Btw tarief wifi tijdens verblijf in vakantieaccommodatie

0
108
wifi afbeelding wi in witte letter fi in zwarte letters in plaatje

Btw tarief wifi tijdens verblijf in vakantieaccommodatie

Op een vakantiepark kunnen gasten tegen betaling van een afzonderlijke vergoeding toegang tot wifi krijgen. In 2014 en 2015 is de prijs € 1,50 per dag. Tussen de 70% en 80% van de gasten betaalden hiervoor. Met ingang van 2016 is bij de prijs van de accommodatie het gebruik van de wifi inbegrepen.

In geschil is of de verstrekking van de wifi-verbinding opgaat in de verstrekking van logies in de bungalows c.q. het geven van gelegenheid tot kamperen op het kampeerterrein.

Omdat in 2014 en 2015 een aparte vergoeding voor de wifi in rekening werd gebracht en omdat niet alle gasten (70 tot 80% wel) van deze mogelijkheid gebruik maakten, is de verstrekking van de wifi in die jaren een aparte prestatie tegen het algemene tarief. Aangezien een aanzienlijk deel van de gasten geen belang had bij de wifi, werd deze tegen een afzonderlijke vergoeding aangeboden aan de gasten die wel een belang daarbij hadden. De mogelijkheid gebruik te maken van de wifi vormde voor de gasten die daarvoor kozen, kennelijk een doel op zich. Niet kan worden gezegd dat de nevenprestatie optimaal gebruik van de hoofdprestatie mogelijk maakte. In dit verband heeft het Hof meegewogen dat het gebruik van de wifi geen enkel functioneel verband heeft met het gebruik van een vakantieaccommodatie.

GerechtshofRechtbank
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
18/00204 en 18/00205
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:789, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Tarief. De verstrekking van een wifi-verbinding tijdens een verblijf in een vakantieaccommodatie vormt een aparte prestatie die aan het algemene tarief is onderworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-04-2019
FutD 2019-1046
V-N Vandaag 2019/859
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 18/00204 en 18/00205

uitspraakdatum: 2 april 2019

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 februari 2018, nummers AWB 17/703 en 17/1695, ECLI:NL:RBGEL:2018:789, in het geding tussen de Inspecteur en

Fiscale eenheid [X] B.V. en [Y] B.V. c.s. te [Z] (hierna: belanghebbende)

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 mei 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd.

1.2.Belanghebbende heeft over het tijdvak juni 2015 aangifte omzetbelasting gedaan. De Inspecteur heeft bij beschikking een teruggaaf verleend.

1.3.De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de naheffingsaanslag en de beschikking ongegrond verklaard.

1.4.Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur en de naheffingsaanslag vernietigd en de teruggaaf voor het tijdvak juni 2015 vastgesteld op € 19.180. Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot € 1.002 en de Inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.

1.5.De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, maar dit voorafgaand aan de zitting ingetrokken.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2Vaststaande feiten

2.1.Belanghebbende exploiteert een vakantiepark. Hierop bevinden zich circa 320 vakantiebungalows. Ook is een gedeelte van het park ingericht als kampeerterrein voor tenten en een deel voor stacaravans.

2.2.Belanghebbende biedt de gasten tegen betaling van een afzonderlijke vergoeding toegang tot een internetverbinding door middel van een code (hierna: de wifi). In 2014 en 2015 is de prijs van een code per apparaat € 1,50 per dag. Indien gasten voor gebruik van de wifi kiezen, moeten zij gedurende het gehele verblijf bij belanghebbende de hiervoor genoemde vergoeding betalen. Tussen de 70% en 80% van de gasten betaalden in die jaren voor het verkrijgen van een code.

2.3.Voor de wifi heeft belanghebbende in de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken van 1 januari 2014 tot en met 31 mei 2015 6% omzetbelasting aangegeven en voldaan, en over het tijdvak juni 2015 21%. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat hij van mening is dat ter zake van de wifi 21% omzetbelasting verschuldigd is.

2.4.De omzet ter zake van de wifi (inclusief omzetbelasting) bedraagt € 90.966 over geheel 2014 en € 24.713 over januari tot en met mei 2015.

2.5.Met ingang van het jaar 2016 is bij de prijs van de accommodatie het gebruik van de wifi (voor maximaal twee apparaten) inbegrepen. Gasten die voor meer apparaten van de wifi gebruik willen maken, kunnen tegen betaling extra codes kopen.

3Geschil

In geschil is of de verstrekking van de wifi-verbinding opgaat in de verstrekking van logies in de bungalows c.q. het geven van gelegenheid tot kamperen op het kampeerterrein.

4Beoordeling van het geschil

4.1.Op de verstrekking van logies in het kader van het vakantiebestedingsbedrijf en het gelegenheid geven tot kamperen is het verlaagde omzetbelastingtarief van toepassing. Partijen houdt verdeeld of de verstrekking van wifi opgaat in de hiervoor genoemde, aan het verlaagde tarief onderworpen prestaties.

4.2.Indien een belastingplichtige jegens één afnemer een of meer handelingen verricht waarin verschillende prestaties kunnen worden onderscheiden, heeft als uitgangspunt te gelden dat elk van die prestaties voor de heffing van omzetbelasting als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Onder omstandigheden moeten verschillende handelingen of elementen van een handeling niettemin als één enkele prestatie worden aangemerkt. Dit is in de eerste plaats het geval – hier niet aan de orde – in de situatie waarin twee of meer handelingen of elementen van een handeling zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Daarnaast worden verschillende handelingen of verschillende elementen van een handeling voor de heffing van omzetbelasting als één enkele, samengestelde prestatie beschouwd wanneer een of meer elementen daarvan de hoofdprestatie vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie moet met name als bijkomend bij de hoofdprestatie worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofdprestatie van de dienstverrichter optimaal gebruik te kunnen maken (vgl. bijvoorbeeld Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) 18 januari 2018, Stadion Amsterdam CV, C‑463/16, ECLI:EU:C:2018:22, punt 23).

4.3.De vraag of sprake is van een prestatie die gebruikmaking van de hoofdprestatie optimaal maakt, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gemiddelde afnemer van die hoofdprestatie. Uit de rechtspraak van het HvJ moet worden afgeleid dat bij die beoordeling het economische doel van de samengestelde prestatie in acht moet worden genomen, waarbij ook het belang van de afnemer van die prestatie in overweging moet worden genomen (vgl. HvJ 8 december 2016, Stock ’94, C-208/15, ECLI:EU:C:2016:936, punt 29). Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat een aanwijzing dat een prestatie bijkomend is, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat die prestatie voor de gemiddelde afnemer van de hoofdprestatie geen afzonderlijk belang heeft ten opzichte van de hoofdprestatie (vgl. HvJ 26 mei 2016, Bookit Ltd, C-607/14, ECLI:EU:C:2016:355, punt 24). Indien binnen de kring van afnemers van de hoofdprestatie het belang bij het afnemen van de nevenprestatie onderling verschilt, vormt dat echter een aanwijzing dat geen sprake is van een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie moet delen (vgl. HR 13 oktober 2017, nr. 15/05195, ECLI:NL:HR:2017:2598, rechtsoverweging 2.3.3). Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een afzonderlijke vergoeding voor de nevenprestatie wordt berekend en voor de omstandigheid dat de afnemer een keuze heeft om de nevenprestatie al of niet af te nemen.

4.4.Het Hof stelt voorop dat de opvatting over de vraag of voor de gemiddelde kampeergast de mogelijkheid gebruik te maken van een wifi-verbinding tijdens het verblijf in een vakantieaccommodatie al dan niet los kan worden gezien van het afnemen van de accommodatiedienst, de afgelopen jaren lijkt te zijn veranderd. In eerste instantie werd geen wifi aangeboden, daarna werd slechts tegen betaling een code verstrekt en de laatste jaren is de wifi voor twee apparaten in de prijs van het verblijf inbegrepen. Het Hof zal deze vraag beantwoorden voor de situatie van belanghebbende in de jaren 2014 en 2015, aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals deze tussen partijen vaststaan. De gast kreeg de wifi-verbinding niet standaard aangeboden, maar moest deze voor de gehele periode van het verblijf bestellen. De gast kreeg een code, waarmee op het vakantiepark voor een apparaat een internetverbinding tot stand kon worden gebracht.

4.5.Gelet op het feit dat belanghebbende in de jaren 2014 en 2015 een aparte vergoeding voor de verstrekking van de wifi-verbinding in rekening bracht en het gegeven dat niet alle gasten (70 tot 80% wel) van deze mogelijkheid gebruik maakten, komt het Hof tot het oordeel dat de verstrekking van de wifi-verbinding in die jaren een aparte prestatie vormt die aan het algemene tarief is onderworpen. Aangezien een aanzienlijk deel van de gasten geen belang had bij de wifi, werd deze tegen een afzonderlijke vergoeding aangeboden aan de gasten die wel een belang daarbij hadden. Er was voor de gasten een vrije keuze om de wifi te gebruiken en ook voor hoeveel apparaten. De mogelijkheid gebruik te maken van de wifi vormde voor de gasten die daarvoor kozen, kennelijk een doel op zich. Dit blijkt ook uit de klachten van de gasten bij problemen met de verbinding. Zij vonden de beschikbaarheid en de kwaliteit van de verbinding kennelijk zo belangrijk, dat zij klaagden zodra deze niet (naar behoren) functioneerde. Niet kan worden gezegd dat de nevenprestatie optimaal gebruik van de hoofdprestatie mogelijk maakte. In dit verband heeft het Hof meegewogen dat het gebruik van de wifi geen enkel functioneel verband heeft met het gebruik van een vakantieaccommodatie.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 2 april 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 april 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHARL:2019:2892

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
AWB – 17 _ 703, AWB – 17 _ 1695
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:2892, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Gaan het ter beschikking stellen van wifi en de levering van flessengas tegen afzonderlijke vergoedingen op in de hoofdprestatie (het verstrekken van logies dan wel het geven van gelegenheid tot kamperen) of is sprake van afzonderlijke prestaties?

Vakantiegangers die een vakantiewoning huurden kregen in 2014 en 2015 tegen betaling een code voor wifi. Alleen mensen met een reserveringscode konden een wificode aanvragen. Volgens onderzoek van de ANWB gaat 99% van de kampeerders online en bij eiseres nam zo’n 70-80% van de huurders volgens eiseres in 2014 en 2015 een wificode af. De rechtbank is van oordeel dat wifi eraan bijdraagt dat optimaal gebruik kan worden gemaakt van het verblijf in de vakantiewoning. Het behoort bijna vanzelfsprekend bij de vakantiewoning. Dat eiseres er in de desbetreffende periode voor koos de wifi afzonderlijk aan te bieden en te factureren leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is ook van belang dat de wifi niet ergens anders dan in de vakantiewoning te gebruiken is en dat de vergoeding voor de wifi een relatief klein bedrag is.

Voor flessengas komt de rechtbank tot een ander oordeel. Er is geen sprake van gas dat uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt. Feitelijk is het mogelijk dat niet-campinggasten gas kopen. Gasten kunnen daarnaast gedeeltelijk volle flessen na afloop van het verblijf meenemen. Het standpunt van de inspecteur strookt met het beleid van de staatssecretaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/402
V-N 2018/26.2.4
Viditax (FutD), 26-02-2018
FutD 2018-0613
NTFR 2018/726 met annotatie van Mr. A. Vroon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/703 en 17/1695

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 februari 2018

in de zaken tussen

fiscale eenheid [X] BV en [Y] BV c.s., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 mei 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 10.638.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 januari 2017 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 3 februari 2017, ontvangen door de rechtbank op 6 februari 2017, beroep ingesteld.

Eiseres heeft op 22 juli 2015 de aangifte omzetbelasting ingediend over juni 2015. Bij beschikking van 7 augustus 2015 heeft verweerder een teruggaaf verleend van € 18.660. Eiseres heeft daartegen op 19 augustus 2015 bezwaar aangetekend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 maart 2017 het bezwaar tegen de teruggaafbeschikking ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en twee verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018. Namens eiseres is [A] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en [B] verschenen.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een vakantiepark. Hierop bevinden zich circa 320 vakantiebungalows. Ook is een gedeelte van het park ingericht als kampeerterrein voor tenten en een deel voor stacaravans.

2. Eiseres biedt de gasten van de vakantiebungalows tegen betaling van een afzonderlijke vergoeding toegang tot een internetverbinding (hierna: wifi). Ook verkoopt eiseres tegen een afzonderlijke vergoeding flessengas (in standaardgasflessen) in een winkel op het kampeerterrein.

3. Voor de wifi heeft eiseres in de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken van 1 januari 2014 tot en met 31 mei 2015 6% omzetbelasting aangegeven en voldaan, voor juni 2015 21%. Voor het flessengas heeft zij over de gehele periode 21% omzetbelasting aangegeven en voldaan. Verweerder heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat hij van mening is dat ter zake van de wifi 21% omzetbelasting verschuldigd is.

4. De omzet ter zake van de wifi (inclusief omzetbelasting) bedraagt € 90.966 over geheel 2014 en € 24.713 over januari tot en met mei 2015. Voor de gasflessen zijn deze bedragen onderscheidenlijk € 3.455 en € 1.326.

Geschil

5. In geschil is welk tarief voor de omzetbelasting van toepassing is ter zake van de wifi en het flessengas. Daarbij gaat het om de vragen:

  • -of het ter beschikking stellen van wifi als bijkomende prestatie opgaat in het verstrekken van logies binnen het kader van de verhuur van een vakantiebungalow (hierna ook kortweg omschreven als de verhuur);
  • -of de levering van flessengas opgaat in het geven van gelegenheid tot kamperen binnen het kader van een kamp- en vakantiebestedingsbedrijf.

Beoordeling van het geschil

6. Omdat beide vragen dienen te worden beantwoord aan de hand van hetzelfde juridische kader, zal de rechtbank dat eerst uiteenzetten.

7. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) moet voor de toepassing van de omzetbelasting elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd (HvJ 27 september 2012, Field Fisher Waterhouse LLP, ECLI:EU:C:2012:597).

8. Wanneer een handeling uit een serie elementen en handelingen bestaat, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvindt om te bepalen of het om twee of meer afzonderlijke prestaties dan wel om één enkele prestatie gaat. Vastgesteld moet worden wat de kenmerkende elementen van de betrokken handeling zijn om te bepalen of de belastingplichtige aan de als modaal

beschouwde consument meerdere, van elkaar te onderscheiden hoofdprestaties dan wel één enkele prestatie verleent (zie bijv. HvJ 27 oktober 2005, Levob, ECLI:EU:C:2005:649).

9. Er is onder meer sprake van één prestatie indien een of meer elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie moet in het bijzonder als bijkomend bij een hoofdprestatie worden beschouwd, wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te kunnen maken van de hoofdprestatie van de dienstverrichter (zie HvJ 10 november 2016, Baštová, ECLI:EU:C:2016:855, en HvJ 18 januari 2018, Stadion Amsterdam, ECLI:EU:C:2018:22). Daarbij gaat het erom dat de hoofdprestatie onder de beste voorwaarden kan worden genoten (zie Rechtbank Gelderland 21 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1561). Bij de beoordeling moet niet enkel het kwantitatieve maar ook het kwalitatieve belang van de relevante elementen in aanmerking worden genomen (zie het hiervoor genoemde arrest Baštová).

wifi

10. In 2014 en 2015 stelde eiseres uitsluitend tegen afzonderlijke betaling wifi in de vakantiewoningen beschikbaar. Vakantiegangers die een vakantiewoning huurden kregen tegen betaling een code met behulp waarvan zij toegang tot de wifi kregen. Buiten de vakantiewoning kon geen gebruik worden gemaakt van de wifi. Alleen mensen die over een reserveringscode van de vakantiewoning beschikten kregen (tegen betaling) een wificode.

11. Volgens eiseres gaat het ter beschikking stellen van wifi op in de verhuur van de vakantiebungalows. Zij is van mening dat de dienst onlosmakelijk verbonden is met de huur van de vakantiebungalow en dat de dienst praktisch gezien niet los van de verhuur van de vakantiebungalow kan plaatsvinden.

12. Verweerder heeft gesteld dat er gemakkelijk en een niet-kunstmatig onderscheid te maken is tussen de dienst die bestaat uit de verhuur van de vakantiewoning en de terbeschikkingstelling van wifi. Volgens verweerder is het ter beschikking stellen van wifi een zelfstandige prestatie, die niet bijkomend is bij het verhuren van de vakantiebungalow. Er is geen sprake van een totaalpakket waarvan de te onderscheiden elementen niet zonder elkaar kunnen. Voor de gast is het gebruik van wifi een doel op zich, dient het een eigen economisch doel en staat het als zodanig los van het verblijf in de vakantiebungalow. De modale consument zal bij een keuze om tegen betaling van een afzonderlijke vergoeding gebruik te kunnen maken van de wifi dit als een afzonderlijke dienst ervaren volgens verweerder.

13. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog. Eiseres heeft erop gewezen dat uit een onderzoek van de ANWB eind 2015 blijkt dat 99% van de kampeerders online gaat en 82% zelfs dagelijks. Drie op de vier ondervraagden vinden internet op de camping net zo vanzelfsprekend als een goed elektriciteitsnet. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk of met kampeerders wordt gedoeld op vakantiegangers in een tent of een caravan, of (ook) op degenen die in een vakantiewoning verblijven, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat – zoals eiseres ook heeft aangevoerd – mensen in een vakantiewoning in de regel meer luxe verwachten dan degenen die in een tent overnachten. Daarom is het aannemelijk dat deze percentages voor huurders van een vakantiewoning niet lager zullen zijn. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij inschat dat in de jaren 2014 en 2015 zo’n 70-80% van de huurders van een vakantiewoning op haar park een wificode afnam. Huurders klagen vaak nog eerder als de wifi stoort dan als er bijvoorbeeld problemen zijn met het water, aldus eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank moet geconcludeerd worden dat wifi inmiddels zo gewoon en algemeen is geworden, en ook in de jaren 2014 en 2015 al was, dat niet gezegd kan worden dat de wifi voor de klant een doel op zich is, zo min als andere bijkomende diensten als stromend water, elektriciteit en een televisie dat zijn. Aannemelijk is dat het ontbreken van de mogelijkheid van wifi zal leiden tot minder boekingen en dat spiegelbeeldig de aanwezigheid van wifi eraan bijdraagt dat optimaal gebruik kan worden gemaakt van het verblijf in de vakantiewoning. Veruit de meeste gebruikers van mobiele apparatuur als mobiele telefoons en iPads gebruiken deze veelvuldig en zullen niet de ervaring hebben dat sprake is van een afzonderlijke dienst, maar vinden wifi iets wat bijna vanzelfsprekend is inbegrepen op het moment dat zij een vakantiewoning huren. Dat eiseres er in de desbetreffende periode nog voor koos (inmiddels is dat deels niet meer het geval) de wifi afzonderlijk aan te bieden en te factureren is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

14. Bij het voorgaande hecht de rechtbank mede waarde aan het feit dat het niet mogelijk is de wifi ergens anders dan in de vakantiewoning te gebruiken, en het aanbieden ervan dus minder goed als een losse dienst is te beschouwen. Ook is van belang dat de vergoeding voor de wifi ten opzichte van de omzet ter zake van de vakantiewoningen een klein bedrag is.

gas

15. Met betrekking tot het flessengas zijn de volgende feiten van belang. Campinggasten gebruiken flessengas, met name om te koken. Op het terrein van eiseres bevindt zich een winkel waar zij flessen met gas verkoopt. Deze worden alleen verkocht aan de gasten op het kampeerterrein. Gasten brengen aan het begin van hun verblijf regelmatig (gedeeltelijk) gevulde flessen mee. Als die leeg zijn, leveren ze die in bij eiseres en kopen ze een of meer nieuwe. De flessen zijn aan het eind van de vakantie niet altijd leeg. Als een gasfles nog gedeeltelijk gevuld is, nemen de gasten hun gasfles mee naar huis.

16. Eiseres is van mening dat gas onmisbaar is voor de campinggasten. Zij stelt zich op het standpunt dat het verlaagde tarief van toepassing is op de levering van het flessengas, omdat het uitsluitend wordt verkocht aan gasten van het kampeerterrein en uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt. Weliswaar komen gasten ook met halfvolle flessen en vertrekken ze weer met halfvolle flessen, maar ook in die situatie is er netto evenveel gas verbruikt als ter plaatse is gekocht. Omdat alleen gas aan gasten van het kampeerterrein wordt verkocht, is volgens eiseres geen sprake van concurrentieverstoring. Eiseres heeft verder gesteld dat het volgens de brancheorganisatie van de recreatiesector in de praktijk wordt toegestaan om het verlaagde tarief te hanteren indien de levering van de standaard gasfles uitsluitend plaatsvindt aan campinggasten en het flessengas uitsluitend ter plaatse wordt gebruikt.

17. Daartegenover heeft verweerder gesteld dat het niet kunstmatig is om de levering van gasflessen als een afzonderlijke prestatie te beschouwen. Het beschouwen van de levering van gasflessen als een bijkomende prestatie die opgaat in het geven van gelegenheid tot kamperen zou bovendien tot concurrentieverstoring leiden. Er is volgens verweerder een wezenlijk verschil tussen de levering van een losse gasfles en het verstrekken van gas, water en elektriciteit via leidingen. Bij verblijf op een kampeerterrein is er geen vrije bepaalbaarheid ten aanzien van de verstrekking van gas, water en elektriciteit via leidingen. Dit is anders voor het gebruik van flessengas. De stelling van eiseres over de brancheorganisatie is niet onderbouwd en wordt niet onderschreven in het Besluit van de Staatssecretaris van 4 september 2014 (BLKB2014/123M).

18. De rechtbank is van oordeel dat de levering van flessengas in de gegeven omstandigheden als een afzonderlijke prestatie moet worden beschouwd. Eiseres heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8113, BNB 1986/76. Dat arrest gaat over het tegen betaling beschikbaar stellen van een parkeerplaats op het kampeerterrein aan een kampeerder die met de auto komt. De rechtbank is van oordeel dat de levering van flessengas hiermee onvoldoende vergelijkbaar is. De rechtbank ziet meer aanknopingspunten in het arrest van 20 april 1988, ECLI:NL:HR:1988:BH7205, BNB 1988/178. Ook in die situatie ging het om levering van flessengas. De Hoge Raad heeft in dat arrest kort gezegd overwogen dat naar het spraakgebruik het geven van gelegenheid tot kamperen een samenstel van diensten omvat, waartoe ook kan behoren het beschikbaar stellen van gas, elektriciteit en/of water aan de kampeerder uitsluitend voor gebruik ter plaatse. Daaronder kan echter niet worden begrepen de levering van gas in flessen als dat niet uitsluitend voor gebruik ter plaatse is, maar vanuit een campingwinkel die ook voor niet-campinggasten toegankelijk is, terwijl dit gas door de campinggasten ook elders dan op de camping en anders dan in het kader van een vakantieverblijf kan worden gebruikt. In het geval van eiseres is de situatie sterk hiermee vergelijkbaar. Weliswaar betwist zij dat er ook gas aan niet-campinggasten wordt verkocht, maar naar de rechtbank begrijpt is het feitelijk wel mogelijk voor anderen dan campinggasten om gas bij haar te kopen. Dat dit in de praktijk niet gebeurt, heeft vooral te maken met doelmatigheid (de ligging van de camping en de campingwinkel) en de prijzen: eiseres is niet goedkoper dan een willekeurige andere winkel. Het is niet zo dat anderen dan campinggasten de toegang wordt geweigerd of dat registratie van de kopers plaatsvindt. Het gebruik van het gas is bovendien niet beperkt tot gebruik ter plaatse, omdat gedeeltelijk volle flessen na afloop van het verblijf kunnen worden meegenomen door campinggasten. Ook stemt de hoeveelheid gas die verbruikt wordt niet noodzakelijk overeen met de hoeveelheid die gekocht wordt, enerzijds omdat het voorkomt dat er gas overblijft en anderzijds omdat gasten elders gekochte flessen kunnen meenemen als ze naar de camping gaan.

19. In de uitspraak van Gerechtshof ’s-Gravenhage van 3 november 2000, ECLI:NL:GHSGR:2000:AV6662, V-N 2001/20.33, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat in die zaak als feit was aangenomen dat het gas uitsluitend ter plaatse werd gebruikt. Dit is gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest van wezenlijk belang. In het geval van eiseres is hiervan geen sprake.

20. Het beleid van de staatssecretaris, zoals vastgelegd in het hiervoor genoemde besluit van 4 september 2014, is in overeenstemming met het voorgaande. Daarin is de levering van campinggas in standaard gasflessen uitdrukkelijk uitgezonderd van de definitie van het gelegenheid geven tot kamperen.

21. Omdat sprake is van een afzonderlijke dienst, die niet onder het verlaagde tarief valt, is het standaardtarief van 21% van toepassing op de levering van het flessengas.

Conclusie en proceskosten

22. Gelet op het voorgaande is het beroep ter zake van de naheffingsaanslag gegrond. Deze zal worden vernietigd. Het beroep ter zake van de voldoening op aangifte is ook gegrond, maar alleen voor wat de wifi betreft. Volgens de berekening van partijen leidt dit tot een extra teruggaaf van € 520. De totale teruggaaf komt daarmee op € 19.180.

23. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -verklaart de beroepen gegrond;
  • -vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • -vernietigt de naheffingsaanslag;
  • -stelt de teruggaaf over juni 2015 vast op € 19.180;
  • -bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
  • -veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.002;
  • -bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 666 aan eiseres dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 22 februari 2018
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

ECLI:NL:RBGEL:2018:789