de diensten welke betrekking hebben op de invoer van goederen worden vrijgesteld.

3 . Elke Lid-Staat kan, onder voorbehoud van de in artikel 16 bedoelde raadpleging, andere vrijstellingen vaststellen welke hij noodzakelijk acht.

Artikel 11

1 . Voor zover de goederen en diensten voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken :

a) de belasting over de toegevoegde waarde, welke hem is gefactureerd voor de hem geleverde goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte diensten ;

b) de belasting over de toegevoegde waarde, welke voor ingevoerde goederen is voldaan;

c) de belasting over de toegevoegde waarde, welke hij heeft voldaan voor het in gebruik nemen van een goed als bedoeld in artikel 5 , lid 3 , sub b).

2 . Niet aftrekbaar is de belasting over de toegevoegde waarde, drukkende op de goederen en de diensten, welke worden gebruikt voor het verrichten van niet belastbare of vrijgestelde handelingen.

De belastingplichtige mag evenwel aftrek toepassen indien de leveringen van goederen en de diensten in het buitenland worden verricht of zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 10 , lid 1 of lid 2 .

Voor goederen en diensten die zowel worden gebruikt voor handelingen waarvoor aanspraak op aftrek bestaat als voor andere, wordt aftrek slechts toegestaan voor dat gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde, dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (pro rata-regel).

3 . De aftrek wordt toegepast op de belasting over de toegevoegde waarde welke verschuldigd is over de periode waarin de aftrekbare belasting wordt gefactureerd in het geval van lid 1 , sub a), of voldaan in de gevallen van lid 1 , sub b) en c) (onmiddellijke aftrek).

In geval van gedeeltelijke aftrek overeenkomstig het tweede lid, wordt het in aftrek te brengen bedrag voorlopig bepaald aan de hand van door de Lid-Staat vastgestelde criteria ; na het einde van het jaar wordt, wanneer het verhoudingsgetal van het jaar van verkrijging is berekend, de aftrek herzien.

Voor investeringsgoederen wordt de aftrek herzien op basis van de wijzigingen van het verhoudingsgetal gedurende een periode van vijf jaren, het jaar van verkrijging daaronder begrepen; voor elk jaar heeft deze herziening van de aftrek slechts betrekking op een vijfde gedeelte van de op de investeringsgoederen drukkende belasting.

4 . Van de aftrekregeling kunnen bepaalde goederen en bepaalde diensten worden uitgesloten, in het bijzonder die waarvan verwacht kan worden dat zij uitsluitend of gedeeltelijk worden gebruikt voor de privébehoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel.

Artikel 12

1 . Iedere belastingplichtige moet een boekhouding voeren welke voldoende gegevens bevat om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle door de belastingadministratie mogelijk te maken.

2 . Iedere belastingplichtige moet voor goederen, geleverd aan en voor diensten, verricht voor een andere belastingplichtige, een factuur uitreiken.

3 . Iedere belastingplichtige moet elke maand een aangifte indienen, waarin voor de in de voorafgaande maand verrichte handelingen alle voor de berekening van belasting en aftrek benodigde gegevens voorkomen. Iedere belastingplichtige moet het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde bij de indiening van de aangifte voldoen.

Artikel 13

Indien een Lid-Staat van oordeel is dat er in uitzonderlijke gevallen bijzondere maatregelen dienen te worden getroffen ten einde de heffing van de belasting te vereenvoudigen of om bepaalde fraudes te voorkomen, stelt hij de Commissie en de andere Lid-Staten daarvan in kennis.

Indien binnen een maand één of meer LidStaten of de Commissie bezwaar maken, wordt het verzoek tot afwijking voorgelegd aan de Raad welke, op voorstel van de Commissie, binnen drie maanden een besluit neemt.

Indien uit de conclusies van de Commissie blijkt dat het slechts gaat om een vereenvoudiging van de heffing of een maatregel ter voorkoming van fraude, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over de gevraagde afwijking.

Indien daarentegen uit vorenbedoelde conclusies blijkt dat de voorgenomen maatregel afbreuk kan doen aan de beginselen van de bij deze richtlijn ingevoerde regeling, en met name aan de neutraliteit ten aanzien van de mededinging tussen de Lid-Staten, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen.

In elk van beide gevallen besluit de Raad op dezelfde wijze over de toepassingsduur van deze maatregelen.

De betreffende staat kan de voorgenomen maatregelen slechts toepassen na het verstrijken van de termijn waarin bezwaar kan worden gemaakt of, indien er bezwaar is gemaakt, slechts na het besluit van de Raad indien dit gunstig is.

Deze maatregelen houden op toepasselijk te zijn bij de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten.

Artikel 14

Elke Lid-Staat heeft, onder voorbehoud van de in artikel 16 bedoelde raadpleging, de bevoegdheid op kleine ondernemingen voor welke de toepassing van de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde op moeilijkheden zou stuiten, die bijzondere rege­ling toe te passen die het beste aansluit bij de nationale behoeften en mogelijkheden.

Artikel 15

1 . De Commissie dient ten spoedigste bij de Raad voorstellen voor richtlijnen in betreffende de gemeenschappelijke wijze van toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op handelingen betreffende landbouwprodukten.

2 . Tot aan het tijdstip dat in de in lid 1 bedoelde richtlijnen wordt vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van deze gemeenschappelijke wijze van toepassing, heeft elke Lid-Staat, onder voorbehoud van de in artikel 16 bedoelde raadpleging, de bevoegdheid op landbouwers voor wie de toepassing van de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde op moeilijkheden zou stuiten, die bijzondere regeling toe te passen die het beste aansluit bij de nationale behoeften en mogelijkheden.

Artikel 16

In de gevallen waarin een Lid-Staat volgens de bepalingen van deze richtlijn tot raadpleging dient over te gaan, wendt hij zich tijdig en met het oog op de toepassing van artikel 102 van het Verdrag tot de Commissie.

Artikel 17

Met het oog op de overgang van de huidige stelsels van omzetbelasting naar het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde hebben de Lid-Staten de bevoegdheid :

— overgangsmaatregelen te treffen om de belasting vooruit te heffen ;

— gedurende een bepaalde overgangsperiode voor de investeringsgoederen de methode van aftrek in jaarlijkse gedeelten (pro rata temporisaftrek) toe te passen;

— gedurende een bepaalde overgangsperiode de investeringsgoederen geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de in artikel 11 bedoelde aftrekregeling ;

en, onder voorbehoud van de in artikel 16 bedoelde raadpleging :

— forfaitaire aftrek toe te staan voor de investeringsgoederen welke op het tijdstip waarop de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing wordt nog niet zijn afgeschreven, alsmede voor de op datzelfde tijdstip aanwezige voorraden, ten einde door een maatregel van algemene strekking de druk van de tot dat tijdstip geheven omzetbelasting geheel of gedeeltelijk weg te nemen. De Lid-Staten hebben evenwel de bevoegdheid om deze aftrek te beperken tot goederen, uitgevoerd gedurende een jaar na het van toepassing worden van de belasting over de toegevoegde waarde. In dit geval kan deze aftrek slechts worden toegestaan voor de goederen die op voornoemd tijdstip in voorraad zijn en in dezelfde staat worden uitgevoerd ;

— tot aan de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, om duidelijk omschreven redenen van sociaal belang en ten behoeve van de eindverbruikers, lagere tarieven of zelfs vrijstellingen vast te stellen met eventuele teruggaaf van de in de vorige fase geheven belastingen, voor zover het totale effect van deze maatregelen niet groter is dan het effect van de in de huidige regeling toegepaste belastingverlichtingen.

Artikel 18

Voor de eerste maal op 1 januari 1972, en nadien om de twee jaar, dient de Commissie, na raadpleging van de Lid-Staten, bij de Raad een verslag in over de werking van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde in de Lid-Staten.

Artikel 19

De Raad stelt te zijner tijd, op voorstel van de Commissie, in het belang van de gemeenschappelijke markt, passende richtlijnen vast ter aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, met name door geleidelijke beperking of door intrekking van de van dit stelsel afwijkende maatregelen van de Lid-Staten, ten einde de nationale stelsels van belasting over de toegevoegde waarde steeds nader tot elkaar te doen komen, zulks ter voorbereiding van de tenuitvoerlegging van de in artikel 4 der eerste richtlijn omschreven doelstelling.

Artikel 20

De bijlagen vormen een integrerend deel van deze richtlijn.

Artikel 21

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 11 april 1967

Voor de Raad

De Voorzitter

R. VAN ELSLANDE

BIJLAGE A

1 . Ad artikel 3

Indien een Lid-Staat voornemens is de belasting over de toegevoegde waarde toe te passen op een kleiner gebied dan zijn nationale grondgebied, gaat hij over tot de in artikel 16 bedoelde raadpleging.

2 . Ad artikel 4

De term „werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter” moet in ruime zin worden opgevat, zodat zij elke economische bedrijvigheid omvat, derhalve met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de vrije beroepen.

Indien een Lid-Staat overweegt bepaalde werkzaamheden niet te belasten, dient zulks veeleer door middel van vrijstellingen te geschieden dan door het van het toepassingsgebied van de belasting uitsluiten van de personen die deze werkzaamheden verrichten.

De Lid-Staten hebben de bevoegdheid om ieder die de in artikel 4 bedoelde handelingen niet regelmatig verricht, eveneens als belastingplichtige aan te merken.

De term „ zelfstandig” beoogt met name loontrekkenden die met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan, van de be­lastingheffing uit te sluiten. Voorts biedt deze term elke Lid-Staat de mogelijkheid personen, die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch onderling financieel, economisch en organisatorisch verbonden zijn, niet als afzonderlijke belastingplichtigen te beschouwen, maar te zamen als één belastingplichtige aan te merken. De LidStaat die voornemens is een dergelijke regeling in te voeren, gaat over tot de in artikel 16 bedoelde raadpleging.

De staat, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen worden in beginsel niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden die zij ter uitoefening van het openbaar gezag verrichten.

Indien deze lichamen evenwel de werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter uitoefenen, kunnen zij voor deze werkzaamheden als belastingplichtige worden aangemerkt.

3 . Ad artikel 5 . lid 1

Onder het begrip „ lichamelijke zaak” dienen zowel roerende lichamelijke zaken als onroerende lichamelijke zaken te worden verstaan.

De levering van elektrische stroom, gas, warmte, koude en soortgelijke zaken wordt beschouwd als levering van een goed.

De Lid-Staten hebben de bevoegdheid bij inbreng van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in een vennootschap ervan uit te gaan dat deze vennootschap geacht wordt de persoon van de inbrenger voort te zetten.

4. Ad artikel 5, lid 2, sub a)

De in artikel 5 , lid 2, sub a), bedoelde overeenkomst mag voor de toepassing van deze richtlijn niet worden gesplitst in een huurovereenkomst en een koopovereenkomst doch moet reeds vanaf haar totstandkoming worden beschouwd als een overeenkomst ter zake van een belastbare levering.

5 . Ad artikel 5, lid 2, sub d) en e)

De Lid-Staten, die om redenen van specifiek nationale aard de in artikel 5 , lid 2, sub d) en e), bedoelde handelingen niet als leveringen kunnen aanmerken, nemen deze onder de categorie diensten op, onder toepassing van het tarief dat voor deze handelingen zou gelden indien zij als leveringen zouden zijn beschouwd.

Als „werk in onroerende staat” worden onder meer beschouwd :

— de bouw van gebouwen, bruggen, wegen, havens, enz., ter uitvoering van een aannemingscontract;

— grondwerken en de aanleg van tuinen ;

— installatiewerkzaamheden (bijvoorbeeld van centrale verwarmingen) ;

— herstellingen van onroerende goederen, andere dan normale onderhoudswerkzaamheden.

6 . Ad artikel 5, lid 3, sub a)

Ten aanzien van het onttrekken van een goed in de staat waarin het door de belastingplichtige is gekocht, hebben de Lid-Staten de bevoegdheid de heffing te vervangen door het niet-toestaan van de aftrek of door een herziening van de aftrek indien deze reeds werd toegepast. Onttrekkingen van goederen, bestemd om te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster en welke fiscaal tot de algemene kosten mogen worden gerekend, dienen echter niet als belastbare leveringen te worden beschouwd. Op zodanige onttrekkingen zijn de in artikel 11, lid 2, opgenomen bepalingen voorts niet van toepassing.

7 . Ad artikel 5, lid 3, sub b)

Deze bepaling dient slechts te worden toegepast ten einde te waarborgen dat aangekochte goederen welke bestemd zijn voor bedrijfsdoeleinden en waarvoor geen aanspraak op onmiddellijke of volledige aftrek bestaat enerzijds, en goederen welke door de belastingplichtige of voor diens rekening door een derde zijn vervaardigd of gewonnen en die voor dezelfde doeleinden worden gebezigd anderzijds, in fiscaal opzicht gelijk worden behandeld.

8 . Ad artikel 5, lid 5

Onder „belastbaar feit” dient te worden verstaan het ontstaan van de belastingschuld.

9 . Ad artikel 6, lid 1

De in dit lid gegeven omschrijving van het begrip dienst brengt mede, dat tot de diensten onder andere moeten worden gerekend :

— de overdracht van een onlichamelijke zaak ;

— de nakoming van een verbintenis om iets niet te doen ;

— het verrichten van een dienst op grond van een vordering door of namens de overheid;

— de werkzaamheden, betrekking hebbende op een goed, indien deze niet kunnen worden beschouwd als een levering in de zin van artikel 5 , lid 2 , sub d) en e), zoals bijvoorbeeld normale onderhoudswerkzaamheden, het wassen van linnengoed, enz.

Deze omschrijving belet niet dat een LidStaat bepaalde door een belastingplichtige verrichte handelingen belast als „ voor zichzelf verrichte diensten”, als zulks nodig mocht blijken om vervalsing van de concurrentie te voorkomen.

10. Ad artikel 6, lid 2

De Lid-Staten zien er in de grootst mogelijke mate van af de in bijlage B opgesomde diensten vrij te stellen.

11 . Ad artikel 6, lid 3

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad vóór 1 januari 1970 met eenparigheid van stemmen voor bepaalde diensten waarvoor zulks nodig zou blijken, bijzondere bepalingen vast, eventueel in afwijking van het bepaalde in artikel 6, lid 3. Tot aan de vaststelling van deze bepalingen heeft elke Lid-Staat de bevoegdheid om ter vereenvoudiging van de heffing van de belasting af te wijken van het bepaalde in artikel 6 , lid 3, waarbij hij dan echter de nodige maatregelen treft om dubbele belastingheffing of het niet heffen van belasting te voorkomen.

12. Ad artikel 8

De Lid-Staat die het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde slechts toepast tot en met de groothandelsfase kan in geval van kleinhandelsverkopen door een belastingplichtige de belastinggrondslag met een bepaald percentage verlagen ; de aldus verlaagde belastinggrondslag mag evenwel niet lager zijn dan de inkoopprijs of de kostprijs, in voorkomend geval vermeerderd met het bedrag van de op het goed drukkende invoerrechten (met inbegrip van de heffingen bij invoer), rechten en belastingen, zelfs indien de betaling daarvan is opgeschort, doch met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde.

In geval van invoer van een m de kleinhandel verkocht goed dient de belastinggrondslag in dezelfde mate te worden verlaagd.

Het wordt aan de Lid-Staten overgelaten het begrip „ kleinhandelsverkopen” naar nationale opvatting te omschrijven.

Onder voorbehoud van de in artikel 16 bedoelde raadpleging heeft elke Lid-Staat de bevoegdheid om, ter voorkoming van fraude en voor limitatief opgesomde goederen en diensten, te bepalen dat, in afwijking van artikel 8 , de belastinggrondslag niet lager mag zijn dan een in zijn nationale wetgeving vastgelegde minimumgrondslag.

13. Ad artikel 8, sub a)

Onder „ tegenwaarde” dient te worden verstaan al hetgeen als tegenprestatie wordt ontvangen voor de levering van het goed of voor de dienst, met inbegrip van de bijkomende kosten (verpakking, vervoer, verzekering, enz.), dat wil zeggen niet alleen de ontvangen bedragen, doch bijvoorbeeld ook de waarde van de in ruil ontvangen goederen of, in geval van vordering door of namens de overheid, het bedrag van de ontvangen vergoeding.

De voorgaande bepaling laat echter onverlet de bevoegdheid van een Lid-Staat die het, om de neutraliteit ten aanzien van de mededinging beter te benaderen, noodzakelijk acht de bijkomende kosten ontstaan vanaf de in artikel 5, lid 4 , omschreven plaats van levering uit te sluiten van de belastinggrondslag voor leveringen en deze kosten te belasten als tegenwaarde voor een dienst.

Kosten welke in naam en voor rekening van de opdrachtgever zijn betaald en in de boekhouding van de leverancier of dienstverrichter als „ doorlopende posten” voorkomen, vormen evenwel geen deel van de belastinggrondslag.

Invoerrechten en andere belastingen, enz., welke bij invoer door douaneagenten en andere tussenpersonen op het gebied van de douane, expediteurs inbegrepen, op eigen naam zijn betaald, kunnen eveneens van de belastinggrondslag voor de door hen verrichte diensten worden uitgesloten.

14. Ad artikel 8, sub c)

De Lid-Staten beijveren zich om in het intracommunautaire handelsverkeer bij invoer van goederen een belastinggrondslag toe te passen welke in de grootst mogelijke mate overeenkomt met die voor in het binnenland verrichte leveringen ; deze grondslag omvat dezelfde elementen als uit hoofde van artikel 8 , sub c), in aanmerking worden genomen.

Uiterlijk tot aan de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en onder voorbehoud van de in artikel 16 bedoelde raadpleging, heeft elke Lid-Staat de bevoegdheid om bij invoer van goederen uit derde landen een belastinggrondslag toe te passen welke zoveel mogelijk overeenkomt met die voor in het binnenland verrichte leveringen ; deze grondslag omvat dezelfde elementen als uit hoofde van artikel 8 , sub c), in aanmerking worden genomen.

15 . Ad artikel 9, lid 2

Voor zover van het in dit lid bepaalde gebruik wordt gemaakt ten aanzien van de in bijlage B onder punt 5 genoemde vervoerdiensten, moet zulks zodanig geschieden dat een gelijke behandeling van de verschillende takken van vervoer wordt gewaarborgd.

16 . Ad artikel 10, lid 1 , sub a)

De in deze bepaling bedoelde vrijstelling heeft betrekking op de levering van een goed dat rechtstreeks wordt uitgevoerd, dat wil zeggen, de door de exporteur verrichte levering. De LidStaten hebben evenwel de bevoegdheid de vrijstelling uit te strekken tot de leveringen welke in de voorafgaande fase worden verricht.

17. Ad artikel 10, lid 1 , sub b)

De Lid-Staten hebben evenwel de bevoegdheid van deze vrijstelling af te zien indien het wegnemen van de druk van de belasting over de toegevoegde waarde op deze diensten geschiedt door aftrek bij degene te wiens behoeve deze diensten worden verricht. Voorts hebben de Lid-Staten, behalve voor diensten met betrekking tot goederen in doorvoer, de bevoegdheid om deze vrijstelling te beperken tot de diensten welke betrekking hebben op goederen waarvan de levering in het binnenland belast is.

18. Ad artikel 10, lid 2

Deze bepaling heeft met name betrekking op de diensten van het internationale vervoer bij de invoer en op de diensten in de havens.

19 . Ad artikel 10, leden 2 en 3

Voor zover van het in deze leden bepaalde gebruik gemaakt wordt ten aanzien van de in bijlage B onder punt 5 genoemde vervoerdiensten, moet zulks zodanig geschieden dat een gelijke behandeling van de verschillende takken van vervoer wordt gewaarborgd.

20 . Ad artikel 11 , lid 1 , sub a)

In de gevallen, bedoeld in artikel 5 , lid 5 , tweede zin, en in artikel 6 , lid 4, tweede zin, kan de aftrek worden toegepast zodra de factuur is ontvangen, zelfs wanneer de goederen nog niet zijn geleverd of de diensten nog niet zijn verricht.

21 . Ad artikel 11 , lid 2, tweede alinea

De Lid-Staten hebben evenwel de bevoegdheid het recht op aftrek te beperken tot de handelingen welke betrekking hebben op goederen waarvan de levering in het binnenland belast is.

22. Ad artikel 11 , lid 2, derde alinea

Het verhoudingsgetal wordt in beginsel vastgesteld voor het totaal der door de belastingplichtige verrichte leveringen en diensten (algemeen verhoudingsgetal). Een belastingplichtige kan evenwel bi] wijze van uitzondering van de belastingdienst toestemming verkrijgen om voor bepaalde sectoren van zijn bedrijfsuitoefening bijzondere verhoudingsgetallen vast te stellen.

23 . Ad artikel 11 , lid 3, eerste alinea

Onder voorbehoud van de in artikel 16 bedoelde raadpleging, heeft elke Lid-Staat de bevoegdheid om conjuncturele redenen de investeringsgoederen geheel of gedeeltelijk van de aftrekregeling uit te sluiten, dan wel om voor die goederen in plaats van de methode van onmiddellijke aftrek de methode van aftrek in jaarlijkse gedeelten toe te passen (pro rata temporisaftrek).

24. Ad artikel 11 , lid 3, derde alinea

De Lid-Staten hebben de bevoegdheid bepaalde toleranties vast te stellen om het aantal herzieningen van de aftrek te beperken indien het jaarlijkse verhoudingsgetal verandert ten opzichte van het oorspronkelijke verhoudingsgetal dat als grondslag voor de aftrek voor investeringsgoederen heeft gediend.

25 . Ad artikel 12, lid 2

In de factuur moeten afzonderlijk zijn vermeld : de prijs exclusief belasting, de belasting volgens elk afzonderlijk tarief, alsook, in voorkomend geval, de vrijstelling.

Elke Lid-Staat kan in bijzondere gevallen bepalen dat wordt afgeweken van dit voorschrift en van de in artikel 12, lid 2, neergelegde verplichting. Deze afwijkingen moeten evenwel strikt beperkt worden.

Onverminderd de andere door de Lid-Staten te treffen maatregelen ter waarborging van de belastingbetaling en ter vermijding van fraude, moet een ieder, ongeacht of hij belastingplichtig is, die de belasting over de toegevoegde waarde op een factuur vermeldt het desbetreffende bedrag voldoen.

26. Ad artikel 12, lid 3

Elke Lid-Staat heeft de bevoegdheid de in artikel 12, lid 3, bedoelde termijn om praktische redenen te bekorten of aan bepaalde belastingplichtigen vergunning te verlenen eens per kwartaal, halfjaar of jaar de aangifte in te dienen.

De belastingplichtige moet, in voorkomend geval, elk jaar in de eerste helft van dat jaar een aangifte indienen, betreffende alle in het voorgaande jaar verrichte handelingen, welke alle gegevens bevat die voor de eventuele herziening van de aftrek nodig zijn.

Elke Lid-Staat stelt ter zake van de invoer van goederen de voorschriften vast voor de aangifte en de betaling welke daarop volgen moet.

27 . Ad artikel 14

Voor zover van het in dit artikel bepaalde gebruik wordt gemaakt ten aanzien van de in bijlage B onder punt 5 genoemde vervoerdiensten, moet zulks zodanig geschieden dat een gelijke behandeling van de verschillende takken van vervoer wordt gewaarborgd.

28. Ad artikel 17, vierde streepje

De waardering van de voorraden kan onder andere geschieden aan de hand van de door de belastingplichtigen gedurende de voorgaande jaren verrichte handelingen.

BIJLAGE B

Lijst van de in artikel 6, lid 2, bedoelde diensten

1 . de overdracht van octrooien, van fabrieks- en handelsmerken en van soortgelijke rechten, alsmede het verlenen van licenties inzake deze rechten ;

2 . andere dan in artikel 5, lid 2, sub d), bedoelde werkzaamheden, betrekking hebbende op roerende lichamelijke zaken en verricht voor belastingplichtigen;

3 . de diensten, welke erop gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden of te coördineren, zoals bijvoorbeeld de diensten verricht door architecten en bureaus welke op de uitvoering van het werk toezicht houden ;

4. diensten op het gebied van de commerciële reclame ;

5 . het vervoer en de opslag van goederen, alsmede de bijkomende diensten;

6 . de verhuur van roerende lichamelijke zaken aan belastingplichtigen ;

7 . het ter beschikking stellen van personeel aan belastingplichtigen ;

8 . op technisch, economisch of wetenschappelijk gebied : de diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs en planningbureaus, alsmede soortgelijke diensten ;

9 . de nakoming van een verbintenis, bestaande uit het geheel of gedeeltelijk niet uitoefenen van een bedrijfswerkzaamheid of van een in deze lijst genoemd recht ;

10. de diensten van expediteurs, makelaars, handelsagenten en andere zelfstandige tussenpersonen, voor zover zij betrekking hebben op de levering of de invoer van goederen of op de in deze lijst genoemde diensten.