Btw verschuldigd over resultaatafhankelijke vergoeding juridisch advies gedupeerden aandelenlease

Juridisch advies

Btw verschuldigd over resultaatafhankelijke vergoeding juridisch advies gedupeerden aandelenlease

A verstrekt juridisch advies met name voor gedupeerden van aandelenlease-transacties. Voor de betaling spreekt A met de cliënten af dat zij vooraf aan belanghebbende een vast bedrag betalen voor een gesprek, de vaste kosten en kosten van de procedure (de vaste vergoeding) en dat zij achteraf aanvullend een bepaald percentage van het behaalde resultaat (de opbrengst) betalen, dus als sprake is van een positieve schikking of uitspraak (het bedrag bij winst).

De vraag is of btw is verschuldigd over het bedrag bij winst.

Volgens Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is de resultaatafhankelijke vergoeding onderdeel van vergoeding die A ontvangt als tegenprestatie voor juridische werkzaamheden. Btw is  verschuldigd over de gehele vergoeding.

GerechtshofRechtbank

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-11-2021
Datum publicatie
19-11-2021
Zaaknummer
18/01246 en 18/01247
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:4866, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
OB. Resultaatafhankelijke vergoeding is onderdeel van vergoeding die belanghebbende ontvangt als tegenprestatie voor juridische werkzaamheden. Omzetbelasting verschuldigd over gehele vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-11-2021
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN
locatie Arnhem

nummers 18/01246 en 18/01247

uitspraakdatum: 9 november 2021

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 november 2018, nummers AWB 17/2062 en AWB 17/2063, ECLI:NL:RBGEL:2018:4866, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur)

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: naheffingsaanslag 2011) opgelegd van € 20.443. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een boete opgelegd.

1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag 2011 gehandhaafd en de beschikking heffingsrente en de boete verminderd tot nihil.

1.3.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: naheffingsaanslag 2012-2014) opgelegd van € 45.254. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een boete opgelegd.

1.4.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag 2012-2014 en de beschikking belastingrente gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

1.5.
Belanghebbende is tegen de uitspraken onder 1.2 en 1.4 in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende bij uitspraak van 9 april 2019 op de voet van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen door belanghebbende gedane verzet is door het Hof bij uitspraak van 31 maart 2020 gegrond verklaard.

1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft met toestemming van partijen via een telefoonverbinding plaatsgevonden op 19 oktober 2021. Daarbij zijn gehoord belanghebbende, bijgestaan door haar echtgenoot [naam1] , alsmede mr. [naam2] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [naam4] . Zij verstrekt juridisch advies en zij verricht met name diensten voor gedupeerden van aandelenlease-transacties.

2.2.
Voor de betaling van die diensten spreekt belanghebbende met de cliënten af dat zij vooraf aan belanghebbende een vast bedrag betalen voor een gesprek, de vaste kosten en kosten van de procedure (hierna: de vaste vergoeding) en dat zij achteraf aanvullend een bepaald percentage van het behaalde resultaat (de opbrengst) betalen, dus als sprake is van een positieve schikking of uitspraak (hierna: het bedrag bij winst).

2.3.
De cliënten kunnen kiezen tussen twee hoogtes voor de vaste vergoeding: een laag en een hoog vast bedrag. Indien voor het lage vaste bedrag wordt gekozen, dan zijn de percentages voor het bedrag bij winst hoger dan als voor het hoge vaste bedrag wordt gekozen. In het dossier zit de volgende voorbeeldtekst:

“Geachte…

Hierbij bevestig ik dat [naam4] uw belangen gaat behartigen in een procedure tegen.

U heeft aangegeven een voorkeur te genieten voor formule 2, deze formule houdt het volgende in:

Formule 2

Bij deze formule betaalt u een bedrag van € 900,-. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor het gesprek, de vaste kosten en overige door ons gemaakte kosten.

Voor de procedure zelf betaald u dus maar € 775,-. Daarnaast betaald u een percentage over het bedrag dat wij meer voor u binnenhalen ten opzichte van hetgeen u kunt verkrijgen volgens de Duisenberg-regeling.

14% over de eerste € 10.000,-

10% over de volgende € 10.000,-, dus van € 10.000,- tot € 20.000,-

5% over het meerdere vanaf € 20.000,-

Mocht u onverhoopt uw zaak verliezen en de proceskosten van……dienen te betalen, dan zijn die kosten voor uw rekening, deze zijn uiteraard niet inbegrepen.

Zal er in uw zaak sprake zijn van een hoger beroepsprocedure, hetgeen niet waarschijnlijk is, dan vragen wij hiervoor een kleine kostenbijdrage, die nader bepaald wordt.

Wordt met……een schikking getroffen dan bent u onderstaande bedragen en percentages verschuldigd over de schikking. Voor een schikking is altijd uw toestemming nodig.

Betalingswijze

U kiest ervoor om op de volgende wijze te betalen

# Eenmalig overmaken van € 900, op bankrekening [nummer1] binnen 7 dagen na dagtekening onder vermelding van uw dossiernummer.

# Contante betaling van € 125,- na afloop van het gesprek en overmaken van 3 termijnen van € 278,50 (Totaal is dan € 960,50) op bankrekening [nummer1] onder vermelding van uw dossiernummer. De eerste vervaltermijn is de eerste van de maand volgende op de dagtekening.”

2.4.
In het dossier zit een stuk van [naam4] betreffende de aandelenlease procedures. Dit stuk vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…)

Aandelenlease procedures

[naam4] behartigt zeer voordelig de belangen van aandelenlease gedupeerden in en buiten rechte. Een beoordelingsgesprek om na te gaan of een gerechtelijke procedure haalbaar is kost slechts 125,00 euro. Is het advies om een procedure te voeren negatief, dan worden geen kosten berekend. Bij een positief advies kunt u uit twee ‘no cure, no pay’ offertes kiezen.

Meer informatie hierover vindt u terug bij tarieven.

Voor aandelenlease gedupeerden van [naam5] is een speciale regeling tot stand gekomen, namelijk de veel bekritiseerde Duisenberg-regeling. Het doel van deze regeling is eigenlijk alleen maar om de gedupeerden een korting te geven op de restschuld. [naam6] biedt de Duisenberg-regeling nu ook aan haar klanten aan.

De gedupeerden, die akkoord gaan met de Duisenberg-regeling, kunnen nooit hun inleg terug krijgen, terwijl op grond van een simpele procedure voor de rechtbank sector kanton het contract vernietigd kan worden. Wij raden dan ook af het Duisenberg-voorstel te accepteren, maar een procedure op te starten om uw inleg terug te krijgen en ervoor te zorgen dat uw restschuld kwijtgescholden wordt dan wel dat deze aan u wordt terugbetaald, indien u deze al hebt betaald.

Wilt u uw geld terug? Maak dan nu een afspraak met ons door het aanvraagformulier in te vullen.

Of stuur uw vraag per email naar: info@ [naam4] .nl

Angst om een procedure te starten?

Door de ‘no cure, no pay’ offertes die gehanteerd worden kunt u zelf de kosten in de hand houden. U bepaalt welke offerte u kiest.

In de procedure wordt op deskundige wijze uw situatie aan de rechter voorgelegd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van alle beschikbare juridische argumenten. Hierop kunnen de advocaten van de bank reageren. Hierna hebben of de advocaten of de juristen van beide partijen de mogelijkheid om hun eindconclusie in het geschil voor te leggen aan de rechter. Uiteindelijk doet de rechter uitspraak.

Al het werk wordt door ons gedaan. U hoeft in de meeste gevallen niet zelf niet aanwezig te zijn bij een zitting.

(…)

Tarieven aandelenlease procedures

Formule 1

Bij deze formule, ‘no cure, no pay’, betaalt u een bedrag van € 495,-*. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor het gesprek, de vaste kosten (bedrijfsvoering etc.) en overige door ons gemaakte kosten. Voorts betaalt u, na een schikking of uitspraak, een percentage over hetgeen wij voor u bewerkstelligen. Blijkt tijdens het gesprek dat wij u niet kunnen helpen, dan betaalt u niks!

29 % over de eerste euro 10.000,-

21 % over de volgende euro 10.000,- dus tot euro 20.000,-

12 % over de daarop volgende euro 20.000,- tot euro 30.000,-

9 % over het meerdere van euro 30.000,-

Formule 2

Bij deze gemengde formule betaalt u een bedrag van € 995,-*. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor het gesprek, de vaste kosten (bedrijfsvoering etc.) en overige door ons gemaakte kosten. Voorts betaalt u, na een schikking of uitspraak, een percentage over hetgeen wij voor u bewerkstelligen. Blijkt tijdens het gesprek dat wij u niet kunnen helpen, dan betaalt u niks!

20 % over de eerste euro 10.000,-

15 % over de volgende euro 10.000,- dus tot euro 20.000,00

12 % over de daarop volgende euro 20.000,- tot euro 30.000,-

9 % over het meerdere van euro 30.000,-

(…)”

2.5.
De opbrengst van een procedure wordt naar een bankrekening van [naam7] overgemaakt. [naam4] betaalt vervolgens de opbrengst minus het bedrag bij winst, dat in de algemene voorwaarden wordt aangeduid als “no cure, no pay” bedrag, door aan de cliënt.

2.6.
Belanghebbende heeft alleen omzetbelasting voldaan over de vaste vergoeding die zij aan haar cliënten heeft gefactureerd. Over het bedrag bij winst, dat zij heeft ontvangen bij een gunstige afloop, heeft zij geen omzetbelasting voldaan. Zij heeft alle ontvangen bedragen, inclusief de “no cure no pay” bedragen, wel aangegeven in haar aangifte inkomstenbelasting.

2.7.
Op 23 november 2015 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld waarbij onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 is onderzocht. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 23 mei 2016. De conclusie van het rapport is dat ook omzetbelasting moet worden voldaan over het bedrag bij winst. Voor de inkomstenbelasting is in zoverre een teruggaaf verleend, omdat de alsnog te betalen omzetbelasting in mindering is gebracht op de inkomsten.

2.8.
Op 25 juni 2016 zijn de naheffingsaanslagen 2011 en 2012-2014 opgelegd.

3Geschil
3.1.
In geschil is of omzetbelasting is verschuldigd over het bedrag bij winst.

3.2.
Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 10 november 2016, C-432/15, Baštová, ECLI:EU:C:2016:855, dat het gaat om winstdelingen en dat die winstdelingen geen vergoedingen zijn voor haar werkzaamheden. Volgens belanghebbende staan deze winstdelingen niet in een rechtstreeks verband met de door haar geleverde prestaties. Een gunstige uitspraak of schikking kan wel het gevolg zijn van de werkzaamheden van belanghebbende, maar dat wil niet zeggen dat de financiële vergoedingen tegenprestaties zijn voor de werkzaamheden. Voor haar werkzaamheden is al een tegenprestatie bedongen (het vaste bedrag) en voor dezelfde werkzaamheden wordt door haar niet nogmaals een vergoeding bedongen. Belanghebbende verwijst voor de uitleg van de met de cliënten gesloten overeenkomst en de betekenis daarvan naar de zogeheten Haviltex-maatstaf, die is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.

3.3.
De Inspecteur stelt dat ook het bedrag bij winst een vergoeding is voor een prestatie en dat een rechtstreeks verband bestaat met de dienstverlening door belanghebbende. De totale vergoeding wordt in twee keer voldaan. Al wat belanghebbende bedingt en ontvangt, behoort tot de vergoeding voor de door haar geleverde prestatie. Volgens de Inspecteur maakt het geen verschil dat een gedeelte van de vergoeding afhankelijk is van het resultaat en dat vooraf onzeker is of dat deel van de vergoeding wordt ontvangen.

4Beoordeling van het geschil
4.1.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt de belasting berekend over de vergoeding. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de vergoeding het totale bedrag dat – of voor zover de tegenprestatie niet in een geldsom bestaat, de totale waarde van de tegenprestatie welke – ter zake van de levering of de dienst in rekening wordt gebracht, de omzetbelasting niet daaronder begrepen. Ingeval ter zake van de levering of de dienst meer wordt voldaan dan hetgeen in rekening is gebracht, komt in plaats daarvan in aanmerking hetgeen is voldaan.

4.2.
Voor de kwalificatie van een dienst als een “handeling onder bezwarende titel” is alleen vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen deze dienst en een door de belastingplichtige daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie. Een dergelijk rechtstreeks verband bestaat wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst (zie HvJ 10 november 2016, C432/15 (Baštová), ECLI:EU:C:2016:855, punt 28, HvJ 3 maart 1994, C16/93 (Tolsma), ECLI:EU:C:1994:80, punten 13 en 14, en HvJ 29 oktober 2015, C-174/14 (Saudaçor), ECLI:EU:C:2015:733, punt 32).

4.3.
De omstandigheid dat het bestaan van een vergoeding onzeker is, volstaat om de rechtstreekse band tussen de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst en de vergoeding die eventueel wordt ontvangen, te verbreken (zie HvJ 10 november 2016, C432/15, Baštová, ECLI:EU:C:2016:855, punt 29, HvJ 3 maart 1994, C16/93, Tolsma, ECLI:EU:C:1994:80, punt 19, en HvJ 27 september 2001, C-16/00, Cibo Participations, ECLI:EU:C:2001:495, punt 43).

4.4.
In de zaak Tolsma (HvJ 3 maart 1994, C16/93, Tolsma, ECLI:EU:C:1994:80, punt 17) was sprake van een onzekere vergoeding omdat tussen Tolsma en voorbijgangers geen sprake was van een overeenkomst op grond waarvan zij gehouden waren een vergoeding te geven voor de muziek die Tolsma ten gehore bracht. Deze voorbijgangers gaven vrijwillig geld. In de zaak Cibo Participations was het bedrag van het dividend onvoorzienbaar en het recht op dividend enkel het gevolg van het houden van de deelnemingen en niet afhankelijk van een dienst die wordt verricht door een aandeelhouder. In Baštová (HvJ 10 november 2016, C432/15, Baštová, ECLI:EU:C:2016:855, punt 38) bestaat de onzekerheid omdat (punt 37) het prijzengeld slechts in de wacht kan worden gesleept indien een bijzondere prestatie wordt neergezet en wanneer in zekere zin alle omstandigheden meevallen.

4.5.
Het Hof is van oordeel dat sprake is van een dienst onder bezwarende titel. Belanghebbende komt, anders dan in de zaak Tolsma, met cliënten overeen dat zij juridische procedures voor de cliënten voert waarvoor de cliënt naast een vaste vergoeding ook een bedrag verschuldigd is bij een succesvolle afloop van de procedure. De hoogte van het bedrag dat een cliënt aan belanghebbende dient te vergoeden, is een percentage van het behaalde resultaat. Gelet op een en ander bestaat naar het oordeel van het Hof een rechtstreeks verband tussen de vergoeding die belanghebbende ontvangt en de door haar verrichte dienst. Dat het al dan niet ontvangen van dit bedrag en de hoogte van het bedrag afhankelijk is van het resultaat van de procedure en het aldus vooraf onzeker is of dit bedrag zal worden ontvangen, maakt niet dat er geen rechtstreeks verband bestaat. Het hier aan de orde zijnde geval onderscheidt zich daarmee van het geval van het Baštová-arrest. In dat arrest werd geoordeeld dat er voor de aan de orde zijnde dienst (de terbeschikkingstelling van het paard) als zodanig geen directe vergoeding werd ontvangen; tussen het wel ontvangen bedrag (prijzengeld) en die dienst (de terbeschikkingstelling van het paard) werd geen rechtstreeks verband aanwezig geoordeeld. In het onderhavige geval is wel sprake van een vergoeding die rechtstreeks verband houdt met de dienst als zodanig (werkzaamheden in verband met het voeren van een juridische procedure). Anders dan in het Baštová-arrest is in onderhavige geval geen sprake van een bedrag dat alleen in de wacht wordt gesleept indien een bijzondere prestatie wordt neergezet waarbij alle omstandigheden mee moeten zitten. Het bedrag bij winst behoort derhalve tot de vergoeding die belanghebbende ontvangt als tegenprestatie voor haar juridische werkzaamheden.

4.6.
Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen terecht opgelegd. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. Het Hof merkt daarbij nog op dat artikel 7:12 van de Awb op de bezwaarfase ziet, zodat dit artikel niet relevant is voor een gesteld motiveringsgebrek van de Rechtbank. Artikel 121 van de Grondwet is uitgewerkt in artikel 8:77 van de Awb en aan de voorwaarden van artikel 8:77 van de Awb is voldaan.

Heffingsrente/Belastingrente

4.7.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente/belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige materiële grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2021

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 november 2021

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHARL:2021:10458

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
AWB – 17 _ 2062
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:10458, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Wet omzetbelasting. Juridische dienstverlening door eiseres. Speciale formule voor de betaling met een vast bedrag vooraf (een hoger of een lager bedrag) en een bedrag achteraf bij positief resultaat (percentage bij winst, ook aangeduid als no cure no pay). Belastbaarheid voor de omzetbelasting van het extra bedrag dat de cliënten van eiseres moeten betalen als de procedure wordt gewonnen of als een schikking wordt bereikt? Rechtstreeks verband met de juridische dienstverlening? Ja, want er bestaat een koppeling tussen de twee bedragen. Eiseres neemt de zaak niet aan voor een vast bedrag als de cliënt niet akkoord gaat met het bedrag achteraf bij positief resultaat. Ook is het bedrag bij winst hoger als de cliënt kiest voor het lage vaste bedrag. Beroep op het Baštová-arrest baat eiseres niet, want daar was de situatie anders (geen vast bedrag).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-11-2018
V-N Vandaag 2018/2486
FutD 2018-3038
FutD 2018-3039
NTFR 2018/2827 met annotatie van drs C. Verweij
NLF 2018/2480 met annotatie van
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/2062 en AWB 17/2063

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 12 november 2018
in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiseres,
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 20.443, alsmede bij beschikking een boete van € 2.044. Tevens is bij beschikking € 3.101 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 maart 2017 de naheffingsaanslag gehandhaafd en hij heeft de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 45.254, alsmede bij beschikking een boete van € 4.525. Tevens is bij beschikking € 4.434 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2017 de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

Eiseres heeft met betrekking tot beide naheffingsaanslagen beroep ingesteld bij brief van 14 april 2017, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2018.

Eiseres is verschenen, vergezeld door haar echtgenote, [Y] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen
Feiten

1. Eiseres drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [B] . Zij verstrekt juridisch advies en verleent juridische diensten. Zij verricht met name werkzaamheden voor gedupeerden van aandelenlease-transacties.

2. Voor de betaling van die diensten kunnen de cliënten van eiseres kiezen tussen betaling van het gewone uurtarief of voor een speciale formule. Bij die speciale formule spreekt eiseres met de cliënten af dat zij vooraf aan eiseres een vast bedrag betalen voor een gesprek, de vaste kosten en kosten van de procedure (hierna: de vaste vergoeding) en dat zij achteraf aanvullend een bepaald percentage van het behaalde resultaat (de opbrengst) betalen, dus als sprake is van een positieve schikking of uitspraak (hierna: het bedrag bij winst).

3. De cliënten kunnen bij de speciale formule kiezen tussen twee hoogtes voor de vaste vergoeding: een laag en een hoog vast bedrag. Indien voor het lage vaste bedrag wordt gekozen, dan zijn de percentages voor het bedrag bij winst hoger dan als voor het hoge vaste bedrag wordt gekozen.

4. De opbrengst van een procedure wordt naar een bankrekening van Stichting Derdengelden [B] overgemaakt. [B] betaalt vervolgens de opbrengst minus het bedrag bij winst, dat in de algemene voorwaarden wordt aangeduid als “no cure, no pay” bedrag, door aan de cliënt.

5. Eiseres heeft alleen omzetbelasting voldaan over de vaste vergoeding die zij aan haar cliënten heeft gefactureerd. Over het bedrag bij winst, dat zij heeft ontvangen bij een gunstige afloop, heeft zij geen omzetbelasting voldaan. Zij heeft alle ontvangen bedragen, inclusief de “no cure no pay” bedragen, wel aangegeven bij haar aangifte inkomstenbelasting.

6. Op 23 november 2015 is bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld waarbij onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 is onderzocht. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 23 mei 2016. De conclusie van het rapport is dat ook omzetbelasting moet worden voldaan over het bedrag bij winst. Voor de inkomstenbelasting is in zoverre een teruggaaf verleend, omdat de alsnog te betalen omzetbelasting in mindering is gebracht op de inkomsten.

7. Op 25 juni 2016 zijn de naheffingsaanslagen over 2011 en over 2012 tot en met 2014 opgelegd.

Geschil

8. In geschil is of eiseres omzetbelasting is verschuldigd over het bedrag bij winst.

9. Eiseres stelt (onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2016, ECLI:EU:C:2016:855, Baštová) dat het gaat om winstdelingen en dat die winstdelingen geen vergoedingen zijn voor haar werkzaamheden. Volgens eiseres staan deze winstdelingen niet in een rechtstreeks verband met de door haar geleverde prestaties. Een gunstige uitspraak of schikking kan wel het gevolg zijn van de werkzaamheden van eiseres, maar dat wil niet zeggen dat de financiële vergoedingen tegenprestaties zijn voor de werkzaamheden. Voor haar werkzaamheden is al een tegenprestatie bedongen (het vaste bedrag) en voor dezelfde werkzaamheden wordt door haar niet nogmaals een vergoeding bedongen. Eiseres verwijst voor de uitleg van de met de cliënten gesloten overeenkomst en de betekenis daarvan naar de zogeheten Haviltex-norm, die is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.

10. Verweerder stelt dat ook het bedrag bij winst wel degelijk de vergoeding is voor een prestatie en dat een rechtstreeks verband bestaat met de juridische dienstverlening door eiseres. De totale vergoeding wordt in twee keer voldaan. Al wat eiseres bedingt en ontvangt, behoort tot de vergoeding voor de door haar geleverde prestatie. Volgens verweerder maakt het geen verschil dat een gedeelte van de vergoeding afhankelijk is van het resultaat en dat vooraf onzeker is of dat deel van de vergoeding wordt ontvangen.

Beoordeling van het geschil

11. Duidelijk is dat eiseres juridische diensten verricht voor haar cliënten. Ook staat vast dat zij bij de speciale formule met haar cliënten afspreekt dat zij van hen zowel een vaste vergoeding krijgt voor dat werk, als een percentage van de opbrengst indien zij een positief resultaat boekt. Zowel in de stukken als ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij de zaak alleen aanneemt als de cliënt ook akkoord gaat met de afspraak over de winstdeling. Als een cliënt geen winstdeling wil betalen, moet hij voor haar werkzaamheden betalen volgens haar gewone uurtarief. De meeste cliënten willen echter het risico op verlies van de procedure niet nemen en kiezen daarom voor de formule met het vaste bedrag en de winstdeling. Verder heeft eiseres verklaard dat het klopt dat het percentage van de winstdeling hoger is als de cliënt kiest voor het lage vaste bedrag.

12. De conclusie hieruit is dat de hoogte van het vaste bedrag en de hoogte van het bedrag bij winst aan elkaar zijn gekoppeld en dat de formule met de vaste vergoeding alleen kan worden afgesproken als de cliënt ook akkoord gaat met betaling van een vooraf bepaald deel van de opbrengst (het bedrag bij winst). De rechtbank leidt hieruit af dat het bedrag bij winst behoort tot de vergoeding die eiseres voor haar werkzaamheden ontvangt, zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (Wet OB). Er bestaat dus een rechtstreeks verband tussen de werkzaamheden (de dienst van eiseres aan haar cliënten) en (de ontvangst van) het bedrag bij winst. Dat bedrag bij winst behoort ook tot de tegenprestatie voor die werkzaamheden, net als het vaste bedrag.

13. Aan dit oordeel doet niet af dat eiseres meent dat uit de overeenkomst met haar cliënten kan worden afgeleid dat de winstdeling als een losstaande betaling moet worden gezien, die niet samenhangt met haar werkzaamheden. Zoals hiervoor is geoordeeld, acht de rechtbank een koppeling tussen het vaste bedrag en de vergoeding bij winst (en tussen deze bedragen en de werkzaamheden) op basis van de omstandigheden van dit geval juist wel aanwezig. De uitleg van de overeenkomsten met toepassing van het Haviltex-arrest leidt niet tot een andere uitkomst, omdat het voor de beoordeling van de omzetbelastingvraag niet uitmaakt hoe een en ander is opgeschreven of bedoeld. Het gaat om de feitelijke gang van zaken. Daarbij komt dat uit de tekst van de offerte die als bijlage 12 bij het verweerschrift is overgelegd, ook blijkt dat beide bedragen gekoppeld zijn. En tijdens de zitting heeft eiseres verklaard dat als ze twee aparte overeenkomsten zou hebben gemaakt (één voor de vaste vergoeding en één voor de winstdeling), ze dan wel ervoor zou zorgen dat de cliënt beide overeenkomsten zou tekenen bij het eerste gesprek. Ook dan is er dus een koppeling aanwezig.

14. Het beroep van eiseres op het Baštová-arrest baat eiseres ook niet. In die zaak was namelijk een heel andere situatie aan de orde. Met name was in dat arrest geen sprake van een situatie waarin naast een onzekere vergoeding ook een vaste vergoeding werd betaald. De beslissingen van het Hof van Justitie kunnen daarom niet op de zaak van eiseres worden toegepast. Doordat bij eiseres wel sprake is van een vaste vergoeding, is in ieder geval sprake van een prestatie tegen een vergoeding en dus van een handeling die belastbaar is voor de omzetbelasting. Dat was in de zaak van het Baštová-arrest niet zo. Het Hof van Justitie heeft in die zaak bovendien niets beslist over de vraag of een winstdeling tot de vergoeding moet worden gerekend in een geval zoals dat van eiseres.

15. Verder merkt de rechtbank op dat ook vanuit de cliënten van eiseres bezien sprake is van een koppeling tussen de vaste vergoeding en het bedrag bij winst, waarbij beide bedragen zullen worden ervaren als de vergoeding voor de werkzaamheden van eiseres. De cliënten weten immers dat als zij voor een vaste vergoeding kiezen, zij ook een aanvullend bedrag moeten betalen aan eiseres als de procedure wordt gewonnen of als een schikking wordt bereikt. Voor hen hangt de betaling van dat bedrag bij winst dus rechtstreeks samen met de werkzaamheden die eiseres voor hen doet. Er is overigens ook geen andere reden waarom cliënten bereid zijn eiseres te laten delen in de winst dan als beloning voor (het resultaat van) haar werkzaamheden.

16. Eiseres heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat de naheffingsaanslag veel te laat is opgelegd (pas in juni 2016 is nageheven over de jaren vanaf 2011 tot en met 2014), terwijl uit de aangiften inkomstenbelasting had kunnen worden afgeleid hoe het zat. Deze stelling kan niet tot een voor haar gunstiger oordeel leiden. Verweerder heeft vijf jaar de tijd om na te heffen en de aanslag is binnen die vijfjaarstermijn opgelegd (artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)). Verder is voor naheffing van omzetbelasting geen nieuw feit nodig (een regeling zoals die voor de inkomstenbelasting is opgenomen in artikel 16 van de AWR). Ook is geen sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat er ook andere verklaringen mogelijk waren voor de omstandigheid dat wel inkomstenbelasting maar geen omzetbelasting was voldaan over een deel van de ontvangen bedragen. Zo had sprake kunnen zijn geweest van prestaties die waren vrijgesteld voor de omzetbelasting. Zonder een nader onderzoek kon verweerder dat niet vaststellen.

17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn.

18. Omdat eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 november 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

ECLI:NL:RBGEL:2018:4866