Bezwaar tegen nihilaangifte btw heeft geen voorwerp en is dus niet-ontvankelijk

Dirigent

Bezwaar tegen nihilaangifte btw heeft geen voorwerp en is dus niet-ontvankelijk

In geschil is of het bezwaarschrift van belanghebbende wegens het ontbreken van een voldoening op aangifte niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Als het bezwaarschrift ontvankelijk is, is in geschil of de door een dirigent ontvangen vergoedingen van deelnemers aan projectkoren voor de btw onder het algemene tarief vallen of onder het verlaagde tarief.

Belanghebbende heeft een aangifte gedaan die per saldo niet leidde tot een verschuldigd bedrag aan btw en heeft daarom over dit tijdvak geen btw op aangifte voldaan. Aangezien er geen voldoening heeft plaatsgevonden, is eveneens geen sprake van een met een beschikking gelijk te stellen voldoening in de zin van art 26 lid 3 AWR. Het bezwaar heeft dan ook geen voorwerp en moet niet-ontvankelijk worden verklaard (vgl. Hoge Raad 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375 en Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4578).

De rechtbank vindt niet dat afzonderlijk naar de elementen van de aangifte moet worden gekeken en dat het bezwaar zich richt tegen het in de aangifte vermelde bedrag van de verschuldigde btw. De rechtbank wijst er daarbij op dat het wettelijke systeem voor voldoeningsbelastingen niet uitgaat van een bezwaar tegen de aangifte zelf, maar van een bezwaar tegen de voldoening op aangifte.

Wegens de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil niet meer toe. De Belastingdienst had het bezwaar niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar vernietigen en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep is daardoor gegrond.

Rechtbank
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
AWB – 17 _ 718
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of een bezwaarschrift wegens het ontbreken van een voldoening (van OB) op aangifte ontvankelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-09-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/718

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.

Procesverloop

Eiser heeft over het tijdvak juni 2015 voor de omzetbelasting (OB) een aangifte ingediend volgens welke zowel de verschuldigde belasting als de voorbelasting € 2 bedragen.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 januari 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [bijstand] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigden verweerder] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.Eiser is werkzaam als dirigent van zangkoren in binnen- en buitenland. Eiser bedenkt en organiseert tevens specifieke concerten voor zogenoemde [projectkoren] op aansprekende locaties en in samenwerking met bekende solisten en/of orkesten. Bij een [projectkoor] wordt op projectbasis gewerkt. Eiser zoekt per project zangers voor deelname aan het [projectkoor] . De [projectkoordeelnemers] betalen € 55 aan eiser voor deelname. Bij de repetities van het [projectkoor] en de uitvoering van het concert treedt eiser, dan wel een door hem daarvoor aangetrokken derde, op als dirigent van het [projectkoor] .

1.2.Eiser is ondernemer voor de omzetbelasting. Voor de maand juni 2015 heeft hij aangifte OB gedaan naar een verschuldigde OB van € 2 over een omzet van € 9. Op de verschuldigde OB is in deze aangifte een bedrag van € 2 aan voorbelasting in aftrek gebracht. De aangifte is op 31 juli 2015 door verweerder ontvangen.

1.3.Eiser heeft bij brief van 10 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen de bij 1.2. vermelde aangifte.

1.4.Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 januari 2017 het bezwaar van eiser afgewezen en geen teruggaaf verleend.

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is ten eerste in geschil of het bezwaarschrift van eiser wegens het ontbreken van een voldoening op aangifte niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Indien het bezwaarschrift ontvankelijk is, is in geschil of de door eiser ontvangen vergoedingen van deelnemers aan de [projectkoren] voor de OB onder het algemene tarief vallen dan wel onder het verlaagde tarief. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is en dat de vergoedingen van de [projectkoordeelnemers] onder het verlaagde tarief vallen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en dat de vergoedingen van de [projectkoordeelnemers] onder het algemene tarief vallen.

3. De rechtbank zal eerst oordelen over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 moet de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte worden voldaan. Artikel 26, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt onder meer dat de voldoening op aangifte van een bedrag voor de mogelijkheid van beroep wordt gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengt mee dat de mogelijkheid om beroep in te stellen afhangt van de mogelijkheid om bezwaar te maken.

4. Eiser heeft over het tijdvak juni 2015 een aangifte gedaan die per saldo niet leidde tot een verschuldigd bedrag aan OB. Eiser heeft daarom over dit tijdvak geen belasting op aangifte voldaan. Aangezien er geen voldoening heeft plaatsgevonden, is eveneens geen sprake van een met een beschikking gelijk te stellen voldoening in de zin van art 26, derde lid, van de AWR. Het bezwaar van eiser heeft dan ook geen voorwerp en moet niet-ontvankelijk worden verklaard (vgl. Hoge Raad 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375 en Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4578).

5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat afzonderlijk naar de elementen van de aangifte moet worden gekeken en dat het bezwaar zich richt tegen het in de aangifte vermelde bedrag van de verschuldigde OB. De rechtbank wijst eiser er daarbij op dat het wettelijke systeem, zoals hiervoor weergegeven bij overweging 3., voor voldoeningsbelastingen niet uitgaat van een bezwaar tegen de aangifte zelf, maar van een bezwaar tegen de voldoening op aangifte.

6. Wegens de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil niet meer toe. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om, zoals door partijen bepleit, de toetsing van de ontvankelijkheid van het bezwaar achterwege te laten in verband met het belang van partijen bij een oordeel over het inhoudelijke geschilpunt. De rechtbank is immers gehouden ambtshalve de ontvankelijkheid te beoordelen. De rechtbank wijst er in dit kader bovendien op dat twijfelachtig is of de in de aangifte vermelde omzet van € 9 wel betrekking heeft op de door de [projectkoordeelnemers] betaalde vergoedingen van € 55, die partijen aan de rechtbank hebben willen voorleggen.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar van eiser niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar vernietigen en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep is daardoor gegrond.

8. Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder (12 augustus 2015) en de uitspraak van de rechtbank bedraag 4 jaar en (afgerond) 2 maanden. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar overschreden. Ter zitting is overeengekomen dat hiervoor een immateriële schadevergoeding van € 2.250 zal worden toegekend, waarvan € 750 ten laste van verweerder zal komen en € 1.500 ten laste van de Minister. Gezien de nevenvorderingen is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake van een gering financieel belang dat de vaststelling van een immateriële schadevergoeding zou verhinderen (vgl Hof Arnhem-Leeuwarden, 20 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9977). Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren (zie Stcrt. 2014, nr. 20210 en Stcrt. 2017, nr. 62751).

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in de beroepsfase. Omdat eiser in de bezwaarfase niet heeft verzocht om vergoeding van proceskosten, kan de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb, verweerder niet veroordelen in de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten. De kosten voor de beroepsfase stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). De reis- en verletkosten van eiser in verband met het bijwonen van de zitting komen op grond van het Besluit eveneens voor vergoeding in aanmerking. Verweerder heeft ter zitting ingestemd met de door eiser gestelde reiskosten van € 25,48 en verletkosten van € 200. De rechtbank zal partijen hierin volgen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding in verband met het door eiser als conclusie van repliek aangeduide stuk van 24 juli 2019, omdat de rechtbank voorafgaand aan het indienen daarvan geen toestemming is gevraagd. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de totale proceskostenvergoeding vast op € 1.249,48.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 750;

veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1249,48.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, en mr. A.M.A.M. Kager en mr. M. Nusmeier, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2019.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.