Btw-naheffing bij liquidatieverkopen in stand gelaten en cassatieberoep niet-ontvankelijk na overlijden

A staakt op enig moment vóór 2015 haar eenmanszaak in de verhuur van voertuigen aan film- en televisieproducenten. Bij een boekenonderzoek constateert de Belastingdienst dat de ondernemer in de jaren 2015 en 2016 nog 56 voertuigen heeft verkocht, zonder hiervoor omzetbelasting op aangifte te voldoen. De Belastingdienst legt vervolgens een naheffingsaanslag en een vergrijpboete op. A verweert zich door te stellen dat deze voertuigen niet meer op de balans stonden en tot haar privévermogen behoorden, mede verwijzend naar een gestelde overdracht aan haar echtgenoot eind 2014.

In de procedure bij het hof is primair in geschil of de Belastingdienst terecht omzetbelasting heeft nageheven over de in die jaren verkochte voertuigen. De inhoudelijke discussie spitst zich toe op de vraag of de voertuigen toen nog tot het ondernemingsvermogen behoorden, en of het verzwijgen van de omzet kwalificeert als het niet doen van de vereiste aangifte, wat leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Daarnaast debatteren partijen over de eventuele toepassing van de margeregeling, een verlaagd tarief wegens verkoop van ‘kunstvoorwerpen’ en de juridische houdbaarheid van de opgelegde vergrijpboete.

Het hof oordeelt ten aanzien van de naheffing in het voordeel van de Belastingdienst. Het hof benadrukt dat leveringen in het kader van de liquidatie van een onderneming onverminderd onderdeel blijven uitmaken van de belastbare economische activiteit. Het hof baseert zich hiervoor expliciet op vaste Europese rechtspraak (HvJ 3 maart 2005, Fini H, C-32/03, ECLI:EU:C:2005:128). Omdat aanzienlijke belastingbedragen niet zijn aangegeven, keert het hof de bewijslast om en wordt de schatting van de Belastingdienst redelijk bevonden. Wel wordt de vergrijpboete gematigd, omdat er geen opzet maar wel ‘grove schuld’ bewezen is door een gebrekkige administratie. Kort nadat tegen deze uitspraak beroep in cassatie is ingesteld, overlijdt A. De HR verklaart dit cassatieberoep ten slotte definitief niet-ontvankelijk, omdat de indiener nalaat een geldige machtiging van de erfgenamen over te leggen.

Hoge Raad

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2026
Datum publicatie
19-06-2026
Zaaknummer
23/02524
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2023:4097
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026061903
FutD 2026-1077
V-N Vandaag 2026/1282
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/02524

Datum 19 juni 2026

ARREST

op het door A.P. Flinterman ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2023, nr. BK-ARN 21/009101.

1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
1.1
Volgens het op 27 juni 2023 ontvangen beroepschrift in cassatie is het beroep in cassatie ingesteld namens [X]. [X] is op 21 augustus 2023 overleden.

1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft op 30 november 2023 in het voor dit ingestelde cassatieberoep aangemaakte digitale dossier een bericht geplaatst waarbij de indiener van het beroepschrift is verzocht binnen zes weken een bewijsstuk te verstrekken waaruit blijkt dat [X] hem had gemachtigd om namens haar beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof in te stellen, dan wel een door alle erfgenamen getekende en aan hem verstrekte volmacht over te leggen, of – in het geval een executeur-testamentair is aangesteld – een verklaring van de executeur-testamentair waaruit blijkt wat de wens is van alle erfgenamen met betrekking tot de onderhavige procedure.

1.3
De indiener van het beroepschrift heeft de gevraagde machtiging of de hiervoor in 1.2 bedoelde verklaring, niet overgelegd, ook niet nadat de griffier van de Hoge Raad hem daartoe op 19 augustus 2025 opnieuw in de gelegenheid had gesteld. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was om namens [X] beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof in te stellen. De Hoge Raad zal het beroep in cassatie op die grond niet-ontvankelijk verklaren.

2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

1ECLI:NL:GHARL:2023:4097.

ECLI:NL:HR:2026:992

Scroll naar boven