Zesde Richtlijn BTW 77/388/EEG

Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag

ZESDE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 17 mei 1977

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde ; uniforme grondslag

( 77/388/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op de artikelen 99 en 100 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ) ,

Overwegende dat alle Lid-Staten overeenkomstig de eerste en de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting ( 3 ) een stelsel van belasting over de toegevoegde waarde hebben ingevoerd ;

Overwegende dat , op grond van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen ( 4 ) , de begroting van de Gemeenschappen , onverminderd de andere ontvangsten , in haar geheel gefinancierd zal worden uit eigen middelen van de Gemeenschappen ; dat deze middelen onder meer de ontvangsten uit de belasting over de toegevoegde waarde omvatten , verkregen door toepassing van een gemeenschappelijk percentage op een grondslag welke op uniforme wijze volgens communautaire voorschriften wordt vastgesteld ;

Overwegende dat voortgang dient te worden gemaakt met de daadwerkelijke vrijmaking van het personen – , goederen – , diensten – en kapitaalverkeer en de onderlinge vervlechting van de economieën ;

Overwegende dat rekening dient te worden gehouden met het doel van de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten , onder waarborging van de neutraliteit van het gemeenschappelijk stelsel van omzetbelasting met betrekking tot de oorsprong van de goederen en diensten , opdat uiteindelijk een gemeenschappelijke markt tot stand wordt gebracht waar een gezonde mededinging bestaat en waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een echte binnenlandse markt ;

Overwegende dat het begrip ” belastingplichtige ” nader moet worden omschreven en dat de Lid-Staten , ten einde een betere belastingneutraliteit te waarborgen , in staat moeten worden gesteld hieronder personen te laten vallen die incidenteel handelingen verrichten ;

Overwegende dat het begrip ” belastbare handeling ” tot moeilijkheden heeft geleid met name voor wat betreft de met belastbare handelingen gelijkgestelde handelingen , en dat het noodzakelijk is gebleken deze begrippen nader te omschrijven ;

Overwegende dat de vaststelling van de plaats van de belastbare handelingen heeft geleid tot competentieconflicten tussen de Lid-Staten , met name met betrekking tot de levering inclusief montage van een goed en met betrekking tot diensten ; dat de plaats van diensten in beginsel moet worden vastgesteld op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd , maar dat die plaats evenwel in bepaalde gevallen moet worden vastgesteld in het land van de ontvanger van de diensten , met name voor sommige diensten tussen belastingplichtigen waarvan de kosten in de prijs van de goederen worden opgenomen ;

Overwegende dat de begrippen ” belastbaar feit ” en ” verschuldigheid van de belasting ” moeten worden geharmoniseerd , opdat de toepassing en de latere wijzigingen van het communautaire tarief in alle Lid-Staten op hetzelfde tijdstip ingaan ;

Overwegende dat de maatstaf van de heffing moet worden geharmoniseerd , opdat de toepassing van het communautaire tarief op de belastbare handelingen in alle Lid-Staten tot vergelijkbare resultaten leidt ;

Overwegende dat de door de Lid-Staten toegepaste tarieven de normale aftrek van de voorbelasting mogelijk moet maken ;

Overwegende dat , met het oog op een vergelijkbare heffing van de eigen middelen in alle Lid-Staten , een gemeenschappelijke lijst van vrijstellingen dient te worden vastgesteld ;

Overwegende dat de aftrekregelingen moeten worden geharmoniseerd voor zover hiervan invloed uitgaat op het werkelijke niveau van heffing en dat de berekening van het pro rata voor de toepassing van de aftrek in alle Lid-Staten op overeenkomstige wijze moet geschieden ;

Overwegende dat nader dient te worden bepaald wie tot voldoening van de belasting gehouden is , met name voor bepaalde diensten verricht door in het buitenland gevestigde dienstverrichters ;

Overwegende dat de verplichtingen van degenen die tot voldoening van de belasting gehouden zijn , zoveel mogelijk moeten worden geharmoniseerd ten einde de nodige waarborgen te verkrijgen met betrekking tot de gelijkheid van de belastingheffing in alle Lid-Staten ; dat degenen die tot voldoening van de belasting gehouden zijn , periodiek aangifte moeten doen van het totale bedrag van hun handelingen , zowel ten opzichte van hun leveranciers als ten opzichte van hun afnemers , wanneer dat nodig is voor de vaststelling van en de controle op de grondslag van de eigen middelen ;

Overwegende dat de verschillende bestaande bijzondere regelingen moeten worden geharmoniseerd ; dat de Lid-Staten ten aanzien van kleine ondernemingen evenwel hun bijzondere regelingen moeten kunnen behouden , zulks overeenkomstig gemeenschappelijke voorschriften en met het oog op een verdergaande harmonisatie ; dat de Lid-Staten de mogelijkheid moeten behouden om ten behoeve van landbouwers die niet onder de normale regeling vallen , een bijzondere regeling toe te passen met een forfaitaire compensatie van de belasting over de toegevoegde waarde ten opzichte van hun leveranciers ; dat de belangrijste beginselen van deze regeling en een gemeenschappelijke methode voor de berekening van de door deze landbouwers toegevoegde waarde , moeten worden vastgesteld met het oog op de heffing van de eigen middelen ;

Overwegende dat het van belang is de gecoordineerde toepassing van de bepalingen van deze richtlijn te waarborgen en dat het te dien einde onontbeerlijk is een communautaire raadplegingsprocedure in stellen ; dat de oprichting van een Comité voor de belasting over de toegevoegde waarde de mogelijkheid verschaft , op dit gebied een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie tot stand te brengen ;

Overwegende dat de Lid-Staten , met inachtneming van bepaalde beperkingen en voorwaarden , bijzondere van de onderhavige richtlijn afwijkende maatregelen moeten kunnen treffen of handhaven , ten einde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of belastingontwijking te voorkomen ;

Overwegende dat het dienstig kan blijken de Lid-Staten te machtigen met derde landen of met internationale organisaties overeenkomsten te sluiten waarin bepalingen kunnen voorkomen die van de onderhavige richtlijn afwijken ;

Overwegende dat een overgangsperiode noodzakelijk is om de nationale wetgevingen op bepaalde terreinen geleidelijk aan elkaar te kunnen aanpassen ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

De Lid-Staten brengen hun huidige stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in overeenstemming met de bepalingen van de volgende artikelen .

Zij treffen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen , opdat hun dienovereenkomstig aangepaste stelsel zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 januari 1978 in werking treedt .

HOOFDSTUK II

WERKINGSSFEER

Artikel 2

Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen :

1 . de leveringen van goederenen de diensten , welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht ;

2 . de invoer van goederen .

HOOFDSTUK III

GEOGRAFISCH TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 3

1 . Voor de toepassing van deze richtlijn komt het ” binnenland ” overeen met de werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap zoals die in artikel 227 voor elke Lid-Staat is omschreven .

2 . Het binnenland omvat niet de volgende nationale gebieden :

Bondsrepubliek Duitsland :

het eiland Helgoland , het gebied van Buesingen ;

Koninkrijk Denemarken :

Groenland ;

Italiaanse Republiek :

Livigno , Campione d’Italia , de nationale wateren van het meer van Lugano .

3 . Indien de Commissie van mening is dat de in lid 2 genoemde uitsluitingen niet meer gerechtvaardigd zijn , met name uit het oogpunt van de neutraliteit ten aanzien van de mededinging of van de eigen middelen , legt zij passende voorstellen aan de Raad voor .

HOOFDSTUK IV

BELASTINGPLICHTIGEN

Artikel 4

1 . Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die , ongeacht op welke plaats , zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht , ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit .

2 . De in lid 1 bedoelde economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant , handelaar of dienstverrichter , met inbegrip van de winning van delfstoffen , de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen . Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen .

3 . De Lid-Staten kunnen eveneens als belastingplichtige aanmerken ieder die incidenteel een handeling verricht die behoort tot de in lid 2 bedoelde activiteiten , met name een van de volgende handelingen :

a ) de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het erbij behorend terrein voor eerste ingebruikneming ; de Lid-Staten kunnen de voorwaarden voor de toepassing van dit criterium op de verbouwing van gebouwen , alsmede het begrip ” erbij behorend terrein ” bepalen .

De Lid-Staten kunnen andere criteria dan dat van eerste ingebruikneming toepassen , zoals het tijdvak dat verloopt tussen de datum van voltooiing van het gebouw en die van eerste levering , of het tijdvak tussen de datum van eerste ingebruikneming en die van uiteindelijke levering , mits deze tijdvakken niet langer duren dan onderscheidenlijk vijf en twee jaar .

Als gebouw wordt beschouwd ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden .

b ) de levering van een bouwterrein .

Als bouwterreinen worden beschouwd de door de Lid-Staten als zodanig omschreven al dan niet bouwrip gemaakte terreinen .

4 . De in lid 1 gebezigde term ” zelfstandig ” sluit van de belastingheffing loontrekkenden en andere personen uit , voor zover die met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien vande arbeids – en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever .

Onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging , kan elke Lid-Staat personen die in het binnenland gevestigd zijn en die juridisch gezien wel zelfstandig zijn , doch financieel , economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn , te zamen als één belastingplichtige aanmerken .

5 . De Staat , de regio’s , de gewesten , de provincies , de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als belastingplichtigen aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten , ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten , heffingen , bijdragen of retributies innen .

Wanneer deze lichamen evenwel zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten , moeten zij daarvoor als belastingplichtige worden aangemerkt , indien een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentievervalsing van enige betekenis zou leiden .

Genoemde lichamen worden in elk geval beschouwd als belastingplichtig met name voor de in bijlage D genoemde werkzaamheden , voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn .

De Lid-Staten kunnen werkzaamheden van genoemde lichamen die zijn vrijgesteld uit hoofde van de artikelen 13 of 28 , beschouwen als werkzaamheden van de overheid .

HOOFDSTUK V

BELASTBARE HANDELINGEN

Artikel 5

Levering van goederen

1 . Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken .

2 . Elektrische stroom , gas , warmte , koude en soortgelijke zaken worden als lichamelijke zaken beschouwd .

3 . De Lid-Staten kunnen als lichamelijke zaken beschouwen :

a ) bepaalde rechten op onroerende goederen ;

b ) de zakelijke rechten die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken ;

c ) de deelbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geven op de eigendom of het genot van een onroerend goed of een deel daarvan .

4 . Als leveringen in de zin van lid 1 worden eveneens beschouwd :

a ) de eigendomsovergang van een goed tegen betaling van een vergoeding , ingevolge een vordering door of namens de overheid dan wel krachtens de wet ;

b ) de afgifte van een goed ingevolge een overeenkomst volgens welke een goed gedurende een bepaalde periode in huur wordt gegeven of ingevolge een overeenkomst tot koop en verkoop op afbetaling , in beide gevallen onder het beding dat normaliter het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen ;

c ) de overdracht van een goed ingevolge een overeenkomst tot aan – of verkoop in commissie .

5 . Als een levering in de zin van lid 1 kunnen de Lid-Staten beschouwen :

a ) de oplevering van een werk in roerende staat , dat wil zeggen de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld , met behulp van stoffen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt , ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verschaft ;

b ) de oplevering van een werk in onroerende staat .

6 . Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel , of dat hij om niet verstrekt of , meer in het algemeen , voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt , ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan . Onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster , worden niet als zodanig beschouwd .

7 . De Lid-Staten kunnen met een levering onder bezwarende titel gelijkstellen :

a ) het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van een goed dat in het kader van zijn bedrijf is vervaardigd , gebouwd , gewonnen , bewerkt , aangekocht of ingevoerd , indien het van een andere belastingplichtige betrekken van een dergelijk goed hem geen recht zou geven op volledige aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde ;

b ) het door een belastingplichtige voor een niet-belaste sector van zijn bedrijfsuitoefening bestemmen van een goed , voor zover bij de aanschaffing van dat goed of bij de bestemming ervan overeenkomstig het bepaalde sub a ) recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan ;

c ) met uitzondering van de in lid 8 genoemde gevallen , het onder zich hebben van goederen door een belastingplichtige of zijn rechthebbenden wanneer hij de uitoefening van zijn belastbare economische activiteit beëindigt , ingeval bij de aanschaffing van die goederen of bij de bestemming ervan overeenkomstig het bepaalde sub a ) recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan .

8 . De Lid-Staten kunnen , in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel , om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap , zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan , in de plaats treedt van de overdrager . De Lid-Staten kunnen in voorkomend geval de nodige maatregelen treffen om concurrentievervalsing te voorkomen ingeval degene op wie de goederen overgaan niet volledig belastingplichtig is .

Artikel 6

Diensten

1 . Als dient wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is .

Deze handeling kan onder meer zijn :

– de overdracht van een onlichamelijke zaak , ongeacht of deze al dan niet in een titel is belichaamd ;

– de verplichting om een daad na te laten of om een daad of een situatie te dulden ;

– het verrichten van een dienst op grond van een vordering door of namens de overheid , dan wel krachtens de wet .

2 . Met een dienst verricht onder bezwarende titel worden gelijkgesteld :

a ) het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privedoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel , of , meer in het algemeen , voor andere dan bedrijfsdoeleinden , wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan ;

b ) het om niet verrichten van diensten door de belastingplichtige voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel , of , meer in het algemeen voor andere dan bedrijfsdoeleinden .

De Lid-Staten kunnen van het bepaalde in dit lid afwijken , mits deze afwijking niet tot concurrentievervalsing leidt .

3 . Ter voorkoming van concurrentievervalsing kunnen de Lid-Staten , onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging , met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkstellen het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden verrichten van een dienst , voor zover hij , ingeval een dergelijke dienst door een andere belastingplichtige zou zijn verricht , geen recht zou hebben op volledige aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde .

4 . Wanneer door tussenkomst van een belastingplichtige , handelend op eigen naam , maar voor rekening van een ander , een dienst wordt verricht , wordt de betrokken belastingplichtige geacht deze dienst zelf te hebben ontvangen en te hebben verricht .

5 . Het bepaalde in artikel 5 , lid 8 , is op overeenkomstige wijze van toepassing op diensten .

Artikel 7

Invoer

Als invoer van een goed wordt beschouwd het binnenkomen van dit goed in het binnenland als omschreven in artikel 3 .

HOOFDSTUK VI

PLAATS VAN DE BELASTBARE HANDELINGEN

Artikel 8

Levering van goederen

1 . Als plaats van een levering van goederen wordt aangemerkt :

a ) ingeval het goed door de leverancier , door de afnemer dan wel door een derde wordt verzonden of vervoerd : de plaats waar het goed zich op het tijdstip van de aanvang van de verzending of het vervoer naar de afnemer bevindt . Wanneer het goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd , met of zonder beproeven van het geïnstalleerde of gemonteerde goed , wordt als plaats van levering aangemerkt de plaats waar de installatie of de montage geschiedt . Indien de installatie of de montage plaatsvindt in een ander land dan dat van de leverancier , treft de Lid-Staat van invoer de nodige maatregelen om dubbele belastingheffing op zijn grondgebied te voorkomen ;

b ) ingeval het goed niet wordt verzonden of vervoerd : de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering .

2 . In afwijking van het bepaalde in lid 1 , sub a ) , worden , in gevallen waarin de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer in een ander land dan het land van invoer van de goederen ligt , de plaats van de levering verricht door de importeur als bedoeld in artikel 21 , punt 2 , alsmede de plaats van eventuele volgende leveringen geacht in het land van invoer van de goederen te liggen .

Artikel 9

Diensten

1 . Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht , of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting , zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats .

2 . In afwijking hiervan is

a ) de plaats van diensten die betrekking hebben op een onroerend goed , met inbegrip van diensten van makelaars in onroerende goederen en van experts alsmede van diensten die erop gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden of de coordineren , zoals bij voorbeeld de diensten verricht door architecten en bureaus die op de uitvoering van het werk toezicht houden , de plaats waar het goed is gelegen ;

b ) de plaats van vervoerdiensten , de plaats waar het vervoer plaatsvindt , zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden ;

c ) de plaats van diensten :

– in verband met culturele , artistieke , sportieve , wetenschappelijke , onderwijs – en vermakelijkheidsactiviteiten of soortgelijke activiteiten , met inbegrip van die van de organisatoren van zulke activiteiten , alsmede in voorkomend geval , van daarmee samenhangende diensten ;

– in verband met activiteiten die met vervoer samenhangen , zoals laden , lossen , intern transport en soortgelijke activiteiten ;

– in verband met expertises met betrekking tot roerende lichamelijke zaken ;

– in verband met werkzaamheden die betrekking hebben op roerende lichamelijke zaken ,

de plaats waar die diensten materieel worden verricht ;

d ) de plaats van diensten die strekken tot de verhuur van een roerende lichamelijke zaak , met uitzondering van alle vervoermiddelen , welke door de verhuurder van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat wordt uitgevoerd om daar te worden gebruikt , de plaats waar het gebruik plaatsvindt ;

e ) de plaats van de hieronder vermelde diensten , die worden verleend aan ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd , de plaats waar de ontvanger de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht , of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting , zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats :

– de overdracht en het verlenen van auteursrechten , octrooien , licentierechten , fabrieks – en handelsmerken , en andere soortgelijke rechten ;

– diensten op het gebied van de reclame ;

– diensten verricht door raadgevende personen , ingenieurs , adviesbureaus , advocaten , accountants en andere soortgelijke diensten , alsmede informatieverwerking en -verschaffing ;

– de verbintenis om een beroepsactiviteit of een sub e ) vermeld recht geheel of gedeeltelijk niet uit te oefenen ;

– bank – , financiële en verzekeringsverrichtingen met inbegrip van herverzekeringsverrichtingen en met uitzondering van de verhuur van safeloketten ;

– het beschikbaar stellen van personeel ;

– diensten verricht door op naam en voor rekening van een ander handelende tussenpersonen , als zij bemiddelen bij de verlening van diensten als bedoeld sub e ) .

3 . Ten einde dubbele heffing of niet-heffing van belasting alsmede concurrentievervalsing te voorkomen , kunnen de Lid-Staten , voor de diensten als bedoeld in lid 2 , sub e ) , alsmede de verhuur van roerende lichamelijke zaken :

a ) de plaats van de diensten , die , krachtens dit artikel , in het binnenland is gelegen , aanmerken als buiten de Gemeenschap te zijn gelegen , wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie buiten de Gemeenschap geschieden ;

b ) de plaats van de diensten , die , krachtens dit artikel , buiten de Gemeenschap is gelegen , aanmerken als in het binnenland te zijn gelegen , wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland geschieden .

HOOFDSTUK VII

BELASTBAAR FEIT EN VERSCHULDIGHEID VAN DE BELASTING

Artikel 10

1 . a ) Als ” belastbaar feit ” wordt beschouwd het feit waardoor voldaan wordt aan de wettelijke voorwaarden , vereist voor het verschuldigd worden van de belasting ;

b ) De belasting wordt geacht ” verschuldigd te zijn ” wanneer de schatkist krachtens de wet de belasting met ingang van een bepaald tijdstip van de belastingplichtige kan vorderen , ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld .

2 . Het belastbare feit vindt plaats en de belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht . Leveringen van goederen , met uitzondering van de leveringen als bedoeld in artikel 5 , lid 4 , sub b ) , en diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen , worden geacht te zijn verricht bij het verstrijken van de periode waarop deze afrekeningen of betalingen betrekking hebben .

Indien evenwel vooruitbetalingen worden gedaan alvorens de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht , wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van ontvangst van de vooruitbetalingen , ten belope van het ontvangen bedrag .

In afwijking van het voorgaande kunnen de Lid-Staten bepalen dat de belasting voor bepaalde handelingen of bepaalde categorieën belastingplichtigen verschuldigd wordt :

– uiterlijk bij de uitreiking van de factuur of van het als zodanig dienst doende document , of

– uiterlijk bij ontvangst van de prijs , of ,

– wanneer de factuur of het als zodanig dienst doende document niet of niet tijdig wordt uitgereikt , binnen een bepaalde termijn te rekenen vanaf de datum van het belastbare feit .

3 . Bij invoer vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van het binnenkomen van het goed in het binnenland in de zin van artikel 3 .

Indien ingevoerde goederen zijn onderworpen aan invoerrechten , aan landbouwheffingen of aan rechten van gelijke werking die zijn ingesteld in het kader van een gemeenschappelijk beleid , kunnen de Lid-Staten het belastbare feit en het verschuldigd worden van de belasting verbinden met het belastbare feit en het verschuldigd worden ter zake van deze communautaire rechten .

In gevallen waarin de ingevoerde goederen niet aan een van deze communautaire rechten zijn onderworpen , kunnen de Lid-Staten de vigerende bepalingen inzake invoerrechten toepassen met betrekking tot het belastbare feit en het verschuldigd worden van de belasting .

Indien de goederen onmiddellijk bij invoer onder een van de regelingen van artikel 16 , lid 1 , sub A , worden geplaatst , of onder een regeling inzake tijdelijke invoer of douanevervoer , dan vindt het belastbare feit pas plaats en wordt de belasting pas verschuldigd op de datum waarop de goederen aan deze regeling worden onttokken en ten invoer tot verbruik worden aangegeven .

HOOFDSTUK VIII

MAATSTAF VAN HEFFING

Artikel 11

A . In het binnenland

1 . De maatstaf van heffing is :

a ) voor andere goederenleveringen en diensten dan hierna bedoeld sub b ) , c ) en d ) : alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper , van de ontvanger of van een derde , met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden ;

b ) voor de in artikel 5 , leden 6 en 7 , bedoelde handelingen : de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of , indien er geen aankoopprijs is , de kostprijs , berekend op het tijdstip waarop deze handelingen worden uitgevoerd ;

c ) voor de in artikel 6 , lid 2 , bedoelde handelingen : de door de belastingplichtige voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven ;

d ) voor de in artikel 6 , lid 3 , bedoelde handelingen : de normale waarde van de verrichte diensten .

Als ” normale waarde ” van een dienst wordt beschouwd het bedrag dat een ontvanger , in de handelsfase waarin de handeling wordt verricht , bij vrije mededinging zou moeten betalen aan een zelfstandige dienstverrichter in het binnenland op het tijdstip waarop de handeling wordt verricht , om de desbetreffende dienst te verkrijgen .

2 . In de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen :

a ) belastingen , rechten en heffingen , met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde zelf ;

b ) bijkomende kosten , zoals kosten van commissie , verpakking , vervoer en verzekering , die de leverancier in rekening brengt aan de koper of de ontvanger . Uitgaven die bij afzonderlijke overeenkomst zijn geregeld mogen door de Lid-Staten als bijkomende kosten worden beschouwd .

3 . In de maatstaf van heffing worden niet opgenomen :

a ) prijsverminderingen wegens korting voor vooruitbetaling ;

b ) prijskortingen en -rabatten die aan de koper of de ontvanger worden toegekend en die zijn verkregen op het tijdstip waarop de handeling wordt verricht ;

c ) door een belastingplichtige van de koper of de ontvanger als terugbetaling van in naam en voor rekening van laatstgenoemden gemaakte kosten ontvangen bedragen die in de boekhouding van de belastingplichtige als doorlopende posten voorkomen . De betreffende belastingplichtige moet het werkelijke bedrag van deze uitgaven verantwoorden en mag de eventueel daarop drukkende belasting niet in aftrek brengen .

B . Bij invoer van goederen

1 . De maatstaf van heffing is :

a ) de prijs die is of moet worden betaald door de importeur indien deze prijs de enige tegenprestatie vormt als omschreven in A , lid 1 , sub a ) ;

b ) de normale waarde bij gebreke van een prijs of indien de betaalde of te betalen prijs niet de enige tegenprestatie voor het ingevoerde goed vormt .

Als ” normale waarde ” van een ingevoerd goed wordt beschouwd het bedrag dat een importeur , in de handelsfase waarin de invoer plaatsvindt , bij vrije mededinging zou moeten betalen aan een zelfstandige leverancier in het land waarvandaan het goed is uitgevoerd , op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt , om het desbetreffende goed te verkrijgen .

2 . De Lid-Staten kunnen als maatstaf van heffing de waarde nemen zoals omschreven in Verordening ( EEG ) nr . 803/68 ( 5 ) .

3 . In de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen , voor zover zij niet reeds daarin zijn begrepen :

a ) de buiten het land van invoer verschuldigde rechten , heffingen en andere belastingen , alsmede die welke ter zake van de invoer verschuldigd zijn , met uitzondering van de te heffen belasting over de toegevoegde waarde ;

b ) de bijkomende kosten , zoals kosten van commissie , verpakking , vervoer en verzekering , tot de eerste plaats van bestemming in het binnenland .

Onder ” eerste plaats van bestemming ” wordt verstaan de plaats die genoemd is in de vrachtbrief of een ander vervoerdocument waarop de goederen in het land van invoer worden binnengebracht . Bij gebreke van deze vermelding wordt de eerste plaats van bestemming geacht de plaats te zijn waar de eerste overlading van de goederen in dat land geschiedt .

De Lid-Staten kunnen de bovenbedoelde bijkomende kosten evencens in de maatstaf van heffing opnemen , wanneer zij voortvloeien uit het vervoer naar een andere plaats van bestemming , indien deze bekend is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt .

4 . In de maatstaf van heffing worden niet opgenomen de in A , lid 3 , sub a ) en b ) , bedoelde elementen .

5 . Voor tijdelijk uitgevoerde goederen die , na in het buitenland een herstelling , bewerking , verwerking of aanpassing te hebben ondergaan , weder worden ingevoerd , terwijl de wederinvoer van deze goederen niet is vrijgesteld krachtens artikel 14 , lid 1 , sub f ) , treffen de Lid-Staten voorzieningen ten einde te verzekeren dat de voor de verkregen goederen geldende behandeling met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde dezelfde is als die welke op de betrokken goederen zou zijn toegepast indien vorengenoemde handelingen zouden zijn verricht in het binnenland .

C . Diversen

1 . In geval van annulering , verbreking , ontbinding , gehele of gedeeltelijk niet-betaling , of in geval van prijsvermindering nadat de handeling heeft plaatsgevonden , wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd onder de voorwaarden die door de Lid-Staten worden vastgesteld .

In geval van gehele of gedeeltelijk niet-betaling , kunnen de Lid-Staten evenwel van deze regel afwijken .

2 . Indien gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing zijn uitgedrukt in een andere munteenheid dan die van de Lid-Staat waar de maatstaf van heffing wordt bepaald , wordt de wisselkoers vastgesteld overeenkomstig artikel 12 van Verordening ( EEG ) nr . 803/68 .

3 . Wat het statiegeld voor retouremballage betreft , kunnen de Lid-Staten :

– hetzij het statiegeld van de maatstaf van heffing uitduiten door de nodige maatregelen te nemen opdat de maatstaf wordt herzien wanneer de emballage niet wordt teruggezonden ;

– hetzij het statiegeld in de maatstaf van heffing opnemen door de nodige maatregelen te nemen opdat de maatstaf wordt herzien wanneer de emballage wel wordt teruggezonden .

HOOFDSTUK IX

TARIEVEN

Artikel 12

1 . Het op belastbare handelingen toe te passen tarief is het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt . Doch :

a ) in de gevallen , bedoeld in artikel 10 , lid 2 , tweede en derde alinea , is het toe te passen tarief het tarief dat van kracht is wanneer de belasting verschuldigd wordt ;

b ) in de gevallen , bedoeld in artikel 10 , lid 3 , tweede en derde alinea , is het toe te passen tarief het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de goederen tot verbruik worden aangegeven .

2 . Bij tariefwijzigingen kunnen de Lid-Staten :

– een herziening verrichten in de in lid 1 , sub a ) , genoemde gevallen ten einde rekening te houden met het tarief geldend op het tijdstip van de goederenlevering of van de dienstverrichting ;

– elke passende overgangsmaatregel treffen .

3 . Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde wordt door elke Lid-Staat vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing , dat voor leveringen van goederen en voor diensten gelijk is .

4 . Bepaalde leveringen van goederen en bepaalde diensten kunnen echter aan hogere of lagere tarieven worden onderworpen . Een lager tarief wordt zodanig vastgesteld , dat het bij toepassing van dit tarief verkregen bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde het normaliter mogelijk maakt de overeenkomstig artikel 17 aftrekbare belasting over de toegevoegde waarde volledig af te trekken .

5 . Het bij invoer van een goed toe te passen tarief is het tarief dat op de levering van een zelfde goed in het binnenland wordt toegepast .

HOOFDSTUK X

VRIJSTELLINGEN

Artikel 13

Vrijstellingen in het binnenland

A . Vrijstellingen ten gunste van bepaalde activiteiten van algemeen belang

1 . Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de onderstaande handelingen , onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude , ontwijking en misbruik te voorkomen :

a ) de door openbare postdiensten verrichte diensten en daarmee gepaard gaande leveringen van goederen , met uitzondering van personenvervoer en telecommunicatiediensten ;

b ) de ziekenhuisverpleging en medische verzorging , alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen , door publiekrechtelijke lichamen of , onder sociale voorwaarden welke vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor genoemde lichamen , door ziekenhuizen , centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard ;

c ) gezondheidskundige verzorging van de mens in het kader van de uitoefening van medische en para-medische beroepen als omschreven door de betrokken Lid-Staat ;

d ) de levering van menselijke organen , menselijk bloed en moedermelk ;

e ) de door tandtechnici in het kader van de uitoefening van hun beroep verrichte diensten , alsmede het verschaffen van tandprothesen door tandartsen en tandtechnici ;

f ) diensten die worden verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn , ten einde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit , wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven , mits deze vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden ;

g ) diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid , inclusief die welke worden verricht door bejaardentehuizen , door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken Lid-Staat als instellingen van sociale aard worden erkend ;

h ) diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken Lid-Staat als instellingen van sociale aard worden erkend ;

i ) onderwijs aan kinderen of jongeren , school – of universitair onderwijs , beroepsopleiding of -herscholing , met inbegrip van de diensten en goederenleveringen die hiermede nauw samenhangen , door publiek rechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken Lid-Staat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend ;

j ) privelessen die particulier door docenten worden gegeven en betrekking hebben op het school – of universitair onderwijs ;

k ) beschikbaarstelling van personeel door religieuze of levensbeschouwelijke instellingen voor de sub b ) , g ) , h ) en i ) , bedoelde werkzaamheden en met het oog op de verlening van geestelijke bijstand ;

l ) diensten en nauw daarmee samenhangende goederenleveringen ten behoeve van hun leden in het collectief belang , tegen een statutair vastgestelde contributie door instellingen zonder winstoogmerk met doeleinden van politieke , syndicale , religieuze , vaderlandslievende , levensbeschouwelijke , filantropische of staatsburgerlijke aard , mits deze vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden ;

m ) sommige diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en die door instellingen zonder winstoogmerk worden verleend aan personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen ;

n ) bepaalde culturele diensten alsmede nauw daarmee samenhangende goederenleveringen , verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken Lid-Staat worden erkend ;

o ) diensten en leveringen van goederen door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig het bepaalde sub b ) , g ) , h ) , i ) , l ) , m ) en n ) , zijn vrijgesteld , in samenhang met activiteiten welke zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun en die uitsluitend ten bate van hen zelf zijn georganiseerd , mits deze vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden . De Lid-Staten kunnen alle nodige beperkingen invoeren , met name ten aanzien van het aantal activiteiten of het bedrag van de opbrengsten waarvoor recht op vrijstelling bestaat ;

p ) vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe ingerichte voertuigen door naar behoren gemachtigde lichamen ;

q ) niet-commerciële activiteiten van openbare radio – en televisieorganisaties .

2 . a ) De Lid-Staten kunnen de verlening van elk der in lid 1 , sub b ) , g ) , h ) , i ) , l ) , m ) en n ) , bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval , afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden :

– de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen ; wordt er wel winst gemaakt , dan mag deze niet worden uitgekeerd , maar moet zij worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verleend ;

– beheer en bestuur van de instellingen moeten in hoofdzaak geschieden op vrijwillige basis en zonder vergoeding door personen die noch zelf , noch via tussenpersonen , enig rechtstreeks of zijdelings belang hebben bij de resultaten van de werkzaamheden van de instellingen ;

– de instellingen moeten prijzen toepassen die zijn goedgekeurd door de overheid , of prijzen die niet hoger liggen dan de goedgekeurde prijzen , of , voor handelingen waarvoor geen goedkeuring van prijzen plaatsvindt , prijzen die lager zijn dan die welke voor soortgelijke diensten in rekening worden gebracht door commerciële ondernemingen die aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen ;

– de vrijstellingen mogen niet leiden tot concurrentievervalsing ten nadele van commerciële ondernemingen die aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen .

b ) Van vrijstellingen als bedoeld in lid 1 , sub b ) , g ) , h ) , i ) , l ) , m ) en n ) , zijn diensten en leveringen van goederen uitgesloten indien :

– zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen ;

– zij er in hoofdzaak toe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen .

B . Overige vrijstellingen

Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de onderstaande handelingen , onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude , ontwijking en misbruik te voorkomen :

a ) handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten , verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten ;

b ) verpachting en verhuur van onroerende goederen , met uitzondering van :

1 . het verstrekken van accomodatie , als omschreven in de wetgeving der Lid-Staten , in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie , met inbegrip van de verhuuraccomodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen ;

2 . verhuur van parkeerruimte voor voertuigen ;

3 . verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines ;

4 . verhuur van safeloketten .

De Lid-Staten kunnen nog andere handelingen van de toepassing van deze vrijstelling uitsluiten ;

levering van goederen die uitsluitend zijn gebezigd voor een activiteit die krachtens dit artikel of krachtens artikel 28 , lid 3 , sub b ) , is vrijgesteld , als voor deze goederen geen recht op aftrek is genoten , of levering van goederen bij de aanschaffing of bestemming waarvan overeenkomstig de bepalingen van artikel 17 , lid 6 , het recht op aftrek is uitgesloten ;

de volgende handelingen :

1 . verlening van kredieten en bemiddeling inzake kredieten , alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend ;

2 . het bemiddelen bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids – en garantieverbintenissen , alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend ;

3 . handelingen , bemiddeling daaronder begrepen , betreffende deposito’s , rekening-courantverkeer , betalingen , overmakingen , schuldvorderingen , cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen ;

4 . handelingen , bemiddeling daaronder begrepen , betreffende deviezen , bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn , met uitzondering van munten en biljetten die als verzamelobject worden beschouwd ; als zodanig worden beschouwd gouden , zilveren of uit een ander metaal geslagen munten , alsmede biljetten , die normaliter niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben ;

5 . handelingen , bemiddeling daaronder begrepen , uitgezonderd bewaring en beheer , inzake aandelen , deelnemingen in vennootschappen of verenigingen , obligaties en andere waardepapieren , met uitzondering van :

– documenten die goederen vertegenwoordigen ;

– de in artikel 5 , lid 3 , genoemde rechten of effecten ;

6 . het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen , als omschreven door de Lid-Staten ;

leveringen , tegen de nominale waarde , van postzegels die frankeerwaarde hebben in het binnenland , fiscale zegels en andere soortgelijke zegels ;

f ) weddenschappen , loterijen en andere kans – en geldpelen , met inachtneming van de door elke Lid-Staat vastgestelde voorwaarden en beperkingen ;

g ) levering van een gebouw , een gedeelte van een gebouw en het erbij behorend terrein , andere dan bedoeld in artikel 4 , lid 3 , sub a ) ;

h ) levering van andere onbebouwde onroerende goederen dan bouwterreinen als bedoeld in artikel 4 , lid 3 , sub b ) .

C . Keuzerecht

De Lid-Staten kunnen aan de belastingplichtigen het recht verlenen om voor belastingheffing te kiezen in geval van :

a ) verhuur en verpachting van onroerende goederen ;

b ) de handelingen bedoeld in B , sub d ) , g ) en h ) .

De Lid-Staten kunnen de omvang van dit keuzerecht beperken ; zij stellen de bepalingen voor de uitoefening ervan vast .

Artikel 14

Vrijstellingen bij invoer

1 . Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de volgende handelingen , onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude , ontwijking en misbruik te voorkomen :

a ) de definitieve invoer van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in het binnenland in elk geval is vrijgesteld ;

b ) de invoer van goederen die worden aangegeven in het kader van een regeling inzake douanevervoer ;

c ) de invoer van goederen die worden aangegeven in het kader van een douaneregeling voor tijdelijke invoer en uit dien hoofde in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten of die voor een dergelijke vrijstelling in aanmerking zouden komen indien zij uit een derde land zouden zijn ingevoerd ;

d ) de definitieve invoer van goederen waarvoor een andere douanevrijstelling geldt dan die bedoeld in het gemeenschappelijk douanetarief of die hiervoor in aanmerking zouden komen indien zij uit een derde land zouden zijn ingevoerd . De Lid-Staten hebben echter de mogelijkheid om de vrijstelling niet te verlenen , indien de concurrentievoorwaarden op de binnenlandse markt door het verlenen van de vrijstelling ernstig kunnen worden verstoord ;

e ) de wederinvoer van goederen in de staat waarin zij werden uitgevoerd , door degene die ze heeft uitgevoerd , indien de betreffende goederen voor vrijstelling van invoerrechten in aanmerking komen of daarvoor in aanmerking zouden komen indien zij zouden zijn ingevoerd uit een derde land ;

f ) de wederinvoer van roerende lichamelijke zaken door degene die ze heeft uitgevoerd , of door een derde voor zijn rekening , wanneer deze zaken in een andere Lid-Staat een bewerking hebben ondergaan die is belast zonder dat ter zake recht op aftrek of teruggaaf is ontstaan .

g ) de invoer van goederen :

– in het kader van de diplomatieke en consulaire betrekkingen , wanneer voor de goederen een vrijstelling van invoerrechten geldt of wanneer daarvoor een dergelijke vrijstelling zou gelden , indien zij uit een derde land zouden zijn ingevoerd ;

– verricht door internationale instellingen welke als dusdanig door de overheid van het land waar zij zijn gevestigd zijn erkend , alsmede door de leden van deze instellingen , zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgelegd door de internationale verdragen tot oprichting van deze instellingen of door de vestigingsovereenkomsten ;

– verricht in de Lid-Staten die partij bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie zijn , door de strijdkrachten van de andere Staten die partij bij dat Verdrag zijn , ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines , voor zover de betreffende strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensieinspanning ;

h ) de invoer in havens , door zeevisserijbedrijven , van viserijprodukten , niet be – of verwerkt of nadat ze met het oog op de afzet een bederfwerende behandeling hebben ondergaan , en die nog niet zijn geleverd ;

i ) de diensten welke betrekking hebben op de invoer van goederen en waarvan de waarde overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 , B , lid 3 , sub b ) , in de maatstaf van heffing is opgenomen ;

j ) de invoer van goud door de Centrale Banken .

2 . De Commissie dient zo spoedig mogelijk bij de Raad voorstellen in om communautaire belastingregels vast te stellen waarbij de werkingssfeer en de wijze van toepassing van de in lid 1 bedoelde vrijstellingen nader worden omlijnd .

Totdat deze regels in werking treden , kunnen de Lid-Staten :

– de vigerende nationale voorschriften in het kader van de bovenstaande bepalingen blijven toepassen ;

– voornoemde nationale voorschriften aanpassen , ten einde concurrentievervalsing en met name het niet of dubbel heffen van belasting over de toegevoegde waarde binnen de Gemeenschap te beperken ;

– de administratieve procedures gebruiken die zij het meest geschikt achten om tot vrijstelling te komen .

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij krachtens de voorgaande bepalingen hebben genomen of zullen nemen ; de Commissie brengt de overige Lid-Staten daarvan op de hoogte .

Artikel 15

Vrijstelling bij uitvoer en voor met uitvoer gelijkgestelde handelingen , alsmede voor internationaal vervoer

Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de volgende handelingen , onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude , ontwijking en misbruik te voorkomen :

1 . de levering van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten het in artikel 3 omschreven grondgebied ;

2 . de levering van goederen die door of voor rekening van een niet in het binnenland gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten het in artikel 3 omschreven grondgebied , met uitzondering van door de koper zelt vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privégebruik ;

3 . de diensten bestaande in werkzaamheden met betrekking tot roerende zaken die zijn verworven of ingevoerd ten einde deze werkzaamheden te ondergaan op het in artikel 3 omschreven grondgebied , en die naar een plaats buiten dit grondgebied worden verzonden of vervoerd door de dienstverrichter of door de niet in het binnenland gevestigde ontvanger dan wel voor hun rekening ;

4 . de levering van goederen , bestemd voor de bevoorrading van de navolgende schepen :

a ) schepen voor de vaart op volle zee waarmee passagiersvervoer tegen betaling plaatsvindt of die worden gebruikt voor de uitoefening van enigerlei industriële , handels – of visserijactiviteit ;

b ) reddingsboten en schepen voor hulpverlening op zee of schepen voor de kustvisserij , voor wat laatstgenoemde schepen betreft met uitzondering van scheepsvoorraden ;

c ) oorlogsschepen , zoals omschreven in onderverdeling 89.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief , die het land verlaten met als bestemming een haven of een ankerplaats in het buitenland .

De Lid-Staten kunnen echter de draagwijdte van deze vrijstelling beperken totdat een communautaire belastingregeling ter zake wordt ingevoerd ;

5 . de levering , de verbouwing , de reparatie , het onderhoud , de bevrachting en de verhuur van de in punt 4 , sub a ) en b ) , bedoelde zeeschepen alsmede de levering , de verhuur , de reparatie en het onderhoud van de voorwerpen – met inbegrip van uitrusting voor de visserij – die met deze schepen vast verbonden zijn of die voor hun exploitatie dienen ;

6 . de levering , de verbouwing , de reparatie , het onderhoud , de bevrachting en de verhuur van luchtvaartuigen die worden gebruikt door luchtvaartmaatschappijen welke zich hoofdzakelijk toeleggen op het betaalde internationale vervoer , alsmede de levering , de verhuur , de reparatie en het onderhoud van de voorwerpen die met deze luchtvaartuigen vast verbonden zijn of die voor hun exploitatie dienen ;

7 . de levering van goederen , bestemd voor de bevoorrading van de in punt 6 bedoelde luchtvaartuigen ;

8 . andere diensten dan bedoeld in punt 5 , welke verricht worden voor de rechtstreekse behoeften van de daar bedoelde schepen en hun lading ;

9 . andere diensten dan bedoeld in punt 6 , welke verricht worden voor de rechtstreekse behoeften van de daar bedoelde luchtvaartuigen en hun lading ;

10 . de levering van goederen en diensten :

– in het kader van de diplomatieke en consulaire betrekkingen ;

– bestemd voor internationale instellingen welke als dusdanig door de overheid van het land waar zij zijn gevestigd zijn erkend , alsmede voor de leden van deze instellingen , zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door de internationale verdragen tot oprichting van deze instellingen of door de vestigingsovereenkomsten ;

– verricht in de Lid-Staten die partij bij het Noord-Atlantisch Verdrag zijn en bestemd voor de strijdkrachten van de andere Staten die partij bij dat Verdrag zijn , ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines , voor zover de betreffende strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning .

Deze vrijstelling is van toepassing met inachtneming van de door elke Lid-Staat vastgestelde voorwaarden en beperkingen , totdat een uniforme belastingregeling is vastgesteld .

De vrijstelling kan worden toegekend in de vorm van belastingteruggave .

11 . De levering van goud aan de Centrale Banken .

12 . De levering van goederen aan erkende organisaties die deze goederen uitvoeren in het kader van hun menslievende , liefdadige of opvoedkundige werk in het buitenland . Deze vrijstelling kan worden toegekend in de vorm van belastingteruggave .

13 . Diensten , met inbegrip van vervoer en de daarmee samenhangende handelingen maar met uitzondering van de diensten die overeenkomstig artikel 13 zijn vrijgesteld , die rechtstreeks verband houden met douanevervoer , uitvoer van goederen of invoer van goederen , vallend onder het bepaalde in artikel 14 , lid 1 , sub b ) en c ) , en artikel 16 , lid 1 .

14 . De diensten van tussenpersonen die handelen in naam en voor rekening van derden , wanneer hun diensten betrekking hebben op de in dit artikel bedoelde handelingen of op buiten het in artikel 3 bedoelde grondgebied verrichte handelingen .

Deze vrijstelling is met van toepassing op reisbureaus wanneer zij in naam en voor rekening van de reiziger diensten leveren die in andere Lid-Staten worden verricht .

Artikel 16

Bijzondere vrijstellingen in verband met het internationale goederenverkeer

1 . Onverminderd de andere communautaire belastingbepalingen kunnen de Lid-Staten , onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging , bijzondere maatregelen nemen ten einde geen belasting over de toegevoegde waarde te heffen op de volgende handelingen of sommige daarvan , mits zij geen betrekking hebben op eindgebruik en/of eindverbruik en het bij de aangifte tot verbruik geheven bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde overeenkomt met het belastingbedrag dat zou moeten zijn geheven indien elk van deze handelingen bij invoer of in het binnenland was belast :

A . de invoer van goederen

a ) die bij de douane worden aangebracht en eventueel voorlopig worden opgeslagen in de zin van Richtlijn 68/312/EEG ( 6 ) ;

b ) die komen te vallen onder een stelsel van vrije zones in de zin van Richtlijn 69/75/EEG ( 7 ) ;

c ) die komen te vallen onder een stelsel van douaneentrepots in de zin van Richtlijn 69/74/EEG ( 8 ) ;

d ) die worden toegelaten tot de wateren , zandbanken en wadden als bedoeld in artikel 4 van Verordening ( EEG ) nr . 1496/68 ( 9 ) ;

e ) die komen te vallen onder een ander stelsel van entrepots dan douane-entrepots , of onder een stelsel van actieve veredeling ;

B . leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd naar de in punt A bedoelde plaatsen , alsmede de desbetreffende diensten ;

C . leveringen van goederen en diensten , verricht op de in punt A bedoelde plaatsen met handhaving van een van de in dat punt bedoelde situaties ;

D . leveringen van goederen die nog onderworpen zijn aan een regeling inzake douanevervoer of een douaneregeling voor tijdelijke invoer , als bedoeld in artikel 14 , lid 1 , sub b ) en c ) , alsmede de diensten betreffende deze leveringen .

2 . Onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging kunnen de Lid-Staten de invoer en de levering van goederen bestemd voor een belastingplichtige die deze goederen betrekt met het oog op hun uitvoer , al dan niet na verwerking , alsmede de diensten in verband met de uitvoeractiviteit van de betreffende belastingplichtige , vrijstellen binnen de grenzen van het bedrag waarvoor de belastingplichtige in de afgelopen 12 maanden heeft uitgevoerd .

3 . De Commissie dient zo spoedig mogelijk bij de Raad voorstellen in betreffende de gemeenschappelijke bepalingen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de in de leden 1 en 2 bedoelde handelingen .

HOOFDSTUK XI

AFTREK

Artikel 17

Ontstaan en omvang van het recht op aftrek

1 . Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt .

2 . Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken :

a ) de belasting over de toegevoegde waarde , welke verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere belastingplichtige verrichte of te verrichten diensten ;

b ) de belasting over de toegevoegde waarde , welke verschuldigd of voldaan is voor ingevoerde goederen ;

c ) de belasting over de toegevoegde waarde , welke overeenkomstig artikel 5 , lid 7 , sub a ) , en artikel 6 , lid 3 , verschuldigd is .

3 . De Lid-Staten verlenen eveneens aan iedere belastingplichtige recht op aftrek of op teruggaaf van de in lid 2 bedoelde belasting over de toegevoegde waarde , voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor :

a ) door de belastingplichtige in het buiteland verrichte handelingen in het kader van de in artikel 4 , lid 2 , bedoelde economische activiteiten , waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland plaats zouden vinden ;

b ) door de belastingplichtige verrichte handelingen die overeenkomstig artikel 14 , lid 1 , sub i ) , artikel 15 en artikel 16 , lid 1 , punten B , C en D , en lid 2 , zijn vrijgesteld ;

c ) door de belastingplichtige verrichte handelingen die krachtens artikel 13 , punt B , sub a ) en sub d ) , punten 1 tot en met 5 , zijn vrijgesteld , wanneer de ontvanger buiten de Gemeenschap gevestigd is of wanneer de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap .

4 . De Raad zal zich beijveren om voor 31 december 1977 op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen communautaire uitvoeringsbepalingen aan te nemen volgens welke overeenkomstig lid 3 teruggaaf aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen moet geschieden . Tot de inwerkingtreding van die communautaire uitvoeringsbepalingen , bepalen de Lid-Staten zelf de voorschriften voor het verrichten van de teruggaaf . Is de belastingplichtige niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigd , dan kunnen de Lid-Staten de teruggaaf weigeren of hiervoor bijkomende voorwaarden stellen .

5 . Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor handelingen als bedoeld in de leden 2 en 3 , waarvoor recht op aftrek bestaat , als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat , wordt aftrek slechts toegestaan voor dat gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde , dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen ( pro rata ) .

Dit pro rata wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen .

De Lid-Staten kunnen evenwel :

a ) de belastingplichtige toestaan een pro rata te bepalen voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening , indien voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding wordt gevoerd ;

b ) de belastingplichtige verplichten voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening een pro rata te bepalen en voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding te voeren ;

c ) de belastingplichtige toestaan of verplichten de aftrek toe te passen volgens het gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan ;

d ) de belastingplichtige toestaan of verplichten de aftrek toe te passen volgens de in de eerste alinea vastgestelde regel voor alle goederen en diensten die zijn gebruikt voor alle daarin bedoelde handelingen ;

e ) bepalen dat , wanneer de belasting over de toegevoegde waarde die niet door de belastingplichtige kan worden afgetrokken , onbeduiden is , hiermee geen rekening wordt gehouden .

6 . Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn , bepaalt de Raad , op voorstel van de Commissie , met eenparigheid van stemmen , voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat . De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben , zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie , zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten .

Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lid-Staten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag .

7 . Onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging kan elke Lid-Staat om conjuncturele redenen investeringsgoederen of andere goederen geheel of gedeeltelijk van de aftrekregeling uitsluiten . Ten einde gelijke concurrentievoorwaarden te behouden , kunnen de Lid-Staten in plaats van de aftrek te weigeren , de door de belastingplichtige zelf vervaardigde of door hem in het binnenland gekochte dan wel door hem ingevoerde gelijksoortige goederen zodanig belasten dat deze belasting het bedrag van de op de aanschaf van soortgelijke goederen drukkende belasting over de toegevoegde waarde niet overschrijdt .

Artikel 18

Wijze van uitoefening van het recht op aftrek

1 . Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige :

a ) voor de in artikel 17 , lid 2 , sub a ) , bedoelde aftrek in het bezit zijn van een overeenkomstig artikel 22 , lid 3 , opgestelde factuur ;

b ) voor de in artikel 17 , lid 2 , sub b ) , bedoelde aftrek in het bezit zijn van een document waaruit de invoer blijkt en waarin hij wordt aangeduid als degene waarvoor de invoer is bestemd of als de importeur , en waarin het bedrag van de verschuldigde belasting wordt vermeld of op grond waarvan dat bedrag kan worden berekend ;

c ) voor de in artikel 17 , lid 2 , sub c ) , bedoelde aftrek , de door elke Lid-Staat voorgeschreven formaliteiten vervullen ;

d ) wanneer hij gehouden is tot voldoening van de belasting als koper of ontvanger , in geval van toepassing van artikel 21 , punt 1 , de door elke Lid-Staat voorgeschreven formaliteiten vervullen .

2 . De belastingplichtige past de aftrek toe door op het totaalbedrag van de over een aangifteperiode verschuldigde belasting het totaalbedrag van de belasting in mindering te brengen waarvoor in dezelfde periode het recht op aftrek is ontstaan en krachtens het bepaalde in lid 1 kan worden uitgeoefend .

De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat belastingplichtigen die de in artikel 4 , lid 3 , omschreven handelingen incidenteel verrichten , het recht op aftrek uitsluitend op het tijdstip van levering mogen uitoefenen .

3 . De Lid-Staten stellen de voorwaarden en voorschriften vast volgens welke een belastingplichtige een aftrek mag verrichten indien hij deze niet overeenkomstig de bepalingen van de leden 1 en 2 heeft toegepast .

4 . Indien voor een bepaalde aangifteperiode het bedrag van de toegestane aftrek groter is dan dat van de verschuldigde belasting , kunnen de Lid-Staten hetzij het overschot doen overbrengen naar de volgende periode , hetzij het overschot teruggeven overeenkomstig de door hen vastgestelde regeling .

De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat het bedrag van het overschot niet naar een volgende periode wordt overgebracht , of niet wordt teruggegeven , indien dit bedrag onbeduidend is .

Artikel 19

Berekening van het pro rata voor de toepassing van de aftrek

1 . Het pro rata voor de toepassing van de aftrek , als bedoeld in artikel 17 , lid 5 , eerste alinea , is de uitkomst van een breuk , waarvan :

– de teller bestaat uit het totale bedrag van de per jaar berekende omzet , exclusief belasting over de toegevoegde waarde , met betrekking tot de handelingen waarvoor overeenkomstig artikel 17 , leden 2 en 3 , recht op aftrek bestaat , en

– de noemer bestaat uit het totale bedrag van de per jaar berekende omzet , exclusief belasting over de toegevoegde waarde , met betrekking tot de handelingen die in de teller zijn opgenomen , alsmede die waarvoor geen recht op aftrek bestaat . De Lid-Staten kunnen in de noemer ook het bedrag van subsidies opnemen , met uitzondering van die bedoeld in artikel 11 , A , lid 1 , sub a ) .

Het pro rata wordt op jaarbasis vastgesteld , uitgedrukt in een percentage en op de hogere eenheid afgerond .

2 . In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt voor de berekening van het pro rata buiten beschouwing gelaten de omzet met betrekking tot de leveringen van investeringsgoederen welke door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt . Tevens wordt buiten beschouwing gelaten de omzet met betrekking tot de in artikel 13 , B , sub d ) , bedoelde handelingen , wanneer deze bijkomstige handelingen zijn , alsmede tot bijkomstige handelingen ter zake van onroerende goederen en bijkomstige financiële handelingen . Indien de Lid-Staten gebruik maken van de in artikel 20 , lid 5 , geboden mogelijkheid om geen herziening voor investeringsgoederen te eisen , mogen zij de opbrengst van de verkoop van investeringsgoederen opnemen in de berekening van het pro rata voor de toepassing van de aftrek .

3 . Het voorlopige pro rata voor een bepaald jaar is gelijk aan het pro rata dat op grond van de handelingen van het voorgaande jaar werd berekend . Indien een dergelijke basis ontbreekt of niet relevant is , wordt het pro rata door de belastingplichtige onder toezicht van de belastingdiensten aan de hand van zijn eigen prognoses voorlopig geraamd . De Lid-Staten kunnen evenwel hun huidige regelingen handhaven .

De aftrek die op grond van het voorlopige pro rata heeft plaatsgevonden wordt herzien nadat voor elk jaar in het daarop volgende jaar het definitieve pro rata is vastgesteld .

Artikel 20

Herziening van de aftrek

1 . De oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt op de door de Lid-Staten vastgestelde wijze herzien , met name :

a ) indien de aftrek hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen ;

b ) indien zich na de aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van het bedrag van de aftrek , met name in geval van geannuleerde aankopen of verkregen rabatten ; er vindt evenwel geen herziening plaats voor handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven , in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging , verlies of diefstal , alsmede in geval van onttrekkingen voor het verstrekken van geschenken van geringe waarde en van monsters , als bedoeld in artikel 5 , lid 6 . De Lid-Staten kunnen evenwel herziening eisen in geval van geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven handelingen en van diefstal .

2 . Voor investeringsgoederen wordt de herziening gespreid over een periode van vijf jaar , het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen daaronder begrepen . Voor elk jaar heeft deze herziening slechts betrekking op een vijfde gedeelte van de op de goederen drukkende belasting . De herziening geschiedt op basis van de wijzigingen in het recht op aftrek in de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen .

In afwijking van de voorgaande alinea kunnen de Lid-Staten de herziening baseren op een periode van vijf volle jaren te rekenen vanaf de ingebruikneming van de goederen .

Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal 10 jaar worden verlengd .

3 . In geval van levering gedurende de herzieningsperiode worden de investeringsgoederen geacht verder voor een economische activiteit van de belastingplichtige te worden gebruikt totdat de herzieningsperiode is afgelopen . Deze economische activiteit wordt geacht volledig belast te zijn wanneer de levering van de betrokken goederen belast is ; zij wordt geacht volledig vrijgesteld te zijn wanneer de levering vrijgesteld is . De herziening wordt in één keer verricht voor de gehele nog resterende herzieningsperiode .

In het laatste geval kunnen de Lid-Staten ervan afzien herziening te eisen voor zover de koper een belastingplichtige is die de betrokken investeringsgoederen uitsluitend gebruikt voor handelingen waarvoor de belasting over de toegevoegde waarde in aftrek mag worden gebracht .

4 . Voor de toepassing van het bepaalde in de leden 2 en 3 kunnen de Lid-Staten :

– het begrip investeringsgoederen definiëren ;

– het bedrag aan belasting dat bij de herziening in aanmerking moet worden genomen , nader bepalen ;

– alle passende maatregelen nemen om te verzekeren dat de herziening geen ongerechtvaardigde voordelen inhoudt ;

– administratieve vereenvoudigingen toestaan .

5 . Indien in een Lid-Staat het praktisch effect van de toepassing van de leden 2 en 3 onbeduidend is , kan die Lid-Staat , onder voorbehoud van de raadpleging van artikel 29 , afzien van de toepassing van deze leden , rekening houdend met de totale belastingdruk in de betrokken Lid-Staat en de noodzaak van administratieve vereenvoudiging en mits zulks niet tot concurrentievervalsing leidt .

6 . Bij overgang van een normale belastingregeling naar een bijzondere regeling , of andersom , kunnen de Lid-Staten de nodige schikkingen treffen om te verzekeren dat de betrokken belastingplichtigen noch ten onrechte voordelen genieten , noch ten onrechte nadelen ondervinden .

HOOFDSTUK XII

TOT VOLDOENING VAN DE BELASTING GEHOUDEN PERSONEN

Artikel 21

Tegenover de schatkist tot voldoening van de belasting gehouden personen

De belasting over de toegevoegde waarde is verschuldigd :

1 . in het binnenlands verkeer :

a ) door de belastingplichtige die een belastbare handeling verricht , met uitzondering van de in artikel 9 , lid 2 , sub e ) , bedoelde handelingen verricht door een in het buitenland gevestigde belastingplichtige . Wanneer de belastbare handeling wordt verricht door een in het buitenland gevestigde belastingplichtige , kunnen de Lid-Staten bepalen dat de belasting verschuldigd is door een andere persoon . Daartoe kan onder meer een fiscaal vertegenwoordiger of degene voor wie de belaste handeling bestemd is , worden aangewezen . De Lid-Staten kunnen tevens bepalen dat een andere persoon dan de belastingplichtige hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen ;

b ) door de ontvanger van een dienst als bedoeld in artikel 9 , lid 2 , sub e ) , verricht door een in het buitenland gevestigde belastingplichtige ; de Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat de dienstverrichter hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen ;

c ) door ieder die de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt op een factuur of een als zodanig dienst doend document ;

2 . bij invoer : door degene(n ) die als zodanig door de Lid-Staat van invoer wordt(worden ) aangewezen of erkend .

HOOFDSTUK XIII

VERPLICHTINGEN VAN DEGENEN DIE TOT VOLDOENING VAN DE BELASTING GEHOUDEN ZIJN

Artikel 22

Verplichtingen in het binnenlands verkeer

1 . Iedere belastingplichtige moet opgave doen van het begin , de wijziging en de beëindiging van zijn activiteit als belastingplichtige .

2 . Iedere belastingplichtige moet een boekhouding voeren welke voldoende gegevens bevat om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarop door de belastingadministratie mogelijk te maken .

3 . a ) Iedere belastingplichtige moet voor goederen , geleverd aan en voor diensten , verricht voor een andere belastingplichtige , een factuur of een als zodanig dienst doend document uitreiken en daarvan een dubbel bewaren .

Evenzo moet iedere belastingplichtige een factuur uitreiken voor de vooruitbetalingen , die door een andere belastingplichtige aan hem worden gedaan voordat de levering of de dienst is verricht .

b ) In de factuur moeten afzonderlijk zijn vermeld : de prijs exclusief belasting , de belasting volgens elk afzonderlijk tarief , alsook , in voorkomend geval , de vrijstelling .

c ) De Lid-Staten stellen de criteria vast volgens welke een document kan worden geacht dienst te doen als factuur .

4 . Iedere belastingplichtige moet binnen een door elke Lid-Staat vast te stellen termijn een aangifte indienen . Deze termijn mag niet langer zijn dan twee maanden na het verstrijken van elk belastingtijdvak . Dit tijdvak kan door de Lid-Staten worden vastgesteld op één , twee of drie maanden . De Lid-Staten kunnen evenwel andere tijdvakken vaststellen , die echter niet langer dan een jaar mogen zijn .

In de aangifte moeten alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de verschuldigde belasting en van de aftrek vast te stellen , daarbij eventueel inbegrepen , voor zover zulks voor de vaststelling van de grondslag nodig is , het totale bedrag van de handelingen waarop deze belasting en deze aftrek betrekking hebben alsmede het bedrag van de vrijgestelde handelingen .

5 . Iedere belastingplichtige moet het nettobedrag van de belasting over de toegevoegde waarde bij de indiening van de periodieke aangifte voldoen . De Lid-Staten kunnen echter een ander tijdstip voor de betaling van dit bedrag vaststellen of bepalen dat voorlopige vooruitbetalingen moeten worden gedaan .

6 . De Lid-Staten kunnen de belastingplichtige verzoeken een aangifte in te dienen betreffende alle in het voorgaande jaar verrichte handelingen met daarin alle in lid 4 bedoelde gegevens . In die aangifte moeten tevens alle gegevens staan die nodig zijn voor eventuele herzieningen .

7 . De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de personen die overeenkomstig artikel 21 , punt 1 , sub a ) en b ) , geacht worden tot voldoening van de belasting te zijn gehouden in plaats van een in het buitenland gevestigde persoon of die hoofdelijk verplicht zijn de belasting te voldoen , de bovenbedoelde verplichtingen inzake aangifte en betaling nakomen .

8 . Onverminderd de krachtens artikel 17 , lid 4 , vast te stellen bepalingen , kunnen de Lid-Staten andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude .

9 . De Lid-Staten kunnen belastingplichtigen ontheffen :

– van bepaalde verplichtingen ;

– van alle verplichtingen , indien zijn slechts vrijgestelde handelingen verrichten ;

– van betaling van de verschuldigde belasting , indien het bedrag daarvan onbeduidend is .

Artikel 23

Verplichtingen bij invoer

De Lid-Staten stellen ter zake van de invoer van goederen de voorschriften vast voor de aangifte en voor de betaling welke daarop moet volgen .

De Lid-Staten kunnen in het bijzonder bepalen dat met betrekking tot de invoer van goederen die wordt verricht door belastingplichtigen of tot betaling van belasting gehouden personen , dan wel door bepaalde categorieën daarvan , de uit hoofde van de invoer verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde niet wordt betaald op het tijdstip van de invoer , mits deze belasting als zodanig wordt vermeld in een , overeenkomstig de bepalingen van artikel 22 , lid 4 , ingediende aangifte .

HOOFDSTUK XIV

BIJZONDERE REGELINGEN

Artikel 24

Bijzondere regeling voor kleine ondernemingen

1 . Lid-Staten die moeilijkheden zouden ondervinden bij het toepassen van de normale belastingregeling op kleine ondernemingen in verband met de activiteit of de structuur van die ondernemingen kunnen binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zij vaststellen – maar onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging – vereenvoudigde regelingen voor belastingheffing en -inning , zoals forfaitaire regelingen , toepassen , zonder dat dit mag leiden tot vermindering van de belasting .

2 . Tot een datum die door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld , doch die niet later mag vallen dan het tijdstip van afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten :

a ) mogen Lid-Staten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 14 van de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 bedoelde bevoegdheid om vrijstellingen of degressieve verminderingen van de belasting in te voeren , deze alsmede de desbetreffende uitvoeringsbepalingen handhaven , indien zij in overeenstemming zijn met het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde .

De Lid-Staten die een vrijstelling van belasting toekennen aan belastingplichtigen met een jaaromzet die minder bedraagt dan de tegenwaarde van 5 000 Europese rekeneenheden in nationale valuta tegen de omrekeningskoers geldend op de dag waarop deze richtlijn wordt aangenomen , mogen die vrijstelling verhogen tot 5 000 Europese rekeneenheden .

De Lid-Staten die degressieve verminderingen van de belasting toepassen , mogen noch de bovengrens van die verminderingen verhogen , noch de voorwaarden voor de toekenning daarvan gunstiger maken ;

b ) mogen Lid-Staten die van deze bevoegdheid geen gebruik hebben gemaakt , vrijstelling van belasting toekennen aan belastingplichtigen met een jaaromzet die ten hoogste gelijk is aan de tegenwaarde van 5 000 Europese rekeneenheden in nationale valuta tegen de omrekeningskoers geldend op de dag waarop deze richtlijn wordt aangenomen . Eventueel kunnen zij een degressieve belastingvermindering toekennen aan belastingplichtigen wier jaaromzet het plafond overschrijdt dat door deze Staten voor de toepassing van de vrijstelling is vastgesteld ;

c ) mogen de Lid-Staten die een vrijstelling van belasting toekennen aan belastingplichtigen met een jaaromzet gelijk aan of hoger dan de tegenwaarde van 5 000 Europese rekeneenheden in nationale valuta tegen de omrekeningskoers geldend op de dag waarop deze richtlijn wordt aangenomen , deze vrijstelling verhogen ten einde de reële waarde ervan te handhaven .

3 . De begrippen ” vrijstelling ” en ” degressieve belastingvermindering ” zijn van toepassing op leveringen van goederen en diensten verricht door kleine ondernemingen .

De Lid-Staten kunnen bepaalde handelingen uitsluiten van de regeling van lid 2 . In ieder geval is lid 2 niet van toepassing op de handelingen bedoeld in artikel 4 , lid 3 .

4 . De omzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de bepalingen van lid 2 , wordt gevormd door het bedrag , exclusief belasting over de toegevoegde waarde , van de in de artikelen 5 en 6 omschreven goederenleveringen en diensten , voor zover deze belast zijn , met inbegrip van de handelingen die zijn vrijgesteld krachtens artikel 28 , lid 2 , met teruggaaf van de voorbelasting , alsmede door het bedrag van de krachtens artikel 15 vrijgestelde verrichte handelingen en door het bedrag van handelingen met betrekking tot onroerende goederen , van financiële handelingen als bedoeld in artikel 13 , B , sub d ) , van verzekeringsdiensten , tenzij die handelingen het karakter van bijkomstige handelingen bezitten .

Overdracht van lichamelijke of onlichamelijke investeringsgoederen van de onderneming worden evenwel niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de omzet .

5 . De belastingplichtigen voor wie vrijstelling van belasting geldt , hebben geen recht op aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 en mogen evenmin op enigerlei wijze op hun facturen of op ieder als zodanig dienst doend document de belasting vermelden .

6 . De belastingplichtigen die in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van belasting kunnen kiezen hetzij voor toepassing van de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde , hetzij voor toepassing van de in lid 1 genoemde vereenvoudigde regelingen . In dit geval gelden voor hen de degressieve belastingverminderingen waarin de nationale wetgeving eventueel voorziet .

7 . De belastingplichtigen voor wie degressieve belastingvermindering geldt , worden , behoudens de toepassing van het bepaalde in lid 1 , beschouwd als belastingplichtigen vallende onder de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde .

8 . De Commissie brengt , na raadpleging van de Lid-Staten , om de vier jaar , voor het eerst op 1 januari 1982 , aan de Raad verslag uit over de toepassing van dit artikel . Zo nodig voegt zij , rekening houdend met de noodzaak van uiteindelijke convergentie van de nationale regelingen , bij dit verslag voorstellen betreffende :

a ) de in de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen aan te brengen verbeteringen ;

b ) de aanpassing van de nationale regelingen inzake vrijstellingen en degressieve verminderingen van de belasting over de toegevoegde waarde ;

c ) de aanpassing van het in lid 2 bedoelde maximum van 5 000 ERE .

9 . De Raad zal te gelegener tijd bepalen of het , voor de verwezenlijking van de in artikel 4 van de eerste richtlijn van de Raad van 11 april 1967 omschreven doelstelling , nodig is een bijzondere regeling voor kleine ondernemingen in te voeren ; in voorkomend geval zal hij tevens een beslissing nemen over de grenzen en de gemeenschappelijke toepassingsvoorwaarden van deze regeling . Tot aan de invoering van een dergelijke regeling mogen de Lid-Staten hun eigen bijzondere regelingen handhaven en moeten zij deze toepassen in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel en van latere besluiten van de Raad .

Artikel 25

Gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten

1 . De Lid-Staten kunnen ten aanzien van landbouwproducenten voor wie de toepassing van de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde of , in voorkomend geval , van de vereenvoudigde regeling van artikel 24 , op moeilijkheden zou stuiten , overeenkomstig de bepalingen van dit artikel , een forfaitaire regeling toepassen ter compensatie van de belasting over de toegevoegde waarde , welke is betaald over de aankopen van goederen en diensten van de forfaitair belaste landbouwers .

2 . In de zin van dit artikel worden beschouwd als :

– landbouwproducent : een belastingplichtige die zijn werkzaamheid uitoefent in het kader van een hierna gedefinieerd bedrijf ;

– landbouw – , bosbouw – of visserijbedrijf : de bedrijven die door elke Lid-Staat als zodanig worden beschouwd in het kader van de in bijlage A vermelde produktiewerkzaamheden ;

– forfaitair belaste landbouwer : een landbouwproducent op wie de in de leden 3 en volgende omschreven forfaitaire regeling van toepassing is ;

– landbouwprodukten : de goederen die door de landbouw – , bosbouw – of visserijbedrijven van elke Lid-Staat worden voortgebracht door middel van de in bijlage A vermelde werkzaamheden ;

– agrarische diensten : de in bijlage B genoemde diensten die worden verricht door een landbouwproducent met gebruikmaking van zijn arbeidskrachten en/of de normale uitrusting van zijn landbouw – , bosbouw – of visserijbedrif ;

– de voordruk aan belasting over de toegevoegde waarde : de totale druk aan belasting over de toegevoegde waarde welke rust op de goederen en diensten die zijn betrokken door alle landbouw – , bosbouw – en visserijbedrijven gezamenlijk van elke Lid-Staat , voor zover deze belasting door een landbouwproducent die onder de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde valt , overeenkomstig artikel 17 zou kunnen worden afgetrokken ;

– forfaitaire compensatiepercentages : de percentages welke de Lid-Staten overeenkomstig het bepaalde in lid 3 vaststellen en die zij toepassen in de in lid 5 bedoelde gevallen , ten einde de forfaitair belaste landbouwers in aanmerking te doen komen voor een forfaitaire compensatie voor de voordruk aan belasting over de toegevoegde waarde ;

– forfaitaire compensatie : het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van het in lid 3 bedoelde forfaitaire compensatiepercentage op de omzet van de forfaitair belaste landbouwer in de in lid 5 bedoelde gevallen .

3 . De Lid-Staten stellen , voor zover nodig , forfaitaire compensatiepercentages vast en brengen deze , voor zij in toepassing worden gebracht , ter kennis van de Commissie . Deze percentages worden bepaald aan de hand van de macro-economische gegevens over de laatste drie jaar betreffende uitsluitend de forfaitair belaste landbouwers . Zij mogen niet tot gevolg hebben dat aan de forfaitair belaste landbouwers gezamenlijk bedragen worden terugbetaald die hoger zijn dan de voordruk aan belasting over de toegevoegde waarde . De Lid-Staten kunnen deze percentages tot nihil terugbrengen . De percentages mogen naar boven of naar beneden op een half punt worden afgerond .

De Lid-Staten kunnen gedifferentieerde forfaitaire compensatiepercentages vaststellen voor de bosbouw , de verschillende deelsectoren van de landbouw en de visserij .

4 . De Lid-Staten kunnen de forfaitair belaste landbouwers ontheffen van de verplichtingen , waartoe de belastingplichtingen ingevolge artikel 22 zijn gehouden .

5 . De in lid 3 bedoelde forfaitaire percentages worden toegepast op de prijs , exclusief belasting , van de landbouwprodukten die de forfaitair belaste landbouwers hebben geleverd aan andere belastingplichtigen dan forfaitair belaste landbouwers , en van de agrarische diensten die zij hebben verricht voor andere belastingplichtigen dan forfaitair belaste landbouwers . Deze compensatie sluit elke andere vorm van aftrek uit .

6 . De Lid-Staten kunnen bepalen dat de betaling van de forfaitaire compensaties geschiedt :

a ) hetzij door de belastingplichtige koper of de belastingplichtige te wiens behoeve de dienst is verricht . In dat geval is de belastingplichtige koper of de belastingplichtige ontvanger volgens de door de Lid-Staten vast te stellen nadere regels gemachtigd om van de door hem verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van de forfaitaire compensatie af te trekken dat hij aan de forfaitair belaste landbouwers heeft betaald ;

b ) hetzij door de overheid .

7 . De Lid-Staten nemen alle nodige maatregelen om de uitbetaling van de forfaitaire compensaties aan de forfaitair belaste landbouwers doeltreffend te kunnen controleren .

8 . Voor alle andere dan de in lid 5 bedoelde leveringen van landbouwprodukten en agrarische diensten , wordt de betaling van de forfaitaire compensaties geacht te zijn verricht door de koper of de ontvanger .

9 . Iedere Lid-Staat kan bepaalde categorieën landbouwproducenten alsmede landbouwproducenten voor wie de toepassing van de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde of , in voorkomend geval , van de in artikel 24 , lid 1 , bedoelde vereenvoudigde regeling geen administratieve moeilijkheden oplevert , van de forfaitaire regeling uitsluiten .

10 . Iedere forfaitair belaste landbouwer heeft het recht te kiezen voor toepassing van de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde , of , in voorkomend geval , van de in artikel 24 , lid 1 , bedoelde vereenvoudigde regeling , met inachtneming van de door elke Lid-Staat gestelde nadere regels en voorwaarden .

11 . Voor het einde van het vijfde jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn doet de Commissie aan de Raad nieuwe voorstellen inzake de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de handelingen met betrekking tot landbouwprodukten en agrarische diensten .

12 . Wanneer de Lid-Staten van de in dit artikel omschreven mogelijkheid gebruik maken , bepalen zij de uniforme grondslag van de belasting over de toegevoegde waarde ter fine van de toepassing van de regeling inzake de eigen middelen , en wel door de gemeenschappelijke berekeningsmethode van bijlage C toe te passen

Artikel 26

Bijzondere regeling voor reisbureaus

1 . De Lid-Staten passen de belasting over de toegevoegde waarde op de handelingen van reisbureaus toe overeenkomstig het bepaalde in dit artikel , voor zover de reisbureaus op eigen naam tegenover de reiziger optreden en zij voor de totstandbrenging van de reizen gebruik maken van leveringen en diensten van andere belastingplichtigen . Dit artikel is niet van toepassing op reisbureaus die alleen optreden als tussenpersoon en waarop artikel 11 , A , lid 3 , sub c ) , van toepassing is . In de zin van dit artikel worden onder reisbureaus ook reisorganisatoren ( tour operators ) verstaan .

2 . De handelingen van het reisbureau met het oog op de totstandkoming van de reis worden beschouwd als één enkele dienst van het reisbureau aan de reiziger . Deze dienst wordt belast de Lid-Staat waar het reisbureau de zevel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit het de dienst heeft verleend . Voor deze dienst wordt als maatstaf van heffing en prijs exclusief belasting in de zin van artikel 22 , lid 3 , sub b ) , beschouwd de winstmarge van het reisbureau , dat wil zeggen het verschil tussen het totale bedrag dat de reiziger exclusief belasting over de toegevoegde waarde moet betalen en de werkelijk door het reisbureau gedragen kosten voor goederenleveringen en diensten van andere belastingplichtigen , mits deze handelingen de reizigér rechtstreeks ten goede komen .

3 . Indien de handelingen waarvoor het reisbureau een beroep doet op andere belastingplichtigen door laatstgenoemden buiten de Gemeenschap worden verricht , wordt de dienst van het reisbureau gelijkgesteld met een krachtens artikel 15 , punt 14 , vrijgestelde handeling van tussenpersoon . Indien deze handelingen zowel binnen als buiten de Gemeenschap worden verricht , mag alleen het gedeelte van de dienst van het reisbureau betreffende de buiten de Gemeenschap verrichte handelingen als vrijgesteld worden beschouwd .

4 . De bedragen van de belasting over de toegevoegde waarde die het reisbureau worden aangerekend door andere belastingplichtigen voor de in lid 2 bedoelde handelingen die de reizigers rechtstreeks ten goede komen , mogen in de Lid-Staten afgetrokken noch teruggegeven worden .

HOOFDSTUK XV

VEREENVOUDIGINGSMAATREGELEN

Artikel 27

1 . De Raad kan op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke Lid-Staat machtigen , bijzondere , van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen ten einde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen . De maatregelen tot vereenvoudiging van de belastingheffing mogen geen noemenswaardige invloed hebben op het belastingbedrag dat verschuldigd is in het stadium van het eindverbruik .

2 . De Lid-Staat die maatregelen als bedoeld in lid 1 wil treffen , brengt de Commissie daarvan op de hoogte en verschaft haar alle nodige beoordelingsgegevens .

3 . De Commissie stelt de andere Lid-Staten binnen een maand daarvan in kennis .

4 . Het besluit van de Raad wordt geacht te zijn genomen indien noch de Commissie , noch een Lid-Staat binnen twee maanden nadat de Lid-Staten overeenkomstig lid 3 in kennis zijn gesteld , om behandeling van de zaak door de Raad heeft verzocht .

5 . De Lid-Staten die op 1 januari 1977 bijzondere maatregelen als bedoeld in lid 1 toepasten , mogen deze handhaven op voorwaarde dat zij de Commissie voor 1 januari 1978 van de maatregelen in kennis stellen en onder het voorbehoud dat die maatregelen , wanneer zij ten doel hebben de belastingheffing te vereenvoudigen , voldoen aan de in lid 1 omschreven voorwaarde .

HOOFDSTUK XVI

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 28

1 . De eventueel in de Lid-Staten geldende bepalingen welke ingevolge de eerste vier streepjes van artikel 17 van de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 zijn vastgesteld , zijn in elk van de betrokken Lid-Staten niet meer van toepassing met ingang van de respectieve datum waarop de in artikel 1 , tweede alinea , bedoelde bepalingen in werking treden .

2 . De op 31 december 1975 bestaande lagere tarieven en vrijstellingen met teruggaaf van voorbelasting , die voldoen aan de criteria welke worden genoemd in het laatste streepje van artikel 17 van de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 kunnen worden gehandhaafd tot een door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen vast te stellen datum , welke echter niet later mag liggen dan die van de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten . De Lid-Staten treffen de nodige voorzieningen om te verzekeren dat de belastingplichtigen de gegevens verstrekken die nodig zijn voor de vaststelling van de eigen middelen die betrekking hebben op deze handelingen .

Om de vijf jaar beziet de Raad op grond van een verslag van de Commissie de hierboven bedoelde verlaagde tarieven en vrijstellingen opnieuw en stelt hij , in voorkomend geval , op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen de nodige maatregelen vast om deze geleidelijk af te schaffen .

3 . Gedurende de in lid 4 genoemde overgangsperiode kunnen de Lid-Staten :

a ) de in de lijst van bijlage E genoemde handelingen die krachtens artikel 13 of artikel 15 zijn vrijgesteld , blijven belasten ;

b ) de handelingen , genoemd in bijlage F blijven vrijstellen onder de in de Lid-Staat vigerende voorwaarden ;

c ) de belastingplichtigen de mogelijkheid geven te kiezen voor belasting van de handelingen die op de in bijlage G vastgestelde voorwaarden zijn vrijgesteld ;

d ) bepalingen waarbij wordt afgeweken van het beginsel van onmiddellijke aftrek als bedoeld in artikel 18 , lid 2 , eerste alinea , blijven toepassen ;

e ) bepalingen waarbij wordt afgeweken van artikel 5 , lid 4 , sub c ) , artikel 6 , lid 4 , en artikel 11 , A , punt 3 , sub c ) , blijven toepassen ;

f ) bepalen dat , voor de leveringen van gebouwen en bouwterreinen die met het oog op wederverkoop zijn gekocht door een belastingplichtige welke voor die aankoop geen recht op aftrek had , de maatstaf van heffing kan bestaan uit het verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs ;

g ) in afwijking van artikel 17 , lid 3 , en artikel 26 , lid 3 , de diensten van reisbureaus als bedoeld in artikel 26 , lid 3 , blijven vrijstellen , zonder recht op aftrek van de voorbelasting . Deze afwijking is ook van toepassing op reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen .

4 . De overgangsperiode duurt aanvankelijk vijf jaar , te rekenen vanaf 1 januari 1978 . Uiterlijk zes maanden voor het einde van deze periode , en nadien voor zover nodig , beziet de Raad , aan de hand van een verslag van de Commissie , de toestand met betrekking tot de afwijkingen , zoals bedoeld in lid 3 opnieuw , en beslist hij , met eenparigheid van stemmen , op voorstel van de Commissie over de eventuele intrekking van deze afwijkingen of van een gedeelte daarvan .

5 . In de uiteindelijke regeling zal het personenvervoer in het land van vertrek worden belast voor de binnen de Gemeenschap afgelegde afstand , volgens door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen vast te stellen nadere bepalingen .

HOOFDSTUK XVII

COMITE VOOR DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE

Artikel 29

1 . Er wordt een Raadgevend Comité voor de belasting over de toegevoegde waarde ingesteld , hierna te noemen ” Comité ” .

2 . Het Comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en van de Commissie .

Het Comité staat onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Commissie .

De Commissie is belast met het secretariaat van het Comité .

3 . Het Comité stelt zijn reglement van orde vast .

4 . Naast de punten die volgens deze richtlijn aan raadpleging onderworpen zijn , onderzoekt het Comité de aangelegenheden die door zijn Voorzitter op diens initiatief of op verzoek van een Vertegenwoordiger van een Lid-Staat aan de orde worden gesteld en die betrekking hebben op de toepassing van de communautaire bepalingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde .

HOOFDSTUK XVIII

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 30

Internationale overeenkomsten

De Raad kan , op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen , elke Lid-Staat machtigen met een derde land of een internationale organisatie een overeenkomst te sluiten waarin bepalingen kunnen voorkomen die van deze richtlijn afwijken . De Staat die een dergelijke overeenkomst wenst te sluiten , brengt de Commissie daarvan op de hoogte en verschaft alle nodige beoordelingsgegevens . De Commissie stelt de andere Lid-Staten daarvan binnen een maand in kennis .

Het besluit van de Raad wordt geacht te zijn genomen indien , binnen twee maanden nadat de Lid-Staten overeenkomstig de vorige alinea in kennis zijn gesteld , de zaak niet in de Raad is behandeld .

Artikel 31

Rekeneenheid

1 . De in deze richtlijn gebruikte rekeneenheid is de Europese Rekeneenheid ” ERE ” als omschreven in Besluit 75/250/EEG ( 10 ) .

2 . Bij de omrekening van deze rekeneenheid in nationale valuta’s mogen de Lid-Staten de uit die omrekening voortvloeiende bedragen met maximaal 10 % naar boven of beneden afronden .

Artikel 32

Gebruikte goederen

De Raad zal voor 31 december 1977 , op voorstel van de Commissie , met eenparigheid van stemmen , de communautaire belastingregeling vaststellen die van toepassing is op het gebied van gebruikte goederen en van kunstvoorwerpen , antiquiteiten en voorwerpen voor verzamelingen .

De Lid-Staten die bij de inwerkingtreding van deze richtlijn op bovengenoemd gebied een bijzondere regeling toepassen , kunnen deze regeling handhaven totdat de bovengenoemde communautaire regeling van toepassing wordt .

Artikel 33

Onverminderd andere communautaire bepalingen vormen de bepalingen van deze richtlijn geen beletsel voor de handhaving of invoering door een Lid-Staat van belastingen op verzekeringsovereenkomsten en op spelen en weddenschappen , alsmede van accijnzen , registratierechten en , meer in het algemeen , van alle belastingen , rechten en heffingen die niet het karakter van omzetbelasting bezitten .

HOOFDSTUK XIX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Voor de eerste maal op 1 januari 1982 en nadien om de twee jaar dient de Commissie , na raadpleging van de Lid-Staten , bij de Raad een verslag in over de werking van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de Lid-Staten . Dit verslag wordt door de Raad aan het Europese Parlement gezonden .

Artikel 35

De Raad stelt te zijner tijd , op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité , in het belang van de gemeenschappelijke markt , met eenparigheid van stemmen , passende richtlijnen vast ter aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde , met name door de geleidelijke beperking of door intrekking van de van dit stelsel afwijkende maatregelen van de Lid-Staten , ten einde de nationale stelsels van belasting over de toegevoegde waarde steeds nader tot elkaar te doen komen , zulks ter voorbereiding van de tenuitvoerlegging van de in artikel 4 van de eerste richtlijn van de Raad van 11 april 1967 omschreven doelstelling .

Artikel 36

Artikel 2 , vierde alinea , en artikel 5 van de eerste richtlijn van de Raad van 11 april 1967 vervallen .

Artikel 37

De tweede richtlijn van de Raad houdt op in de verschillende Lid-Staten van kracht te zijn op de datum waarop het bepaalde in deze richtlijn van toepassing wordt .

Artikel 38

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 17 mei 1977 .

Voor de Raad

De Voorzitter

J . SILKIN

( 1 ) PB nr . C 40 van 8 . 4 . 1974 , blz . 25 .

( 2 ) PB nr . C 139 van 12 . 11 . 1974 , blz . 15 .

( 3 ) PB nr . 71 van 14 . 4 . 1967 , blz . 1301/67 .

( 4 ) PB nr . L 94 van 28 . 4 . 1970 , blz . 19 .

( 5 ) PB nr . L 148 van 28 . 6 . 1968 , blz . 6 .

( 6 ) PB nr . L 194 van 6 . 8 . 1968 , blz . 13 .

( 7 ) PB nr . L 58 van 8 . 3 . 1969 , blz . 11 .

( 8 ) PB nr . L 58 van 8 . 3 . 1969 , blz . 7 .

( 9 ) PB nr . L 238 van 28 . 9 . 1968 , blz . 1 .

( 10 ) PB nr . L 104 van 24 . 4 . 1975 , blz . 35 .

BIJLAGE A

LIJST VAN AGRARISCHE PRODUKTIEWERKZAAMHEDEN

I . LANDBOUW IN EIGENLIJKE ZIN

1 . Algemene landbouw met inbegrip van wijnbouw

2 . Vruchtboomteelt ( olijvencultuur daaronder begrepen ) en tuinbouw ( groenten , bloemen en sierplanten ) , ook in kassen

3 . Kwekerijen van paddestoelen , specerijen en kruiden ; teelt van zaad – en pootgoed ; boomkwekerijen

II . FOKKEN EN HOUDEN VAN DIEREN SAMENHANGEND MET DE EXPLOITATIE VAN DE BODEM

1 . Fokken en houden van dieren

2 . Pluimveebedrijf

3 . Konijnenteelt

4 . Imkerij

5 . Zijderupsenteelt

6 . Slakkenteelt

III . BOSBOUW

IV . VISSERIJ

1 . Zoetwatervisserij

2 . Visteelt

3 . Teelt van mosselen , oesters en andere week – en schaaldieren

4 . Kikvorsenteelt

V . De verwerking door een landbouwproducent van de in hoofdzaak uit zijn landbouwproduktie afkomstige produkten , verricht met behulp van de middelen welke normaliter in de landbouw – , bosbouw – of visserijbedrijven worden gebezigd , wordt eveneens als agrarische produktiewerkzaamheid beschouwd .

BIJLAGE B

LIJST VAN AGRARISCHE DIENSTEN

Als agrarische diensten worden beschouwd de diensten die normaliter bijdragen tot de verwezenlijking van de landbouwproduktie , met name :

– bewerking van de grond , maaien , dorsen , persen , verzamelen en oogsten , inclusief het inzaaien en poten

– verpakken en marktklaar maken , zoals drogen , schonen , kneuzen , desinfecteren en ensileren van landbouwprodukten

– opslag van landbouwprodukten

– inscharen , fokken , houden of mesten van dieren

– verhuur , voor landbouwdoeleinden , van middelen die normaliter in de landbouw – , bosbouw – of visserijbedrijven worden gebruikt

– technische bijstand

– vernietiging van schadelijke planten en dieren , behandelen van planten en grond door bespuiting

– exploitatie van irrigatie – en draineerinstallaties

– snoeien van bomen , kappen van hout en andere diensten in de bosbouw

BIJLAGE C ( 1 )

GEMEENSCHAPPELIJKE BEREKENING METHODE

I . Bij de berekening van de toegevoegde waarde van alle landbouw – , bosbouw – en visserijbedrijven gezamenlijk wordt rekening gehouden met de waarde , exclusief belasting over de toegevoegde waarde , van :

1 . de eindproduktie , met inbegrip van het eigen verbruik , van de hierna in de punten IV en V omschreven produktietakken ” produkten van de landbouw en van de jacht ” en ” ruw hout ” , vermeerderd met de produkten verkregen tijdens de in punt V van bijlage A bedoelde verwerkingswerkzaamheden ;

2 . het intermediair verbruik dat nodig is ter verwezenlijking van de sub 1 gedefinieerde produktie ;

3 . de bruto-investeringen in vaste activa , welke in verband met de in bijlage A en B gedefinieerde werkzaamheden zijn gedaan .

II . Om de aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen en recht op aftrekgevende input en de output van de forfaitair belaste landbouwers vast te stellen , wordt van de nationale rekeningen de soortgelijke input en output afgetrokken van de landbouwers op wie de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing is , waarbij rekening wordt gehouden met dezelfde gegevens als sub I in aanmerking worden genomen .

III . De toegevoegde waarde van de forfaitair belaste landbouwproducenten is gelijk aan het verschil tussen de waarde van de sub I . 1 bedoelde eindproduktie exclusief belasting over de toegevoegde waarde enerzijds , en de som van de waarde van het sub I.2 bedoelde intermediair verbruik en de waarde van de sub I.3 bedoelde bruto-investeringen in vaste activa anderzijds . Al deze elementen hebben alleen betrekking op de forfaitair belaste landbouwers .

IV . PRODUKTEN VAN DE LANDBOUW EN VAN DE JACHT

Granen ( uitgezonderd rijst ) * Codenummer van het BSEG *

Tarwe en spelt * *

Zachte tarwe en spelt * 10.01.11 1 *

* 10.01.19 1 *

Wintertarwe en spelt * – *

Zomertarwe * – *

Durum tarwe * 10.01.51 *

* 10.01.59 *

Wintertarwe * – *

Zomertarwe * – *

Rogge en mengsels van wintergranen * *

Rogge * 10.02.00 *

Winterrogge * – *

Zomerrogge * – *

Mengsels van wintergranen * 10.01.11 2 *

* 10.01.19 2 *

* Codenummer van het BSEG *

Gerst * 10.03.10 *

* 10.03.90 *

Zomergerst * – *

Wintergerst * – *

Haver en mengsels van zomergranen * *

Haver * 10.04.10 *

* 10.04.90 *

Mengsels van zomergranen * – *

Korrelmaïs * 10.05.10 *

* 10.05.92 *

Overige graansoorten ( uitgezonderd rijst ) * *

Boekweit * 10.07.10 *

Gierst * 10.07.91 *

Sorgho ( Milocorn ) * 10.07.95 *

Kanariezaad * 10.07.96 *

Granen niet elders genoemd ( uitgezonderd rijst ) * 10.07.99 *

Rijst ( onbewerkt ) * 10.06.11 *

Peulvruchten ( droog geoogst ) * *

Consumptie-erwten en voedererwten * 07.05.11 *

Consumptie-erwten * – *

Consumptie-erwten ( uitgezonderd grauwe erwten ) * – *

Grauwe erwten * – *

Voedererwten * – *

Stambonen en veldbonen * *

Stambonen * 07.05.15 *

Veldbonen * 07.05.95 *

Overige peulvruchten * *

Linzen * 07.05.91 *

Wikken * 12.03.31 2 *

Lupinen * 12.03.49 2 *

Peulvruchten n.e.g . alsmede gemengde peulvruchten en mengsels van granen en peulvruchten * 07.05.97 *

Hakvruchten * *

Aardappelen * *

Aardappelen ( behalve pootaardappelen ) * *

Vroege aardappelen * 07.01.13 *

* 07.01.15 *

Late aardappelen * 07.01.17 *

* 07.01.19 *

Pootaardappelen * 07.01.11 *

Suikerbieten * 12.04.11 *

* Codenummer van het BSEG *

Voederbieten ; koolrapen , voederwortelen en stoppelknollen ( rapen ) ; overige hakvruchten * *

Voederbieten * *

Koolrapen , voederwortelen , stoppelknollen * 12.10.10 *

Koolrapen Voederwortelen , stoppelknollen * 12.10.10 *

Voederkool * 12.10.99 2 *

Overige hakvruchten * *

Aardperen * 07.06.10 *

Zoete aardappelen * 07.06.50 *

Hakvruchten n.e.g . * 07.06.30 *

* 12.10.99 3 *

Handelsgewassen * *

Oliehoudende zaden en vruchten ( uitgezonderd olijven ) * *

Koolzaad en raapzaad * 12.01.91 *

Winterkoolzaad * – *

Zomerkoolzaad * – *

Raapzaad * – *

Zonnebloemzaad * 12.01.95 *

Sojabonen * 12.01.40 *

Ricinuszaad * 12.01.50 *

Lijnzaad * 12.01.61 *

* 12.01.69 *

Sesam – , hennep , mosterd – en maanzaad * *

Sesamzaad * 12.01.97 *

Hennepzaad * 12.01.94 *

Mosterdzaad * 12.01.92 *

Maanzaad * 12.01.93 *

Vezelgewassen * *

Vlas * 54.01.10 *

Hennep * 57.01.10 *

Ruwe tabak ( inclusief gedroogde ) * 24.01.10 *

* 24.01.90 *

Hop * 12.06.00 *

Overige handelsgewassen * *

Cichorei * 12.05.00 *

Geneeskrachtige kruiden , specerijen , aromatische planten * *

Saffraan * 09.10.31 *

Karwijzaad * 07.01.82 *

Geneeskrachtige kruiden , specerijen , aromatische planten n.e.g . * 09.09 ( 11-13-15-17-18 ) *

* 09.10 ( 11-20-51-55-71 ) *

* 12.07 ( 10-20-30-40-50-60-70-80-91-99 ) *

Verse groenten * *

Kool * *

Bloemkool * 07.01.21 *

* 07.01.22 *

* Codenummer van het BSEG *

Overige koolsoorten * *

Spruitjes * 07.01.26 *

Witte kool * 07.01.23 *

Rode kool * 07.01.23 *

Savoyekool * 07.01.27 1 *

Boerenkool * 07.01.27 1 *

Koolsoorten n.e.g . * 07.01.27 1 *

Blad – en stengelgroenten , behalve kool * *

Blad – , bleek – en knolselderij * 07.01.51 *

* 07.01.53 *

* 07.01.97 2 *

Prei ( look ) * 07.01.68 *

Kropsla * 07.01.31 *

* 07.01.33 *

Andijvie * 07.01.36 1 *

Spinazie * 07.01.29 *

Asperges * 07.01.71 *

Witlof * 07.01.34 *

Artisjokken * 07.01.73 *

Overige blad – en stengelgroenten * *

Veldsla * 07.01.36 2 *

Snijbiet en kardoen * 07.01.37 *

Venkel * 07.01.91 *

Rabarber * 07.01.97 1 *

Bitterkers * 07.01.97 1 *

Peterselie * 07.01.97 1 *

Raapstelen * 07.01.97 1 *

Blad – en stengelgroenten n.e.g . * 07.01.97 1 *

Fruitachtige groenten * *

Tomaten * 07.01.75 *

* 07.01.77 *

Komkommers en augurken * 07.01.83 *

* 07.01.85 *

Meloenen * 08.09.10 *

Aubergines en pompoenen * 07.01.95 *

Paprika’s * 07.01.93 *

Overige fruitachtige groenten * 07.01.97 3 *

Wortel – en knolgewassen * *

Koolrabi * 07.01.27 2 *

Koolrapen * 07.01.54 *

Winter – en zomerpeen ( incl . bospeen ) * 07.01.54 *

Knoflook * 07.01.67 *

Uien en sjalotten * 07.01 ( 62-63-66 ) *

Kroten ( rode bieten ) * 07.01.56 *

* 07.01.59 *

Schorseneren , haverwortels * 07.01.56 *

* 07.01.59 *

Overige wortel – en knolgewassen ( bieslook . radijs , ramenas , mierikwortel , knodde ) * 07.01.56 *

* 07.01.59 *

Peulvruchten ( groengeoogst ) * *

Erwten * 07.01.41 *

* 07.01.43 *

* Codenummer van het BSEG *

Bonen * 07.01.45 *

* 07.01.47 *

Overige peulvruchten * 07.01.49 *

Gekweekte paddestoelen * 07.01.87 *

Vers fruit , incl . citrusvruchten ( uitgezonderd druiven en olijven ) * *

Tafelappelen en -peren * *

Tafelappelen * 08.06 ( 13-15-17 ) *

Tafelperen * 08.06 ( 36-38 ) *

Persappelen en -peren * *

Persappelen * 08.06.11 *

Persperen * 08.06.32 *

Steenvruchten * *

Perziken * 08.07.32 *

Abrikozen * 08.07.10 *

Kersen * 08.07 ( 51-55 ) *

Pruimen ( incl . reine-claudes , mirabellen en kwetsen ) * 08.07 ( 71-75 ) *

Overig steenfruit * 08.07.90 *

Schaalvruchten * *

Walnoten * 08.05.31 *

Hazelnoten * 08.05.91 *

Amandelen * 08.05.11 *

* 08.05.19 *

Kastanjes * 08.05.50 *

Overige schaalvruchten ( uitgezonderd tropische ) * *

Pimpernoten ( pistaches ) * 08.05.70 *

Schaalvruchten n.e.g . * 08.05.97 1 *

Overige boomvruchten * *

Vijgen * 08.03.10 *

Kweeperen * 08.06.50 *

Overige boomvruchten n.e.g . ( uitgezonderd tropische ) * 08.09.90 1 *

Aardbeien * 08.08 ( 11-15 ) *

Klein fruit * *

Aalbessen * *

Zwarte bessen * 08.08.41 *

* 08.08.49 1 *

* 08.08.90 1 *

* 08.09.90 2 *

Overige aalbessen * 08.08.44 *

* 08.08.49 1 *

* 08.08.90 1 *

* 08.09.90 2 *

Frambozen * 08.08.41 *

* 08.08.49 1 *

* 08.08.90 1 *

* 08.09.90 2 *

Kruisbessen * 08.08.41 *

* 08.08.49 1 *

* 08.08.90 1 *

* 08.09.90 2 *

Overige bessen ( b.v . gekweekte bramen ) , uitgezonderd wilde bramen * 08.08.41 *

* 08.08.49 1 *

* 08.08.90 1 *

* 08.09.90 2 *

Citrusvruchten * *

Sinaasappelen * 08.02 ( 21-22-24-27 ) *

Mandarijnen en clementines * 08.02 ( 32-36 ) *

Citroenen * 08.02.50 *

Pompelmoezen ( grapefruit ) * 08.02.70 *

* Codenummer van het BSEG *

Overige citrusvruchten * 08.02.90 *

Cedraatcitroenen * – *

Zoete limoenen * – *

Bergamotperen * – *

Citrusvruchten n.e.g . * – *

Druiven en olijven * *

Druiven * *

Tafeldruiven * 08.04 ( 21-23 ) *

Overige druiven ( voor het persen van wijn , voor het fabriceren van vruchtensappen en voor rozijnen ) * 08.04 ( 25-27 ) *

Olijven * *

Tafelolijven * 07.01.78 *

Overige olijven ( ter vervaardiging van olijfolie ) * 07.01.79 *

* 07.03.13 *

Overige plantaardige produkten * *

Voedergewassen ( 2 ) * 12.10.99 1 *

Boomkwekerijgewassen * *

Fruitbomen * 06.02 ( 19-40-51-55 ) *

Plantgoed van wijnstokken * 06.02 ( 10-30 ) *

Sierbomen * 06.02 ( 71-75-79-98 ) *

Bos – en haagplanten * 06.02.60 *

Materiaal voor de mandenmakerij en voor vlechtwerk * *

Grienden en biezen * 14.01 ( 11-19-51-59 ) *

Riet , rotting , bamboe * 14.01 ( 31-39 ) *

Ander materiaal voor de mandenmakerij en voor vlechtwerk * 14.01.90 *

Bloemen , sierplanten en kerstbomen * *

Bloembollen en -knollen * 06.01.10 *

Siergewassen * 06.01 ( 31-39 ) *

* 06.03 ( 11-15-90 ) *

* 06.04 ( 20-40-50 ) *

* 06.04.90 *

Snijbloemen , loof , bladeren , twijgen en takken * 06.01 ( 31-39 ) *

* 06.03 ( 11-15-90 ) *

* 06.04 ( 20-40-50 ) *

Kerstbomen * 06.04.90 *

Vaste planten * 06.02.92 *

Zaden * *

Land – en tuinbouwzaden ( 3 ) * 06.02.95 *

* 12.03 ( 11-19-35-39-44-46-84-86-89 ) *

* 12.03.31 1 *

* 12.03.49 1 *

Bloemzaad * 12.03.81 *

* Codenummer van het BSEG *

In het wild groeinde produkten ( 4 ) * 07.01 ( 88-89 ) *

* 08.05.97 2 *

* 08.08.31 *

* 08.08.35 *

* 08.08.49 2 *

* 08.08.90 2 *

* 23.06.10 1 *

Bijprodukten van de plantenteelt ( 5 ) * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de graanteelt ( uitgezonderd rijst ) * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de rijstteelt * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de peulvruchtenteelt * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de teelt van hakvruchten * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de teelt van handelsgewassen * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de groententeelt * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de teelt van fruit en citrusvruchten * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de druiven – en olijventeelt * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Bijprodukten van de overige plantaardige voortbrengslen * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Plantaardige voortbrengselen n.e.g . * 12.08 ( 10-31 ) *

* 12.08.90 *

* 12.09.00 *

* 13.03.12 *

* 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) *

* 14.03.00 *

* 14.04.00 *

* 14.05 ( 11-19 ) *

* 15.16.10 *

* 23.06.10 2 *

* 23.06.30 *

* 13.01.00 *

Wijnmost en wijn * *

Wijnmost * 22.04.00 *

Wijn * 22.05 ( 21-25-31-35-41-44-45-47-51-57-59-61-69 ) *

Bijprodukten van de wijnfabricage ( 6 ) * 23.05.00 *

Olijfolie * *

Olijfolie verkregen bij eerste persing ( 7 ) * 15.07.06 *

Olijfolie niet geraffineerd ( 7 ) * 15.07 ( 07-08 ) *

Bijprodukten van de olijffabricage ( 8 ) * 23.04.05 *

Runderen * *

Huisdieren * 01.02 ( 11-13-14-15-17 ) *

Kalveren * – *

Andere runderen jonger dan 1 jaar * – *

Vaarzen * – *

Koeien * – *

Mannelijke fokdieren * – *

1-2 jaar oud * – *

ouder dan 2 jaar * – *

* Codenummer van het BSEG *

Slacht – en mestrunderen * – *

1 – 2 jaar oud * – *

ouder dan 2 jaar * – *

Varkens * *

Huisdieren * 01.03 ( 11-15-17 ) *

Biggen * – *

Jonge varkens * – *

Mestvarkens * – *

Fokzeugen * – *

Fokberen * – *

Eenhoevigen * *

Paarden * 01.01 ( 11-15-19 ) *

Ezels * 01.01.31 *

Muildieren en muilezels * 01.01.50 *

Schapen en geiten * *

Schapen ( huisdieren ) * 01.04 ( 11-13 ) *

Geiten ( huisdieren ) * 01.04.15 *

Pluimvee , konijnen , duiven en andere dieren * *

Hanen , kippen , haantjes , hennetjes * 01.05 ( 10-91 ) *

Eenden * 01.05.93 *

Ganzen * 01.05.95 *

Kalkoenen * 01.05.97 *

Parelhoenders * 01.05.98 *

Tamme konijnen * 01.06.10 *

Tamme duiven * 01.06.30 *

Andere dieren * *

Bijen * – *

Zijderupsen * – *

Pelsdieren * – *

Slakken ( uitgezonderd zeeslakken ) * 03.03.66 *

Dieren n.e.g . * 01.06.99 *

* 02.04.99 1 *

Wild en vlees van wild * *

Wild ( 9 ) * 01.01.39 *

* 01.02.90 *

* 01.03.90 *

* 01.04.90 *

* 01.06.91 *

Vlees van wild * 02.04.30 *

* Codenummer van het BSEG *

Melk * *

Koemelk * – *

Schapemelk * – *

Geitemelk * – *

Buffelmelk * – *

Eieren * *

Kippeëieren * *

Broedeieren * 04.05.12 1 *

Andere * 04.05.14 *

Overige eieren * *

Broedeieren * 04.05.12 2 *

Andere * 04.05.16 *

* 04.05.18 *

Ongewassen wol ( incl . dierlijk haar ) ( 10 ) * 53.01 ( 10-20 ) *

* 53.02 ( 93-95 ) *

Honing * 04.06.00 *

Cocons van zijderupsen * 50.01.00 *

Bijprodukten van het fokken van dierlijke aard ( 11 ) * 15.15.10 *

* 43.01 ( 10-20-30-90 ) *

* 53.02.97 *

Dierlijke produkten n.e.g . * 15.15.10 *

* 43.01 ( 10-20-30-90 ) *

* 53.02.97 *

Loonwerk in de landbouw ( 12 ) * *

Landbouwprodukten die vrijwel uitsluitend worden ingevoerd * *

Tropische oliehoudende zaden en vruchten * *

Grondnoten * 12.01.11 *

* 12.01.15 *

Kopra * 12.01.20 *

Palmnoten en palmpitten * 12.01.30 *

Katoenzaad * 12.01.96 *

Oliehoudende zaden en vruchten n.e.g . * 12.01.99 *

Tropische vezelgewassen * *

Katoen * 55.01.00 *

Overige vezelgewassen * *

Manillahennep * 57.02.00 *

Jute * 57.03.10 *

Sisal * 57.04.10 *

Kokosvezels * 57.04.30 *

* Codenummer van het BSEG *

Ramee * 54.02.00 *

Vezelgewassen n.e.g . * 57.04.50 *

Overige tropische handelsgewassen * *

Koffie * 09.01.11 *

Cacao * 18.01.00 *

Suikerriet * 12.04.30 *

Tropisch fruit * *

Tropische schaalvruchten * *

Kokosnoten * 08.01.75 *

Cashewnoten * 08.01.77 *

Paranoten * 08.01.80 *

Pecannoten * 08.05.80 *

Overige tropische vruchten * *

Dadels * 08.01.10 *

Bananen * 08.01 ( 31-35 ) *

Ananassen * 08.01.50 *

Papaja’s * 08.08.50 *

Tropische vruchten n.e.g . * 08.01 ( 60-99 ) *

Ivoor , ruw * 05.10.00 *

V . RUW HOUT

Werknaaldhout en industrienaaldhout

Lang naaldhout

– 1 Stammen

( 1 ) Dennen , sparren , douglas

( 2 ) Pijnbomen , lariksen

– 2 Mijnhout

( 1 ) Dennen , sparren , douglas

( 2 ) Pijnbomen , lariksen

– 3 Ander lang hout

( 1 ) Dennen , sparren , douglas

( 2 ) Pijnbomen , lariksen

Pulpnaaldhout

– 1 Dennen , sparren , douglas

– 2 Pijnbomen , lariksen

Brandnaaldhout

Dennen , sparren , douglas

Pijnbomen , lariksen

Werkloofhout en industrieloofhout

Lang loofhout

– 1 Stammen

( 1 ) Eiken

( 2 ) Beuken

( 3 ) Populieren

( 4 ) Ander

– 2 Mijnhout

( 1 ) Eiken

( 2 ) Ander

– 3 Ander lang hout

( 1 ) Eiken

( 2 ) Beuken

( 3 ) Populieren

( 4 ) Ander

Pulploofhout

– 1 Eiken

– 2 Beuken

– 3 Populieren

– 4 Ander

Brandloofhout

Eiken

Beuken

Populieren

Ander

Bosbouwdiensten ( 13 )

Andere produkten ( b.v . schors , kurk , hars )

( 1 ) De in deze bijlage gevolgde opzet is ontleend aan de opzet welke is aangehouden voor de landbouwrekeningen van het Bureau voor de Statistiek der Europese Gemeenschappen ( BSEG ) .

( 2 ) B.v . hool , klaver ( behalve voederkool ) .

( 3 ) Uitgezonderd zaaigoed voor granen en rijst , alsmede pootaardappelen .

( 4 ) B.v . in het wild groeiende paddestoelen , rode bosbessen , blauwe bosbessen , braambessen , frambozen enz .

( 5 ) B.v . stro , raaploof en koolbladeren , erwte – en bonedoppen .

( 6 ) B.v . wijnmoer , ruwe wijnsteen , e.d .

( 7 ) De beide produkten onderscheiden zich niet door verschillende produktietrappen , maar door het verwerkingsproces .

( 8 ) B.v . perskoeken van olijven en ander bij winning van dijfolie verkregen afval .

( 9 ) Tot levend wild behoort uitsluitend gefokt wild en het overige wild in gevangenschap .

( 10 ) Voor zover dit hoofdprodukt is .

( 11 ) Waaronder huiden , dierlijk haar , alsmede vachten van gedood wild , was , mest , gier .

( 12 ) Dit zijn werkzaamheden die gewoonlijk door landbouwbedrijven zelf worden verricht , zoals ploegen , maaien , dorsen , drogen van tabak , scheren van schapen , verzorgen van dieren .

( 13 ) Dat wil zeggen bosbouwdiensten die gewoonlijk worden uitgeoefend door de bosbouwbedrijven zelf ( b.v . het kappen van hout ) .

BIJLAGE D

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN , BEDOELD IN ARTIKEL 4 , LID 5 , DERDE ALINEA

1 . Telecommunicatiediensten

2 . Levering van water , gas , elektriciteit en stoom

3 . Goederenvervoer

4 . Haven – en luchthavendiensten

5 . Personenvervoer

6 . Levering van nieuwe goederen geproduceerd voor de verkoop

7 . Handelingen van de landbouwinterventiebureaus met betrekking tot landbouwprodukten , die worden verricht op grond van verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor deze produkten

8 . Exploitatie van commerciële beurzen en tentoonstellingen

9 . Opslag van goederen

10 . Werkzaamheden van commerciële reklamebureaus

11 . Werkzaamheden van reisbureaus

12 . Exploitatie van bedrijfskantines , bedrijfswinkels , cooperaties en soortgelijke inrichtingen

13 . De andere werkzaamheden van radio – en televisiediensten dan die bedoeld in artikel 13 , A , lid 1 , sub q ) .

BIJLAGE E

LIJST VAN HANDELINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 28 , LID 3 , SUB a )

1 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , A , lid 1 , sub a ) , voor zover deze betrekking hebben op de verzending van postpakketten door postdiensten

2 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , A , lid 1 , sub e )

3 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , A , lid 1 , sub f ) , andere dan die van groepen met een medisch of paramedisch karakter

4 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , A , lid 1 , sub m )

5 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , A , lid 1 , sub n )

6 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , A , lid 1 , sub p )

7 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , A , lid 1 , sub q )

8 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , B , sub d ) , punt 2 , voor zover zij betrekking hebben op de diensten van tussenpersonen

9 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , B , sub d ) , punt 5 , voor zover zij betrekking hebben op de diensten van tussenpersonen

10 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , B , sub d ) , punt 6

11 . Goederenleveringen waarnaar wordt verwezen in artikel 13 , B , sub g ) , wanneer zij worden verricht door belastingplichtingen die recht hebben op aftrek van voorbelasting voor het betrokken gebouw

12 . Goederenleveringen waarnaar wordt verwezen in artikel 15 , punt 2

13 . Handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 15 , punten 6 en 9

14 . Goederenleveringen waarnaar wordt verwezen in artikel 15 , punt 12

15 . Diensten van reisbureaus als bedoeld in artikel 26 alsmede van reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen , voor reizen buiten de Gemeenschap .

BIJLAGE F

LIJST VAN HANDELINGEN , BEDOELD IN ARTIKEL 28 , LID 3 , SUB b ) :

1 . Het verlenen van toegang tot sportmanifestaties

2 . Diensten van auteurs , kunstenaars , vertolkers van kunstwerken , advocaten en andere beoefenaars van vrije beroepen , andere dan de medische en paramedische beroepen , voor zover het niet gaat om de in bijlage B van de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 bedoelde diensten

3 . Diensten door middel van landbouwmachines ten gunste van individuele of verenigde landbouwondernemers

4 . Leveringen van volbloedpaarden en hazewinden

5 . Diensten en daarmee rechtstreeks verband houdende leveringen van goederen door de openbare postdiensten op het gebied van telecommunicaties

6 . Diensten verricht door lijkbezorgers en crematoria , alsmede levering door hen van goederen die met deze diensten in rechtstreeks verband staan

7 . Handelingen verricht door blinden en/of blindenwerkplaatsen , indien is vastgesteld dat door vrijstelling hiervan geen belangrijke concurrentievervalsing ontstaat

8 . Goederenleveringen en diensten verleend aan instellingen die zijn belast met het aanleggen , het inrichten en het onderhouden van begraaf – en grafplaatsen en gedenktekens voor oorlogsslachtoffers

9 . Diensten van dierenartsen in verband met de verzorging van dieren

10 . Handelingen van ziekenhuizen die niet onder artikel 13 , A , lid 1 , sub b ) , vallen

11 . Diensten verricht door schade-experts

12 . Waterdistributie door publiekrechtelijke diensten

13 . Beheer van kredieten en kredietgaranties door een persoon of instelling , andere dan die welke de kredieten heeft verstrekt

14 . Invordering van schildvorderingen

15 . Bewaring en beheer van aandelen , deelnemingen in vennootschappen en verenigingen , obligaties , andere effecten of handelspapieren ( met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen en de in artikel 5 , lid 3 , bedoelde rechten en effecten )

16 . Leveringen van de in artikel 4 , lid 3 , bedoelde gebouwen en terreinen

17 . Personenvervoer

Vervoer van goederen , zoals bagage en personenauto’s die door reizigers worden meegevoerd en diensten die samenhangen met het vervoer van personen , zijn alleen vrijgesteld voor zover het vervoer van deze personen is vrijgesteld .

18 . Levering , verbouwing , reparatie , onderhoud , bevrachting en verhuur van binnenschepen , voor commerciële doeleinden , alsmede de levering , de verhuur , de reparatie en het onderhoud van voorwerpen die met deze schepen vast verbonden zijn of die voor hun exploitatie dienen

19 . Verkoop van bepaalde investeringsgoederen na afloop van de periode voor de herziening van het recht op aftrek

20 . Verkoop van stoffen voor hergebruik en nieuw industrieel afval

21 . Leveringen van goederen voor de bevoorrading van pleziervaartuigen die het nationale grondgebied verlaten

22 . Leveringen van goederen voor de bevoorrading van luchtvaartuigen voor privégebruik die het nationale grondgebied verlaten

23 . Levering , verbouwing , reparatie , onderhoud , bevrachting en verhuur van luchtvaartuigen die worden gebruikt door staatsinstellingen ( inclusief voorwerpen die met deze luchtvaartuigen vast verbonden zijn of voor hun exploitatie dienen )

24 . Vervoer van goederen op de Rijn en de gekanaliseerde Moezel alsmede handelingen die daarmee rechtstreeks in verband staan

25 . Levering , verbouwing , reparatie , onderhoud , bevrachting en verhuur van oorlogsschepen

26 . Handelingen met betrekking tot goud , met uitzondering van goud bestemd voor industrieel gebruik

27 . Diensten van reisbureaus als bedoeld in artikel 26 alsmede van reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen , voor reizen binnen de Gemeenschap .

BIJLAGE G

KEUZERECHT

1 . Het keuzerecht waarvan sprake is in artikel 28 , lid 3 , sub c ) , kan in de volgende gevallen worden verleend :

a ) in geval van handelingen , bedoeld in bijlage E :

de Lid-Staten die de vrijstelling reeds met een keuzerecht toepassen , kunnen dit keuzerecht handhaven .

b ) in geval van handelingen , bedoeld in bijlage F :

de Lid-Staten die bij wijze van overgang de vrijstelling handhaven , kunnen hun belastingplichtigen laten kiezen voor belasting .

2 . De Lid-Staten die een keuzerecht voor belasting verlenen dat niet valt onder de bepalingen van lid 1 , kunnen de belastingplichtigen toestaan dit te blijven uitoefenen tot uiterlijk drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn .

ERWTEN*07.01.41*

*07.01.43*

*CODENUMMER VAN HET BSEG*

BONEN*07.01.45*

*07.01.47*

OVERIGE PEULVRUCHTEN*07.01.49*

GEKWEEKTE PADDESTOELEN*07.01.87*

VERS FRUIT , INCL . CITRUSVRUCHTEN ( UITGEZONDERD DRUIVEN EN OLIJVEN ) **

TAFELAPPELEN EN -PEREN**

TAFELAPPELEN*08.06 ( 13-15-17 ) *

TAFELPEREN*08.06 ( 36-38 ) *

PERSAPPELEN EN -PEREN**

PERSAPPELEN*08.06.11*

PERSPEREN*08.06.32*

STEENVRUCHTEN**

PERZIKEN*08.07.32*

ABRIKOZEN*08.07.10*

KERSEN*08.07 ( 51-55 ) *

PRUIMEN ( INCL . REINE-CLAUDES , MIRABELLEN EN KWETSEN ) *08.07 ( 71-75 ) *

OVERIG STEENFRUIT*08.07.90*

SCHAALVRUCHTEN**

WALNOTEN*08.05.31*

HAZELNOTEN*08.05.91*

AMANDELEN*08.05.11*

*08.05.19*

KASTANJES*08.05.50*

OVERIGE SCHAALVRUCHTEN ( UITGEZONDERD TROPISCHE ) **

PIMPERNOTEN ( PISTACHES ) *08.05.70*

SCHAALVRUCHTEN N.E.G.*08.05.97 1*

OVERIGE BOOMVRUCHTEN**

VIJGEN*08.03.10*

KWEEPEREN*08.06.50*

OVERIGE BOOMVRUCHTEN N.E.G . ( UITGEZONDERD TROPISCHE ) *08.09.90 1*

AARDBEIEN*08.08 ( 11-15 ) *

KLEIN FRUIT**

AALBESSEN*08.08.41 , 08.08.49 1 , 08.08.90 1 , 08.09.90 2*

ZWARTE BESSEN*08.08.41 , 08.08.49 1 , 08.08.90 1 , 08.09.90 2*

OVERIGE AALBESSEN*08.08.41 , 08.08.49 1 , 08.08.90 1 , 08.09.90 2*

FRAMBOZEN*08.08.41 , 08.08.49 1 , 08.08.90 1 , 08.09.90 2*

KRUISBESSEN*08.08.41 , 08.08.49 1 , 08.08.90 1 , 08.09.90 2*

OVERIGE BESSEN ( B.V . GEKWEEKTE BRAMEN ) , UITGEZONDERD WILDE BRAMEN*08.08.41 , 08.08.49 1 , 08.08.90 1 , 08.09.90 2*

CITRUSVRUCHTEN**

SINAASAPPELEN*08.02 ( 21-22-24-27 ) *

MANDARIJNEN EN CLEMENTINES*08.02 ( 32-36 ) *

CITROENEN*08.02.50*

POMPELMOEZEN ( GRAPEFRUIT ) *08.02.70*

*CODENUMMER VAN HET BSEG*

OVERIGE CITRUSVRUCHTEN*08.02.90*

CEDRAATCITROENEN* – *

ZOETE LIMOENEN* – *

BERGAMOTPEREN* – *

CITRUSVRUCHTEN N.E.G .* – *

DRUIVEN EN OLIJVEN**

DRUIVEN**

TAFELDRUIVEN*08.04 ( 21-23 ) *

OVERIGE DRUIVEN ( VOOR HET PERSEN VAN WIJN , VOOR HET FABRICEREN VAN VRUCHTENSAPPEN EN VOOR ROZIJNEN ) *08.04 ( 25-27 ) *

OLIJVEN**

TAFELOLIJVEN*07.01.78*

OVERIGE OLIJVEN ( TER VERVAARDIGING VAN OLIJFOLIE ) *07.01.79*

*07.03.13*

OVERIGE PLANTAARDIGE PRODUKTEN**

VOEDERGEWASSEN ( 2)*12.10.99 1*

BOOMKWEKERIJGEWASSEN**

FRUITBOMEN*06.02 ( 19-40-51-55 ) *

PLANTGOED VAN WIJNSTOKKEN*06.02 ( 10-30 ) *

SIERBOMEN*06.02 ( 71-75-79-98 ) *

BOS – EN HAAGPLANTEN*06.02.60*

MATERIAAL VOOR DE MANDENMAKERIJ EN VOOR VLECHTWERK**

GRIENDEN EN BIEZEN*14.01 ( 11-19-51-59 ) *

RIET , ROTTING , BAMBOE*14.01 ( 31-39 ) *

ANDER MATERIAAL VOOR DE MANDENMAKERIJ EN VOOR VLECHTWERK*14.01.90*

BLOEMEN , SIERPLANTEN EN KERSTBOMEN**

BLOEMBOLLEN EN -KNOLLEN*06.01.10*

SIERGEWASSEN*06.01 ( 31-39 ) , 06.03 ( 11-15-90 ) , 06.04 ( 20-40-50 ) *

SNIJBLOEMEN , LOOF , BLADEREN , TWIJGEN EN TAKKEN*06.01 ( 31-39 ) , 06.03 ( 11-15-90 ) , 06.04 ( 20-40-50 ) *

KERSTBOMEN*06.04.90*

VASTE PLANTEN*06.02.92*

ZADEN**

LAND – EN TUINBOUWZADEN ( 3)*06.02.95*

*12.03 ( 11-19-35-39-44-46-84-86-89 ) *

*12.03.31 1*

*12.03.49 1*

BLOEMZAAD*12.03.81*

*CODENUMMER VAN HET BSEG*

IN HET WILD GROEIENDE PRODUKTEN ( 4)*07.01 ( 88-89 ) *

*08.05.97 2*

*08.08.31*

*08.08.35*

*08.08.49 2*

*08.08.90 2*

*23.06.10 1*

BIJPRODUKTEN VAN DE PLANTENTEELT ( 5)*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE GRAANTEELT ( UITGEZONDERD RIJST ) *12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE RIJSTTEELT*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE PEULVRUCHTENTEELT*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE TEELT VAN HAKVRUCHTEN*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE TEELT VAN HANDELSGEWASSEN*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE GROENTENTEELT*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE TEELT VAN FRUIT EN CITRUSVRUCHTEN*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE DRUIVEN – EN OLIJVENTEELT*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN DE OVERIGE PLANTAARDIGE VOORTBRENGSELEN*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

PLANTAARDIGE VOORTBRENGSELEN N.E.G.*12.08 ( 10-31 ) , 12.08.90 , 12.09.00 , 13.03.12 , 14.02 ( 10-21-23-25-29 ) , 14.03.00 , 14.04.00 , 14.05 ( 11-19 ) , 15.16.10 , 23.06.10 2 , 23.06.30 , 13.01.00*

WIJNMOST EN WIJN**

WIJNMOST*22.04.00*

WIJN*22.05 ( 21-25-31-35-41-44-45-47-51-57-59-61-69 ) *

BIJPRODUKTEN VAN DE WIJNFABRICAGE ( 6)*23.05.00*

OLIJFOLIE**

OLIJFOLIE VERKREGEN BIJ EERSTE PERSING ( 7)*15.07.06*

OLIJFOLIE NIET GERAFFINEERD ( 7)*15.07 ( 07-08 ) *

BIJPRODUKTEN VAN DE OLIJFFABRICAGE ( 8)*23.04.05*

RUNDEREN**

HUISDIEREN*01.02 ( 11-13-14-15-17 ) *

KALVEREN* – *

ANDERE RUNDEREN JONGER DAN 1 JAAR* – *

VAARZEN* – *

KOEIEN* – *

MANNELIJKE FOKDIEREN* – *

1-2 JAAR OUD* – *

OUDER DAN 2 JAAR* – *

*CODENUMMER VAN HET BSEG*

SLACHT – EN MESTRUNDEREN* – *

1 – 2 JAAR OUD* – *

OUDER DAN 2 JAAR* – *

VARKENS**

HUISDIEREN*01.03 ( 11-15-17 ) *

BIGGEN* – *

JONGE VARKENS* – *

MESTVARKENS* – *

FOKZEUGEN* – *

FOKBEREN* – *

EENHOEVIGEN**

PAARDEN*01.01 ( 11-15-19 ) *

EZELS*01.01.31*

MUILDIEREN EN MUILEZELS*01.01.50*

SCHAPEN EN GEITEN**

SCHAPEN ( HUISDIEREN ) *01.04 ( 11-13 ) *

GEITEN ( HUISDIEREN ) *01.04.15*

PLUIMVEE , KONIJNEN , DUIVEN EN ANDERE DIEREN**

HANEN , KIPPEN , HAANTJES , HENNETJES*01.05 ( 10-91 ) *

EENDEN*01.05.93*

GANZEN*01.05.95*

KALKOENEN*01.05.97*

PARELHOENDERS*01.05.98*

TAMME KONIJNEN*01.06.10*

TAMME DUIVEN*01.06.30*

ANDERE DIEREN**

BIJEN* – *

ZIJDERUPSEN* – *

PELSDIEREN* – *

SLAKKEN ( UITGEZONDERD ZEESLAKKEN ) *03.03.66*

DIEREN N.E.G.*01.06.99*

*02.04.99 1*

WILD EN VLEES VAN WILD**

WILD ( 9)*01.01.39*

*01.02.90*

*01.03.90*

*01.04.90*

*01.06.91*

VLEES VAN WILD*02.04.30*

*CODENUMMER VAN HET BSEG*

MELK**

KOEMELK* – *

SCHAPEMELK* – *

GEITEMELK* – *

BUFFELMELK* – *

EIEREN**

KIPPEEIEREN**

BROEDEIEREN*04.05.12 1*

ANDERE*04.05.14*

OVERIGE EIEREN**

BROEDEIEREN*04.05.12 2*

ANDERE*04.05.16*

*04.05.18*

OVERIGE DIERLIJKE PRODUKTEN**

ONGEWASSEN WOL ( INCL . DIERLIJK HAAR ) ( 10)*53.01 ( 10-20 ) *

*53.02 ( 93-95 ) *

HONING*04.06.00*

COCONS VAN ZIJDERUPSEN*50.01.00*

BIJPRODUKTEN VAN HET FOKKEN VAN DIERLIJKE AARD ( 11)*15.15.10 , 43.01 ( 10-20-30-90 ) , 53.02.97*

DIERLIJKE PRODUKTEN N.E.G.*15.15.10 , 43.01 ( 10-20-30-90 ) , 53.02.97*

LOONWERK IN DE LANDBOUW ( 12 )**

LANDBOUWPRODUKTEN DIE VRIJWEL UITSLUITEND WORDEN INGEVOERD**

TROPISCHE OLIEHOUDENDE ZADEN EN VRUCHTEN**

GRONDNOTEN*12.01.11*

*12.01.15*

KOPRA*12.01.20*

PALMNOTEN EN PALMPITTEN*12.01.30*

KATOENZAAD*12.01.96*

OLIEHOUDENDE ZADEN EN VRUCHTEN N.E.G.*12.01.99*

TROPISCHE VEZELGEWASSEN**

KATOEN*55.01.00*

OVERIGE VEZELGEWASSEN**

MANILLAHENNEP*57.02.00*

JUTE*57.03.10*

SISAL*57.04.10*

KOKOSVEZELS*57.04.30*

*CODENUMMER VAN HET BSEG*

RAMEE*54.02.00*

VEZELGEWASSEN N.E.G.*57.04.50*

OVERIGE TROPISCHE HANDELSGEWASSEN**

KOFFIE*09.01.11*

CACAO*18.01.00*

SUIKERRIET*12.04.30*

TROPISCH FRUIT**

TROPISCHE SCHAALVRUCHTEN**

KOKOSNOTEN*08.01.75*

CASHEWNOTEN*08.01.77*

PARANOTEN*08.01.80*

PECANNOTEN*08.05.80*

OVERIGE TROPISCHE VRUCHTEN**

DADELS*08.01.10*

BANANEN*08.01 ( 31-35 ) *

ANANASSEN*08.01.50*

PAPAJA’S*08.08.50*

TROPISCHE VRUCHTEN N.E.G.*08.01 ( 60-99 ) *

IVOOR , RUW*05.10.00*

V . RUW HOUT

WERKNAALDHOUT EN INDUSTRIENAALDHOUT

LANG NAALDHOUT

– 1 STAMMEN

( 1 ) DENNEN , SPARREN , DOUGLAS

( 2 ) PIJNBOMEN , LARIKSEN

– 2 MIJNHOUT

( 1 ) DENNEN , SPARREN , DOUGLAS

( 2 ) PIJNBOMEN , LARIKSEN

– 3 ANDER LANG HOUT

( 1 ) DENNEN , SPARREN , DOUGLAS

( 2 ) PIJNBOMEN , LARIKSEN

PULPNAALDHOUT

– 1 DENNEN , SPARREN , DOUGLAS

– 2 PIJNBOMEN , LARIKSEN

BRANDNAALDHOUT

DENNEN , SPARREN , DOUGLAS

PIJNBOMEN , LARIKSEN

WERKLOOFHOUT EN INDUSTRIELOOFHOUT

LANG LOOFHOUT

– 1 STAMMEN

( 1 ) EIKEN

( 2 ) BEUKEN

( 3 ) POPULIEREN

( 4 ) ANDER

– 2 MIJNHOUT

( 1 ) EIKEN

( 2 ) ANDER

– 3 ANDER LANG HOUT

( 1 ) EIKEN

( 2 ) BEUKEN

( 3 ) POPULIEREN

( 4 ) ANDER

PULPLOOFHOUT

– 1 EIKEN

– 2 BEUKEN

– 3 POPULIEREN

– 4 ANDER

BRANDLOOFHOUT

EIKEN

BEUKEN

POPULIEREN

ANDER

BOSBOUWDIENSTEN ( 13 )

ANDERE PRODUKTEN ( B.V . SCHORS , KURK , HARS )

( 1 ) DE IN DEZE BIJLAGE GEVOLGDE OPZET IS ONTLEEND AAN DE OPZET WELKE IS AANGEHOUDEN VOOR DE LANDBOUWREKENINGEN VAN HET BUREAU VOOR DE STATISTIEK DER EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ( BSEG ) .

( 2 ) B.V . HOOI , KLAVER ( BEHALVE VOEDERKOOL ) .

( 3 ) UITGEZONDERD ZAAIGOED VOOR GRANEN EN RIJST , ALSMEDE POOTAARDAPPELEN .

( 4 ) B.V . IN HET WILD GROEIENDE PADDESTOELEN , RODE BOSBESSEN , BLAUWE BOSBESSEN , BRAAMBESSEN , FRAMBOZEN ENZ .

( 5 ) B.V . STRO , RAAPLOOF EN KOOLBLADEREN , ERWTE – EN BONEDOPPEN .

( 6 ) B.V . WIJNMOER , RUWE WIJNSTEEN , E.D .

( 7 ) DE BEIDE PRODUKTEN ONDERSCHEIDEN ZICH NIET DOOR VERSCHILLENDE PRODUKTIETRAPPEN , MAAR DOOR HET VERWERKINGSPROCES .

( 8 ) B.V . PERSKOEKEN VAN OLIJVEN EN ANDER BIJ WINNING VAN OLIJFOLIE VERKREGEN AFVAL .

( 9 ) TOT LEVEND WILD BEHOORT UITSLUITEND GEFOKT WILD EN HET OVERIGE WILD IN GEVANGENSCHAP .

( 10 ) VOOR ZOVER DIT HOOFDPRODUKT IS .

( 11 ) WAARONDER HUIDEN , DIERLIJK HAAR , ALSMEDE VACHTEN VAN GEDOOD WILD , WAS , MEST , GIER .

( 12 ) DIT ZIJN WERKZAAMHEDEN DIE GEWOONLIJK DOOR LANDBOUWBEDRIJVEN ZELF WORDEN VERRICHT , ZOALS PLOEGEN , MAAIEN , DORSEN , DROGEN VAN TABAK , SCHEREN VAN SCHAPEN , VERZORGEN VAN DIEREN .

( 13 ) DAT WIL ZEGGEN BOSBOUWDIENSTEN DIE GEWOONLIJK WORDEN UITGEOEFEND DOOR DE BOSBOUWBEDRIJVEN ZELF ( B.V . HET KAPPEN VAN HOUT ) .

BIJLAGE D

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN , BEDOELD IN ARTIKEL 4 , LID 5 , DERDE ALINEA

1 . TELECOMMUNICATIEDIENSTEN

2 . LEVERING VAN WATER , GAS , ELEKTRICITEIT EN STOOM

3 . GOEDERENVERVOER

4 . HAVEN – EN LUCHTHAVENDIENSTEN

5 . PERSONENVERVOER

6 . LEVERING VAN NIEUWE GOEDEREN GEPRODUCEERD VOOR DE VERKOOP

7 . HANDELINGEN VAN DE LANDBOUWINTERVENTIEBUREAUS MET BETREKKING TOT LANDBOUWPRODUKTEN , DIE WORDEN VERRICHT OP GROND VAN VERORDENINGEN HOUDENDE EEN GEMEENSCHAPPELIJKE MARKTORDENING VOOR DEZE PRODUKTEN

8 . EXPLOITATIE VAN COMMERCIELE BEURZEN EN TENTOONSTELLINGEN

9 . OPSLAG VAN GOEDEREN

10 . WERKZAAMHEDEN VAN COMMERCIELE REKLAMEBUREAUS

11 . WERKZAAMHEDEN VAN REISBUREAUS

12 . EXPLOITATIE VAN BEDRIJFSKANTINES , BEDRIJFSWINKELS , COOPERATIES EN SOORTGELIJKE INRICHTINGEN

13 . DE ANDERE WERKZAAMHEDEN VAN RADIO – EN TELEVISIEDIENSTEN DAN DIE BEDOELD IN ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB Q ) .

BIJLAGE E

LIJST VAN HANDELINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 28 , LID 3 , SUB A )

1 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB A ) , VOOR ZOVER DEZE BETREKKING HEBBEN OP DE VERZENDING VAN POSTPAKKETTEN DOOR POSTDIENSTEN

2 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB E )

3 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB F ) , ANDERE DAN DIE VAN GROEPEN MET EEN MEDISCH OF PARAMEDISCH KARAKTER

4 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB M )

5 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB N )

6 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB P )

7 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB Q )

8 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , B , SUB D ) , PUNT 2 , VOOR ZOVER ZIJ BETREKKING HEBBEN OP DE DIENSTEN VAN TUSSENPERSONEN

9 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , B , SUB D ) , PUNT 5 , VOOR ZOVER ZIJ BETREKKING HEBBEN OP DE DIENSTEN VAN TUSSENPERSONEN

10 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , B , SUB D ) , PUNT 6

11 . GOEDERENLEVERINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 13 , B , SUB G ) , WANNEER ZIJ WORDEN VERRICHT DOOR BELASTINGPLICHTIGEN DIE RECHT HEBBEN OP AFTREK VAN VOORBELASTING VOOR HET BETROKKEN GEBOUW

12 . GOEDERENLEVERINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 15 , PUNT 2

13 . HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 15 , PUNTEN 6 EN 9

14 . GOEDERENLEVERINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 15 , PUNT 12

15 . DIENSTEN VAN REISBUREAUS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 26 ALSMEDE VAN REISBUREAUS DIE IN NAAM EN VOOR REKENING VAN DE REIZIGER HANDELEN , VOOR REIZEN BUITEN DE GEMEENSCHAP .

BIJLAGE F

LIJST VAN HANDELINGEN , BEDOELD IN ARTIKEL 28 , LID 3 , SUB B ) :

1 . HET VERLENEN VAN TOEGANG TOT SPORTMANIFESTATIES

2 . DIENSTEN VAN AUTEURS , KUNSTENAARS , VERTOLKERS VAN KUNSTWERKEN , ADVOCATEN EN ANDERE BEOEFENAARS VAN VRIJE BEROEPEN , ANDERE DAN DE MEDISCHE EN PARAMEDISCHE BEROEPEN , VOOR ZOVER HET NIET GAAT OM DE IN BIJLAGE B VAN DE TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 11 APRIL 1967 BEDOELDE DIENSTEN

3 . DIENSTEN DOOR MIDDEL VAN LANDBOUWMACHINES TEN GUNSTE VAN INDIVIDUELE OF VERENIGDE LANDBOUWONDERNEMERS

4 . LEVERINGEN VAN VOLBLOEDPAARDEN EN HAZEWINDEN

5 . DIENSTEN EN DAARMEE RECHTSTREEKS VERBAND HOUDENDE LEVERINGEN VAN GOEDEREN DOOR DE OPENBARE POSTDIENSTEN OP HET GEBIED VAN TELECOMMUNICATIES

6 . DIENSTEN VERRICHT DOOR LIJKBEZORGERS EN CREMATORIA , ALSMEDE LEVERING DOOR HEN VAN GOEDEREN DIE MET DEZE DIENSTEN IN RECHTSTREEKS VERBAND STAAN

7 . HANDELINGEN VERRICHT DOOR BLINDEN EN/OF BLINDENWERKPLAATSEN , INDIEN IS VASTGESTELD DAT DOOR VRIJSTELLING HIERVAN GEEN BELANGRIJKE CONCURRENTIEVERVALSING ONTSTAAT

8 . GOEDERENLEVERINGEN EN DIENSTEN VERLEEND AAN INSTELLINGEN DIE ZIJN BELAST MET HET AANLEGGEN , HET INRICHTEN EN HET ONDERHOUDEN VAN BEGRAAF – EN GRAFPLAATSEN EN GEDENKTEKENS VOOR OORLOGSSLACHTOFFERS

9 . DIENSTEN VAN DIERENARTSEN IN VERBAND MET DE VERZORGING VAN DIEREN

10 . HANDELINGEN VAN ZIEKENHUIZEN DIE NIET ONDER ARTIKEL 13 , A , LID 1 , SUB B ) , VALLEN

11 . DIENSTEN VERRICHT DOOR SCHADE-EXPERTS

12 . WATERDISTRIBUTIE DOOR PUBLIEKRECHTELIJKE DIENSTEN

13 . BEHEER VAN KREDIETEN EN KREDIETGARANTIES DOOR EEN PERSOON OF INSTELLING , ANDERE DAN DIE WELKE DE KREDIETEN HEEFT VERSTREKT

14 . INVORDERING VAN SCHULDVORDERINGEN

15 . BEWARING EN BEHEER VAN AANDELEN , DEELNEMINGEN IN VENNOOTSCHAPPEN EN VERENIGINGEN , OBLIGATIES , ANDERE EFFECTEN OF HANDELSPAPIEREN ( MET UITZONDERING VAN DOCUMENTEN DIE GOEDEREN VERTEGENWOORDIGEN EN DE IN ARTIKEL 5 , LID 3 , BEDOELDE RECHTEN EN EFFECTEN )

16 . LEVERINGEN VAN DE IN ARTIKEL 4 , LID 3 , BEDOELDE GEBOUWEN EN TERREINEN

17 . PERSONENVERVOER

VERVOER VAN GOEDEREN , ZOALS BAGAGE EN PERSONENAUTO’S DIE DOOR REIZIGERS WORDEN MEEGEVOERD EN DIENSTEN DIE SAMENHANGEN MET HET VERVOER VAN PERSONEN , ZIJN ALLEEN VRIJGESTELD VOOR ZOVER HET VERVOER VAN DEZE PERSONEN IS VRIJGESTELD .

18 . LEVERING , VERBOUWING , REPARATIE , ONDERHOUD , BEVRACHTING EN VERHUUR VAN BINNENSCHEPEN , VOOR COMMERCIELE DOELEINDEN , ALSMEDE DE LEVERING , DE VERHUUR , DE REPARATIE EN HET ONDERHOUD VAN VOORWERPEN DIE MET DEZE SCHEPEN VAST VERBONDEN ZIJN OF DIE VOOR HUN EXPLOITATIE DIENEN

19 . VERKOOP VAN BEPAALDE INVESTERINGSGOEDEREN NA AFLOOP VAN DE PERIODE VOOR DE HERZIENING VAN HET RECHT OP AFTREK

20 . VERKOOP VAN STOFFEN VOOR HERGEBRUIK EN NIEUW INDUSTRIEEL AFVAL

21 . LEVERINGEN VAN GOEDEREN VOOR DE BEVOORRADING VAN PLEZIERVAARTUIGEN DIE HET NATIONALE GRONDGEBIED VERLATEN

22 . LEVERINGEN VAN GOEDEREN VOOR DE BEVOORRADING VAN LUCHTVAARTUIGEN VOOR PRIVEGEBRUIK DIE HET NATIONALE GRONDGEBIED VERLATEN

23 . LEVERING , VERBOUWING , REPARATIE , ONDERHOUD , BEVRACHTING EN VERHUUR VAN LUCHTVAARTUIGEN DIE WORDEN GEBRUIKT DOOR STAATSINSTELLINGEN ( INCLUSIEF VOORWERPEN DIE MET DEZE LUCHTVAARTUIGEN VAST VERBONDEN ZIJN OF VOOR HUN EXPLOITATIE DIENEN )

24 . VERVOER VAN GOEDEREN OP DE RIJN EN DE GEKANALISEERDE MOEZEL ALSMEDE HANDELINGEN DIE DAARMEE RECHTSTREEKS IN VERBAND STAAN

25 . LEVERING , VERBOUWING , REPARATIE , ONDERHOUD , BEVRACHTING EN VERHUUR VAN OORLOGSSCHEPEN

26 . HANDELINGEN MET BETREKKING TOT GOUD , MET UITZONDERING VAN GOUD BESTEMD VOOR INDUSTRIEEL GEBRUIK

27 . DIENSTEN VAN REISBUREAUS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 26 ALSMEDE VAN REISBUREAUS DIE IN NAAM EN VOOR REKENING VAN DE REIZIGER HANDELEN , VOOR REIZEN BINNEN DE GEMEENSCHAP .

BIJLAGE G

KEUZERECHT

1 . HET KEUREZECHT WAARVAN SPRAKE IS IN ARTIKEL 28 , LID 3 , SUB C ) , KAN IN DE VOLGENDE GEVALLEN WORDEN VERLEEND :

A ) IN GEVAL VAN HANDELINGEN , BEDOELD IN BIJLAGE E :

DE LID-STATEN DIE DE VRIJSTELLING REEDS MET EEN KEUZERECHT TOEPASSEN , KUNNEN DIT KEUREZECHT HANDHAVEN .

B ) IN GEVAL VAN HANDELINGEN , BEDOELD IN BIJLAGE F :

DE LID-STATEN DIE BIJ WIJZE VAN OVERGANG DE VRIJSTELLING HANDHAVEN , KUNNEN HUN BELASTINGPLICHTIGEN LATEN KIEZEN VOOR BELASTING .

2 . DE LID-STATEN DIE EEN KEUZERECHT VOOR BELASTING VERLENEN DAT NIET VALT ONDER DE BEPALINGEN VAN LID 1 , KUNNEN DE BELASTINGPLICHTIGEN TOESTAAN DIT TE BLIJVEN UITOEFENEN TOT UITERLIJK DRIE JAAR NA DE DATUM VAN INWERKINGTREDING VAN DE RICHTLIJN .