Geen dwangsom bij gebrekkige medewerking aan organiseren hoorzitting in 2 weken na ingebrekestelling

Parkeren parkeerbord

Geen dwangsom bij gebrekkige medewerking aan organiseren hoorzitting in 2 weken na ingebrekestelling

Op 15 augustus 2019 is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Het bezwaarschrift hiertegen is door de heffingsambtenaar op 11 november 2019 ontvangen. Op 3 januari 2020 heeft de heffingsambtenaar een ingebrekestelling ontvangen met een beslistermijn van 2 weken. Op 9 januari 2020 heeft de heffingsambtenaar A uitgenodigd voor een telefonisch te houden hoorzitting op 14 januari 2020. In deze uitnodiging heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de termijn voor het afhandelen van het bezwaarschrift wordt opgeschort indien de hoorzitting niet op die datum kon plaatsvinden. Bij mailbericht van 16 januari 2020 heeft A de heffingsambtenaar voorgesteld het hoorgesprek te laten plaatsvinden op 22 of 23 januari 2020. In reactie hierop heeft de heffingsambtenaar A uitgenodigd voor een telefonisch te houden hoorzitting op 23 januari 2020 om 10.00 uur. Op dat tijdstip heeft de hoorzitting plaatsgevonden, waarna de heffingsambtenaar eveneens op 23 januari 2020 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. Op 6 maart 2020 heeft de heffingsambtenaar van A een ingebrekestelling ontvangen met betrekking tot de ingebrekestelling van 3 januari 2020. Met dagtekening 11 maart 2020 heeft de heffingsambtenaar het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.

De vraag is of de heffingsambtenaar in verband met het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom is verschuldigd.

Volgens Rechtbank Noord-Holland komt de overschrijding van de tweewekentermijn volledig voor rekening van A. De rechtbank acht de ingebrekestelling – gegeven de gebrekkige medewerking aan het organiseren van een hoorzitting in de 2 weken onmiddellijk na de ingebrekestelling – op een onredelijk tijdstip ingediend en als zodanig gelijk te stellen met een onredelijk laat ingediende ingebrekestelling, als bedoeld in artikel 4:17 lid 6 aanhef en onder a Awb. De heffingsambtenaar heeft daarom terecht geoordeeld dat hij geen dwangsom was verschuldigd.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-07-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
AWB – 20 _ 1666
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
parkeerbelasting. Wegingsfactor PKV in bezwaar. Tijdsverloop na in gebrekestelling aan eisers gemachtigde te verwijten. Geen dwangsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-8-2021
V-N Vandaag 2021/1932
FutD 2021-2587
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/1666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2021 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
(gemachtigde: [A] ),

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 augustus 2019 aan eiser een naheffingsaanslag (aanslagnummer [#] ) parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 66.

Eisers bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag is door verweerder op 11 november 2019 ontvangen.

Op 3 januari 2020 heeft verweerder van eiser een ingebrekestelling ontvangen met betrekking tot het ingediende bezwaar. Eiser heeft verweerder hierbij een beslistermijn gegund van twee weken.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 23 januari 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Verweerder heeft hierbij aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend ter hoogte van € 130,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261 en een wegingsfactor 0,25).

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Op 6 maart 2020 heeft verweerder van eiser een ingebrekestelling ontvangen met betrekking tot de ingebrekestelling van 3 januari 2020.

Met dagtekening 11 maart 2020 heeft verweerder eisers verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft met behulp van een beeldverbinding plaatsgevonden op

27 mei 2021 te Haarlem. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] .

Overwegingen
Feiten

1. Bij brief van 9 januari 2020 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een telefonisch te houden hoorzitting op 14 januari 2020. In deze uitnodiging heeft verweerder aangegeven dat de termijn voor het afhandelen van het bezwaarschrift wordt opgeschort indien de hoorzitting niet op die datum kon plaatsvinden.

2. Bij mailbericht van 16 januari 2020 heeft eiser verweerder voorgesteld het hoorgesprek te laten plaatsvinden op 22 of 23 januari 2020. In reactie hierop heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een telefonisch te houden hoorzitting op 23 januari 2020 om 10.00 uur. Op dat tijdstip heeft de hoorzitting plaatsgevonden, waarna verweerder eveneens op 23 januari 2020 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan.

Geschil
3. In geschil is de hoogte van de door verweerder bij de uitspraak op bezwaar toegekende proceskostenvergoeding. Voorts worden partijen verdeeld gehouden door de vraag of verweerder in verband met het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom is verschuldigd.
4. Eiser stelt dat verweerder bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 heeft toegepast. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder hem gelet op het tijdsverloop sedert de door verweerder op 3 januari 2020 ontvangen ingebrekestelling een dwangsom is verschuldigd. Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, verhoging van de toegekende proceskostenvergoeding en toewijzing van de dwangsom.

5. Voor wat betreft de hoogte van eisers aanspraak op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft verweerder zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verweerder stelt zich met betrekking tot de dwangsom primair op het standpunt dat eisers beroep in deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu hij daaraan voorafgaand niet de bezwaarprocedure heeft doorlopen. Verweerder concludeert inzake de dwangsom subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep. Hij verwijst daarbij naar zijn hierboven onder 1 weergegeven zinsnede in de uitnodiging voor de hoorzitting van 14 januari 2020 en naar jurisprudentie.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

De hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase

6. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van eiser voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb, betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Bpb wordt het bedrag van de kosten bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:

a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Ingevolge de eerste volzin van de bijlage bij het Bpb wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Bpb, vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig de bijbehorende lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C).

7. Onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb onderscheidt voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën met een bijbehorende wegingsfactor, maar kent aan geen van die categorieën een bijzondere positie toe. [-] De toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763 vermeldt op blz. 8-9: “Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (…) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.” De toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113 vermeldt op blz. 6: “Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.” [-] Uit het [-] vermelde volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt.

8. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het geschil voorop dat aan het vorenstaande de conclusie dient te worden verbonden dat verweerder bij die eigen waardering een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Voorts is verweerder niet gehouden zijn beslissing met betrekking tot de toegepaste wegingsfactor te motiveren. De in artikel 7:12 van de Awb neergelegde verplichting daartoe heeft geen betrekking op nevenbeslissingen als de toekenning van een vergoeding ter zake van proceskosten. Een strikte uitleg van de motiveringsplicht op dit punt zou niet stroken met de gedachte van de besluitgever het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet aan te moedigen, zoals die uit de toelichting naar voren komt en tevens uit het gebruik een grofmazig forfaitair systeem.

9. De rechtbank acht de door verweerder toegekende vergoeding niet onredelijk. Eisers gemachtigde heeft voor wat betreft de motivering van het bezwaar kunnen volstaan met het overleggen van de verklaring van zijn cliënt dat deze was slechts gestopt voor laden en lossen en bij gelegenheid van de (telefonische) hoorzitting heeft hij de feitelijke gang van zaken toegelicht. Daarbij heeft hij ook vaststaande jurisprudentie van de Hoge Raad aangehaald met betrekking tot de parkeerbelastingplicht indien sprake is van laden en lossen. Dat dit van eisers gemachtigde ook werkzaamheden vergde die de kwalificatie ‘zeer licht’ te boven gingen onderschrijft de rechtbank niet. Het gaat immers om een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en van een dergelijke gemachtigde kan in alle redelijkheid worden verwacht dat hij de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad over zijn vakgebied, waaronder het door hem genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1975, kent. Ook de stelling van eiser dat de betrokkenheid van getuigen hebben geleid tot een zwaardere werklast volgt de rechtbank niet. Het dossier bevat niet meer dat de verklaring van eiser, terwijl van getuigenverklaringen niet blijkt. Ook de door eiser ter zitting genoemde jurisprudentie leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. De aan die uitspraken ten grondslag liggende feiten zijn niet vergelijkbaar met die van het hier voorliggende geschil.

10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag parkeerbelasting en de in verband daarmee toegekende proceskostenvergoeding ongegrond te worden verklaard.

11. De rechtbank volgt verweerder niet in diens primaire betoog dat eisers beroep voor zover dit zich richt tegen de beslissing van 11 maart 2020 omtrent de verzochte dwangsom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De dwangsombeslissing en het daaronder liggende materiele geschil vertonen een dermate sterke onderlinge verbondenheid dat rechtsvragen met betrekking tot het dwangsombesluit in de hoofdzaak aan de rechter kunnen worden voorgelegd.

12. Met betrekking tot de op 3 januari 2020 ontvangen ingebrekestelling is verder niet in geschil dat de wettelijke beslistermijn van zes weken was overschreden en dat ook overigens sprake is van een rechtsgeldig ingediende ingebrekestelling. Ook staat vast dat verweerder geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan binnen de wettelijke termijn van twee weken nadat hij de ingebrekestelling van eiser had ontvangen.

13. Dit betekent echter dat eiser reeds daarom aanspraak maakt op een dwangsom. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de (mail)correspondentie met eisers gemachtigde en diens handelwijze met betrekking tot het door eiser verlangde hoorgesprek. De overschrijding van de twee-wekentermijn komt daarom volledig voor rekening van eiser. De wetgever heeft met deze termijn van twee weken het bestuursorgaan enige tijd willen geven om alsnog een beslissing te nemen. De gemachtigde van eiser had zich daarom moeten realiseren dat op het moment dat hij verweerder in gebreke stelde, deze binnen een termijn van twee weken een uitspraak op het bezwaar zou willen nemen en dat, alvorens die uitspraak te nemen, ook een hoorzitting zou worden gepland. Van een professioneel gemachtigde mag worden verlangd dat hij zich in deze twee weken voldoende beschikbaar houdt voor een hoorzitting en in ieder geval met de nodige voortvarendheid reageert op een voorgesteld tijdstip voor die hoorzitting. Eisers gemachtigde heeft dat verzuimd. De rechtbank acht de ingebrekestelling – gegeven de gebrekkige medewerking aan het organiseren van een hoorzitting in de twee weken onmiddellijk na de ingebrekestelling – op een onredelijk tijdstip ingediend en als zodanig gelijk te stellen met een onredelijk laat ingediende ingebrekestelling, als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Verweerder heeft daarom terecht geoordeeld dat hij geen dwangsom was verschuldigd. Het beroep is daarom ook voor zover het ziet op de dwangsombeslissing ongegrond.

Proceskosten

14. Voor een vergoeding van door eiser gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van E.H. Mazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

ECLI:NL:RBNHO:2021:6380