Btw belaste verhuur zolderverdieping woning aan eigen BV

0
140
zolderverdieping zolderkamer zolderetage

Btw belaste verhuur zolderverdieping woning aan DGA

Een man en zijn vrouw hebben een man-vrouwfirma opgericht met als doel het tegen vergoeding, gedurende een periode van ten minste 5 jaar, ter beschikking stellen van één of meerdere (onzelfstandige) werkkamers van de nieuw te bouwen eigen woning, aan één of meerdere vennootschappen.

De man-vrouwfirma heeft een intentieovereenkomst gesloten met de BV van de man (waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is) voor de verhuur van de zolderverdieping van de woning.

De Inspecteur vindt dat de verleende teruggaven moeten worden gecorrigeerd o.g.v. art 15 lid 4 Wet OB, omdat het echtpaar de woning na oplevering geheel voor privédoeleinden in gebruik heeft genomen. De (belaste) verhuur aan de BV is pas later ingegaan, zodat sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest Lennartz. De woning is pas later aangewend voor een economische activiteit en op dat latere moment kan niet alsnog aanspraak worden gemaakt op aftrek van voorbelasting. Het gebruik van de woning is ten tijde van de oplevering gewijzigd ten opzichte van de intentie tijdens de bouw, hetgeen betekent dat de voorbelasting moet worden gecorrigeerd.

Belanghebbende bestrijdt dit standpunt. De intentie is altijd geweest een btw belaste verhuur van de zolderverdieping van de woning aan de eigen BV van de man en tussen de oplevering van de woning en de ingangsdatum van de verhuur is deze verdieping gereed gemaakt voor gebruik als kantoor.

Het Hof komt op basis van de maatschapsovereenkomst, de intentieovereenkomst, de aan de BV gerichte factuur voor het leggen van de vloerbedekking op de zolderverdieping en de huurovereenkomst tot de conclusie dat belanghebbende van meet af aan de intentie heeft gehad de zolderverdieping belast te gaan verhuren en dat belanghebbende aan deze intentie direct en volledig uitvoering heeft gegeven. De man heeft ter zitting geloofwaardig en consequent verklaard dat de zolderverdieping tussen de oplevering van de woning en ingebruikname als kantoor gereed is gemaakt voor de verhuur.

Onmiddellijk gebruik voor belaste handelingen is niet van belang voor het ontstaan van het aftrekrecht (maar uitsluitend voor de omvang van dit recht). Dus zelfs als de Inspecteur moet worden gevolgd in diens standpunt dat de woning in eerste instantie geheel voor privédoeleinden in gebruik is genomen, hoeft dit nog niet in de weg te staan aan het ontstaan van het aftrekrecht.

GerechtshofRechtbank
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
18/00464 t/m 18/00470
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1838, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Bouw woning. Belaste verhuur zolderverdieping. Ingangsdatum huur is gelegen na de datum van ingebruikneming van de woning. Het onmiddellijk gebruik voor belaste handelingen is niet van belang voor het aftrekrecht, maar uitsluitend voor de omvang van dat recht. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de zolderverdieping na de oplevering van de woning bestemd is en gebruikt is voor (de voorbereiding van) belaste verhuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 18/00464 tot en met 18/00470

uitspraakdatum: 18 juni 2019

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Maatschap [X] en [Y] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 april 2018, nummers AWB 16/5849, 16/6666, 17/9, 17/10, 17/2490, 17/2492 en 17/2494, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2015 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 8.696.

1.2.De Inspecteur heeft de onder 1.1. bedoelde beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 1.643.

1.4.De Inspecteur heeft de onder 1.3. bedoelde beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.5.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 2.429.

1.6.De Inspecteur heeft de onder 1.5. bedoelde beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.7.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 720.

1.8.Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.9.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 14.615.

1.10.De Inspecteur heeft de onder 1.9. bedoelde naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.11.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 een tweede naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 12.186. Bij beschikking is € 18 belastingrente in rekening gebracht.

1.12.De Inspecteur heeft de onder 1.11. bedoelde naheffingsaanslag en beschikking bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.13.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 720. Bij beschikking is € 3 belastingrente in rekening gebracht.

1.14.De Inspecteur heeft de onder 1.13. bedoelde naheffingsaanslag en beschikking bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.15.Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep deels gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur met betrekking tot de teruggaafbeschikkingen vernietigd en de door de Inspecteur nader vastgestelde teruggaven bevestigd, de onder 1.9. bedoelde naheffingsaanslag verminderd tot € 4.053 en de daarover berekende belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Voorts heeft de Rechtbank een dwangsom en een immateriëleschadevergoeding toegekend en de Inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.

1.16.Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.17.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2Vaststaande feiten

2.1.De maten van belanghebbende zijn de echtelieden [X] en [Y] (hierna: het echtpaar). De maten hebben op 23 december 2014 een maatschapsovereenkomst gesloten. Het doel van de maatschap is hierin omschreven als het voor gezamenlijke rekening, tegen vergoeding, gedurende een periode van ten minste 5 jaar, ter beschikking stellen van één of meerdere (onzelfstandige) werkkamers van de in 2015 nieuw te bouwen eigen woning (“Box 1”) aan de [a-straat] te [Z] , aan één of meerdere vennootschappen. In de overeenkomst staat dat de maatschap is aangegaan met ingang van 1 oktober 2014.

2.2.Op 27 oktober 2014 heeft het echtpaar een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een woning aan de [a-straat] 72 te [Z] (hierna: de woning). Op 9 februari 2015 is het perceel aan het echtpaar geleverd.

2.3.De heer en mevrouw [X/Y] hebben zich op 23 december 2014 bij de Belastingdienst gemeld als startende onderneming. Bij een meerkeuzevraag naar de vorm van de onderneming hebben zij “Stille maatschap zonder onderneming” aangekruist.

2.4.Belanghebbende heeft op 29 juni 2015 een intentieovereenkomst gesloten met [A] B.V. voor de verhuur van de zolderverdieping van de woning. [Y] bezit 100% van de aandelen in [A] B.V. en is bestuurder van deze vennootschap.

2.5.

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de aansluiting tussen de aangifte omzetbelasting en de onderliggende administratie voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015. Hangende het onderzoek is het uitgebreid op het onderdeel toerekening voorbelasting op bouwkosten van de woning. In het rapport van 16 december 2015 is onder meer het volgende opgenomen:

“3.2 Onroerend goed

Op 9 februari 2015 werd gekocht een perceel bouwgrond (bouwnummer 1A) gelegen aan de Hekkersdreef 72 te [Z] , kadastraal bekend gemeente [Z] , sectie [B] , nummer [000] , groot 6a 17ca. De koopprijs bedroeg € 176.162 exclusief € 36.994 OB.

Op het perceel bouwgrond zal een uit drie verdiepingen bestaande woning gebouwd worden tegen een aanneemsom van € 280.470 inclusief OB.

Na gereedkomen van de woning, vermoedelijk in 2016, zal de woning betrokken worden door het echtpaar de heer en mevrouw [X/Y] , tevens de maten van belastingplichtige. Het voornemen is om de zolderverdieping vanuit de maatschap belast te gaan verhuren aan [A] BV met fiscaalnummer [0000.00.000] , zijnde de BV waarvan mevrouw [Y] de enige aandeelhouder is. De zolderverdieping zal dus worden toegerekend aan het bedrijfsvermogen voor de OB.

De zolderverdieping kan enkel bereikt worden via de delen van de woning welke privé gebruikt gaan worden. De zolderverdieping heeft daarom onvoldoende zelfstandigheid voor verhuur aan een willekeurig derde. Uit recente jurisprudentie echter, blijkt dat ingeval er in dergelijke gevallen daadwerkelijk huurbedragen worden overgemaakt naar de bankrekening van de verhuurder, het toch beschouwd kan worden als verhuur van onroerend goed.

3.3

Voorbelasting

Aan voorbelasting is in aftrek gebracht een bedrag van € 15.616. Dit bedrag is vastgesteld aan de hand van 3 facturen welke volledig betrekking hebben op de aankoop van het perceel bouwgrond. Het totaalbedrag van de OB op deze facturen bedraagt € 41.062. Van dit bedrag is 38% geclaimd.

Het percentage 38 heeft belastingplichtige bepaald door de verhouding in oppervlakte tussen de zolder en de rest van de woning te bepalen. Voor de zolder wordt een oppervlakte van bijna 56 m2 genomen. Voor de rest van de woning wordt uitgegaan van de slaapkamers en de huiskamer. Het totaaloppervlak van de woning bedraagt volgens belastingplichtige op deze manier 147 m2.

Ik heb vervolgens aan belastingplichtige de vraag gesteld waarom deze de entree, de keuken, de trappen, de overloop, de badkamer en de garage buiten diens berekening heeft gelaten. Immers deze ruimten hebben ook een bepaalde oppervlakte en de aanneemsom kan gedeeltelijk aan deze ruimten worden toegerekend.

Het hierop door belastingplichtige gegeven antwoord kan het beste weergegeven worden door diens latere beargumentering via e-mail. Ik citeer daarom als volgt:

“Zoals besproken tijdens uw boekenonderzoek verschillen wij van mening ten aanzien van de kwalificatie van dienstbare ruimten zoals de (niet-geïsoleerde) garage, de keuken, de badkamer, de gangen, de hal en de trappen. Naar mijn mening volgen deze dienstbare ruimten het gebruik van de overige door de dienstbare ruimten bediende ruimten. Dienstbare ruimten lenen zich naar hun aard immers niet voor zelfstandig gebruik. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het besluit van de staatssecretaris van 19 september 2013, BLKB2013/1686M onderdeel 3.3:”

Belastingplichtige citeert vervolgen de staatssecretaris en trekt de conclusie dat ook de staatssecretaris geen zelfstandige betekenis toekent aan de hal, keuken enzovoort en dat daarom de oppervlakten van de dienstbare ruimten buiten beschouwing gelaten kunnen worden.

Ik ben van mening dat belastingplichtige door het citeren van de staatssecretaris de woorden van deze oneigenlijk gebruikt. De staatssecretaris heeft in het door belastingplichtige aangehaalde onderdeel van het besluit duidelijkheid willen geven over de eerste ingebruikname van een zelfstandig deel van een pand. Vertaald naar deze casus zegt de staatssecretaris dat bij de eerste ingebruikname van de woning ook de dienstbare ruimten, zoals hal en trap en toilet in gebruik worden genomen, zonder dat per afzonderlijke ruimte de eerste ingebruikname hoeft te worden vastgesteld. De woorden van de staatssecretaris kunnen niet gebruikt worden bij de verdeling van een woning in bedrijfsgedeelte en privégedeelte zoals door belastingplichtige is gedaan.

De door mij becijferde oppervlakte van de zolder bedraagt 56,7 m2. Het totaaloppervlak van de woning inclusief garage bedraagt 233,5 m2. Op de normale bouwkosten kan belastingplichtige daarom (afgerond naar boven) 25% aftrekken.

Tot de normale bouwkosten behoren in ieder geval niet de inrichting van de badkamer en de keuken.

Ook over de aankoop van de grond is belastingplichtige van mening dat 38% van de OB welke betrekking heeft op de levering van.de grond aftrekbaar is. Hetzelfde genoemde besluit wordt door belastingplichtige gebruikt ter onderbouwing, ditmaal onderdeel 3.2.3.

Hoofdstuk 3.2 van het genoemde besluit bepaalt wanneer er al dan niet belaste prestaties plaatsvinden met onroerend goed (levering en verhuur). In hoofdstuk 3.2.3 zegt de staatssecretaris dat een tuin bij een huis een bijbehorend terrein is wat hetzelfde btw-regime volgt als het huis. De staatssecretaris zegt hier dus dat ingeval de levering van een woning belast is met OB, de in de levering inbegrepen tuin ook belast is met OB. De woorden van de staatssecretaris kunnen ook hier niet gebruikt worden bij de verdeling van een woning c.q. bijbehorend terrein in bedrijfsgedeelte en. privégedeelte zoals door belastingplichtige is gedaan.

De oppervlakte van de zolder is 56,7 m2. De zolder is 1/3 deel van de woning. Derhalve kan 1/3 deel van 56,7 m2 worden toegerekend aan de grond welke wordt gebruikt voor de zolder. Het totaaloppervlak van het bouwterrein bedraagt 617 m2.

De aan de grond, die uiteindelijk bestemd is voor belast gebruik door de maatschap direct toerekenbare voorbelasting bedraagt 3,07%, afgerond 4%. Vanwege deze afronding hoeft nu ook geen rekening meer gehouden te worden met bijvoorbeeld een parkeerplaats voor zakelijk bezoek.

De correctie is als volgt berekend: aftrekbaar is 4% van € 41.062 is € 1.643. In aftrek is gebracht € 15.616. De correctie bedraagt € 13.973.

Over het 1e kw. 2015 wordt daarom een teruggaaf verleend van € 1.643”

2.6.De woning is op 18 maart 2016 opgeleverd. Op dat moment zijn de keuken en de sanitaire voorzieningen nog niet geplaatst.

2.7.[C] Parket heeft een factuur gestuurd aan [A] B.V. met dagtekening 22 april 2016 voor het leggen van vinyl op de zolderverdieping.

2.8.Het echtpaar staat sinds 1 mei 2016 in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres van de woning.

2.9.

Belanghebbende heeft op 15 juni 2016 als verhuurder een huurovereenkomst gesloten met [A] B.V. als huurder. In de huurovereenkomst hebben huurder en verhuurder geopteerd voor met omzetbelasting belaste verhuur. In de huurovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“Het gehuurde, bestemming

1.1

Verhuurder verhuurt aan Huurder en Huurder huurt van Verhuurder de ruimte (hierna ‘gehuurde’), gelegen aan de [a-straat] 72 te [Z] , betreffende de tweede verdieping (zolder), ter grootte van in totaal circa 56 m2 b.v.o., niet volgens een standaard gemeten.

Het gehuurde en de gemeenschappelijk te gebruiken ruimten zijn nader aangeduid op de als bijlage 1 bij deze huurovereenkomst gevoegde en door partijen geparafeerde plattegrond/tekening.

1.2

Het gehuurde zal door of vanwege Huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als kantoorruimte, archiefruimte en/of vergaderruimte.

(…)

Duur, verlenging en opzegging

3.1Deze huurovereenkomst gaat in op 18 maart 2016 (hierna ‘ingangsdatum’) en is aangegaan voor een periode van 5 (zegge: “vijf’) jaar en loopt tot en met 18 maart 2021.

3.2

Na het verstrijken van de in artikel 3.1 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door Huurder of Verhuurder in overeenstemming met artikelen 3.3 en 3.4 voortgezet voor een aansluitende periode van 5 (zegge, “vijf”) jaar, derhalve tot en met 18 maart 2026.

Deze huurovereenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van één jaar.

3.3Beëindiging van deze huurovereenkomst vindt plaats door opzegging door Huurder aan Verhuurder of door Verhuurder aan Huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of, ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen ieder tijdstip, met inachtneming van een termijn van zes maanden.

3.4

Opzegging dient schriftelijk te geschieden.

(…)

Bijzondere bepalingen

10 Het parkeerterrein (2 parkeerplaatsen), de tuin, de garage, de keuken/kantine en de toiletten betreffen algemene/gemeenschappelijke ruimten/terreinen. Het is Huurder toegestaan de technische ruimte op de 2e verdieping te gebruiken als server-ruimte, mits te allen tijde vrije toegang tot de gesitueerde technische installaties gegarandeerd blijft.”

2.10.Op 15 juni 2016 heeft de aannemer de laatste gebreken aan de woning verholpen.

2.11.Bij brief van 26 juli 2016 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag aangekondigd over het tweede kwartaal van 2016. In de brief heeft de Inspecteur toegelicht dat tijdens het hoorgesprek van 8 juni 2016 is gebleken dat het echtpaar al in de woning was getrokken, terwijl de huurovereenkomst met [A] B.V. per 1 juli 2016 zou ingaan. Volgens de Inspecteur betekende dit dat de aftrek van voorbelasting op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) moest worden herrekend.

2.12.De Inspecteur heeft de in de brief van 26 juli 2016 aangekondigde naheffingsaanslag (€ 26.945) opgelegd zonder belanghebbende de gelegenheid te bieden hierop te reageren.

2.13.Op 4 september 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden over het percentage zakelijk gebruik.

2.14.Er heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016. De Inspecteur heeft deze naheffingsaanslag vernietigd. In de aankondigingsbrief die aan de vernietiging vooraf is gegaan, heeft de Inspecteur aangekondigd na te heffen over het eerste kwartaal van 2016, omdat de eerste ingebruikneming van de woning op 18 maart 2016 heeft plaatsgevonden.

2.15.Naar aanleiding van de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen over het eerste kwartaal van 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden over de eerste ingebruikneming.

2.16.De Inspecteur heeft in de beroepsfase ingestemd met het door belanghebbende bepleite percentage van 30 en dienovereenkomstig teruggaaf verleend. Hierop heeft belanghebbende het oorspronkelijk ingenomen standpunt gewijzigd in die zin, dat zij nu een aftrek van 38% bepleit.

2.17.Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 22 november 2016 in gebreke gesteld met betrekking tot het doen van uitspraak op bezwaar voor het tweede kwartaal van 2016. De Inspecteur heeft de brief op 23 november 2016 ontvangen. Belanghebbende heeft op 31 december 2016 beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2.18.

De Inspecteur heeft bij brief van 21 december 2016 aanvullende teruggaven verleend op basis van een percentage van 30. De totaalbedragen van de per tijdvak terug te geven omzetbelasting zijn:

Eerste kwartaal 2015 € 12.328

Tweede kwartaal 2015 € 0

Derde kwartaal 2015 € 1.458

Vierde kwartaal 2015 € 11.196

Eerste kwartaal 2016 € 2.429

2.19.De Inspecteur heeft met de twee naheffingsaanslagen voor het eerste kwartaal van 2016 de in totaal verleende teruggaven op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet OB gecorrigeerd. Hierbij heeft de Inspecteur ervan afgezien aan belanghebbende een extra teruggaaf te verlenen van € 485 voor het eerste kwartaal van 2016. Deze aanvullende teruggaaf is gesaldeerd met de tweede naheffingsaanslag.

2.20.De Inspecteur heeft op 12 januari 2017 uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot het tweede kwartaal van 2016. Belanghebbende heeft de uitspraak op 17 januari 2017 ontvangen.

3Geschil

3.1.In geschil is of de Inspecteur de voorbelasting mag naheffen op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet OB. Voorts is in geschil of diverse beginselen zijn geschonden.

3.2.Ter zitting van het Hof hebben partijen overeenstemming bereikt over de volgende punten:

  • -Het percentage van de woning dat voor belaste doeleinden wordt gebruikt, is 34;
  • -Belanghebbende heeft voor de aan haar toekomende teruggaven omzetbelasting recht op vergoeding van belastingrente op de voet van artikel 30ha Algemene wet inzake rijksbelastingen;
  • -De dwangsom dient te worden vermeerderd met € 120 tot € 1.140;
  • -Het verzoek om proceskostenvergoeding ziet uitsluitend op de beroepsmatige rechtsbijstand tijdens het hoger beroep;
  • -De Rechtbank heeft de immateriëleschadevergoeding juist vastgesteld.

4Beoordeling van het geschil

Teruggaafverzoeken

4.1.Tussen partijen is ter zitting van het Hof overeenstemming bereikt over het percentage belast gebruik van de woning, 34. Dit betekent dat de al aan belanghebbende voor het eerste, derde en vierde kwartaal van 2015 en het eerste kwartaal van 2016 verleende teruggaven (zie 2.18.) dienen te worden verhoogd van 30% naar 34% van de aan belanghebbende in rekening gebrachte voorbelasting. Het Hof zal de herrekende bedragen opnemen in het dictum, waarbij zij aangetekend dat formeel geen (hoger) beroep is ingesteld inzake het derde kwartaal van 2015, aangezien de correctie was verwerkt in het vierde kwartaal van 2015. Voor het tweede kwartaal van 2016 dient ook rekening te worden gehouden met de aan [A] B.V. in rekening gebrachte omzetbelasting van € 42. Dit leidt tot het volgende resultaat:

De door belanghebbende ingediende aangifte:

Voorbelasting 25% € 762

Omzetbelasting over verhuur € 42

Teruggaaf tweede kwartaal 2016 € 720

Berekening in hoger beroep:

Voorbelasting 34% € 1.037

Omzetbelasting over verhuur € 42

Teruggaaf tweede kwartaal 2016 € 995

Naheffingsaanslagen

4.2.De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aan belanghebbende verleende teruggaven in het eerste kwartaal van 2016 dienen te worden gecorrigeerd op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet OB. Het echtpaar heeft de woning na de oplevering geheel voor privédoeleinden in gebruik genomen. De (belaste) verhuur aan [A] B.V. is pas per 1 juli 2016 ingegaan, zodat sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest Lennartz (Hof van Justitie van de Europese Unie 11 juli 1991, C-97/90, ECLI:EU:C:1991:315). De woning is pas later aangewend voor een economische activiteit en op dat latere moment kan niet alsnog aanspraak worden gemaakt op aftrek van voorbelasting. Het gebruik van de woning is ten tijde van de oplevering gewijzigd ten opzichte van de intentie tijdens de bouw, hetgeen betekent dat de voorbelasting moet worden gecorrigeerd, aldus de Inspecteur.

4.3.Belanghebbende bestrijdt dit standpunt. De intentie is altijd geweest de zolderverdieping te verhuren en tussen de oplevering van de woning en de ingangsdatum van de verhuur is deze verdieping gereed gemaakt voor gebruik als kantoor ten behoeve van [A] B.V., aldus belanghebbende.

4.4.Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Gmina Ryjewo (25 juli 2018, C-140/17, ECLI:EU:C:2018:595) onder andere het volgende overwogen:

“38. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de vraag of de belastingplichtige op het tijdstip waarop een goed aan hem werd geleverd, heeft gehandeld als belastingplichtige ten behoeve van een economische activiteit, een feitelijke kwestie die de verwijzende rechter dient te onderzoeken in het licht van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de betrokken goederen en het tijdsverloop tussen de verwerving van de goederen en hun gebruik voor de economische activiteiten van de belastingplichtige (zie in die zin met name arresten van 11 juli 1991, Lennartz, C‑97/90, EU:C:1991:315, punt 21, en 22 oktober 2015, Sveda, C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 21).

39. Dit onderzoek is erop gericht na te gaan of de belastingplichtige de betrokken investeringsgoederen heeft verworven of vervaardigd met het door objectieve factoren bevestigde voornemen een economische activiteit uit te oefenen, en bijgevolg heeft gehandeld als belastingplichtige in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112 (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, Sveda, C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 20).

(…)

51. Daarentegen is het op zich niet van belang dat het goed in kwestie niet onmiddellijk is gebruikt voor belaste handelingen, daar het daadwerkelijke gebruik van het goed enkel bepalend is voor de omvang van de aftrek of de eventuele daaropvolgende herziening, maar niet van invloed is op het ontstaan van het recht op aftrek (zie in die zin arrest van 30 maart 2006, Uudenkaupungin kaupunki, C‑184/04, EU:C:2006:214, punt 39).”

4.5.Het Hof komt op basis van de maatschapsovereenkomst (zie 2.1.), de intentieovereenkomst (zie 2.4.), de aan [A] B.V. gerichte factuur voor het leggen van de vloerbedekking op de zolderverdieping (zie 2.7.) en de huurovereenkomst (zie 2.9.), waarin staat dat de verhuur op 18 maart 2016 is ingegaan, tot de conclusie dat belanghebbende van meet af aan de intentie heeft gehad de zolderverdieping belast te gaan verhuren en dat belanghebbende aan deze intentie direct en volledig uitvoering heeft gegeven. Na oplevering van de woning heeft blijkens de hiervoor genoemde factuur [A] B.V. opdracht gegeven de vloerbedekking te leggen. [X] heeft ter zitting van het Hof geloofwaardig en consequent verklaard dat de zolderverdieping tussen de oplevering van de woning en 1 juli 2016 gereed is gemaakt voor de verhuur. Uit het onder 4.4. geciteerde arrest volgt dat onmiddellijk gebruik voor belaste handelingen niet van belang is voor het ontstaan van het aftrekrecht (maar uitsluitend voor de omvang van dit recht). Dus zelfs als de Inspecteur moet worden gevolgd in diens standpunt dat de woning in eerste instantie geheel voor privédoeleinden in gebruik is genomen, hoeft dit nog niet in de weg te staan aan het ontstaan van het aftrekrecht. Zoals eerder overwogen, heeft belanghebbende echter aannemelijk gemaakt dat de zolderverdieping ook na de oplevering van de woning bestemd is en gebruikt is voor (de voorbereiding van) de belaste verhuur aan [A] B.V. Dat [A] B.V. met ingang van een later tijdstip huur is verschuldigd, doet hieraan niet af. Dat in zoverre sprake zou zijn van een prestatie zonder vergoeding en dus een niet-economische activiteit, heeft de Inspecteur wel gesteld maar niet onderbouwd. In de commerciële verhuur van kantoorruimte zijn maatwerkafspraken over de ingangsdatum en de periode waarover huur is verschuldigd, heel gebruikelijk. Het Hof herhaalt dat zelfs indien dit standpunt van de Inspecteur al moet worden gevolgd, dit uitsluitend gevolgen heeft voor de omvang van het aftrekrecht.

4.6.De Inspecteur heeft de voorbelasting ten onrechte nageheven. Er is geen sprake van een wijziging van gebruik of bestemming ten tijde van de oplevering van de woning. Het Hof kan in het midden laten of, zo het standpunt van de Inspecteur juist zou zijn, de voorbelasting op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet OB had kunnen worden nageheven.

4.7.Het Hof zal de naheffingsaanslagen vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige geschilpunten geen bespreking.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.536 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 512 x 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende zaken). Het Hof ziet geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen.

6Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriëleschadevergoeding en het griffierecht,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– stelt de teruggaven omzetbelasting vast op € 13.972 (eerste kwartaal 2015), € 1.653 (derde kwartaal 2015), € 12.689 (vierde kwartaal 2015), € 3.303 (eerste kwartaal 2016) en € 995 (tweede kwartaal 2016),

– gelast dat aan belanghebbende over de teruggaven belastingrente wordt vergoed op de voet van artikel 30ha Algemene wet inzake rijksbelastingen,

– vernietigt de naheffingsaanslagen,

– vernietigt de beschikking belastingrente,

– stelt de dwangsom vast op € 1.140, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, dus vanaf 27 januari 2017,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.536,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 508 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 18 juni 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHARL:2019:5043

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
AWB – 16 _ 5849
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5043, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Teruggaafbeschikkingen aan maatschap tussen echtgenoten in verband met het zakelijk gebruik van de zolder van de woning door de BV van een van de maten. Percentage zakelijk gebruik. Wijze van berekenen. Naheffingsaanslagen in verband met artikel 15, vierde lid, Wet OB. Ingebruikneming zakelijk? Nee, want woning is niet ingebracht in de maatschap. Verdedigingsbeginsel niet geschonden. Dwangsom toegekend. Immateriële schadevergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/918
Viditax (FutD), 24-04-2018
FutD 2018-1194
V-N 2019/23.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/5849, AWB 16/6666, AWB 17/9, AWB 17/10, AWB 17/2490, AWB 17/2492 en AWB 17/2494

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 20 april 2018

in de zaken tussen

Maatschap [X] , te [Z] , eiseres,

en

  1. de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
  2. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Rechtsbescherming), hierna: de Staat,

Procesverloop

Over de tijdvakken 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015, 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2015, 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 en 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016, zijn aan eiseres teruggaven omzetbelasting verleend. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze teruggaafbeschikkingen.

Bij de uitspraken op bezwaar zijn de bezwaren ongegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar in de zaak over het tweede kwartaal van 2016 is pas gedaan nadat beroep was ingesteld. Verder zijn in de beroepsfase aanvullende teruggaven verleend.

Verweerder heeft aan eiseres vervolgens naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd om de verleende teruggaven weer na te heffen. De eerste daarvan, voor het tweede kwartaal van 2016 (aanslagnummer [000] .F.01.6501), is vernietigd. Daartegen loopt geen beroep.

In plaats van de vernietigde naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016 is alsnog nageheven over het eerste kwartaal 2016. Over dat kwartaal heeft verweerder twee naheffingsaanslagen opgelegd: op 24 december 2016 een naheffingsaanslag (met aanslagnummer [000] .F.01.6211) van € 14.615 met € 11 aan belastingrente en op 31 december 2016 een naheffingsaanslag (met aanslagnummer [000] .F.01.6212) van € 12.186, met € 18 aan belastingrente.

Verder is over het tweede kwartaal 2016 op 31 januari 2017 een naheffingsaanslag (met aanslagnummer [000] .F.01.6502) opgelegd van € 720, met € 3 aan belastingrente.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 6 mei 2017 en 12 mei 2017 de drie naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen alle uitspraken op bezwaar bij digitale brieven van 1 oktober 2016, 4 november 2016, 31 december 2016 en 13 mei 2017, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar over het tweede kwartaal 2016 is op 4 november 2016 beroep ingesteld. Vervolgens heeft verweerder op 12 januari 2017 alsnog uitspraak op bezwaar gedaan, waartegen het beroep zich nu richt.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

In dossier AWB 17/10 (over de teruggaafbeschikking tweede kwartaal 2016) heeft eiseres in een brief van 11 februari 2017 aanvullende gronden ingediend met bijlagen. Dat zelfde stuk is in de dossiers over de naheffingsaanslagen later ook toegestuurd (17/2490, 17/2492 en 17/2494).

In dossier AWB 17/9 bevindt zich een brief van eiseres van 12 mei 2017, met daarin een reactie op de verweerschriften in de zaken AWB 17/9, 16/5849 en 16/6666. De brief bevat ook aanvullende beroepsgronden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018.

Namens eiseres is verschenen [gemachtigde] . Namens verweerder zijn verschenen drs. [gemachtigde] en [A] .

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is ondernemer voor de omzetbelasting. De maatschap bestaat uit [gemachtigde] en [B] (hierna: [C] ). Zij hebben een maatschapsovereenkomst gesloten op [2014] .

2. Volgens de maatschapsovereenkomst is het doel van de maatschap de terbeschikkingstelling aan een of meerdere vennootschappen van een of meerdere (onzelfstandige) werkkamers van een in 2015 nieuw te bouwen eigen woning. Verder is bepaald dat iedere maat zijn arbeidskracht, vlijt en kennis inbrengt in de maatschap. Over inbreng van de woning of van de ter beschikking te stellen werkkamers is in de maatschapsovereenkomst niets bepaald.

3. In oktober 2014 hebben [C] een koop-aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van de woning. Op [2015] hebben zij een bouwterrein gekocht ten behoeve van de bouw van de woning.

4. De facturen voor het bouwterrein en voor de bouw van de woning staan op naam van [C] .

5. Op 29 juni 2015 is een schriftelijke intentieovereenkomst gesloten voor de verhuur van de zolderverdieping van de woning tussen enerzijds eiseres, vertegenwoordigd door [C] , en anderzijds [D] B.V. (hierna: de BV), vertegenwoordigd door haar bestuurder mevrouw [B] .

6. De sleutel van de woning is op 18 maart 2016 in ontvangst genomen door [C] . Op dat moment waren er nog geen keuken en geen sanitaire voorzieningen in de woning.

7. Eind april 2016 zijn [C] verhuisd naar de woning. Zij staan volgens de Basisregistratie personen per [2016] op het adres van deze woning ingeschreven.

8. Er is een factuur van 22 april 2016 van [E] gericht aan de BV. Deze factuur betreft het leggen van vinyl op de zolderverdieping.

9. Eiseres heeft voor het eerste kwartaal van 2015 verzocht om teruggaaf van 38% van de bedragen aan omzetbelasting die in rekening zijn gebracht ter zake van de bouw van de woning en voor de levering van de bouwgrond. Dit percentage is gebaseerd op de verhouding tussen de oppervlakte van de tweede verdieping en de oppervlakte van de slaapkamers en de huiskamer.

10. Op 8 mei 2015 heeft verweerder bij eiseres een boekenonderzoek aangekondigd om de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangifte omzetbelasting over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Daarna heeft e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen de controleur en eiseres. Naar aanleiding daarvan zijn verschillende stukken opgestuurd. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt, gedateerd 16 december 2015. Op grond van de bevindingen in het onderzoeksrapport is teruggaaf verleend op de bouwkosten tot een percentage van 25%. Op de bouwgrond is voor een percentage van 4% teruggaaf verleend.

11. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de teruggaafbeschikkingen. Het eerste bezwaar, dat betrekking had op het eerste kwartaal van 2015 (zaak 16/6666) is door verweerder ontvangen op 12 februari 2016. Het tweede bezwaar, dat betrekking had op het vierde kwartaal van 2015 (zaak 16/5849) is ontvangen op 1 april 2016.

12. Op 8 juni 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden tussen eiseres en verweerder over de bezwaarschriften tegen de teruggaafbeschikkingen voor het eerste en vierde kwartaal 2015. Het gesprek ging vooral over het percentage zakelijk gebruik (38% of 30% volgens eiseres en 25% volgens verweerder), maar ook over het moment van eerste ingebruikname van de woning. Tijdens het gesprek bleek namelijk dat [C] al in de woning woonden (zie het hoorverslag: bijlage 10 bij het verweerschrift in dossier AWB 17/10).

13. Op 15 juni 2016 heeft de aannemer de laatste bij oplevering geconstateerde gebreken aan de woning verholpen. Eveneens op 15 juni 2016 heeft eiseres met de BV een schriftelijke huurovereenkomst gesloten voor de verhuur van de tweede verdieping, waarbij tevens het gemeenschappelijk gebruik is verleend van de verkeersruimten, keuken/kantine, toiletten, garage en het (parkeer)terrein. Afgesproken is dat de BV de tweede verdieping zal gebruiken als kantoorruimte, archiefruimte en/of vergaderruimte. De huurtermijnen zijn vanaf 15 juni 2016 voldaan aan eiseres. Volgens het contract is de ingangsdatum van de huurovereenkomst 18 maart 2016, maar is de huurbetalingsverplichting pas ingegaan op 15 juni 2016.

14. Naar aanleiding van het hoorgesprek van 8 juni 2016 heeft verweerder een brief van 26 juli 2016 (bijlage X bij verweerschrift in zaak AWB 17/10) naar eiseres gezonden met daarin de motivering van de uitspraak op het bezwaar tegen de teruggaafbeschikkingen over het eerste en het vierde kwartaal van 2015. In die brief is ook een naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016 aangekondigd. De motivering van die naheffingsaanslag is ook in deze brief opgenomen. De reden voor de naheffingsaanslag was dat de woning volgens verweerder in dat kwartaal, namelijk op [2016] , geheel in privé in gebruik was genomen. [C] zijn immers op [2016] in de woning gaan wonen, terwijl de huurovereenkomst met de BV pas op 1 juli 2016 zou ingaan, zo is tijdens het hoorgesprek van 8 juni 2016 verklaard. De afgetrokken voorbelasting moest daarom volgens verweerder worden gecorrigeerd met toepassing van artikel 15, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

15. Zonder eiseres in de gelegenheid te stellen om op de brief van 26 juli 2016 te reageren, heeft verweerder met dagtekening 25 augustus 2016 de aangekondigde naheffingsaanslag omzetbelasting over het tweede kwartaal 2016 aan eiseres opgelegd.

16. Op 4 september 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen de teruggaafbeschikking over het eerste kwartaal 2016. Uit de daarbij horende uitspraak op bezwaar van 12 januari 2017 (bijlage 7 bij verweerschrift in zaak AWB 17/10) volgt dat dit hoorgesprek alleen is gegaan over het percentage zakelijk gebruik.

17. Op 9 september 2016 heeft eiseres bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016. Dit bezwaar heeft zij bij brief van 15 oktober 2016 gemotiveerd. In deze motivering heeft eiseres zich onder meer beroepen op schending van het verdedigingsbeginsel. Verder heeft zij aangevoerd dat zowel de verhuurder als de huurder op 18 maart 2016 over de sleutel van het pand beschikte, zodat de eerste ingebruikname niet alleen in privé maar ook zakelijk op 18 maart 2016 heeft plaatsgevonden. Daarbij is onder verwijzing naar de factuur voor het leggen van vinyl betoogd dat de huurder al in april 2016 is aangevangen met het voor eigen rekening en risico inrichten van het gehuurde. Ook de overige argumenten van verweerder voor het opleggen van de naheffingsaanslag zijn door eiseres bestreden in de brief van 15 oktober 2016.

18. Er heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016. Bij uitspraak op bezwaar van 29 november 2016 heeft verweerder deze naheffingsaanslag vernietigd. Daarbij is vermeld dat de naheffing had dienen plaats te vinden over het eerste kwartaal van 2016, omdat is gebleken dat de eerste ingebruikneming op 18 maart 2016 was. De formele uitwerking van de uitspraak op bezwaar dateert van 23 december 2016.

19. Met dagtekening 24 en 31 december 2016 heeft verweerder de aangekondigde naheffingsaanslagen over het eerste kwartaal van 2016 opgelegd.

20. Eiseres heeft op 9 januari en op 6 februari 2017 bezwaren ingediend tegen deze naheffingsaanslagen. Naar aanleiding daarvan heeft op 17 maart 2017 een hoorgesprek plaatsgevonden. In dit hoorgesprek is gesproken over de eerste ingebruikneming. Verweerder heeft de bezwaren vervolgens ongegrond verklaard in uitspraken van 12 en 13 mei 2017. Daartegen heeft eiseres op 13 mei 2017 beroep ingesteld.

21. In haar eerste beroepschriften betreffende de teruggaafbeschikkingen (ingediend op 1 oktober en op 4 november 2016) heeft eiseres een percentage van 30% zakelijk gebruik bepleit. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder tijdens de beroepsfase om proceseconomische redenen besloten om alsnog akkoord te gaan met teruggaven omzetbelasting op basis van een percentage van 30% zakelijk gebruik. In brieven van 30 november 2016 (in dossier AWB 16/5849) heeft verweerder dit aan de rechtbank en aan eiseres meegedeeld. Eiseres heeft in reactie daarop bij brief van 17 december 2016 aan de rechtbank geschreven dat zij haar beroep toch handhaaft en dat zij nu een percentage van 38% zakelijk gebruik bepleit.

22. Verweerder heeft nadien aanvullende teruggaven verleend op grond van het percentage van 30. Bij een brief van verweerder aan eiseres van 21 december 2016 (bijlage 12 bij het verweerschrift in zaak AWB 17/2490 en bijlage 7 bij het verweerschrift in zaak AWB 16/5849) heeft verweerder een schematisch overzicht van de teruggaven gevoegd.

23. De uitspraken op bezwaar over de teruggaafbeschikkingen dateren van 9 september 2016 (4e kwartaal 2015), 14 oktober 2016 (1e kwartaal 2015) en 9 december 2016 (1e kwartaal 2016). Het beroep hiertegen is ingesteld op 1 oktober 2016 (4e kwartaal 2015), 4 november 2016 (1e kwartaal 2015) en 31 december 2016 (1e kwartaal 2016).

24. Voor het doen van uitspraak op bezwaar over de teruggaafbeschikking voor het tweede kwartaal 2016 heeft eiseres verweerder op 22 november 2016 in gebreke gesteld, welke brief op 23 november 2016 door verweerder is ontvangen. Vervolgens heeft eiseres op 31 december 2016 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Verweerder heeft op 12 januari 2017, dus na het instellen van beroep, uitspraak gedaan. Eiseres heeft deze uitspraak op 17 januari 2017 ontvangen.

Geschil

25. Wat betreft de teruggaafbeschikkingen is in geschil of eiseres recht heeft op een aftrek op basis van 38% zakelijk gebruik, zoals eiseres bepleit, of op basis van 30%, zoals in de beroepsfase al is toegekend door verweerder. Verweerder heeft primair aangevoerd dat een vaststellingsovereenkomst is gesloten over het percentage van 30%.

26. Wat betreft de naheffingsaanslagen is in geschil of verweerder terecht de verleende aftrek heeft nageheven op grond van artikel 15, vierde lid, van de Wet OB. Daarbij is in geschil of de eerste ingebruikneming van de woning op 18 maart 2016 mede een zakelijke ingebruikneming inhield overeenkomstig de zakelijke bestemming. Verweerder heeft in dit verband subsidiair aangevoerd dat de naheffing terecht is omdat de woning (of de zolder) niet tot het maatschapsvermogen behoorde, aangezien uit de stukken niet blijkt dat sprake is van inbreng in de maatschap. Naar aanleiding van deze stelling heeft eiseres aangevoerd dat dit standpunt onbehoorlijk is en heeft zij zich beroepen op het vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat zij mocht vertrouwen op het controlerapport, waarin over de inbreng niets is opgemerkt en waarin wel is vastgesteld dat recht op vooraftrek bestond. Tijdens de zitting heeft eiseres aangevoerd dat de maatschap feitelijk wel heeft gehandeld alsof de woning was ingebracht. De huurovereenkomst en de facturen voor de huur aan de BV staan immers op naam van de maatschap. De omstandigheid dat de inkoopfacturen niet op naam staan van de maatschap, heeft eiseres verklaard met de stelling dat het geen openbare maatschap is, die dus niet als zodanig naar buiten hoeft te treden. De facturen staan op naam van [C] en dat zijn de maten van de maatschap.

27. Eiseres heeft in haar nader stuk van 11 februari 2017 in de zaak met nummer AWB 17/10 verzocht om toekenning van een dwangsom wegens de omstandigheid dat verweerder te laat uitspraak heeft gedaan op het bezwaar tegen de teruggaafbeschikking voor het tweede kwartaal 2016. Volgens eiseres is de uitspraak 39 dagen te laat gedaan, zodat een dwangsom is verschuldigd van € 1.140. Ok vraagt eiseres wettelijke rente over deze dwangsom over de periode dat eiseres daarover ten onrechte niet de beschikking heeft gehad. Verweerder heeft niet op de stellingen over de dwangsom gereageerd. Ook heeft verweerder nog geen dwangsombeschikking genomen.

28. Eiseres heeft verder een beroep gedaan op schending van het verdedigingsbeginsel, omdat de eerste naheffingsaanslag, over het tweede kwartaal 2016, is opgelegd zonder haar te horen over de ingebruikneming en omdat ook de tweede naheffingsaanslag, over het eerste kwartaal 2016, is opgelegd zonder eiseres te horen over de ingebruikneming.

29. Eiseres heeft zich daarnaast ook beroepen op het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play, het motiveringsbeginsel en de (overige) algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij heeft verder aangevoerd dat zij recht heeft op vergoeding van renteschade vanwege onzorgvuldig handelen door verweerder (ook wegens strijd met Europees recht, waarbij zij stelt dat de rente op grond van art. 30ha AWR te weinig is) en op extra rentevergoeding voor de extra teruggaven na het instellen van de beroepen. Zij heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte twee uitspraken op bezwaar heeft gedaan door niet alleen de uitspraken op bezwaar te doen waartegen beroep is ingesteld maar door in februari en maart 2017 nogmaals uitspraken op bezwaar te doen in de uitwerking van de toezegging om teruggaven tot 30% te verlenen. Haar verzoek om proceskosten in bezwaar en beroep heeft eiseres ter zitting gewijzigd in (alleen) een verzoek om terugbetaling van de betaalde griffierechten.

30. Tijdens de zitting is komen vast te staan dat eiseres de door verweerder toegezegde teruggaaf over het vierde kwartaal van 2015 ad € 10.562 nog steeds niet ontvangen heeft. Daarom is verweerder er ter zitting mee akkoord gegaan dat de rechtbank de betreffende naheffingsaanslag met dit bedrag zal verminderen. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat zij de verlening van deze teruggaaf daarom wel zo snel mogelijk zal laten blokkeren.

Beoordeling van het geschil

Teruggaafbeschikkingen

31. De rechtbank verwerpt de stelling van verweerder dat een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen ter zake van de teruggaaf op basis van 30% zakelijk gebruik. Er is geen getekende overeenkomst over het percentage. Verweerder heeft uit het eerste beroepschrift afgeleid dat eiseres een percentage van 30% bepleitte en heeft gemeend dit als een aanbod te kunnen zien dat zij heeft aanvaard. Verweerder heeft niet onderbouwd op grond van welke omstandigheden dit als een aanbod zou moeten worden beschouwd. Uit de latere beroepschriften van eiseres volgt ook dat geen sprake was van een aanbod en dat eiseres zich niet gebonden achtte aan een overeenkomst. In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst.

32. Wat betreft de hoogte van het percentage is het gelijk wel aan verweerder. De bewijslast voor de aftrek en voor de hoogte daarvan rust op eiseres. Zij heeft het door haar berekende percentage van 38 onderbouwd met een berekening waarbij de verhouding is bepaald tussen de vierkante meters van de zolderverdieping en de vierkante meters van de woonruimtes. De gemeenschappelijke ruimtes zijn buiten de berekening gehouden, omdat deze volgens eiseres naar rato meedelen. Die berekeningswijze is niet juist, omdat het gaat om het werkelijke gebruik. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voornemen was dat de gemeenschappelijke ruimtes daadwerkelijk voor 38% zakelijk zouden worden gebruikt. Zij heeft in dit verband onvoldoende gesteld. De enkele verhouding van de oppervlakte van het kantoor op de zolder ten opzichte van de woonruimtes is daartoe niet voldoende. Verder is geen sprake van een zakelijke auto, zodat niet valt in te zien dat de garage zakelijk wordt gebruikt. Daarnaast werkt mevrouw [B] ten behoeve van de BV voor 3 dagen per week, zodat het voor de hand ligt dat het gebruik van de gemeenschappelijke ruimten, zoals de keuken en de toiletten, met name in die drie dagen per week zal plaatsvinden. De bewoners zullen de gemeenschappelijke ruimtes veel meer gebruiken, namelijk 7 dagen per week en ook in de avonduren. Gelet op alle omstandigheden van het geval acht de rechtbank het percentage van 30 dat verweerder heeft toegepast, niet te laag.

33. Omdat verweerder pas na het instellen van de beroepen heeft besloten om teruggaven te verlenen op basis van 30% zakelijk gebruik, zijn de beroepen in verband met de teruggaafbeschikkingen toch gegrond. De rechtbank zal de beslissing van verweerder over de teruggaven, zoals neergelegd in de brief van 21 december 2016, bevestigen. Daarbij wordt de in de brief genoemde teruggaaf over het vierde kwartaal 2015 ter hoogte van € 10.562 echter niet bevestigd, omdat dit bedrag conform de afspraak ter zitting in mindering zal worden gebracht op een van de naheffingsaanslagen.

Naheffingsaanslagen

34. Partijen zijn het er tijdens de zitting over eens geworden dat de rechtbank kan uitgaan van een ingebruikneming op 18 maart 2016. Daarbij zijn zij het oneens over de vraag of die ingebruikneming mede zakelijk is geweest.

35. De discussie tussen partijen over de zakelijke ingebruikneming heeft zich toegespitst op de vraag of er op 18 maart 2016 al een huurovereenkomst was tussen de maatschap en de BV. De rechtbank zal echter eerst oordelen over het subsidiaire standpunt van verweerder dat gaat over de inbreng in de maatschap. Dit standpunt is namelijk verderstrekkend.

36. Een investeringsgoed kan alleen door een ondernemer voor de omzetbelasting worden geëxploiteerd als dit tot zijn bedrijfsvermogen hoort (vgl. HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3175). Voor de omzetbelasting is een maatschap een aparte entiteit met een bedrijfsvermogen, dit ondanks het feit dat een (niet openbare) maatschap civielrechtelijk geen afgescheiden vermogen heeft en niet meer is dan een overeenkomst tussen de maten. Dit betekent dat er voor de omzetbelasting geen sprake kan zijn van zakelijke ingebruikneming door eiseres als de woning of de zolder niet tot haar bedrijfsvermogen behoort. Daarvoor is inbreng nodig in de maatschap.

37. Eiseres heeft tijdens de zitting toegegeven dat de woning formeel niet is ingebracht in de maatschap. Zij heeft aangevoerd dat zij feitelijk wel heeft gehandeld alsof de woning was ingebracht. Zij heeft immers de huurovereenkomst met de BV gesloten en zij heeft huurfacturen aan de BV gestuurd.

38. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de woning (of de zolder van de woning) is ingebracht in de maatschap. In de maatschapsovereenkomst staat niets over een dergelijke inbreng. Ook ontbreekt een ander stuk waaruit inbreng zou kunnen worden afgeleid. Nu ook de inkoopfacturen (de facturen voor grond en bouwkosten) niet op naam staan van de maatschap, is niet aannemelijk dat desondanks sprake is van inbreng. De stelling van eiseres dat geen sprake is van een openbare maatschap, maakt dat niet anders. Feit blijft namelijk dat de facturen geen aanknopingspunt bieden voor inbreng van de woning in de maatschap. De omstandigheid dat eiseres wel een huurovereenkomst met de BV heeft gesloten en huurfacturen aan de BV heeft gestuurd, is onvoldoende om aan te nemen dat de woning is ingebracht in eiseres. Daarbij weegt mee dat de BV wordt vertegenwoordigd door mevrouw [B] , die een van de maten van eiseres is. Andere omstandigheden waaruit kan volgen dat eiseres de woning als investeringsgoed voor de omzetbelasting kan exploiteren zijn niet gesteld of gebleken.

39. De conclusie is dat de woning niet tot het bedrijfsvermogen van eiseres behoort en dat daarom bij eiseres geen recht bestaat op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot die woning. De naheffingsaanslagen zijn dus terecht opgelegd.

40. Het voorgaande geldt ook als vast zou komen te staan dat de BV de zolderruimte op 18 maart 2016 zakelijk in gebruik heeft genomen. De rechtbank hoeft daarom niet te oordelen over de vraag of de BV de zolder al op 18 maart 2016 van eiseres huurde.

41. Het voorgaande zou alleen anders zijn als het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt. Dat is echter niet het geval. Eiseres kan aan de controle en aan het controlerapport geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen voor de vraag of sprake is geweest van een zakelijke eerste ingebruikneming en ook niet voor de vraag of sprake was van inbreng in de maatschap. De controle ging namelijk alleen over de vraag of recht bestond op vooraftrek in verband met de zakelijke bestemming van de zolder. Op het moment van eerste ingebruikneming dient een nieuwe toetsing plaats te vinden naar de situatie op dat moment. De omstandigheid dat de controleur de maatschapsovereenkomst en de inkoopfacturen mogelijk tijdens de controle heeft gezien, doet er niet aan af dat de woning op het moment van ingebruikname niet ingebracht bleek te zijn in de maatschap. Voor de beoordeling van de aftrek op basis van de bestemming was dat niet doorslaggevend, omdat inbreng nog had kunnen plaatsvinden voor de ingebruikneming.

42. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht de bedragen van de verleende teruggaven heeft nageheven. Omdat de beoogde teruggaaf over het vierde kwartaal van 2015 niet daadwerkelijk is teruggegeven, zal de naheffingsaanslag van 24 december 2016 met aanslagnummer [000] .F.01.6211 met € 10.562 worden verminderd van € 14.615 tot € 4.053. De belastingrente zal dienovereenkomstig moeten worden verlaagd. Het beroep is in zoverre gegrond.

Verdedigingsbeginsel

43. Eiseres heeft aangevoerd dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, omdat zij niet is gehoord voordat de (inmiddels vernietigde) naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016 werd opgelegd en ook niet toen de naheffingsaanslagen over het eerste kwartaal 2016, die hiervoor in de plaats kwamen, werden opgelegd. Daarom moeten de naheffingsaanslagen over het eerste kwartaal 2016 volgens eiseres worden vernietigd.

44. De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsbeginsel in dit geval niet is geschonden. Uit de opgesomde feiten volgt dat eiseres vóór het opleggen van de naheffingsaanslagen over het eerste kwartaal 2016 in december 2016 voldoende in de gelegenheid is geweest om haar zienswijze over de ingebruikneming naar voren te brengen. Zij heeft immers op 15 oktober 2016 in de motivering van haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016 uitvoerig uiteengezet hoe zij aankeek tegen de eerste ingebruikneming. Daaraan doet niet af dat de hoorgesprekken die zijn gevoerd voorafgaand aan de oplegging van de naheffingsaanslagen, niet of nauwelijks over de ingebruikneming gingen. Een hoorgesprek voorafgaand aan oplegging van een naheffingsaanslag is niet vereist, ook niet op basis van het verdedigingsbeginsel. Voldoende is dat de belastingplichtige haar zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. De omstandigheid dat eiseres voorafgaand aan de na bezwaar vernietigde naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016 niet haar zienswijze over de ingebruikneming heeft kunnen geven, kan niet leiden tot vernietiging van de later opgelegde naheffingsaanslagen. Voordat die naheffingsaanslagen werden opgelegd, had eiseres immers wel haar zienswijze over de ingebruikneming gegeven.

Dwangsom

45. Voor de gevraagde dwangsom van € 1.140 geldt het volgende. Eiseres heeft uitgerekend dat verweerder 39 dagen te laat uitspraak op bezwaar heeft gedaan in de zaak 17/10 met betrekking tot de teruggaafbeschikking over het tweede kwartaal van 2016. Verweerder heeft in het verweerschrift in die zaak erkend dat hij te laat uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Verweerder heeft niet gereageerd op de berekening van de hoogte van de dwangsom.

46. De rechtbank zal zelf beoordelen of de hoogte van de gevraagde dwangsom klopt met de vaststaande feiten. Het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar is namelijk gegrond, zodat de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de verbeurde dwangsom vast kan stellen (vgl. CRvB 25 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2458).

47. De beslistermijn voor de uitspraak op bezwaar was op 23 november 2016 verstreken, zodat de ingebrekestelling terecht is uitgebracht. Uitgaande van een ingebrekestelling die op 23 november 2016 door verweerder is ontvangen, is de dwangsom gaan lopen op 8 december 2016. De laatste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, is de datum van verzending van de uitspraak op bezwaar. Onduidelijk is wanneer deze is verzonden. Omdat de dagtekening ervan 12 januari 2017 is en onbetwist is dat de uitspraak op 17 januari 2017 door eiseres is ontvangen, zal de rechtbank uitgaan van verzending op 12 januari 2017. Dit betekent dat 36 dagen te laat uitspraak op bezwaar is gedaan (5 weken en 1 dag). De dwangsom komt daarmee iets lager uit dan eiseres heeft berekend (3 dagen keer € 40 = € 120 lager) op € 1.020.

48. Het beroep tegen het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar is gegrond. De dwangsom wordt vastgesteld op € 1.020, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (zie artikel 4:18 van de Awb), dus vanaf 27 januari 2017.

Overige beroepsgronden

49. De overige beroepsgronden van eiseres leiden niet tot een andere uitkomst. De genoemde beginselen kunnen er niet toe leiden dat de naheffingsaanslagen vernietigd dienen te worden. Verder heeft eiseres geen belang bij een oordeel over de hoogte van de belastingrente over de teruggaven. Als een hogere belastingrente zou worden vergoed, dan zou eiseres deze namelijk via naheffing weer moeten terugbetalen. De stelling dat verweerder tweemaal uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is niet juist. De brief waarin verweerder akkoord is gegaan met teruggaven op basis van een percentage van 30% is geen uitspraak op bezwaar, maar een toezegging hangende het beroep. Ook de latere teruggaafbeschikkingen die op die brief zijn gebaseerd, zijn geen uitspraken op bezwaar, hoewel dit er wel boven staat. De naamgeving van die beschikkingen is onjuist, maar dat komt door de automatische systemen van verweerder. Eiseres ondervindt daarvan geen nadeel, zodat er geen gevolgen aan kunnen worden verbonden in het voordeel van eiseres.

Conclusie en vergoeding griffierecht

50. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen deels gegrond en deels ongegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslagen met de nummers [000] .F.01.6212 en [000] .F.01.6502 blijven in stand. In zoverre zijn de beroepen ongegrond. De overige beroepen zijn gegrond. De naheffingsaanslag met nummer [000] .F.01.6211 wordt met € 10.562 verminderd van € 14.615 tot € 4.053. De uitspraken op bezwaar ter zake van de teruggaafbeschikkingen worden vernietigd en de teruggaven die zijn verleend overeenkomstig de brief van verweerder van 21 december 2016 worden bevestigd. Verder wordt een dwangsom toegekend van € 1.020, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2017.

51. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen heeft moeten maken. Omdat geen sprake is van beroepsmatige rechtsbijstand en eiseres ervoor heeft gekozen om geen verletkosten te vragen, zal alleen het betaalde griffierecht worden vergoed. Er is vier maal griffierecht geheven, drie maal € 334 in de zaken die de teruggaafbeschikkingen betreffen en eenmaal € 333 in de drie zaken over de naheffingsaanslagen. De zaken over de teruggaafbeschikkingen zijn alle gegrond. Ook het beroep ter zake van een van de naheffingsaanslagen is gegrond. Daarom moet verweerder het griffierecht dat mede op dat beroep betrekking heeft vergoeden. Totaal komt het te vergoeden griffierecht uit op € 1.335.

Verzoek vergoeding van immateriële schade in zaak 16/6666 (1e kwartaal 2015)

52. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting en na het verstrijken van de beslistermijn van zes weken heeft eiseres in zaak 16/6666 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren. Verweerder heeft laten weten het eens te zijn met de argumentatie van eiseres op dit punt en heeft toestemming gegeven om zonder een tweede zitting uitspraak te doen. Vervolgens heeft ook eiseres die toestemming gegeven. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek weer gesloten.

53. De Staat heeft op 8 juli 2014 een beleidsregel gemaakt (nr. 436935, Staatscourant 2014, nr. 20210), die op 1 oktober 2014 in werking is getreden. Op grond daarvan is het, behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen, niet nodig om de Staat om een reactie te vragen.

54. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (HR 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, BNB 2013/152). Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

55. De Hoge Raad heeft in het arrest van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) een overzicht gegeven van de eerder gegeven beslissingen over de immateriële schadevergoeding, met daarbij een aantal aanvullingen. De rechtbank neemt dit overzichtsarrest tot uitgangspunt bij de beoordeling.

56. De rechtbank is van oordeel dat eiseres recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zaak waarin dit is gevraagd. In die zaak is de redelijke termijn inderdaad overschreden. Het bezwaarschrift voor het 1e kwartaal 2015 is ontvangen op 12 februari 2016, zodat de redelijke termijn is overschreden vanaf 12 februari 2018. De overschrijding, die wordt berekend tot de dag van deze uitspraak, bedraagt naar boven afgerond drie maanden, zodat de schadevergoeding uitkomt op € 500. De uitspraak op bezwaar over dat kwartaal is van 14 oktober 2016, dus acht maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding in de bezwaarfase bedraagt dus twee maanden. Daarom is de totale overschrijding van drie maanden voor 2/3 aan verweerder toe te rekenen en voor 1/3 aan de rechtbank. Verweerder dient daarom € 333 te betalen en de Staat € 167.

57. Niet aannemelijk is dat door het verzoek om schadevergoeding extra proceskosten zijn gemaakt, zodat voor een proceskostenveroordeling ten laste van de Staat in dit verband geen aanleiding bestaat.

Beslissing

De rechtbank:

– verklaart de beroepen tegen de naheffingsaanslagen met de nummers [000] .F.01.6212 (zaaknummer 17/2492) en [000] .F.01.6502 (zaknummer 17/2494) ongegrond;

– verklaart de beroepen voor het overige gegrond;

– vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de teruggaafbeschikkingen waartegen beroep is ingesteld;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag met nummer [000] .F.01.6211;

– bevestigt de teruggaven zoals deze inmiddels zijn uitbetaald op basis van de brief van verweerder van 21 december 2016, met dien verstande dat geen teruggaaf zal worden verleend over het vierde kwartaal van 2015;

– kent een dwangsom toe van € 1.020 wegens het te laat beslissen op het bezwaar tegen de teruggaafbeschikking over het tweede kwartaal van 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2017;

– vermindert de naheffingsaanslag met nummer [000] .F.01.6211 tot een bedrag van € 4.053;

– vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

– gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 1.335 vergoedt;

– veroordeelt verweerder om de door eiseres geleden immateriële schade aan haar te vergoeden tot een bedrag van € 333;

– veroordeelt de Staat om de door eiseres geleden immateriële schade aan haar te vergoeden tot een bedrag van € 167.

ECLI:NL:RBGEL:2018:1838