BTW-aftrek appartement: zakelijk kantoor of woning? Uitspraak over feitelijk gebruik en het gelijkheidsbeginsel.

A BV, een vastgoedonderneming, kocht in februari 2019 een appartementsrecht met woonbestemming en bracht de ter zake in rekening gebrachte omzetbelasting van ruim € 295.000 in aftrek. Het appartement werd voor tien jaar verhuurd aan een dochteronderneming, waarbij geopteerd werd voor belaste verhuur. De Belastingdienst weigerde de teruggaaf, stellende dat het appartement (mede) als woning werd gebruikt, en optie voor belaste verhuur in dat geval niet mogelijk is. A BV betoogde dat het appartement uitsluitend als kantoorruimte en uitvalsbasis voor zakelijke besprekingen en overnachtingen van de directeur in de Randstad diende.

In hoger beroep ging het om het volgende:
(1) het recht op aftrek van voorbelasting, afhankelijk van de vraag of het appartement uitsluitend zakelijk werd gebruikt of (mede) als woning diende;
(2) de vraag of de Belastingdienst het gelijkheidsbeginsel had geschonden door aftrek te weigeren, terwijl in vergelijkbare gevallen wel aftrek zou zijn verleend;
(3) de mogelijke schending van artikel 8:42 Awb wegens het niet tijdig overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken; en
(4) de aanspraak op een integrale proceskostenvergoeding.

Op de inhoudelijke punten oordeelde Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het nadeel van A BV. Ten aanzien van het recht op aftrek van voorbelasting achtte het Hof niet aannemelijk gemaakt dat het appartement uitsluitend voor representatieve doeleinden en als kantoor werd gebruikt en niet tevens als woning diende. De aanwezigheid van woonfuncties (drie slaapkamers, twee badkamers) en de exclusieve toegang voor de directeur speelden hierbij een rol. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, daar A BV er niet in slaagde aannemelijk te maken dat sprake was van rechtens en feitelijk gelijke gevallen. Het Hof benadrukte relevante verschillen, zoals het feit dat eigenaren van de vergelijkbare appartementen over woonruimte elders beschikten en in één geval het appartement geen keuken had.  Wel oordeelde het Hof dat de Belastingdienst artikel 8:42 Awb had geschonden door niet tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Ondanks dat de stukken alsnog ter zitting werden overgelegd en de geschilpunten niet meer relevant waren voor de inhoudelijke beslechting, gaf deze schending aanleiding tot veroordeling van de Belastingdienst in de proceskosten voor zowel de beroeps- als de hogerberoepsfase (voor eerste aanleg zie Geen aftrek voorbelasting over aanschaf appartement, niet aannemelijk dat appartement enkel zakelijk is gebruikt). Een integrale proceskostenvergoeding werd echter afgewezen. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank enkel voor zover deze zag op de toegekende vergoeding van proceskosten en veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van € 3.628 aan proceskosten en het betaalde griffierecht.

Bron: ECLI:NL:GHARL:2025:5444

Scroll naar boven