Geen proceskostenvergoeding bij ambtshalve constatering dat redelijke termijn is overschreden

gerechtsdeurwaarder geld en man op weegschaal

Geen proceskostenvergoeding bij ambtshalve constatering dat redelijke termijn is overschreden

De Rechtbank heeft de door belanghebbende in eerste aanleg aangevoerde klachten verworpen. Op grond van de door de Rechtbank ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, heeft zij geoordeeld dat de boete moet worden verminderd. Enkel op die grond heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Belastingdienst inzake de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd, de Belastingdienst veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Belastingdienst gelast aan belanghebbende het in beide instanties betaalde griffierecht te vergoeden.

Volgens het Hof maakt de enkele omstandigheid dat de Rechtbank partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich over een ambtshalve – immers niet uit het beroepschrift van belanghebbende blijkende en ook niet spontaan ter zitting van de Rechtbank ter sprake gebrachte – vernietigingsgrond uit te laten niet dat daarmee niet langer sprake zou zijn van een ambtshalve gedane constatering. Voor een vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding is in een dergelijk geval geen plaats.

GerechtshofRechtbank
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
24-01-2020
Zaaknummer
19/00545
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:1168, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op vergoeding van proceskosten en griffierecht bij ambtshalve constatering dat de redelijke termijn van art. 6 EVRM is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-01-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

nummer 19/00545

uitspraakdatum: 21 januari 2020

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 maart 2019, nummer LEE 18/1098, in het geding tussen belanghebbende en

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

in het geding tussen de Inspecteur en belanghebbende.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd naar een bedrag van € 48.962. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 11.302. Bij beschikking heeft de Inspecteur een boete opgelegd van € 5.002.

1.2Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de bestreden belastingaanslag en beschikkingen gehandhaafd.

1.3Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 22 maart 2019, verzonden op 26 maart 2019, het beroep gegrond verklaard voor zover het ziet op de boetebeschikking, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de boetebeschikking betreft, de boete verminderd met € 1.695 tot een bedrag van € 9.607, de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

1.4Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft dat incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.6Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2019 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [A] en mr. [B] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [C] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [D] .

1.8De Inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.9Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2De vaststaande feiten

2.1Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en treedt op onder de handelsnamen [E] B.V., [F] en [G] . De reguliere activiteiten van de belanghebbende bestaan uit “alle activiteiten die niet met administratie te maken hebben, uit beheersactiviteiten”.

2.2[A] is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende.

2.3Op 10 mei 2012 stuurde de heer [A] op briefpapier van [H] een bevestiging van afspraken aan [I] Projectontwikkeling. Hij bevestigde de afspraak die is gemaakt met de heren [J] en [K] , dat hij (“wij”) een factuur zou sturen voor “onze bemiddeling in een beleggingsobject te Amsterdam, u nader bekend. Het bedrag wat wij, volgens afspraak bij u in rekening brengen is € 250.000,00 excl omzetbelasting, zijnde 2,5% van de beleggingswaarde € 10.000.000.” De brief bevat ook de volgende passage: “Tevens zal op onze factuur vermeld staan onze inschrijving bij de Kamer van Koophandel te Groningen, nummer [00000] , als ook ons omzetbelastingnummer NL [0000.00.001] .B.01.” Beide bedoelde nummers behoorden destijds toe aan [H] B.V.

2.4Bij overeenkomst van 9 juli 2012 kreeg belanghebbende opdracht om te bemiddelen bij de aankoop van een gebouwencomplex bestaande uit zogenaamde herplaatsbare units, plaatselijk bekend als [L] te [M] . De vergoeding bedroeg 2,5% van de beleggingswaarde, exclusief btw. [J] treedt op als gemachtigde van belanghebbende.

2.5Op 14 mei 2012 informeerde [A] bij de ING BANK of het ontvangen van een bedrag van € 250.000 op de bankrekening een probleem gaat opleveren. De ING BANK beantwoordde die vraag ontkennend.

2.6Gedagtekend 12 juni 2012 schreef belanghebbende een factuur uit aan [I] B.V., ter attentie van [N] te [O] wegens “Courtage volgens afspraak 2,5% (excl. btw) over de beleggingswaarde van het project ‘ [M] ’, beleggingswaarde € 10.000.000”. Factuurnummer 12021. Het factuurbedrag was € 250.000 vermeerderd met € 47.500 aan omzetbelasting, in totaal derhalve € 297.500.

2.7Gedagtekend 10 juli 2012 schreef belanghebbende een vrijwel identieke factuur uit met hetzelfde factuurnummer en dezelfde bedragen aan [P] B.V. gericht aan hetzelfde postbusadres te [O] .

2.8Op 24 juli 2012 ontving belanghebbende op zijn bankrekening de betaling voor de hiervoor – onder 2.7 – bedoelde factuur, een bedrag van € 297.500.

2.9Gedagtekend 27 juli 2012 schreef belanghebbende een creditfactuur, met factuurnummer 9999, uit ten name van [Q] B.V., ter attentie van de heer [K] , te [R] wegens “Uw aandeel in de overeenkomst met [P] BV”. Het factuurbedrag is € 126.050,42, terwijl de omzetbelasting € 23.949,58 bedraagt. In totaal werd derhalve een bedrag van € 150.000 gecrediteerd

2.10Met valutadatum 27 juli 2012 verrichtte belanghebbende een spoedbetaling van € 150.000 aan [K] wegens “deel betaling factuur bemiddelingsprovisie”.

2.11Met dagtekening 27 juli 2012 schreef belanghebbende een creditfactuur, met factuurnummer 9999, uit aan [S] B.V. te [R] wegens “Voor uw aandeel in de transaktie met [P] B.V.”. Factuurnummer 9999. Het factuurbedrag is € 98.739,50, terwijl de omzetbelasting € 18.760,51 bedraagt. In totaal wordt derhalve € 117.500,01 gecrediteerd.

2.12Op 2 augustus 2012 nam belanghebbende van zijn bankrekening bij de ING BANK contant een bedrag op van € 99.999.

2.13Met valutadatum 6 augustus 2012 verrichtte belanghebbende een betaling van € 10.000 aan [J] en [T] te [R] .

2.14Met valutadatum 20 augustus 2012 verrichtte de belanghebbende een betaling van € 7.500 aan [J] en [T] te [R] .

2.15[S] B.V. en [Q] B.V. hebben de omzetbelasting die is vermeld op de creditfacturen niet op aangifte voldaan.

2.16Belanghebbende heeft de omzetbelasting die begrepen is in de facturen aan [I] B.V. en/of [P] B.V. niet op aangifte voldaan.

2.17Belanghebbende heeft de voorbelasting die begrepen is in de creditfacturen ten name van [Q] B.V. en [S] B.V. niet als voordruk in aftrek gebracht.

2.18Belanghebbende heeft het resterende bedrag ad € 25.220,08 exclusief omzetbelasting (dat wil zeggen: € 250.000 -/- € 224.789,92) wel opgenomen in de aangifte in de omzetbelasting over het tijdvak 1 juli tot en met 30 september 2012, dan wel is dit bedrag begrepen in de berekening van het aansluitverschil. Over de gehele hiervoor – onder 2.3 tot en met 2.17 – omschreven transactie is daarmee per saldo € 25.220,08 x 19% = € 4.791 aan omzetbelasting voldaan.

2.19Namens de Inspecteur is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. De uitkomsten van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport, d.d. 17 augustus 2015.

2.20Naar aanleiding van het hiervoor – onder 2.19 – bedoelde rapport heeft de Inspecteur de hiervoor – onder 1.1 – bedoelde naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking belastingrente vastgesteld.

2.21Namens belanghebbende is bij bezwaarschrift van 4 november 2015 bezwaar gemaakt door mr. [U] , de toenmalige gemachtigde van belanghebbende. Daarna is in het kader van het bezwaar gecorrespondeerd tussen de Inspecteur en belanghebbende en/of de toenmalige gemachtigde.

2.22

Bij brief, gedateerd 21 december 2017, schrijft de Inspecteur onder meer:

“Motivering uitspraak op bezwaar

Tot op heden heb ik geen reactie ontvangen. Daarom blijf ik bij mijn standpunt dat de uitgereikte creditfacturen niet geaccepteerd worden. De negatieve omzetbelasting vermeld op deze facturen is niet aftrekbaar. Ik kom niet tegemoet aan uw bezwaar.”.

2.23Bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2018 heeft de Inspecteur de in bezwaar bestreden naheffingsaanslag en beschikkingen gehandhaafd. Daarbij is gerefereerd aan de hiervoor – onder 2.22 – bedoelde brief.

2.24De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 13 juni 2018 aan de Inspecteur verzocht om toezending van de hiervoor – onder 2.22 – bedoelde brief. De bedoelde brief is op 13 juli 2018 per e-mail aan de toenmalige gemachtigde toegezonden.

3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1In geschil is in het principale hoger beroep van belanghebbende of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking moeten worden vernietigd, nu er bij het indienen van de gronden van het beroep in eerste aanleg geen rekening kon worden gehouden met de op dat moment ontbrekende – onder 2.22 – bedoelde brief.

3.2Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de bestreden naheffingsaanslag en de bestreden boetebeschikking. Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende zijn grieven tegen de bestreden beschikking belastingrente laten varen.

3.3De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag ontkennend en concludeert in zijn incidentele hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

3.4Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de criteria die gelden voor “self-billing”, zodat er een onjuiste aangifte in de omzetbelasting voor het tijdvak 1 juli tot en met 30 september 2012 is gedaan. Ook de hoogte van de naheffingsaanslag als zodanig is tussen partijen niet in geschil.

3.6Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende zijn grief laten varen dat door de Inspecteur niet tijdig zou zijn voldaan aan de uit hoofde van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op hem rustende verplichting.

4Beoordeling van het geschil

4.1Belanghebbende stelt in haar principaal hoger beroep dat de onderwerpelijke naheffingsaanslag en de bestreden boetebeschikking moeten worden vernietigd, nu er bij het indienen van de gronden van het beroep in eerste aanleg geen rekening kon worden gehouden met de op dat moment ontbrekende – onder 2.22 – bedoelde brief.

4.2

De Rechtbank heeft in haar uitspraak dienaangaande het volgende overwogen:

“De motivering van het bezwaar – de brief van 21 december 2017 – is pas op 13 juli 2018 aan de huidige gemachtigde verzonden. Het beroep is van 12 juli 2018. Dat heeft elkaar dus gekruist. De motivering is volgens verweerder ook toegezonden aan de vorige gemachtigde van eiseres. Deze heeft verweerder op 13 juni 2018 verzocht om toezending van de motivering, omdat zij deze niet in haar dossier aantrof. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat de motivering naar de huidige gemachtigde eerst op 13 juli 2018 is verzonden niet leidt tot de vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De uitspraak op bezwaar is zonder de brief van 21 december 2017 weliswaar uiterst summier gemotiveerd, maar eiseres was volledig op de hoogte van de aard en omvang van de correctie die heeft geleid tot de onderhavige naheffingsaanslag. De naheffingsaanslag gedagtekend op 29 oktober 2015 is opgelegd aan de hand van het controlerapport van 17 augustus 2015. Dit controlerapport had eiseres tot haar beschikking. Tijdens het hoorgesprek op 19 oktober 2017 is de gehele gang van zaken wederom aan de orde geweest en hebben partijen vervolgens gezocht naar een oplossing. Eiseres is tot 9 november 2017 in de gelegenheid gesteld om met een voorstel te komen. Op verzoek van eiseres is de uiterste datum verlengd tot ultimo november 2017. Eiseres heeft niet gereageerd en vervolgens is bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. Dit gevolg was ook al tijdens de hoorzitting aangekondigd. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres niet in haar belangen is geschaad doordat de huidige gemachtigde eerst op 13 juli 2018 de beschikking heeft gekregen over de exacte motivering (brief van 21 december 2017) van de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verwijst naar de gedetailleerde inhoud van het beroepschrift. Het vorenstaande zou voor de rechtbank wel aanleiding kunnen zijn om aan eiseres een proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat eiseres (mogelijk) hierdoor gedwongen is om in beroep te komen tegen de uitspraak op bezwaar. Daar het beroep sowieso gegrond is voor zover het ziet op de boetebeschikking (zie hierna), wordt echter al een proceskostenvergoeding aan eiseres toegekend.”.

4.3Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met haar hiervoor – onder 4.2 – aangehaalde overweging op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt daarom deze overweging tot de zijne. Hetgeen belanghebbende dienaangaande in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, maakt dat oordeel niet anders. Nog daargelaten dat de Inspecteur heeft betwist dat het gereleveerde stuk ten tijde van het indienen van de beroepsgronden door belanghebbende in eerste aanleg nog niet door de Inspecteur was verzonden, voegt de motivering in de bedoelde brief, naar het oordeel van het Hof, nauwelijks iets toe, zeker gelet op het eerdere – onder 2.19 bedoelde – controlerapport. Overigens overweegt het Hof nog dat, zelfs al zou er veronderstellenderwijs van moeten worden uitgegaan dat de brief door de Inspecteur niet (tijdig) zou zijn toegestuurd, hij op grond van het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb geen gronden ziet voor vernietiging van de naheffingsaanslag en/of beschikkingen, nu immers de (overige) stukken van het geding geen enkele twijfel laten over de motivering.

4.4

De Rechtbank heeft ten aanzien van de boete overwogen:

“Het aanvangsmoment van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is 17 augustus 2015. De rechtbank doet uitspraak op 22 maart 2019. Sinds de aankondiging van de boete is dus (afgerond) ruim drie en een half jaar verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met anderhalf jaar (undue delay; vergelijk Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De rechtbank ziet geen reden om een deel van de overschrijding aan eiseres toe te rekenen. Vanwege deze overschrijding zal de rechtbank de boete matigen met 15%, waarbij de rechtbank de richtlijnen zoals neergelegd in de uitspraak van Hof Amsterdam van 2 juli 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298) tot uitgangspunt heeft genomen. (…) Het beroep tegen de belastingrentebeschikking heeft eiseres ter zitting laten varen. De rechtbank wijst verweerder erop dat de in rekening gebrachte belastingrente conform de uitsprak op bezwaar € 4.931 bedraagt, en niet € 5.002.”.

4.5Het Hof verenigt zich ambtshalve toetsend met de – onder 4.4 – aangehaalde overweging. Overigens is, naar het oordeel van het Hof, de opgelegde boete passend en geboden.

4.6In zijn incidentele hoger beroep heeft de Inspecteur – kort gezegd – gesteld dat hij door de Rechtbank ten onrechte is veroordeeld in de vergoeding van griffierechten en proceskosten, nu de boete uitsluitend is verminderd op de – door de Rechtbank ambtshalve naar voren gebrachte – grond dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is overschreden.

4.7De Rechtbank heeft de door belanghebbende in eerste aanleg aangevoerde klachten verworpen. Op grond van de door de Rechtbank ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM bij de berechting van de zaak in hoger beroep, heeft zij geoordeeld dat de boete moet worden verminderd. Enkel op die grond heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Inspecteur gelast aan belanghebbende het in beide instanties betaalde griffierecht te vergoeden. Anders dan belanghebbende stelt, maakt de enkele omstandigheid dat de Rechtbank partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich over een ambtshalve – immers niet uit het beroepschrift van belanghebbende blijkende en ook niet spontaan ter zitting van de Rechtbank ter sprake gebrachte – vernietigingsgrond uit te laten niet dat daarmee niet langer sprake zou zijn van een ambtshalve gedane constatering. Voor een vergoeding van het griffierecht op grond van artikel 8:74 van de Awb is in een geval als het onderhavige geen plaats. Het is niet in overeenstemming met de strekking van deze bepaling om vergoeding van het griffierecht toe te kennen in een geval waarin de vernietiging van de uitspraak op bezwaar uitsluitend haar grond vindt in de omstandigheid dat de rechtbank ambtshalve constateert dat bij de behandeling van het beroep de redelijke termijn is overschreden. In een geval als het onderhavige is evenmin plaats voor vergoeding van een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb (vgl. HR 16 september 2011, nr. 10/03571, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).

4.8Belanghebbende heeft er voorts nog op gewezen dat de Rechtbank, blijkens rechtsoverweging 3 van haar uitspraak, ook in het ten tijde van het motiveren van het beroep in eerste aanleg ontbreken van de hiervoor – onder 2.22 – genoemde brief, aanleiding zag in een proceskostenveroordeling van de Inspecteur. Het Hof is evenwel van oordeel, mede gelet op het hiervoor – onder 4.3 – overwogene, dat het ontbreken van die brief in het onderhavige geval geen (zelfstandige) rechtvaardiging van een proceskostenveroordeling kan vormen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het principale hoger beroep ongegrond en het incidentele hoger beroep gegrond.

5Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor zover het de beslissingen met betrekking tot de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten betreft en

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. W.M. van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 21 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 januari 2020

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Niet gepubliceerd.