Geen aftrek voorbelasting want verhuur jacht niet aannemelijk

Jacht motorjacht pleziervaartuig

Geen aftrek voorbelasting want verhuur jacht niet aannemelijk

A BV is de holding van B BV en C BV. A BV heeft een motorjacht gekocht voor een bedrag van € 38.500 van de eenmanszaak die de levering van het jacht gelist heeft als intracommunautaire levering en het 0%-tarief heeft toegepast. De Belastingdienst heeft naar aanleiding van een boekenonderzoek geconcludeerd dat A BV in haar aangiften ten onrechte geen intracommunautaire verwerving in aanmerking heeft genomen, ter zake waarvan zij € 8.085 aan btw verschuldigd is. Daarnaast is geconcludeerd dat A BV in haar aangiften ten onrechte een bedrag van € 53 aan voorbelasting in aftrek heeft gebracht en geen recht heeft op aftrek van voorbelasting ter zake van de intracommunautaire verwerving van het jacht, omdat A BV geen ondernemer is voor de btw. Conform de in het controlerapport voorgestelde correcties heeft de Belastingdienst een naheffingsaanslag van € 8.138 opgelegd.

Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft A BV onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij activiteiten heeft verricht die erop zijn gericht om duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er nog geen huurovereenkomst voor het jacht met B BV was opgemaakt. A BV heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat in een later jaar een huurovereenkomst voor het jacht met B BV is gesloten of nadere afspraken tussen beide partijen zijn gemaakt over het gebruik van het jacht door B BV en de daarvoor door A BV te ontvangen vergoeding. De rechtbank concludeert dat A BV niet kan worden aangemerkt als btw-ondernemer. Dat betekent dat A BV geen recht heeft op aftrek van voorbelasting.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-07-2021
Datum publicatie
30-07-2021
Zaaknummer
AWB – 19 _ 3040
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-7-2021
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/3040

uitspraak van 14 juli 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 17 mei 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak [datum 2] 2017 tot en met 31 december 2017 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: naheffingsaanslag OB) van € 8.138, alsmede de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboete van € 813 en in rekening gebrachte belastingrente van € 173 (aanslagnummer [aanslagnummer ] ).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende M. Steijaert, verbonden aan Steijaert Administratie en Advies te Oostburg , vergezeld van [X] . Namens de inspecteur zijn verschenen en gehoord [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de boete;


vermindert de boete tot € 691.

2Gronden
2.1.
Belanghebbende is op [datum 1] 2017 opgericht. Zij houdt alle aandelen in [B.V. 1] B.V. en [B.V. 2] B.V. [aandeelhouder/bestuurder] is sinds [datum 2] 2017 enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende.

2.2.
Belanghebbende heeft op [datum 2] 2017 een motorjacht, genaamd [motorjacht] ’ (hierna: het jacht) gekocht voor een bedrag van € 38.500 van de onderneming [eenmanszaak] . [eenmanszaak] heeft de levering van het jacht gelist als intracommunautaire levering en het 0%-tarief toegepast.

2.3.
Belanghebbende heeft in de aangiften omzetbelasting voor het jaar 2017 geen belaste omzet of prestaties aangegeven en een bedrag van € 53 aan voorbelasting in aftrek gebracht, resulterend in een teruggaaf van € 53.

2.4.
De inspecteur heeft op 19 februari 2018 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van [datum 2] 2017 tot en met 31 december 2017. De bevindingen zijn opgenomen in een rapport met dagtekening 3 april 2018. In het rapport is geconcludeerd dat belanghebbende in haar aangiften ten onrechte geen intracommunautaire verwerving in aanmerking heeft genomen, ter zake waarvan zij € 8.085 aan omzetbelasting verschuldigd is. Daarnaast is geconcludeerd dat belanghebbende in haar aangiften ten onrechte een bedrag van € 53 aan voorbelasting in aftrek heeft gebracht en geen recht heeft op aftrek van voorbelasting ter zake van de intracommunautaire verwerving van het jacht, omdat – in de kern weergegeven – belanghebbende in 2017 geen ondernemer is voor de omzetbelasting. In het rapport is ook een boete aangekondigd van 10% van het nog te betalen bedrag aan omzetbelasting.

2.5.
Conform de in het controlerapport voorgestelde correcties heeft de inspecteur over de periode [datum 2] 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag van € 8.138 met boete opgelegd.

2.6.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag, boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij brief van 1 oktober 2018 de voorgenomen beslissing op bezwaar kenbaar gemaakt. In deze brief is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…) Ik ben dan ook van plan met u af te spreken dat over een jaar de beoordeling

opnieuw wordt gedaan. Daarbij zal als de conclusie luidt dat de belastingdienst haar standpunt herziet, de aftrek van de voorbelasting alsnog wordt verleend over de tijdvakken waarvoor nu naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Ik zie geen aanleiding om nu te concluderen om aan uw bezwaar tegemoet te komen. Wel om dit voorstel aan u te doen. Graag uw reactie of u hiermee akkoord gaat. (…)”

2.7.
In een e-mailbericht van de inspecteur van 29 oktober 2018 is in reactie op een verzoek namens belanghebbende om uitstel van betaling het volgende vermeld:

“(…) Het is zo dat alleen bij een lopend bezwaar uitstel wordt verleend. Als u financieel gezien de aanslagen niet kan betalen raad ik u aan een brief te sturen aan de Ontvanger om een betalingsregeling. Ik zal het bezwaar nog even aanhouden tot ik uitspraak doe,

zodat u de brief kunt versturen. (…)”

2.8.
In een e-mailbericht van de inspecteur van 7 februari 2019 is ten aanzien van het hetzelfde verzoek om uitstel van betaling het volgende vermeld:

“(…) Omdat het treffen van een regeling niet mijn zaak is, ben ik niet op de hoogte.

In verband met de termijnen zal ik binnenkort tot uitspraak overgaan. Enige tijd later komt er een nieuwe naheffingsaanslag. Om u tijdig hiervoor te waarschuwen stuur ik u dit bericht zodat u maatregelen kunt treffen. (…)”

2.9.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag OB en boete- en rentebeschikkingen gehandhaafd.

Geschil

2.10.
In geschil is of de naheffingsaanslag OB en de verzuimboete terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

Kan belanghebbende worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting, waardoor zij recht heeft op aftrek van voorbelasting;

Is er sprake van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel;

Is er sprake van een belastbaar feit voor de omzetbelasting;

Is er sprake van een verzuim ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd?

Aftrek van voorbelasting

2.11.
Op grond van artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) in samenhang met artikel 15, eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, van de Wet OB mag een ondernemer de belasting die in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers aan hem in rekening wordt gebracht, in aftrek brengen op de door hem verschuldigde belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten en ter zake van de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen.

2.12.
Het recht op aftrek van voorbelasting bestaat slechts voor ondernemers in de zin van de Wet OB voor goederen die bestemd zijn voor belaste prestaties. In artikel 7 van de Wet OB en artikel 9 van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna BTW-richtlijn) is opgenomen wie voor de omzetbelasting wordt aangemerkt als ondernemer. De uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) aan het begrip ‘belastingplichtige’ geeft, is onverkort van toepassing op de uitleg van het begrip ‘ondernemer’ in de zin van de Wet OB.

2.13.
Volgens artikel 9, eerste lid, eerste alinea, van de BTW-richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Om vast te stellen of belanghebbende handelt als belastingplichtige, en dus als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB, moet worden bepaald of zij met die handelingen een economische activiteit in de hiervoor bedoelde zin uitoefent.

2.14.
Het begrip economische activiteit is in artikel 9, eerste lid, tweede alinea van BTW-richtlijn omschreven als alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter. Dit begrip omvat volgens deze bepaling in het bijzonder de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.1 Ook voorbereidende activiteiten, zoals verkrijging van bedrijfsmiddelen, worden tot de economische activiteiten van de onderneming gerekend.

2.15.
Van een economische activiteit is sprake als is voldaan aan de volgende criteria. Ten eerste dient het karakter van de werkzaamheid duurzaam te zijn en ten tweede dient de activiteit onder bezwarende titel plaats te vinden. Om te beoordelen of een activiteit als een economische activiteit kwalificeert, zijn alle omstandigheden waaronder die activiteit plaatsvindt relevant.2

2.16.
Op belanghebbende rust de bewijslast dat aan de voorwaarden voor aftrek van voorbelasting is voldaan.

2.17.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het recht op aftrek van voorbelasting ter zake van de verwerving van het jacht. Volgens belanghebbende kan zij in 2017 worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting, aangezien het jacht door haar is aangekocht met het als doel het jacht aan [B.V. 1] B.V. ter beschikking te stellen voor commerciële exploitatie. Ter ondersteuning daarvan heeft belanghebbende nog het volgende aangevoerd:


er hebben in 2017 opknapwerkzaamheden aan het jacht en investeringen plaatsgevonden om het jacht verhuur gereed te maken;


in 2018 en 2019 heeft door [B.V. 1] B.V. commerciële verhuur plaatsgevonden van het jacht en is omzet behaald bij meerdere klanten;


er is door [B.V. 1] B.V. een website opgezet;


er is door [B.V. 1] B.V. een commercieel aantrekkelijke ligplaats gehuurd;


er is door [B.V. 1] B.V. reclame gemaakt voor de verhuur van het jacht;


door [B.V. 1] B.V. zijn commerciële activiteiten ontplooid, zoals deelname aan [commerciële activiteit] .

2.18.
De rechtbank stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of de activiteiten van belanghebbende erop zijn gericht om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij activiteiten heeft verricht die erop zijn gericht om duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals belanghebbendes adviseur tijdens het boekenonderzoek heeft verklaard, er in 2017 nog geen huurovereenkomst voor het jacht met [B.V. 1] B.V. is opgemaakt. Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat in een later jaar een huurovereenkomst voor het jacht met [B.V. 1] B.V. is gesloten of nadere afspraken tussen beide partijen zijn gemaakt over het gebruik van het jacht door [B.V. 1] B.V. en de daarvoor door belanghebbende te ontvangen vergoeding. Dit had wel in de rede gelegen indien bij belanghebbende het voornemen bestond om het jacht duurzaam, en niet slechts incidenteel bij behoefte, aan [B.V. 1] B.V. tegen vergoeding ter beschikking te stellen. Verder acht de rechtbank van belang dat belanghebbende enkel stukken heeft overgelegd en omstandigheden heeft aangedragen ter ondersteuning van de stelling dat [B.V. 1] B.V. het jacht commercieel heeft geëxploiteerd. Belanghebbende heeft echter, naar het oordeel van de rechtbank, geen relevante objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt wat de omvang van belanghebbendes terbeschikkingstellingsactiviteiten is geweest en of voor deze activiteiten een vergoeding is ontvangen. Tot slot acht de rechtbank van belang dat de terbeschikkingstellingsactiviteiten aan [B.V. 1] B.V. inmiddels zijn gestaakt.

2.19.
De rechtbank concludeert, gelet op het voorgaande in samenhang bezien, dat belanghebbende in 2017 niet kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van voorbelasting.

Vertrouwensbeginsel

2.20.
Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat haar een periode zou worden gegund om aan te tonen dat sprake is van ondernemerschap, dat het bezwaar gedurende deze periode zou worden aangehouden en dat zij gedurende deze periode uitstel van betaling zou krijgen. De inspecteur betwist dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan.

2.21.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet sprake zijn van feiten en/of omstandigheden die bij belanghebbende in redelijkheid de indruk hebben kunnen wekken dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling dan wel een toezegging van de inspecteur.

2.22.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur de door haar geschetste toezeggingen heeft gedaan. Integendeel, uit de brief van 1 oktober 2018 (zie 2.6) maakt de rechtbank op dat de inspecteur slechts heeft voorgesteld, zoals hij ook ter zitting heeft verklaard, dat de vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting een jaar later opnieuw kan worden beoordeeld en op basis van deze beoordeling de aanslag eventueel ambtshalve kan worden verminderd. Verder maakt de rechtbank uit de e-mailberichten van 29 oktober 2018 en 7 februari 2019 (zie 2.7 en 2.8) op dat de inspecteur belanghebbende naar de Ontvanger van de Belastingdienst heeft verwezen voor het maken van betaalafspraken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Belastbaar feit

2.23.
Namens belanghebbende is ter zitting aangevoerd dat indien zij, zoals de inspecteur stelt, geen recht heeft op aftrek van voorbelasting omdat zij geen ondernemer is voor de omzetbelasting, zij ook niet in de heffing van omzetbelasting kan worden betrokken. Naar de rechtbank begrijpt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat voor zover zij niet kan worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting, zij ten onrechte in de heffing van omzetbelasting is betrokken ten aanzien van de intracommunautaire verwerving. De inspecteur heeft de stelling van belanghebbende ter zitting bestreden.

2.24.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de stelling van belanghebbende niet en zij overweegt daartoe als volgt.

2.24.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het jacht in het kader van de levering daarvan door een als zodanig handelend ondernemer is vervoerd of verzonden naar Nederland. Dan kan de verwerving van het jacht door belanghebbende worden aangemerkt als een intracommunautaire verwerving als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Wet OB.

2.24.2.
Een intracommunautaire verwerving van een goed onder bezwarende titel in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer of door rechtspersonen, andere dan ondernemers, is als uitgangspunt op grond van artikel 1, onderdeel b, van de Wet OB een belastbaar feit voor de omzetbelasting. Daarvoor is aldus, anders dan belanghebbende heeft aangevoerd, niet vereist dat belanghebbende kan worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting. Dat betekent dat, nu tussen partijen niet in geschil is dat aan de vereisten van artikel 1, onderdeel b, van de Wet OB wordt voldaan, de intracommunautaire verwerving van het jacht als uitgangspunt worden aangemerkt als belastbaar feit voor de omzetbelasting. Gesteld noch gebleken is dat de intracommunautaire verwerving in dit geval op grond van artikel 1a, tweede lid, van de Wet OB is uitgezonderd van de heffing van omzetbelasting.

2.24.3.
Gelet op het voorgaande is de verwerving van het jacht terecht aangemerkt als belastbaar feit voor de omzetbelasting. Het beroep is daarom in zoverre ongegrond.

Boete

2.25.
Aan belanghebbende is bij de naheffingsaanslag een verzuimboete opgelegd op grond van artikel 67c van de AWR. Op grond van het eerste lid van die bepaling kan de inspecteur aan de belastingplichtige die de belasting, die op aangifte moet worden voldaan, niet of gedeeltelijk niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 5.278 (tekst 2017). Artikel 24 het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst bepaalt vervolgens dat een verzuimboete wordt opgelegd van 10% van de verschuldigde belasting. De aan belanghebbende opgelegde boete is in overeenstemming met voornoemde bepalingen opgelegd.

2.26.
De rechtbank overweegt dat nu de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, er sprake is van een verzuim als hiervoor is omschreven. Alleen in het geval van afwezigheid van alle schuld (avas) of als sprake is van en pleitbaar standpunt wordt geen verzuimboete opgelegd. Dat sprake is van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt is gesteld noch gebleken. De verzuimboete is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.

2.27.
De rechtbank acht de opgelegde boete passend en geboden. Omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor het matigen van de boete zijn niet gesteld of gebleken. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank wel aanleiding om de boete ambtshalve te matigen. De rechtbank stelt vast dat 3 april 2018 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM, nu op dat moment de boete is aangekondigd. Sinds de aankondiging van de boete is dus (afgerond) 3 jaar en 4 maanden verstreken. De redelijke termijn is daarmee met afgerond 15 maanden overschreden. De boete zal daarom met 15% worden gematigd tot € 691.3

Conclusie

2.28.
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard. De ambtshalve constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boete maakt dat niet anders.4

2.29.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 14 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Vgl. HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1776.

2 HvJ 12 mei 2016, Gemeente Borsele, nr. C-520/14 r.o. 29, ECLI:EU:C:2016:334.

3 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.

4 Vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP:8053.

ECLI:NL:RBZWB:2021:3758