Fotoprints aangeschaft voor persoonlijke behoeften van DGA

Galerij Fotoprints Foto's

 

Fotoprints aangeschaft voor persoonlijke behoeften van DGA

Een DGA is enig aandeelhouder en bestuurder van zijn persoonlijke holding (belanghebbende). De holding is bestuurder van een werkmaatschappij waarin een supermarktfiliaal wordt geëxploiteerd. Holding ontvangt hiervoor een managementvergoeding.

In 2013 kocht de holding bij een galerie voor een bedrag van € 6.500 inclusief btw twee fotoprints. De kosten daarvan boekte de holding op grootboekrekening ‘Overige algemene kosten’ (4332). De fotoprints hangen in de woning van de DGA. De holding bracht de btw in aftrek.

De Belastingdienst heeft de voorbelasting van € 1.128, vermeerderd met € 144 belastingrente, bij de holding nageheven.

Net als de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de Belastingdienst aannemelijk heeft gemaakt dat de fotoprints niet zijn aangeschaft voor de economische activiteiten van de holding, maar voor de DGA en zijn echtgenote. De fotoprints hangen in de woning van de DGA en zijn echtgenote en het is aannemelijk dat zij voldoen aan de eisen die de DGA en zijn echtgenote stellen wat betreft smaak. De holding heeft niet duidelijk kunnen maken wat het verband is tussen de fotoprints en de managementactiviteiten van de holding. De Belastingdienst heeft de btw terecht nageheven.

GerechtshofRechtbank
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
19/01285
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3759, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Aftrek voorbelasting fotoprints. Zijn de fotoprints aangeschaft in verband met de economische activiteiten van belanghebbende of voor de persoonlijke behoeften van haar enig aandeelhouder/bestuurder en zijn echtgenote?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/01285

uitspraakdatum: 26 mei 2020

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 augustus 2019, nummer AWB 18/6319, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht.

1.2.De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en een vergoeding toegekend voor immateriële schade en proceskosten. Ook heeft de Rechtbank de Inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.

1.4.Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze (via beeldbellen) plaatsgevonden op 12 mei 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2Vaststaande feiten

2.1.Belanghebbende is de persoonlijke houdstermaatschappij van [A] (hierna: [A] ), de enig aandeelhouder en tevens statutair bestuurder van belanghebbende. [A] is bij belanghebbende in dienstbetrekking. [A] woont aan de [a-straat 1] te [Z] . Dat adres is tevens het bezoekadres van belanghebbende.

2.2.Belanghebbende is bestuurder van [B] B.V. [A] voert de bestuurswerkzaamheden voor [B] B.V. uit namens belanghebbende. [B] B.V. exploiteert een filiaal van een supermarktketen. [B] B.V. betaalt een managementvergoeding aan belanghebbende.

2.3.In 2013 kocht belanghebbende bij Galerie [C] in [D] voor een bedrag van € 6.500 inclusief omzetbelasting twee fotoprints. De kosten daarvan boekte belanghebbende op grootboekrekening ‘Overige algemene kosten’ (4332). De fotoprints hangen in de woning van [A] . Belanghebbende bracht de omzetbelasting in aftrek.

2.4.De Inspecteur heeft de voorbelasting van € 1.128, vermeerderd met € 144 belastingrente, bij belanghebbende nageheven. De Inspecteur legde voorts een naheffingsaanslag in de loonheffingen aan belanghebbende op.

2.5.Bij uitspraak van 25 mei 2018 (AWB 17/5052) oordeelde de Rechtbank dat de naheffingsaanslag in de loonheffingen terecht aan belanghebbende is opgelegd omdat belanghebbende de fotoprints als eigenaar aan [A] ter beschikking heeft gesteld. De Rechtbank stelde het loonvoordeel in goede justitie vast op € 240, zodat de naheffingsaanslag in de loonheffingen in zoverre terecht was opgelegd.

2.6.De Rechtbank oordeelde voor de omzetbelasting dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat niet belanghebbende, maar [A] de afnemer van de fotoprints is. Belanghebbende op haar beurt heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een verband is met haar belaste prestaties. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

3Geschil

In hoger beroep is uitsluitend in geschil of belanghebbende de fotoprints heeft aangeschaft in verband met haar economische activiteiten of voor de persoonlijke doeleinden van [A] en zijn echtgenote.

4Beoordeling van het geschil

4.1.Belanghebbende heeft gesteld dat de fotoprints eerst drie maanden in het kantoor van het AH-filiaal hebben gehangen waarover [A] de leiding heeft en vervolgens zijn overgebracht naar de woning van [A] en zijn echtgenote. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat de fotoprints in 2014 zijn overgebracht naar de woning van [A] omdat de woning toen pas klaar was en dat de fotoprints daarom eerst in het AH-filiaal hebben gehangen. De fotoprints zijn aangeschaft voor bedrijfsdoeleinden. [A] en zijn echtgenote hadden nooit zoveel voor dergelijke voorwerpen betaald. Na aanschaf heeft belanghebbende vastgesteld dat de fotoprints geen kunstvoorwerpen zijn, omdat het algemene tarief is toegepast. Belanghebbende is nog steeds de eigenaar van de twee fotoprints. Ieder jaar wordt het door de Rechtbank vastgestelde voordeel in de loonheffingen betrokken. De Inspecteur bestrijdt het standpunt van belanghebbende. De fotoprints zijn, volgens de Inspecteur, voor de persoonlijke behoeften van [A] en zijn echtgenote aangeschaft.

4.2.Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de fotoprints niet zijn aangeschaft voor de economische activiteiten van belanghebbende, maar voor [A] en zijn echtgenote. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat de fotoprints eerst in het kantoor van het AH-filiaal hebben gehangen omdat de woning pas in 2014 kon worden betrokken. Dit is een sterke aanwijzing dat de fotoprints voor de stoffering van de woning van [A] en zijn echtgenote zijn aangeschaft. De opmerking van belanghebbende dat [A] en zijn echtgenote nooit zoveel zouden uitgeven voor dergelijke voorwerpen, onderstreept dit juist in plaats van dit te weerleggen. Via belanghebbende hebben [A] en zijn echtgenote voorwerpen aangeschaft waarvoor zij zelf nooit hadden willen betalen. De fotoprints hangen in de woning van [A] en zijn echtgenote en het is aannemelijk dat zij voldoen aan de eisen die [A] en zijn echtgenote stellen wat betreft smaak. Belanghebbende heeft niet duidelijk kunnen maken wat het verband is tussen de fotoprints en de managementactiviteiten van belanghebbende. De Inspecteur heeft de omzetbelasting terecht nageheven.

4.3.Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 26 mei 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 mei 2020

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Niet gepubliceerd.