Geen levering van kunstvoorwerpen door juweliersbedrijf
Een juweliersbedrijf ontwerpt, vervaardigt en levert lijfsieraden en andere kleine objecten van edelsmeedwerk.
De vraag voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant is of het verlaagde btw-tarief voor levering van kunstvoorwerpen van toepassing is.
Volgens de rechtbank legt het juweliersbedrijf ten onrechte een subjectieve toets aan bij de bepaling welke goederen onder het verlaagde tarief vallen. Gelet op de arresten HvJ Farfalla Flemming und Partner (douane) en Hoge Raad 27 januari 2006 geldt een toets op basis van objectieve criteria. Evenmin is daarom doorslaggevend dat de maker kunstenaar is, en of een object in maatschappelijk opzicht als kunst wordt gezien. Een belangrijk element bij de objectieve toets is of de objecten uiterlijk gelijkenis vertonen met gelijkaardige industriële of ambachtelijke producten en daardoor in concurrentie kunnen komen met die producten. Het juweliersbedrijf maakt niet in algemene zin aannemelijk dat dit met de door hen bedoelde objecten niet het geval is. Evenmin maken het juweliersbedrijf aannemelijk dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op bepaalde specifieke door hen geleverde objecten.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 12-11-2020
- Datum publicatie
- 10-12-2020
- Zaaknummer
- AWB – 18 _ 325
- Rechtsgebieden
- Belastingrecht
- Bijzondere kenmerken
- Eerste aanleg – meervoudig
- Inhoudsindicatie
-
BRE 18/325 en BRE 18/326
Naheffingsaanslagen omzetbelasting, toepasselijk tarief; artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet OB jo. post 29, letter b, onder 1°, van onderdeel a van Tabel I bij de Wet OB (levering kunstvoorwerpen). Belanghebbenden exploiteren een juweliersbedrijf en houden zich in dat verband onder meer bezig met het ontwerpen, vervaardigen en leveren van lijfsieraden en andere kleine objecten van edelsmeedwerk. In geschil is of een deel van de in de naheffingstijdvakken geleverde objecten als kunstvoorwerpen voor de Wet OB kunnen worden aangemerkt en of deze objecten aldus kunnen delen in het verlaagde tarief. Belanghebbenden leggen ten onrechte een subjectieve toets aan bij de bepaling welke goederen onder het verlaagde tarief vallen. Gelet op de arresten Farfalla Flemming und Partner (ECLI:EU:C:1990:318) en Hoge Raad 27 januari 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV0411) geldt een toets op basis van objectieve criteria. Evenmin is daarom doorslaggevend dat de maker kunstenaar is, en of een object in maatschappelijk opzicht als kunst wordt gezien. Een belangrijk element bij de objectieve toets is of de objecten uiterlijk gelijkenis vertonen met gelijkaardige industriële of ambachtelijke producten en daardoor in concurrentie kunnen komen met die producten. Belanghebbenden maken niet in algemene zin aannemelijk dat dit met de door hen bedoelde objecten niet het geval is. Evenmin maken belanghebbenden aannemelijk dat het verlaagde tarief van toepassing is op bepaalde specifieke door hen in de naheffingstijdvakken geleverde objecten. Het verlaagde tarief mist toepassing. Vermindering naheffingsaanslagen in verband met compromis inzake subsidiair standpunt. Proceskostenvergoeding; immateriëleschadevergoeding.
- Vindplaatsen
- Rechtspraak.nl
- Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, meervoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 18/325 en BRE 18/326
uitspraak van 12 november 2020
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[Atelier] en [Goudsmederij], gevestigd te [vestigingsplaats] ,belanghebbenden,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
en
de Minister van Rechtsbescherming.
1Ontstaan en loop van het geding
2Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:
Een deel van de trouwringen, andere lijfsieraden en overige kleine objecten (hierna ook: objecten) is in de onderhavige tijdvakken door [edelsmid 2] , edelsmid – en in de onderhavige tijdvakken (één van de) middellijk aandeelhouder(s) van Atelier en tevens eigenaar van Goudsmederij (hierna: [edelsmid 2] ) –, zelf of in opdracht van en in nauwe samenwerking met de klant ontworpen en in zijn atelier gemaakt.
Op de levering van een deel van deze door [edelsmid 2] zelfvervaardigde objecten hebben belanghebbenden in de onderhavige tijdvakken het verlaagde omzetbelastingtarief (hierna: verlaagde tarief) toegepast.
Daarnaast hebben belanghebbenden in de onderhavige tijdvakken ook objecten verkocht en geleverd tegen het hoge omzetbelastingtarief (hierna: hoge tarief), zoals objecten die door hen zijn ingekocht en doorverkocht en objecten die niet door [edelsmid 2] maar door (andere) medewerkers van belanghebbenden zijn vervaardigd. Ook op de levering van een deel van de door [edelsmid 2] zelf ontworpen en vervaardigde objecten hebben belanghebbenden het hoge tarief toegepast.
BRE 18/325 (Atelier)
| Jaar | Omzetbelasting | Belastingrente |
| 2012 | € 1.159 | € 156 |
| 2013 | € 7.335 | € 770 |
| 2014 | € 11.281 | € 762 |
| 2015 | € 12.266 | € 338 |
| Totaal | € 32.041 | € 2.026 |
BRE 18/326 (Goudsmederij)
| Jaar | Omzetbelasting | Belastingrente |
| 2013 | € 26.566 | € 2.790 |
| 2014 | € 31.946 | € 2.158 |
| 2015 | € 20.206 | € 556 |
| Totaal | € 78.718 | € 5.504 |
3Geschil
4Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
Het HvJ heeft in het hiervoor genoemde arrest onder meer het volgende overwogen:
13 Het Hof heeft bij herhaling geoordeeld, dat het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals omschreven in de tekst van de tariefposten van het GDT en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken (…).
14 Dienaangaande zij in de eerste plaats opgemerkt, dat blijkens aantekening 3 bij hoofdstuk 99 van het GDT beeldhouwwerk met een commercieel karakter, waaronder ambachtswerk, niet onder het hoofdstuk “Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten” valt, doch naar aard en samenstelling moet worden ingedeeld.
(…)
16 Daaruit volgt dat (…) voorwerpen waaraan een kunstzinnig karakter kan worden toegekend, niet noodzakelijkerwijs onder hoofdstuk 99 van het GDT moeten worden ingedeeld, daar die eigenschap in wezen gebaseerd is op subjectieve en wisselende criteria (…).
17 Gesteld dus dat (…) de betrokken paperweights als kunstwerken te beschouwen zijn, dan nog is dit geen beslissende factor voor de tariefindeling ervan.
18 Bovendien voorziet het GDT voor bepaalde kunstwerken in vrijstelling van rechten omdat deze werken economisch gezien noch met elkaar noch met andere voorwerpen concurreren, daar het om volstrekt persoonlijke creaties gaat, waarmee de kunstenaar een esthetisch ideaal tot uitdrukking brengt.
19 Vrijstelling van rechten is dus niet gerechtvaardigd wanneer het gaat om voorwerpen die althans potentieel in concurrentie staan met andere gelijksoortige, industriële of ambachtelijke produkten.
20 Nu de douane bij de tariefindeling uitsluitend van objectieve criteria mag uitgaan, die te maken hebben met de uiterlijke kenmerken van de goederen, is – ook indien zij door de kunstenaar met de hand zijn vervaardigd – sprake van goederen met een commercieel karakter in de zin van aantekening 3 bij hoofdstuk 99 van het GDT, wanneer zij uiterlijk gelijkenis vertonen met gelijkaardige industriële of ambachtelijke produkten.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 januari 2006 het volgende overwogen:
“Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 18 september 1990, Farfalla Flemming und Partner, C-228/89, Jurispr. 1990, blz. I-03387, punten 20 en 21, volgt dat een voorwerp van plastische kunst aangemerkt moet worden als een beeldhouwwerk met een commercieel karakter in de zin van aantekening 3 op hoofdstuk 97 van de GN, indien het uiterlijk gelijkenis vertoont met gelijkaardige industriële of ambachtelijke producten en daardoor in concurrentie kan komen met die, gelijkende, producten. Hieraan doet, aldus het Hof van Justitie, niet af dat het voorwerp door een kunstenaar in kleine aantallen met de hand is gemaakt, dat het zeer in trek is bij verzamelaars, dat het in museumcollecties wordt opgenomen en dat het in feite niet overeenkomstig de gebruiksmogelijkheden van het voorwerp wordt gebruikt. Evenmin is de prijs van het voorwerp van belang (punt 22).”
Toepasselijk tarief
Het hiervoor overwogene in algemene zin neemt niet weg dat het verlaagde tarief wel van toepassing zou kunnen zijn op de levering van bepaalde specifieke objecten door belanghebbenden. Op basis van wat belanghebbende heeft gesteld kan echter van geen van de in de naheffingstijdvakken geleverde objecten worden vastgesteld dat zij voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief. Belanghebbenden hebben daarvoor onvoldoende specifieke gegevens over de in de naheffingstijdvakken geleverde objecten overgelegd.
Wel hebben belanghebbenden ter zitting voorbeelden getoond van door [edelsmid 2] vervaardigde objecten waarvan de levering volgens hen aan het verlaagde tarief is onderworpen. En ook tot de stukken van het geding behoren foto’s en omschrijvingen van dergelijke objecten. Het gaat hier echter om objecten waarop de naheffingsaanslagen geen betrekking hebben. Ook kan niet zonder meer ervan worden uitgegaan dat de objecten representatief zijn voor een of meer van de objecten waarop de naheffingsaanslagen betrekking hebben. Omdat deze procedure niet op de getoonde objecten ziet, valt de beoordeling van die objecten buiten de omvang van het geschil.
5. Vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
Belanghebbenden hebben ter zitting uiting gegeven aan de spanning en frustratie die zij (hebben) ervaren als gevolg van de onderhavige procedure. De rechtbank vat dat op als een verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens de lange termijn die is verstreken sinds de indiening van hun bezwaarschriften.
De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Er is in de onderhavige gevallen geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad12, een redelijke termijn van twee jaar in de onderhavige gevallen, de datum waarop de bezwaarschriften zijn ontvangen (28 september 2016), de datum waarop de uitspraken op bezwaar zijn gedaan (7 december 2017) en de datum van deze uitspraak (12 november 2020), hebben belanghebbenden in beginsel elk recht op een vergoeding van immateriële schade van € 2.500. In dit geval bestaat aanleiding om de vergoeding te matigen tot € 1.250 per belanghebbende, aangezien er gezamenlijk is geprocedeerd. Er is weliswaar sprake van twee verschillende belanghebbenden, maar de onderhavige zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp en zijn gezamenlijk behandeld.13
Voor de verdeling van de te betalen schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister van Rechtsbescherming (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase heeft afgerond 15 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 9 maanden is overschreden. De resterende overschrijding van 17 maanden wordt aan de beroepsfase toegerekend. De veroordeling tot schadevergoeding zal naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van de inspecteur (9/26e x € 2.500 = € 865,38) respectievelijk de Minister van Rechtsbescherming (17/26e x € 2.500 = € 1.634,62). De rechtbank merkt de Minister in zoverre aan als partij in dit geding.
6Proceskosten
Nu de beroepen gegrond zijn, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Op de voet van het Besluit stelt de rechtbank de te vergoeden proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 525, een wegingsfactor 1 en een factor 1 voor samenhang). Overige op de voet van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld. Voor vergoeding van de kosten in de bezwaarfase is geen grond, omdat dit alleen kan gebeuren indien daar al in de bezwaarfase om is verzocht, wat hier niet het geval is.
7Beslissing
De rechtbank:
- -verklaart de beroepen gegrond;
- -vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- -vermindert de naheffingsaanslagen tot respectievelijk € 11.131 (BRE 18/325) en € 39.359 (BRE 18/326) en vermindert de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig;
- -veroordeelt de Minister van Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbenden tot een bedrag van gezamenlijk € 1.634,62.
- -veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbenden tot een bedrag van gezamenlijk € 865,38.
- -veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van gezamenlijk € 525;
– gelast dat de inspecteur het door belanghebbenden betaalde griffierecht van gezamenlijk € 676 aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2020 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, in aanwezigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen)
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.
1 Artikel 9, eerste lid, van de Wet OB.
2 Artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet OB.
3 Post 29, letter b, onder 1°, van onderdeel a van Tabel I bij de Wet OB.
4 Artikel 2a, eerste lid, letter m, van de Wet OB.
5 Artikel 4, tweede lid van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
6 Hiermee wordt bedoeld dat daaronder vallen werken die worden ingedeeld onder post 9703 van de Gecombineerde Nomenclatuur. Dat is een systematische naamlijst van goederen die is gebaseerd op het Geharmoniseerd Systeem van de Wereld Douane Organisatie.
7 Zie ov. 3.3.2 van Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1382.
8 Aantekening 3 op hoofdstuk 97 van de GN.
9 Zie ov. 20 tot en met 22 van HvJ 18 september 1990, Farfalla Flemming und Partner, C-228/89, ECLI:EU:C:1990:318.
10 Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0411.
11 Zie ov. 4.15 van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 juli 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ5954.
12Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
13Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, ov. 3.10.3.