Geen aftrek btw bij self-billing en verrekening in frauduleuze keten; bewijsnood verworpen

Geen aftrek btw bij self-billing en verrekening in frauduleuze keten; bewijsnood verworpen

Belanghebbende, onderdeel van een fiscale eenheid die handelt in metalen, heeft over de periode 2020-2022 aanzienlijke bedragen aan voorbelasting in aftrek gebracht. Deze aftrek was gebaseerd op ‘self-billing’ facturen voor leveringen door vier specifieke leveranciers, waarbij de betalingen administratief werden afgewikkeld via verrekeningsovereenkomsten. Uit strafrechtelijk onderzoek bleek echter dat bij deze leveranciers sprake was van grootschalige onregelmatigheden, waaronder het gebruik van katvangers, het ontbreken van transportdocumenten, blanco CMR’s en cirkelvormige geldstromen die duiden op btw-fraude. De Belastingdienst heeft de teruggaafverzoeken geweigerd, primair omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, en subsidiair wegens betrokkenheid bij btw-fraude.

In geschil is of de Belastingdienst de aftrek van voorbelasting terecht heeft geweigerd. De bewijslast staat centraal. Belanghebbende stelt dat zij aan haar bewijslast heeft voldaan door het overleggen van de self-billing facturen en verrekeningsovereenkomsten. Daarnaast beroept zij zich op ‘bewijsnood’, aangezien haar volledige administratie door de FIOD in beslag is genomen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, waardoor zij geen aanvullende stukken (zoals vrachtbrieven of weegbonnen) kan overleggen.

Gerechtshof Den Haag bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de bewijslast voor de aftrek van voorbelasting bij de ondernemer ligt, in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2461) en het Unierecht. Volgens jurisprudentie van het HvJ moet vaststaan dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, waaronder de daadwerkelijke levering van goederen (zie o.a. Evita-K, C-78/12 en Stroy trans, C-642/11). Het Hof verwerpt het beroep op bewijsnood; de Belastingdienst had reeds vóór de inbeslagname om informatie verzocht en uit het strafdossier blijkt niet dat er ontlastende transportdocumenten bestaan. Gezien de fraudesignalen, zoals verklaringen van katvangers die leveringen ontkennen en blanco CMR’s, vormen enkel self-billing facturen en verrekeningsovereenkomsten onvoldoende bewijs voor het bestaan van de leveringen.

Gerechtshof

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2025
Datum publicatie
02-02-2026
Zaaknummer
BK-24/740 tot en met BK-24/750
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:18624, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
De teruggaafverzoeken omzetbelasting zijn terecht geweigerd, omdat niet aannemelijk is geworden dat de leveringen aan belanghebbende daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Van de door belanghebbende gestelde bewijsnood is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026020307
V-N Vandaag 2026/208
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-24/740 tot en met 24/750

Uitspraak van 17 december 2025
in het geding tussen:

[X B.V.] , c.s. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: B.F.M. de Koning)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 juli 2024, nummers SGR 23/2304 tot en met SGR 23/2314.

Procesverloop
1.1.
Belanghebbende heeft over de periode van maart 2020 tot en met januari 2022 elf keer een maandaangifte omzetbelasting ingediend waarin een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan. In die aangiften zijn de volgende verzoeken om teruggaaf gedaan:

Tijdvak

Teruggaaf

Maart 2020

€ 280.200

Augustus 2020

€ 265.733

December 2020

€ 388.064

Juni 2021

€ 457.631

Juli 2021

€ 570.682

Augustus 2021

€ 266.509

September 2021

€ 95.168

Oktober 2021

€ 155.335

November 2021

€ 271.424

December 2021

€ 202.329

Januari 2022

€ 199.371

1.2.
De Inspecteur heeft de verzoeken om teruggaaf bij beschikkingen afgewezen.

1.3.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de beschikkingen afgewezen.

1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 559. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 oktober 2025 een nader stuk ingediend.

1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 6 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten
2.1.
Belanghebbende is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). In de periode waar de verzoeken om teruggaaf op zien, bestond belanghebbende uit [Holding B.V.] (Holding) en haar beide dochtermaatschappijen [Handel B.V.] ( [Handel] ) en [Beheer B.V.] (Beheer).

2.2.
Op 30 november 2022 is het faillissement van [Handel] uitgesproken. Vanaf dat moment

bestaat belanghebbende nog uit Holding en Beheer.

2.3.
De ondernemingsactiviteiten van [Handel] bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit:

– Groothandel in ferrometalen en -halffabricaten;

– Handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten;

– Het in- en verkopen van oude metalen; en

– Het optreden als commissionair op het gebied van oude metalen.

2.4.1.
Belanghebbende heeft in haar maandaangiften de in 1.1 vermelde verzoeken om teruggaaf gedaan. De Inspecteur heeft op 9 oktober 2020 (tijdvak augustus 2020), 4 februari 2021 (tijdvak december 2020), 9 augustus 2021 (tijdvak juni 2021), 13 september 2021 (tijdvak juli 2021), 11 oktober 2021 (tijdvak augustus 2021), 9 november 2021 (tijdvak september 2021), 15 december 2021 (tijdvak oktober 2021), 11 januari 2022 (tijdvak november 2021), 9 februari 2022 (tijdvak december 2021) en 9 maart 2022 (tijdvak januari 2022) verzocht om aanvullende informatie bij de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting. In antwoord daarop heeft belanghebbende hem onder meer alle facturen toegezonden die op de transacties in de genoemde elf maanden betrekking hebben. De facturen maken melding van transacties tussen [Handel] en de volgende vier ondernemers:

– [B.V. 1]

– [B.V. 2]

– [B.V. 3]

– de heer [A] , handelende onder de naam [Bedrijf 4]

Belanghebbende verzoekt om een teruggaaf van in totaal € 3.152.446. De verdeling van de voorbelasting van € 3.152.446 per tijdvak en ondernemer is als volgt:

Tijdvak

voorbelasting

ondernemer

Maart 2020

€ 280.200

[B.V. 1]

Augustus 2020

€ 265.733

[B.V. 1]

December 2020

€ 388.064

[B.V. 1]

Juni 2021

€ 457.631

[B.V. 2] en [B.V. 3]

Juli 2021

€ 570.682

[B.V. 2] en [B.V. 3]

Augustus 2021

€ 266.509

[B.V. 3]

September 2021

€ 95.168

[B.V. 3]

Oktober 2021

€ 155.335

[B.V. 3] en [Bedrijf 4]

November 2021

€ 271.424

[Bedrijf 4]

December 2021

€ 202.329

[Bedrijf 4]

Januari 2022

€ 199.371

[Bedrijf 4]

2.4.2.
Volgens de facturen hebben de genoemde vier ondernemers in de vermelde maanden steeds zowel aan [Handel] leveringen verricht, als goederen van [Handel] betrokken. De facturen voor de leveringen aan [Handel] werden door [Handel] opgesteld (‘self-billing’). De facturen ter zake van de leveringen door [Handel] aan de genoemde vier ondernemers werden eveneens door [Handel] opgesteld.

2.5.
Tot de stukken van het geding behoren overeenkomsten tussen [Handel] en de vier ondernemers op grond waarvan maandelijks de op de aan- en verkoopfacturen vermelde en over en weer verschuldigde bedragen werden verrekend.

2.6.
De Inspecteur heeft aanvankelijk de verzoeken om teruggaaf geweigerd, omdat volgens hem de vier hiervoor genoemde ondernemers btw-fraude hadden gepleegd en [Handel] wist of had moeten weten dat zij met de aan- en verkoop van deze goederen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, althans dat zij niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij door de handelingen die zij verrichtte niet betrokken raakte bij belastingfraude.

2.7.
Met dagtekening van 15 november 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten voor de beoordeling van de bezwaarschriften, die belanghebbende tegen de weigering had ingediend, nadere informatie nodig te hebben en heeft hij haar gevraagd om:

“ – Alle correspondentie en schriftelijke vastlegging met betrekking tot de quotaties van de orders, de kwaliteitscontrole van de goederen door de leveranciers of [Handel] , de inspectie van de goederen, vastlegging van het land van herkomst van de goederen en vastlegging van tijdstip en plaats van de leveringen;

– Alle informatie, correspondentie en overige stukken over de wijze waarop deze leveringen tot stand zijn gekomen;

– Alle interne en externe correspondentie met betrekking tot deze leveringen;

– De schriftelijke vastlegging van de leveringen aan [Handel] ;

– Indien is afgeweken van de algemene voorwaarden de schriftelijke vastlegging hiervan;

– Indien mondeling afspraken zijn gemaakt de schriftelijke vastlegging hiervan.”

2.8.
In de e-mail van 25 november 2022 liet de Inspecteur in reactie op een bericht van belanghebbende van de dag ervoor weten dat zijn verzoek om informatie betrekking had “op de beoordeling van de voorbelasting in kwestie” en bood hij haar de gelegenheid alsnog aan het verzoek om informatie te voldoen. Belanghebbende heeft in haar e-mail van 29 november 2022 aan de Inspecteur laten weten dat hij wat haar betreft uitspraak op de bezwaarschriften kon doen op basis van het dossier zoals hem dat op dat moment ter beschikking stond. De daaropvolgende uitnodigingen van de Inspecteur voor een hoorzitting zijn zonder reactie gebleven.

2.9.1.
Bij brief van 3 februari 2023 aan de curator van [Handel] kondigde de Inspecteur aan de bezwaarschriften te zullen afwijzen en gaf hij de motivering daarvoor. In deze brief stelde hij voorop:

“Ik kom tot de conclusie dat [Handel] geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. [Handel] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de materiële vereisten van artikel 15 Wet OB is voldaan. Meer specifiek neem ik het standpunt in dat [Handel] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen daadwerkelijk zijn geleverd aan [Handel] .”

2.9.2.
Voorts handhaafde de Inspecteur, subsidiair, zijn standpunt dat [Handel] had moeten weten dat haar leveranciers btw-fraude pleegden, althans niet alles had gedaan dat redelijkerwijs van haar verwacht had kunnen worden om niet bij dergelijke fraude betrokken te raken. De Inspecteur heeft de bezwaren vervolgens afgewezen.

Onderzoek [naam onderzoek]

2.10.
Het Team Financieel-economische Criminaliteit van de Politie heeft onderzoek gedaan naar onder meer de (handels)activiteiten van [Handel] en de bij deze onderneming betrokken personen en handelspartners.

2.11.
Het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] vermeldt onder meer:

“Samenvatting
Door [Handel] worden grote sommen geld (in totaal bijna EUR 26 miljoen en USD 825.000) overgemaakt naar de [buitenlandse] bankrekening van [Ltd. 5] uit [buitenland 1] (hierna te noemen: ” [Ltd. 5] “). De documentatie doet vermoeden dat deze betalingen zien op goud- en kabelaankopen door [Handel] bij [Ltd. 5] . Op haar beurt lijkt [Ltd. 5] goud en kabel te kopen van [Ltd. 6] (hierna te noemen: ” [Ltd. 6] “) van de [buitenland 2] . [Handel] verkoopt het goud en kabel vervolgens door aan een viertal bedrijven in Nederland (en éénmaal aan een bedrijf in [buitenland 3] ). [Handel] koopt bij deze bedrijven juist andere metalen in en verkoopt deze vervolgens door aan [Ltd. 5] , die het op haar beurt weer aan [Ltd. 6] verkoopt. Deze goederenstroom loopt derhalve in tegengestelde richting aan de goud- en kabelstroom. Alle partijen in deze keten hebben overeenkomsten van verrekening met hun handelspartners gesloten. De verschuldigde betalingen voor de aan- en verkopen van goud en kabel worden op basis hiervan verrekend met de verschuldigde betalingen voor de aan- en verkopen van andere metalen. Vereenvoudigd is deze keten als volgt schematisch weer te geven:

[Afbeelding verwijderd in verband met pseudonimisering]

Het ziet er naar uit dat [Handel] , ook na verrekening, meer verschuldigd is aan [Ltd. 5] dan andersom. Over de periode medio 2019 tot en met begin 2022 maakt [Handel] immers in totaal bijna EUR 26 miljoen en USD 825.000 over naar [Ltd. 5] . In diezelfde periode zijn slechts drie overboekingen van [Ltd. 5] naar [Handel] geweest van totaal ruim GPS 252.000. Hierbij dient te worden opgemerkt dat [Handel] en [Ltd. 5] ook contante betalingen kunnen hebben gedaan, maar hierover is op dit moment nog niets te zeggen.

Er zijn echter diverse aanwijzingen dat de goud- en kabel(door-)leveringen in het geheel niet hebben plaatsgevonden of in ieder geval niet in de omvang zoals die wordt voorgesteld:

1. [Handel] heeft geen bedrijfseconomische reden voor de aan- en verkoop van goud, omdat de winst marginaal is;

2. Het door [Handel] aan derden geleverde goud wordt niet doorverkocht, althans dit is niet te zien op de bankrekeningen van deze derden;

3. De door derden aan [Handel] geleverde andere metalen worden niet ingekocht, althans dit is niet te zien op de bankrekeningen van deze derden;

4. Weegbonnen en transportdocumenten ontbreken;

5. Het door [Handel] ingekochte goud ligt al op de werf van [Handel] ;

6. Transport van andere metalen van [Ltd. 5] naar [Ltd. 6] moet naar het adres van een schoenzolenfabrikant in [buitenland 4] ;

7. Transporten van andere metalen hebben niet plaatsgevonden, dus de goud- en kabeltransporten waarmee wordt verrekend vermoedelijk ook niet;

8. [Ltd. 6] betaalt aan [FZE 7] van [B] (die zoals eerder beschreven in Encrochat en Sky ECC voorkomt met betrekking tot witwassen en verdovende middelen en over geld in [buitenland 5] wil beschikken);

9. [Ltd. 6] betaalt aan [FZCO 8] en [FZCO 9] . Alle drie de bedrijven komen voor in Sky ECC met betrekking tot gefingeerde goudcontracten;

10. [Ltd. 5] komt in Sky ECC onder andere voor met betrekking tot de aankoop van suiker, terwijl [Ltd. 5] en [Handel] niet in suiker handelen.”

2.12.
Het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] vermeldt onder meer:

“ [Handel B.V.] levert op papier metalen aan [Ltd. 5] , een

onderneming van [C] . Deze metalen moeten in opdracht van [Ltd. 5] worden vervoerd naar het vestigingsadres (postbus) van de onderneming [SRO 10] in [buitenland 6] , welke op papier onder leiding staat van [D] . Transporteurs die door [Ltd. 5] voor deze transporten zijn ingeschakeld betreffen transportondernemingen in [buitenland 6] . Zij zijn benaderd door de autoriteiten in [buitenland 6] en geconfronteerd met de transportdocumenten. Zij ontkennen dat de transportdocumenten van hen zijn en dat zij de transporten hebben uitgevoerd. Zij geven ook aan geen zakelijke relatie met [Ltd. 5] en/of [Handel B.V.] te onderhouden.

[Ltd. 5] heeft op papier de metalen doorverkocht aan [Ltd. 6] , een onderneming welke op papier onder leiding staat van [D] .

[Ltd. 5] verkoopt goud aan [Handel B.V.] . Er zijn wel facturen en afleverbewijzen aangetroffen van deze verkopen maar geen transportdocumenten. Gebleken is dat [Handel B.V.] dit goud heeft doorverkocht aan ondernemingen in Nederland. De Belastingdienst heeft getracht deze handel te verifiëren in de administraties van deze ondernemingen maar de administraties van deze ondernemingen zijn niet aangetroffen, onvolledig en/of verdwenen.

Uit analyse van de bankrekeningen van deze ondernemingen zijn geen ontvangsten uit de verkopen van goud gebleken. Daarmee wordt het vermoeden versterkt dat goudleveringen niet hebben plaatsgevonden. Voornoemde Nederlandse ondernemingen zijn veelal ook de ondernemingen waar [Handel B.V.] haar metalen heeft ingekocht die zij doorverkoopt aan [Ltd. 5] .

(…)

Transportondernemingen in [buitenland 6] ( [Transportonderneming 11] , [Transportonderneming 12] en [Transportonderneming 13] ), welke door [Ltd. 5] zouden zijn ingehuurd voor transport van handel met/van [Handel B.V.] naar [SRO 10] , zijn geconfronteerd met transportdocumenten. Alle drie geven aan dat zij de transporten niet hebben uitgevoerd, geen relatie hebben met [Handel B.V.] en/of [Ltd. 5] en dat de stempels op de CMR documenten niet van hen zijn.

Een transportonderneming in [buitenland 4] ( [Transportonderneming 14] ), welke door [Ltd. 5] zou zijn ingehuurd voor handel met [B.V. 15] naar [SRO 10] , geeft aan dat transporten wel zijn uitgevoerd maar dat de materialen zijn afgeleverd bij [B.V. 1] in Nederland en niet in [buitenland 6] zoals het CMR-document vermeldt. [E] zou de vertegenwoordiger van [Ltd. 5] zijn en hij voerde alle contacten met [Transportonderneming 14] .

De transporten in opdracht van [Ltd. 5] vermelden op de transportdocumenten dat de materialen afgeleverd moeten worden bij [SRO 16] (danwel [SRO 10] / [SRO 17] ) in [buitenland 6] op het adres van deze onderneming, te weten [adres] in [buitenlandse woonplaats] . Deze locatie betreft een virtueel kantoor zonder opslagruimtes. Uit het controlesysteem voor btw-nummers (VIES) zijn geen aangiftes van goederen of diensten van de andere lidstaten voor deze onderneming gebleken. De Belastingdienst in [buitenland 6] heeft geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat transporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.”

2.13.
Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer […] vermeldt onder meer:

“Op 11 en 12 oktober 2022 vond een doorzoeking plaats bij [ [Handel] ] (…)

Tijdens deze doorzoeking is administratie in beslag genomen, waaronder administratie uit het kantoor van [F] (…).

Op de grote tafel werd een stapel papieren aangetroffen en in beslaggenomen (…). Het grootste deel van deze stapel papieren betroffen 69 leveringsbonnen.

De leveringsbonnen betreffen bewijzen dat door [Handel] goederen zijn geleverd aan een afnemer. Zowel de leverancier als de afnemer dienen voor de levering te tekenen. Alle leveringsbonnen zijn blanco op de naam en de handtekening van de afnemer na. De afnemer op alle leveringsbonnen is [G-1] . Onder zijn naam staat een handtekening. Als de naam [G-2] in blauwe kleur is geschreven, dan is de handtekening ook in de blauwe kleur. Als de naam [G-1] in zwarte kleur is geschreven, dan is de handtekening ook in zwarte kleur.

Alle handtekeningen lijken op elkaar, met dien verstande dat meestal de handtekening uit de letters T en F bestaat en enkele malen is de volledige naam van [G] in de handtekening verwerkt.

Uit bovenstaande blijkt dat [G-1] kennelijk al getekend voor de ontvangst van goederen afkomstig van [Handel] die nog niet geleverd zijn.”

Bevindingen [B.V. 1]

2.14.1.
Van 3 januari 2020 tot en met 8 april 2021 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van metalen van [B.V. 1]

2.14.2.
Bestuurders van [B.V. 1] waren van 26 november 2019 tot en met 1 januari 2020 [B.V. 18] , van 1 januari 2020 tot en met 1 april 2021 de heer [G-1] en vanaf 1 april 2021 [Stichting 19] . Bestuurder van [Stichting 19] is de heer [H] .

2.14.3.
Aandeelhouder van [B.V. 1] was van 26 november 2019 tot en met 23 juni 2020 [B.V. 18] en van 23 juni 2020 tot en met 1 juli 2021 [B.V. 18] voor 25% en de heer [G-1] voor 75%. Directeur en aandeelhouder van [B.V. 18] is de heer [I] .

2.14.4.
Op 27 september 2021 is bij de KvK geregistreerd dat [B.V. 1]

is ontbonden door middel van een ontbindingsbesluit. In het Handelsregister van de KvK is opgenomen “op 27-09-2021 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 1-7-2021”.

2.15.1.
Tijdens de doorzoeking bij [Handel] zijn diverse weegbonnen aangetroffen waarbij is aangegeven dat [B.V. 1] de opdrachtgever is voor het transporteren van metalen naar belanghebbende. Deze weegbonnen zijn blauw van kleur en er staat “Origineel” op geschreven. Achter diverse weegbonnen zitten witte weegbonnen met dezelfde gegevens, echter met een andere opdrachtgever dan [B.V. 1] De opdrachtgevers zijn dan [Bedrijf 20] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 21] .

2.15.2.
Daarnaast werd in de kantoorruimte van [F] blanco briefpapier van [B.V. 1] aangetroffen.

2.15.3.
Tijdens de doorzoeking bij belanghebbende zijn ook diverse CMR’s aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] staat hierover het volgende vermeld:

“Een CMR bestaat uit 4 delen:

Deel 1: rode opdruk voor afzender

Deel 2: blauwe opdruk voor ontvanger

Deel 3: groene opdruk voor vervoerder

Deel 4: zwarte opdruk voor tweede vervoerder (indien aanwezig)

Uit de aangetroffen CMR’s blijkt dat telkens [SRO 17] de opdrachtgever is voor het transporteren van metalen naar [Handel] . De transporten zijn uitgevoerd door:

(…)

Opvallend is dat zowel deel 1 (bedoeld voor de afzender/opdrachtgever), deel 3 (bedoeld voor de vervoerder) en deel 4 (voor een eventuele tweede vervoerder) aanwezig waren, terwijl deel 2 (voor de ontvanger) bij verreweg de meeste CMR’s ontbreken.

Deel 1 zou in het bezit moeten zijn van [SRO 17] .

Deel 2 zou in het bezit moeten zijn van [Handel] .

Deel 3 en 4 zouden in het bezit moeten zijn van de vervoerders. (…)”

2.16.
Uit de bankrekeningen van [B.V. 1] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.

Bevindingen [B.V. 2]

2.17.
Van 1 april 2021 tot en met 26 juli 2021 heeft belanghebbende self-billing

facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [B.V. 2] Enig aandeelhouder en bestuurder sinds de oprichting is [J] .

2.18.
Op 12 december 2022 en 26 januari 2023 is [J] verhoord in het onderzoek [naam onderzoek] . [J] heeft verklaard dat hij een katvanger is en niets weet van belanghebbende. [J] verklaart dat hij niet weet wat de naam van zijn onderneming is en geeft aan de onderneming nooit te hebben gezien. [J] verklaart niets af te weten van de self-billing facturen van [Handel] . Ook verklaart hij dat de handtekeningen op de

documenten, waaronder de afleverbonnen, niet van hem zijn. [J] geeft aan niets te weten van de handel met belanghebbende en geeft aan ook geen koopovereenkomst te zijn aangegaan met [Handel] . Hij heeft geen kennis van de leveringen van [B.V. 2] aan belanghebbende. Met betrekking tot de stempel op de overeenkomst tussen [Handel] en [B.V. 2] verklaart [J] dat hij deze stempel nooit heeft gezien.

2.19.1.
In een proces-verbaal van bevindingen met BVH nummer […] staat onder meer:

“Op 11 en 12 oktober 2022 vond een doorzoeking plaats bij [Handel B.V.] (hierna: [Handel] )

(…)

In voornoemde kantoorruimte zijn diverse documenten aangetroffen met betrekking tot de onderneming [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ).

(…)

Blanco CMR documenten
Aangetroffen zijn vier originele reeds ingevulde CMR-documenten (deel 1 t/m 4) van afzender [B.V. 2] en ontvanger [Handel] met [B.V. 2] als transporteur. De documenten zijn al ondertekend door de afzender en de transporteur, zijnde [B.V. 2] .”

2.19.2.
Tijdens de voormelde doorzoeking is ook een bedrijfstempel gevonden van [B.V. 2]

2.20.
Uit de bankrekeningen van [B.V. 2] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.

Bevindingen [B.V. 3]

2.21.
Van 31 maart 2021 tot en met 7 oktober 2021 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [B.V. 3]

2.22.
Uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [B.V. 3] een

vennootschap is, waarvan [B.V. 22] de bestuurder en enig aandeelhouder is. Van die Holding is sinds de oprichting de bestuurder en enig aandeelhouder [K] . Sinds 18 september 2020 is [Stichting 19] zelfstandig bevoegd medebestuurder van de Holding. Van die Stichting is [H] de bestuurder.

De correspondentie namens [B.V. 3] wordt gevoerd door [G-1] en [I] hoewel deze personen – op papier – geen bemoeienissen hebben met [B.V. 3] In deze correspondentie worden de verkopen en inkopen in kaart gebracht.

2.23.
Uit de bankrekeningen van [B.V. 3] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.

Bevindingen [Bedrijf 4]

2.24.
Van 1 oktober 2021 tot en met 19 januari 2022 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [Bedrijf 4] . [Bedrijf 4] is de eenmanszaak van [A] .

2.25.
Op 2 februari 2023 is [A] als getuige verhoord in het onderzoek [naam onderzoek]

Hij verklaart tijdens het verhoor dat de naam van belanghebbende ( [Handel] ) hem niets zegt.

Daarbij geeft hij aan niet bekend te zijn met het emailadres van [Bedrijf 4] . [A] geeft aan nooit werkzaam te zijn geweest in de metaalhandel. Hij weet niets af van de omzet, de leveranciers en de afnemers van [Bedrijf 4] . [A] verklaart dat hij tegen een vergoeding van € 200 à 300 zijn handtekening zette onder documenten.

Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“16. Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op degene die vorenbedoeld recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, waaronder de voorwaarde dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting.[1]

17. Eiseres heeft gesteld dat de facturen ter zake van de leveringen aan [Handel] in combinatie met de overeenkomsten van verrekening tussen [Handel] en de vier andere partijen zodanig begin van bewijs vormen dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de leveringen van goederen aan eiseres in werkelijkheid niet hebben plaatsgehad.

18. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De facturen ter zake van de gestelde leveringen aan [Handel] zijn door [Handel] zelf opgesteld (‘self-billing’) en zijn naar de stelling van eiseres geheel betaald door middel van verrekening met facturen ter zake van leveringen dóór [Handel] , aan dezelfde ondernemers die volgens de facturen áán haar geleverd zouden hebben, en welke facturen eveneens door [Handel] zijn opgesteld. Gelet hierop maakt eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, met enkel deze facturen en overeenkomsten van verrekening naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat is voldaan aan de materiële voorwaarde voor het aftrekrecht dat andere ondernemers aan de ondernemer ( [Handel] ) leveringen hebben verricht.

19. Bovendien heeft verweerder de gestelde transacties niet slechts bloot weersproken, maar is door hem gesteld dat de door de vier ondernemers in de desbetreffende periode verantwoorde btw maar een fractie bedraagt wat het had moeten zijn op basis van de facturen; dat één van de vier ondernemers kort na de laatste (gestelde) transacties met eiseres is ontbonden en dat van de andere drie het btw-identificatienummer is ingetrokken; en dat bij de vier ondernemers ten dele dezelfde natuurlijke personen betrokken zijn.

20. Eiseres heeft gesteld dat verweerder te lang heeft gedaan over het nemen van de afwijzende beschikkingen en hij pas in de bezwaarfase het standpunt heeft betrokken dat eiseres de leveringen aan [Handel] met bewijs diende te staven. Hierin volgt de rechtbank eiseres niet. Verweerder heeft eiseres bij brief van 12 oktober 2022 laten weten ter beoordeling van de bezwaarschriften nadere informatie nodig te hebben en heeft gepreciseerd welke gegevens hij in dat verband wenste te ontvangen. Dat waren alle gegevens die licht (kunnen) werpen op de totstandkoming en uitvoering van de gestelde leveringen. In zijn e-mail van 25 november 2022 heeft verweerder verduidelijkt die informatie te hebben gevraagd om het recht op vooraftrek te kunnen beoordelen. Eiseres heeft geen informatie verstrekt en heeft overigens ook niet gereageerd op de uitnodiging van verweerder voor een hoorgesprek. De uitspraak op de bezwaarschriften is er primair mee gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde leveringen aan [Handel] daadwerkelijk hebben plaatsgehad. Daarmee lag het op de weg van eiseres om de door haar gestelde leveringen met bewijs te onderbouwen.

21. Voor zover eiseres met het voorgaande betoogt dat het door het handelen van verweerder voor haar onmogelijk of onevenredig moeilijk is geworden die leveringen aan te tonen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De in de vaststellingsovereenkomsten vermelde bedragen tellen op tot leveringen aan [Handel] door de vier genoemde ondernemers van ruim meer dan € 74,5 mln. De rechtbank acht niet voorstelbaar dat transacties met een dergelijk volume niet in ruime mate voor eiseres eenvoudig beschikbare sporen zouden nalaten, mede in aanmerking genomen dat verweerder om die sporen vroeg toen nog niet drie jaar na de oudste en nog niet een jaar na de meest recente transacties waren verstreken. Wat eiseres over het handelen van de verweerder naar voren heeft gebracht, doet naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet eraan af dat zij bewijs had moeten bijbrengen van het werkelijkheidsgehalte van de door haar gestelde transacties.

22. Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeft het subsidiaire standpunt van eiseres geen behandeling en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] HR 29 september 2017, nr. 15/04099, ECLI:NL:HR:2017:2461.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de onder 1.1 genoemde teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.

4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot toewijzing van de teruggaafverzoeken. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding.

4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
De Rechtbank heeft beslist dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel en de motivering die de Rechtbank daarbij in haar uitspraak in overweging 16 tot en met 21 heeft gegeven. Het Hof vult dit oordeel als volgt aan.

5.2.
Belanghebbende wijst erop dat – samengevat – de Inspecteur meerdere jaren bezig is geweest met de beoordeling van haar teruggaafverzoeken en daarbij steeds wisselende standpunten heeft ingenomen. Belanghebbende verzoekt het Hof deze achtergrond tot uitdrukking te laten komen in de bewijslastverdeling.

5.3.
Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet OB brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat degene, die voormeld recht op aftrek wil uitoefenen, in beginsel de last heeft te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan (HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2461). Het Hof ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van voormelde bewijsregel. Dit geldt te meer gelet op hetgeen is overwogen onder 5.5.1 tot en met 5.6.5.

5.4.
Ter zitting heeft belanghebbende nog aangevoerd dat zij niet meer informatie heeft met betrekking tot de leveringen waarvoor zij omzetbelasting in aftrek wil brengen omdat haar volledige administratie in beslag is genomen in verband met het strafrechtelijk onderzoek [naam onderzoek] . Bovendien heeft het lang geduurd voordat de Inspecteur vragen ging stellen over de geclaimde aftrek van omzetbelasting, aldus nog steeds belanghebbende.

5.5.1.
Dat belanghebbende als gevolg van de inbeslagname van haar volledige administratie in bewijsnood verkeert, vindt het Hof niet aannemelijk. Uit het strafrechtelijk onderzoek volgt namelijk niet dat in de administratie van belanghebbende meer stukken zijn gevonden met betrekking tot de desbetreffende leveringen dan belanghebbende al heeft overgelegd. Voor zover in de administratie van belanghebbende wel andere informatie is gevonden met betrekking tot die leveringen, is op basis van die informatie niet aannemelijk dat [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] daadwerkelijk leveringen hebben verricht aan [Handel] . Daar komt bij dat de inbeslagname van de administratie heeft plaatsgevonden op 11 en 12 oktober 2022 (2.13), terwijl de Inspecteur op 15 november 2022 (2.7) heeft verzocht om meer informatie met betrekking tot de genoemde leveringen. Dat belanghebbende nu voor het eerst ter zitting van het Hof aanvoert dat sprake zou zijn van bewijsnood omdat haar administratie in beslag is genomen, is dan ook niet geloofwaardig.

5.5.2.
Dat belanghebbende door toedoen van de Inspecteur in bewijsnood is gekomen omdat het lang heeft geduurd voordat de Inspecteur vragen ging stellen over geclaimde aftrek van omzetbelasting, vindt het Hof ook niet aannemelijk. De Inspecteur heeft ter zitting toegelicht, en dit volgt ook uit het dossier (2.4.1), dat hij met betrekking tot tien van de elf aangiften binnen een jaar na ontvangst van de aangifte heeft verzocht om aanvullende informatie. Vervolgens heeft hij in november 2022 (nogmaals) gelegenheid geboden aan belanghebbende om aanvullende informatie te verstrekken waaraan belanghebbende geen behoefte had (2.8).

5.5.3.
Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat uit de overgelegde facturen volgt dat goederen zijn geleverd en de wijze waarop daarvoor is betaald. De Rechtbank motiveert volgens belanghebbende niet waarom deze informatie niet volstaat om het bestaan van de leveringen aannemelijk te maken.

5.6.1.
Anders dan belanghebbende meent, heeft de Rechtbank in overweging 18 en 19 van haar uitspraak voldoende gemotiveerd waarom de door belanghebbende overgelegde ‘self-billing’ facturen niet volstaan om aannemelijk te maken dat [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] leveringen hebben verricht aan [Handel] .

5.6.2.
Daar komt bij dat uit het onderzoek [naam onderzoek] , dat de Inspecteur in hoger beroep heeft ingebracht, volgt dat:

 sprake is van onregelmatigheden in de documentatie van de transporten tussen [B.V. 1] en [Handel] ;

 de enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 2] onder meer heeft verklaard niets af te weten van de self-billing facturen, dat de handtekeningen op de documenten, waaronder de afleverbonnen, niet van hem zijn en dat hij geen koopovereenkomst is aangegaan met [Handel] ;

 tijdens een doorzoeking bij [Handel] blanco CMR-documenten zijn aangetroffen die zijn ondertekend door de afzender en transporteur, zijnde [B.V. 2] ;

 tijdens een doorzoeking bij [Handel] een bedrijfsstempel van [B.V. 2] is gevonden en de enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 2] heeft verklaard deze bedrijfsstempel nooit te hebben gezien;

 het onduidelijk is hoe [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] aan de grote hoeveelheden metalen zijn gekomen die zij hebben verkocht aan [Handel] aangezien uit de bankrekeningen niet blijkt van inkoop van metalen bij derden;

 de eigenaar van [Bedrijf 4] onder meer heeft verklaard dat hij niet bekend is met [Handel] , niet bekend is met het emailadres van [Bedrijf 4] , nooit werkzaam te zijn geweest in de metaalhandel en niets afweet van de omzet, leveranciers en afnemers van [Bedrijf 4] en hij voor een vergoeding van € 200 à 300 zijn handtekening zette onder documenten.

5.6.3.
Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6.1 en 5.6.2 heeft de Inspecteur gemotiveerd betwist dat de leveringen aan [Handel] door [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] hebben plaatsgevonden. De door belanghebbende zelf opgestelde facturen en de overgelegde verrekeningsovereenkomsten die onder andere zijn ondertekend door zogenaamde ‘katvangers’ zijn, zoals de Rechtbank al heeft overwogen, dan niet voldoende om aannemelijk te maken dat belanghebbende aan de voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek heeft voldaan.

5.6.4.
Bovendien volgt uit de algemene voorwaarden (“ [Handel] 2020 general procurement terms and conditions”) van belanghebbende dat sprake zou zijn van offertes van de orders (artikel 3 van de algemene voorwaarden), vastlegging van het land van herkomst (artikel 4 van de algemene voorwaarden), kwaliteitscontrole van de goederen door de leveranciers of belanghebbende (artikel 5 van de algemene voorwaarden), inspectie van de goederen (artikel 6 van de algemene voorwaarden), vaststelling van het tijdstip en de plaats van de leveringen (artikel 7 van de algemene voorwaarden), garanties met betrekking tot gevaarlijke stoffen (artikel 8 van de algemene voorwaarden) en de vaststelling van het gewicht en de prijs van de goederen.

5.6.5.
Gelet op het standpunt van belanghebbende dat de leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, de algemene voorwaarden en de bedragen waarvoor aan belanghebbende zou zijn geleverd, is het dan onbegrijpelijk dat belanghebbende niet meer stukken kan overleggen met betrekking tot de betwiste leveringen dan de facturen en verrekeningsovereenkomsten.

5.6.6.
Dit geldt temeer omdat belanghebbende onder andere handelt in metalen waarop in bepaalde gevallen, genoemd in artikel 12, lid 5, Wet OB in verbinding met artikel 24 bb, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, een verleggingsregeling geldt. In dit verband heeft belanghebbende zowel self-billing facturen opgesteld met toepassing van de verleggingsregeling als self-billing facturen waarop de verleggingsregeling niet is toegepast. Uit de door belanghebbende opgestelde facturen blijkt onvoldoende om wat voor goederen het gaat, omdat deze niet nader zijn gespecificeerd. Ook bestaan onduidelijkheden met betrekking tot het vervoer van de metalen. Hierdoor is met betrekking tot de gestelde leveringen door [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] aan [Handel] niet duidelijk of daarop voormelde verleggingsregeling van toepassing is. Gelet op de verschillende btw-regimes die belanghebbende toepast, mag van haar worden verwacht dat zij een zorgvuldige administratie bijhoudt van de desbetreffende leveringen door vermelde vier ondernemers. Dat heeft zij nagelaten, waardoor zij de door haar gestelde bewijsnood zelf heeft veroorzaakt.

Slotsom

5.7.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.

De griffier, de voorzitter,

R. Wijkstra L.D.M.A Reijs

De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 – (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. – de naam en het adres van de indiener;

b. – de dagtekening;

c. – de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. – de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHDHA:2025:2836

Scroll naar boven