Geen btw-vrijstelling voor besnijdenissen

Besnijdenis Besnijdenissen

Geen btw-vrijstelling voor besnijdenissen

Arts A heeft in in opdracht van het bedrijf B besnijdenissen uitgevoerd. De patiënten van A zijn overwegend minderjarig. A heeft geen omzetbelasting in rekening gebracht. A heeft in zijn btw-administratie geen reden van de besnijdenissen geregistreerd.

De vraag is of de medische vrijstelling van toepassing is op alle uitgevoerde besnijdenissen.

Volgens A hebben alle besnijdenissen naar zijn oordeel als arts een therapeutisch doel en is daarom de btw-vrijstelling van toepassing. Volgens de Belastingdienst moet daarentegen de medische vrijstelling strikt worden uitgelegd. Eronder vallen uitsluitend gevallen met medische indicatie en preventieve handelingen, mits het gaat om een ziekte die daadwerkelijk wordt verwacht en dat zal (bijna) nooit het geval zijn. Er zijn ook mensen die het uitsluitend om religieuze redenen laten doen en daarom geldt dat in elk geval voor een deel van de besnijdenissen geen therapeutisch doel aanwezig is, dat in de administratie een onderscheid gemaakt had moeten worden, dat dit bij gebrek aan die gegevens nu niet mogelijk is en dat de naheffing daarom terecht is.

Rechtbank Noord-Holland is van oordeel dat A er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat in de EU of in Nederland een de breed gedragen medische opvatting bestaat dat besnijdenissen altijd een therapeutisch doel hebben. Afnemers kunnen ook uitsluitend religieuze redenen hebben en binnen de beroepsgroep wordt een algemeen therapeutisch doel niet erkend. Indien het voornaamste doel niet is de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid, valt die dienst niet onder de medische vrijstelling. De rechtbank komt tot de slotsom dat A op grond van de btw-richtlijn en de Wet OB voor zijn diensten geen recht heeft op de medische vrijstelling.

Zie ook: Besnijdenis is geen gezondheidskundige verzorging van de mens btw

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-07-2022
Datum publicatie
19-08-2022
Zaaknummer
HAA 21/27
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Btw, medische vrijstelling moet vanuit gehele context behandeling worden bezien. In casu voor besnijdenissen geen vrijstelling, ook geen geslaagd beroep op Besluit en rechtsbeginselen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-8-2022
FutD 2022-2297
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/27

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W. de Baat),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het tijdvak 1 augustus 2015 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd en daarbij gelijktijdig een beschikking belastingrente genomen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een conclusie van repliek ingediend.

Verweerder heeft een conclusie van dupliek ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2022 te Haarlem. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .

Overwegingen
Feiten

Eiser is geregistreerd arts als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Hij heeft in de onderhavige periode in opdracht van het [bedrijf] ( [bedrijf] ) besnijdenissen uitgevoerd. De patiënten van eiser zijn overwegend minderjarig. Ter zake van zijn werkzaamheden voor het [bedrijf] heeft eiser geen omzetbelasting in rekening gebracht aan het [bedrijf] . Eiser heeft in zijn btw-administratie geen reden van de besnijdenissen geregistreerd.

Het [bedrijf] voert volgens haar website besnijdenissen uit bij jongens en mannen. Partijen verschillen niet van mening over de redenen voor patiënten om zich te laten besnijden. Die redenen zijn op de website van [bedrijf] beschreven:

“Redenen om een jongen te laten besnijden zijn1:

1. Religieuze verplichting tot besnijdenis.

2. Medische indicaties: ‘Phimosis’ = een vernauwde voorhuid, waardoor deze niet meer over de eikel kan worden teruggetrokken. ‘Balanitis’ = terugkerende ontstekingen onder de voorhuid. ‘Lichen sclerosis’ = een huidaandoening waarbij de voorhuid verlittekend en vernauwd raakt.

3. Hygiënische of preventieve redenen: o.a. minder risico op seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder HIV, preventie van vernauwde voorhuid en ontstekingen.

[…]

De redenen voor mannen om zich te laten besnijden zijn2:

1. ‘Phimosis’: een vernauwde voorhuid, waardoor deze niet meer over de eikel kan worden teruggetrokken. Hierdoor wordt het seksueel contact ernstig belemmerd. Tevens kan de eikel niet meer worden schoongemaakt, waardoor vaak infecties (een ‘balanitis’) ontstaan. Phimosis kan ook pas op latere leeftijd optreden, zelfs bij bejaarde mannen.

2. ‘Lichen sclerosis’ = een huidaandoening waarbij de voorhuid verlittekend en vernauwd raakt.

3. ‘Ejaculatio praecox’ = vroegtijdige zaadlozing (verbetert vaak na besnijdenis)

4. Preventieve redenen: o.a. minder risico op seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder HIV, voorkomen van een vernauwde voorhuid en ontstekingen.

5. Religieuze reden”

3. Verweerder heeft bij eiser een boekenonderzoek uitgevoerd. In het rapport van het boekenonderzoek van 25 februari 2020 staat dat eiser in een e-mail van 14 juni 2019 heeft geschreven:

“Meer dan 95% van de ingrepen door mij verricht met als onderliggende reden een medisch of preventieve indicatie. Ook preventieve geneeskunde, zoals in dit geval het voorkomen van een infectie of phimosis valt onder medische ingrepen die vrijgesteld zijn van omzetbelasting. De meeste patiënten hadden een phimosis of relatieve phimosis wat onder een medische indicatie valt”

4. Met dagtekening 26 maart 2020 is de naheffingsaanslag opgelegd om de reden dat eiser in de administratie niet heeft vastgelegd welke ingrepen wel of niet een therapeutisch doel hadden.

Geschil

5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de medische vrijstelling van toepassing is op alle door eiser uitgevoerde besnijdenissen. Subsidiair is in geschil of eiser een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel toekomt.

6. Eiser stelt – kort gezegd – dat alle besnijdenissen naar zijn oordeel als arts een therapeutisch doel hebben en dat daarom de vrijstelling op alle aan [bedrijf] in rekening gebrachte vergoedingen van toepassing is. Verder doet eiser een beroep op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) en de uitlatingen in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 maart 2016 (BLKB2016/433M, Stcrt. 2016, nr. 17339; het Besluit) dat de aanwezigheid van een therapeutisch doel door de behandelend arts wordt beoordeeld en dat de Belastingdienst dit niet inhoudelijk mag toetsen. Ook beroept eiser zich – mede in het kader van het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel – op het algemeen bekende feit dat alle klinieken voor besnijdenissen in Nederland de vrijstelling wel krijgen en dat bij die andere klinieken niet wordt gecontroleerd en niet wordt nageheven, terwijl dit bij eiser wel is gebeurd.

7. Verweerder brengt – kort gezegd – daartegen in dat de medische vrijstelling strikt moet worden uitgelegd. Eronder vallen uitsluitend gevallen met medische indicatie en preventieve handelingen, mits het gaat om een ziekte die daadwerkelijk wordt verwacht en dat zal (bijna) nooit het geval zijn. Er zijn ook mensen die het uitsluitend om religieuze redenen laten doen en daarom geldt dat in elk geval voor een deel van de besnijdenissen geen therapeutisch doel aanwezig is, dat in de administratie een onderscheid gemaakt had moeten worden, dat dit bij gebrek aan die gegevens nu niet mogelijk is en dat de naheffing daarom terecht is. Wat betreft het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel is het in deze zaak uitgedragen standpunt conform het Besluit en de landelijk afgestemde lijn en dat standpunt is nooit gewijzigd. Hier wordt ook op gecontroleerd. Als verweerder een ander geval bekend wordt, dan zal daar worden nageheven.

Beoordeling van het geschil

De medische vrijstelling

8. Op grond van artikel 132, eerste lid en onder c, van de btw-richtlijn (Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde) verlenen lidstaten vrijstelling voor medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat. Nederland heeft aan deze bepaling uitvoering gegeven voor diensten op het vlak van de gezondheidskundige verzorging van de mens (artikel 11, eerste lid, letter g, onderdeel 1º, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968; Wet OB).

9. In het arrest van het HvJ van 20 november 2003 (C-307/01, Peter d’Ambrumenil, ECLI:EU:C:2003:627, punt 52 ev.) is geoordeeld dat vrijstellingen autonome begrippen van gemeenschapsrecht zijn die strikt moeten worden uitgelegd. Voorts is overwogen dat niet alle diensten in het kader van de uitoefening van (para)medische beroepen zijn vrijgesteld, maar uitsluitend die inzake de gezondheidskundige verzorging van de mens. Het moet dan gaan om handelingen die met geen ander doel zijn verricht dan diagnose, (preventieve) behandeling en, voor zoveel mogelijk, genezing van ziekten of gezondheidsproblemen. Het therapeutisch doel hoeft niet bijzonder strikt te worden opgevat. Ook als degene die wordt onderzocht een preventieve medische ingreep ondergaat en verder geen ziekte of gezondheidsprobleem blijkt te hebben, is het conform het doel, kostenvermindering van de gezondheidszorg, de dienst als gezondheidskundige verzorging van de mens aan te merken. Het doel van een medische dienst is bepalend voor de toepassing van de vrijstelling. Indien het voornaamste doel niet is de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid, valt die dienst niet onder de (medische) vrijstelling.

10. De rechtbank zal het hierboven beschreven kader tot uitgangspunt nemen bij haar beoordeling. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op eiser de bewijslast rust, aangezien hij een beroep doet op een vrijstelling.

11. Eiser stelt in dit verband dat de vraag of een medische dienst een therapeutisch doel heeft, uitsluitend bezien moet worden vanuit de behandelend arts en dat deze als medisch deskundige beoordeelt of sprake is van een medische dienst met als doel de bescherming, met inbegrip van het behoud of herstel, van de gezondheid van de mens. Eiser beroept zich onder meer op HvJ 21 maart 2013 (C-91/12, PFC Clinic, ECLI:EU:C:2013:198). Ook verweerder beroept zich op dat arrest, maar leidt daaruit af dat de hele context van de behandeling van belang is, en daarbij speelt ook het motief van de afnemer een rol. In PFC Clinic oordeelde het HvJ over esthetische chirurgie als volgt:

“33. Wat het punt in de derde vraag betreft in hoever bij de beoordeling van het doel van een bepaalde ingreep rekening moet worden gehouden met de subjectieve opvatting van de ontvanger van een dienst als in het hoofdgeding, volgt uit de rechtspraak dat de gezondheidsproblemen die de krachtens artikel 132, lid 1, sub b en c, van de btw-richtlijn vrijgestelde ingrepen behandelen, van psychologische aard kunnen zijn […].

34. De loutere subjectieve opvatting over een esthetische ingreep van de persoon die hem ondergaat, is op zich evenwel niet beslissend voor de beoordeling of deze ingreep een therapeutisch doel heeft.

35. Deze beoordeling moet, daar zij een medische beoordeling is, namelijk uitgaan van medische vaststellingen door daartoe gekwalificeerd personeel.

36. Daaruit volgt dat de in de vierde vraag bedoelde omstandigheden dat diensten als in het hoofdgeding worden verricht door een medisch bevoegde persoon of dat het doel van deze ingrepen door een dergelijke persoon wordt bepaald, een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of ingrepen als in het hoofdgeding onder het begrip ‘medische verzorging’ in de zin van artikel 132, lid 1, sub b, respectievelijk artikel 132, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn vallen.”

12. Uit de rechtspraak van het HvJ leidt de rechtbank af dat bij het bepalen van het voornaamste doel van de medische diensten, de context waarin die diensten worden verricht in aanmerking genomen moet worden. Wanneer medische diensten worden verricht met als voornaamste doel om bijvoorbeeld een reisverklaring te verkrijgen (een niet medisch doel van de afnemer), dan geldt geen vrijstelling (zie punt 60 van Peter d’Ambrumenil). Ook is de louter subjectieve opvatting van de patiënt niet doorslaggevend (zie punt 34 van PFC Clinic). Hoewel bij de beoordeling of een behandeling een therapeutisch doel heeft moet worden uitgegaan van de opvatting van medisch gekwalificeerd personeel en het door een medicus bepaalde doel een rol kan spelen, kan niet uit de jurisprudentie worden afgeleid dat de behandelend arts de enige is die het (voornaamste) doel van een behandeling bepaalt (zie punt 34-36 van PFC Clinic). Dit sluit ook aan bij de bewoording gekozen door het HvJ, dat moet worden uitgegaan van “medische vaststellingen door daartoe gekwalificeerd personeel”. Of voor een type behandeling in een bepaalde situatie een therapeutisch doel is, kan dus worden beoordeeld door daartoe gekwalificeerd personeel. Dit veronderstelt dat deze doelgroep breder is dan enkel de behandelend arts. Het enkel betekenis toekennen aan de opvatting van de behandeld arts, verdraagt zich verder niet met de betekenis die het HvJ ook toekent aan de context waarin de dienst verricht wordt en het niet buiten beschouwing laten van het doel van de afnemer van de dienst. Ook acht de rechtbank van belang dat het bij deze vrijstelling gaat om een Unierechtelijk autonoom begrip dat ter voorkoming van een ongelijk speelveld voor medici uniform en beperkt moet worden uitgelegd, met inachtneming van het doel van de vrijstelling. Een zekere objectivering is daarom noodzakelijk, zodat niet enkel van subjectieve opvattingen van betrokkenen uitgegaan kan worden. Een andere opvatting zou kunnen leiden tot strijd met het neutraliteitsbeginsel, omdat dan in op zich gelijke situaties al dan niet de vrijstelling van toepassing zou zijn.

13. De rechtbank constateert dat de onderhavige diensten vanuit de patiënten bezien vanwege diverse doelen worden afgenomen. Daar zijn therapeutische doelen bij, maar ook niet therapeutische doelen. De rechtbank constateert ook dat de betrokken arts in alle gevallen een therapeutisch doel aan zijn ingrepen toekent. Eiser heeft gesteld dat dit therapeutische doel in de brede medische sector weliswaar bediscussieerd is, maar ook erkend wordt. Hij wijst op heersende opvattingen in de Verenigde Staten en ondersteunt dit betoog met een artikel in Global Health Science and Practice 2017 (Global Health) en met een bericht van de Centers for Disease Control and Prevention van 19 november 2014 (CDC). Ook wijst hij erop dat deze ingrepen beter in het medische circuit kunnen gebeuren dan daarbuiten, ter voorkoming van leed en extra zorgkosten. Verweerder wijst erop dat in Nederland de huidige richtlijn voor artsen over het besnijden van jongens – het standpunt van De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) gepubliceerd op www.knmg.nl/jongensbesnijdenis – luidt (eerste regels):

“Er is geen overtuigend bewijs dat circumcisie in het kader van preventie of hygiëne zinvol of noodzakelijk is. Mede in het licht van de complicaties die tijdens of na de circumcisie kunnen ontstaan, is circumcisie om redenen anders dan medisch-therapeutische, niet te rechtvaardigen. Zo er al medische voordelen zijn, zoals een mogelijk verminderde kans op HIV-infectie, dan ligt het in de rede de circumcisie uit te stellen tot de leeftijd waarop een dergelijk risico relevant is en de jongen zelf over de ingreep kan beslissen, of kan kiezen voor eventuele alternatieven. Anders dan vaak gedacht wordt, kent circumcisie risico’s op medische en psychische complicaties.”

14. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op de zitting bevraagd over de aangeleverde stukken van Global Health en het CDC. Het artikel in Global Health lijkt de rechtbank te duiden op inhoudelijke discussie binnen de Amerikaanse medische wetenschap over het nut van besnijdenissen, zodat een heersende leer daaruit niet af te leiden is. In het stuk van CDC wordt aan medici gevraagd om te reageren op een ontwerp-aanbeveling uit 2014, maar of dit een definitieve aanbeveling is geworden, kan de rechtbank daarin niet zien. De gemachtigde moet bij gebrek aan medische kennis de vragen onbeantwoord laten. Daarbij komt de vraag of een Amerikaans standpunt wel maatgevend kan zijn voor de situatie in de EU. Daartegenover is verweerder bovendien gekomen met het standpunt van de KNMG waaruit valt af te leiden dat in Nederland het therapeutische nut van besnijdenissen zonder directe medische indicatie niet erkend wordt.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat in de EU of in Nederland een de breed gedragen medische opvatting bestaat dat besnijdenissen altijd een therapeutisch doel hebben. Volgens eiser is het al dan niet bestaan van medische consensus niet van belang bij de beoordeling of eiser recht heeft op de medische vrijstelling. Maar zoals uit het voorgaande blijkt, vindt de rechtbank dat de gehele context waarin de dienst wordt verricht daarbij in aanmerking moet worden genomen en kan de heersende opvatting binnen de medische beroepsgroep daarbij dus wel een rol spelen.

15. Dit maakt dat bezien vanuit de gehele context waarin de behandelingen plaatsvinden, omvattende het subjectieve doel van de afnemer, het doel van de desbetreffende behandelend arts en het doel vanuit de medische beroepsgroep bezien, het geen gegeven is dat besnijdenissen altijd met een therapeutisch doel plaatsvinden. Afnemers kunnen ook uitsluitend religieuze redenen hebben en binnen de beroepsgroep wordt een algemeen therapeutisch doel niet erkend. Het aan de behandeling toegekende algemeen geldende doel van de behandelend arts kan daar in dit geval – nu eiser niet heeft bijgehouden in welke specifieke gevallen er een medische indicatie is vanwege de aandoeningen hierboven onder 2 genoemd, en niet aannemelijk is dat die indicatie er bij alle door hem uitgevoerde besnijdenissen was – niet aan afdoen.

16. De ook namens eiser aangevoerde reden van het voorkomen van behandelingen in het zwarte circuit maakt niet dat hij daarom alsnog recht kan doen gelden op de medische vrijstelling. De vrijstelling kan immers uitsluitend gelden, indien de dienst zelf met een overwegend therapeutisch doel is verricht. Indien het voornaamste doel niet is de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid, valt die dienst niet onder de medische vrijstelling. Er bestaat dan ook geen recht op de vrijstelling bij het uitvoeren van een ingreep zonder therapeutisch doel, omdat die bij het achterwege laten daarvan wellicht elders door onkundigen verricht zou worden en dat mogelijk tot meer medisch leed en hogere kosten van de gezondheidszorg zou leiden. Een dergelijk verband is ook te ver verwijderd om als preventieve therapeutische behandeling te kunnen gelden (HvJ 10 juni 2010, C-262/08, CopyGene, ECLI:EU:C:2010:328).

17. De rechtbank komt tot de slotsom dat eiser op grond van de btw-richtlijn en de Wet OB voor zijn diensten geen recht heeft op de medische vrijstelling.

Het beroep op het Besluit

18. In het Besluit staat de volgende passage:

“Cosmetische geneeskunde/beoordeling therapeutisch doel
[…]

De medische beroepsbeoefenaar die cosmetische ingrepen verricht, moet in zijn btw-administratie een onderscheid maken tussen de ingrepen waarbij een therapeutisch doel wél aanwezig is en de ingrepen waarbij dat niet het geval is. Het is aan de medische beroepsbeoefenaar om te beoordelen of een medische handeling een therapeutisch doel dient. Dit geldt niet alleen voor diensten op het gebied van de cosmetische geneeskunde. Ook voor andere medische handelingen, bijvoorbeeld sportkeuringen, geldt dat de medische beroepsbeoefenaar vaststelt of de sportkeuring een therapeutisch doel heeft. De Belastingdienst kan slechts marginaal toetsen of de medische beroepsbeoefenaar

de vrijstelling voor cosmetische ingrepen juist toepast. De inspecteur kan geen inhoudelijk oordeel op medisch vlak geven en kan in beginsel ook geen inzage vragen in het medische dossier.”

19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder binnen de hierboven gegeven beleidsruimte is gebleven. Het beleid zegt immers niet dat de behandelend arts de enige en beslissende stem heeft bij het bepalen van het voornaamste doel van een dienst. Het beleid laat juist ruimte voor een toets door de Belastingdienst. In het onderhavige geval is verweerder die toetsruimte niet te buiten gegaan. Er geldt op basis van het beleid namelijk ruimte voor een marginale toets of de vrijstelling door de beroepsbeoefenaar juist wordt toegepast. In het onderhavige geval heeft verweerder niet de medische noodzaak van een bepaalde ingreep beoordeeld, in de zin dat hij zou hebben onderzocht of een ingreep in het concrete geval naar zijn opvatting een therapeutisch doel heeft. Hij heeft slechts onderzocht of in algemene zin sprake is van een therapeutisch doel van besnijdenissen.

20. Het Besluit staat dus niet in de weg aan de onderhavige naheffing. In zoverre faalt het beroep van eiser op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel (los van het Besluit)

21. Wat betreft het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank verder als volgt. Het is vaste jurisprudentie dat het enkele volgen van aangiften (of in dit geval afdrachten) in voorgaande jaren geen gerechtvaardigd vertrouwen kan opwekken over de juistheid van de belastingheffing in die jaren. Er is in het onderhavige geval ook geen sprake van een punt dat in voorgaande jaren specifiek aan de orde is geweest en inhoudelijk is beoordeeld door de Belastingdienst, noch van een mededeling of standpuntbepaling met de strekking dat de vrijstelling voor eiser van toepassing zou zijn. Het boekenonderzoek dat is ingesteld, heeft eiser ook geen in rechte te beschermen vertrouwen kunnen bieden, want dat onderzoek was juist de aanleiding om te gaan naheffen. Er is dus in beginsel niets dat aan een naheffing in de weg staat.

22. Wat betreft het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel heeft eiser verder in het algemeen gewezen op het niet controleren van (of naheffen bij) ondernemers in geval van besnijdenissen. Hij heeft omstandigheden uit de markt aangevoerd waaruit volgens hem volgt dat dit staande praktijk is. Verder heeft eiser één specifiek geval benoemd waarbij niet nageheven is en dat verweerder toch bekend had moeten zijn, namelijk het geval van [bedrijf] . Eiser vindt het niet eerlijk als hij de bewijslast hiervoor moet leveren, omdat verweerder over veel meer informatie beschikt. Daartegenover heeft verweerder de aanwijzingen die eiser in de markt heeft gevonden gemotiveerd betwist. Verweerder heeft verder gesteld dat het landelijk afgestemde beleid is om hierop te controleren, zoals bij eiser gedaan is, maar dat er geen 100%-controle is. En ook stelt verweerder dat het beleid is om na te heffen waar conform het beleid geen medische vrijstelling voor de besnijdenissen geldt, zoals ook gedaan is in het geval dat heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van
25 januari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:812, en zoals inmiddels door gerechtshof Amsterdam is bevestigd en zoals ook zal gaan gebeuren in gevallen die verweerder nu bekend worden.

22. De Hoge Raad heeft op 23 april 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AL8260) over de bewijslast bij de stelling van begunstigend beleid als volgt geoordeeld:

“3.5 […] Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat indien een belastingplichtige in het kader van een beroep op niet gepubliceerd begunstigend beleid, waarvan te zijnen aanzien zou zijn afgeweken, wijst op gevallen waarin met hem vergelijkbare belastingplichtigen een gunstiger behandeling ten deel is gevallen dan hij zelf ondervindt, het op de weg ligt van de inspecteur die ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aannemelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd begunstigend beleid.
Anders dan belanghebbenden betogen, is het bestreden oordeel niet onverenigbaar met deze vaste rechtspraak, die immers inhoudt dat indien hetgeen de belastingplichtige in eerste instantie naar voren brengt het vermoeden rechtvaardigt dat begunstigend beleid is gevoerd, het vervolgens aan de inspecteur is dat vermoeden te ontzenuwen. Bij de uiteindelijke afweging van de bewijskracht van enerzijds dat wat het vermoeden rechtvaardigde, anderzijds hetgeen de inspecteur ter ontzenuwing daarvan aannemelijk heeft gemaakt, blijft echter het bewijsrisico berusten bij de belastingplichtige (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36 898, BNB 2003/14).”

24. De rechtbank staat dus voor de vraag of hetgeen eiser in eerste instantie naar voren heeft gebracht het vermoeden rechtvaardigt dat begunstigend beleid is gevoerd. Zo ja, dan is het aan verweerder om dat vermoeden te ontzenuwen. Eiser heeft ten aanzien van het beleid in zijn conclusie van repliek gewezen op vier omstandigheden waaruit het begunstigende beleid naar zijn opvatting is af te leiden, hetgeen volgens verweerder niet het geval is.
De vier genoemde omstandigheden acht de rechtbank zowel afzonderlijk bezien als tezamen beschouwd onvoldoende om het vermoeden te rechtvaardigen dat begunstigend beleid is gevoerd. Dat in de markt bij de prijzen op websites niet is te zien of dat belast is met btw is niet zo een omstandigheid, omdat dit voor particuliere cliënten geen relevante factor is. Dat geldt ook voor de omstandigheden dat bij aanbieders niet verschillende tarieven gelden voor eventueel wel therapeutische/ vrijgestelde diensten en niet vrijgestelde diensten en dat hiertussen bij aanbieders geen prijsverschillen te zien zijn. Het kan immers zo zijn dat aanbieders daar vanuit commerciële overwegingen één prijs voor rekenen, maar in hun administratie wel verschil maken. Daarnaast kan de berekening van het prijsverschil complex zijn, doordat met btw-heffing ook een recht op aftrek ontstaat.
Hiermee faalt eisers beroep op het begunstigende beleid.

25. Wanneer iemand zich beroept op het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van gevallen, dient dit beroep ondersteund te worden met de stelling dat bij minstens twee vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven (Hoge Raad 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9489). Eiser heeft gewezen op slechts één ander geval, namelijk dat van [bedrijf] , hetgeen onvoldoende is om tot het vermoeden van een meerderheid van gevallen te concluderen. Bovendien heeft verweerder laten weten bij dat geval van [bedrijf] , nu dat bekend is, indien mogelijk te gaan naheffen. Ook heeft verweerder gewezen op het geval van de eerdere uitspraak van deze rechtbank waarin wel is nageheven. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dus niet het vermoeden dat de meerderheidsregel van toepassing is en daarmee slaagt ook in zoverre het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet.

26. Er is dus geen rechtsbeginsel dat aan de onderhavige naheffing in de weg staat.

Slotsom

27. Eiser heeft geen recht op de medische vrijstelling voor de diensten door hem verricht aan het [bedrijf] . Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

28. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ferrier, voorzitter en mr. T.N. van Rijn en
mr. J. Zutt, leden, in aanwezigheid van mr. H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2022.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

1 https://besnijdeniscentrum.nl/besnijdenis-jongen/#reasons

2 https://besnijdeniscentrum.nl/besnijdenis-volwassen-man/#reasons

ECLI:NL:RBNHO:2022:6231