Gerecht 08-07-2026 Rapera T-356/25

Gerecht Rapera arrest

AY is een in Griekenland gevestigde douanecommissionair en tevens fiscaal vertegenwoordiger van de Italiaanse vennootschap O. Vennootschap O verhandelt cellulose en slaat hiervoor goederen op in Griekenland, van waaruit zij onder meer intracommunautaire leveringen verricht. Na een boekenonderzoek over de belastingjaren 2020 tot en met 2022 stelt de Griekse Belastingdienst vast dat O voor ruim 3,3 miljoen euro aan btw heeft ontdoken. Om dit miljoenenbedrag veilig te stellen, legt de Belastingdienst direct conservatoire maatregelen op waarbij banktegoeden van zowel de vennootschap als van AY worden bevroren. AY gaat hiertegen in beroep en stelt dat zij uitsluitend administratieve handelingen verrichtte (zoals het indienen van btw-aangiften), geen boekhouding voerde voor O en volledig onbekend was met de onderliggende handelstransacties.

De vraag is of een fiscaal vertegenwoordiger hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de btw-schulden van een buitenlandse volmachtgever, zonder dat de Belastingdienst of de rechter hoeft te onderzoeken of de vertegenwoordiger te goeder trouw handelde of überhaupt betrokken was bij de belastingfraude. Daarnaast moet het Gerecht beoordelen of de btw-richtlijn toestaat dat een fiscaal vertegenwoordiger wordt aangemerkt als de primaire ’tot voldoening van de belasting gehouden persoon’ (artikel 204), zelfs als deze niet inhoudelijk betrokken is bij de belastbare handelingen. Tot slot verdeelt partijen de vraag of de hoedanigheden van artikel 204 en artikel 205 (hoofdelijke aansprakelijkheid) van de btw-richtlijn gelijktijdig op eenzelfde fiscaal vertegenwoordiger van toepassing kunnen zijn.

Het Gerecht oordeelt ten eerste dat artikel 204 van de btw-richtlijn er niet aan in de weg staat dat een fiscaal vertegenwoordiger wordt aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, ook al neemt deze geen deel aan de feitelijke handelstransacties. Ten tweede beslist het Gerecht echter dat een onvoorwaardelijke hoofdelijke aansprakelijkheid via artikel 205 van de btw-richtlijn in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, waaronder HvJ 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij, C-499/10, ECLI:EU:C:2011:871, overweegt het Gerecht dat het volstrekt onevenredig is om belastingderving toe te rekenen aan een vertegenwoordiger zonder diens goede trouw, zorgvuldigheid en eventuele feitelijke betrokkenheid bij de fraude in acht te nemen. Tot slot oordeelt het Gerecht dat een persoon die onder artikel 204 is aangewezen als primaire btw-schuldenaar, niet tevens hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden op grond van artikel 205; deze twee juridische regimes sluiten elkaar uit.

DictumArrestVerzoek

1) Artikel 204 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019,

moet aldus worden uitgelegd dat

het er zich niet tegen verzet dat een fiscaal vertegenwoordiger van een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige wordt beschouwd als een tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de zin van die bepaling, ook al is deze fiscaal vertegenwoordiger niet betrokken bij de door de belastingplichtige verrichte belastbare handelingen, en voor zover hij door deze laatste als zodanig is aangewezen.

2) Artikel 205 van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1995, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel,

moet aldus worden uitgelegd dat

het eraan in de weg staat dat een fiscaal vertegenwoordiger die niet is aangewezen als de persoon die gehouden is tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die verschuldigd is door een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige maar die voor rekening van een dergelijke belastingplichtige btw-aangifteverplichtingen dient te vervullen, zonder dat hij een boekhouding hoeft te voeren of boekhoudkundige stukken hoeft uit te geven met betrekking tot de door deze btw-plichtige verrichte handelingen, hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de verschuldigde btw, terwijl het noch de belastingdienst noch de bevoegde rechter is toegestaan om na te gaan of hij betrokken was bij de economische activiteit van de belastingplichtige, of hij wist of had moeten weten dat de belasting niet betaald zou worden, en of hij te goeder trouw heeft gehandeld en alle redelijkerwijs vereiste maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de btw-verplichtingen werden nagekomen.

3) De omstandigheid dat de handeling waarvoor btw verschuldigd is, verricht is onder het individuele btw-identificatienummer dat aan de belastingplichtige is toegekend door de lidstaat waar hij gevestigd is dan wel onder het nummer dat is toegekend door de lidstaat waar de btw verschuldigd is, kan niet bepalend zijn voor de in de punten 1 en 2 van het onderhavige dictum verstrekte antwoorden.

4) Artikel 205 van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1995, gelezen in het licht van artikel 204, lid 1, van deze richtlijn,

moet aldus worden uitgelegd dat

een persoon die krachtens artikel 204 als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon is aangewezen, niet tevens hoofdelijk aansprakelijk kan zijn op grond van artikel 205 van deze richtlijn.

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

8 juli 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Fiscaal vertegenwoordiger die is erkend als de tot voldoening van de btw gehouden persoon – Artikel 204 van richtlijn 2006/112/EG – Hoofdelijke aansprakelijkheid – Artikel 205 van richtlijn 2006/112 – Nationale regeling die de fiscaal vertegenwoordiger als de tot voldoening van de btw gehouden persoon aanwijst en voorziet in zijn hoofdelijke aansprakelijkheid – Evenredigheid ”

In zaak T‑356/25, [Rapera] (i),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis (bestuursrechter in eerste aanleg Thessaloniki, Griekenland) bij beslissing van 6 mei 2025, ingekomen bij het Hof op 8 mei 2025, in de procedure

AY

tegen

Anexartiti Archi Dimosion Esodon,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, M. Sampol Pucurull (rapporteur), T. Pynnä, J. Laitenberger en M. Stancu, rechters,

advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,

griffier: S. Spyropoulos, administrateur,

gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 3 juni 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 25 februari 2026,

gelet op de opmerkingen van:

– AY, vertegenwoordigd door D. Finokaliotis en A. Finokalioti, dikigoroi,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E.‑E. Krompa, I. Kotsoni en M. Tassopoulou als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Athanasiadou en P. Carlin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 204 en 205 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019 (PB 2019, L 310, blz. 1) (hierna: „btw-richtlijn”), alsook het evenredigheidsbeginsel.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AY, een in Griekenland gevestigde douanecommissionair, en de Anexartiti Archi Dimosion Esodon (onafhankelijke autoriteit voor overheidsinkomsten, Griekenland; hierna: „AADE”) over conservatoire maatregelen die tegen AY zijn genomen voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die O, een in Italië gevestigde vennootschap, verschuldigd is in Griekenland.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 204 van de btw-richtlijn bepaalt:

„1. Wanneer bij de toepassing van de artikelen 193 tot en met 197 en de artikelen 199 en 200 de tot voldoening van de belasting gehouden persoon een belastingplichtige is die niet is gevestigd in de lidstaat waar de btw verschuldigd is, kunnen de lidstaten hem de mogelijkheid geven een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen als tot voldoening van de belasting gehouden persoon.

In het geval dat de belastbare handeling wordt verricht door een belastingplichtige die niet in de lidstaat is gevestigd waar de btw verschuldigd is, en er met het land van het hoofdkantoor of de vestiging van deze belastingplichtige geen rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat waarvan de strekking gelijk is aan die van richtlijn 76/308/EEG en verordening (EG) nr. 1798/2003, kunnen de lidstaten bepalen dat een door deze belastingplichtige aangewezen fiscaal vertegenwoordiger tot voldoening van de belasting wordt gehouden.

De lidstaten mogen de in de tweede alinea bedoelde mogelijkheid echter niet toepassen op een belastingplichtige in de zin van artikel 358 bis, punt 1, die gekozen heeft voor de bijzondere regeling voor diensten verricht door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen.

2. De in lid 1, eerste alinea, bedoelde mogelijkheid is onderworpen aan de door de respectieve lidstaten vastgestelde voorwaarden en uitvoeringsbepalingen.”

4 Artikel 205 van de btw-richtlijn luidt:

„In de in de artikelen 193 tot en met 200 en 202, 203 en 204 bedoelde situaties kunnen de lidstaten bepalen dat een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is de btw te voldoen.”

5 In artikel 213, lid 1, van de btw-richtlijn staat te lezen:

„Iedere belastingplichtige moet opgave doen van het begin, de wijziging en de beëindiging van zijn activiteit als belastingplichtige.

[…]”

6 In artikel 214, lid 1, van de btw-richtlijn wordt het volgende bepaald:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de identificatie onder een individueel nummer van de volgende personen:

a) iedere belastingplichtige […] die op hun respectieve grondgebied goederenleveringen of diensten verricht welke recht op aftrek doen ontstaan, […];

b) iedere belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die intracommunautaire verwervingen van goederen verricht welke […] aan de btw zijn onderworpen […];

[…]”

Grieks recht

7 Nomos 2859/2000 – Kyrosi Kodika Forou Prostithemenis Axias (wet 2859/2000 houdende het btw-wetboek) (FEK A’ 248), in de ten tijde van de feiten geldende versie (hierna: „btw-wetboek”), bevatte een artikel 35 („Belastingplichtige personen”), waarvan lid 1 het volgende bepaalde:

„Voor de levering van goederen, de intracommunautaire verwerving van goederen en de verrichting van diensten zijn de volgende personen belastingplichtig:

a) de in het binnenland gevestigde belastingplichtige voor de door hem verrichte handelingen waarvan de plaats van belastingheffing zich in het binnenland bevindt. […];

b) de in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de door hem verrichte handelingen waarvan de plaats van belastingheffing zich in het binnenland bevindt, met uitzondering van de onder e), f) en h), bedoelde handelingen en onder het voorbehoud dat hij geen fiscaal vertegenwoordiger heeft aangewezen overeenkomstig artikel 36, lid 4, onder e);

c) de fiscaal vertegenwoordiger van een buiten Griekenland gevestigde belastingplichtige voor de door die belastingplichtige verrichte handelingen en waarvan de plaats van belastingheffing zich in het binnenland bevindt, met uitzondering van de onder e), f) en h) bedoelde handelingen;

d) […]

e) de belastingplichtige voor wie goederenleveringen worden verricht, op voorwaarde dat hij belastingplichtig is, voor de volgende handelingen […]:

[…];

f) de belastingplichtige voor wie diensten worden verricht, op voorwaarde dat hij belastingplichtig is of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is […];

g) de in het binnenland gevestigde belastingplichtige voor wie goederenleveringen of diensten worden verricht, wat betreft de handelingen waarvoor de belastingplichtige overeenkomstig het bepaalde onder c) in beginsel de fiscaal vertegenwoordiger is en de handelingen waarvoor hij overeenkomstig artikel 36, lid 4, onder d), niet als fiscaal vertegenwoordiger is aangewezen;

h) in alle andere gevallen, de in het binnenland gevestigde belastingplichtige voor wie goederenleveringen of diensten worden verricht […]”.

8 Artikel 36 van het btw-wetboek („Verplichtingen van de belastingplichtige”), bepaalde in lid 4, onder d) en e), en lid 7, onder d):

„4. De belastingplichtige is tevens verplicht om:

[…]

d) een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen alvorens in het binnenland enige belastbare handeling te verrichten, indien de belastingplichtige geen vaste inrichting heeft in het binnenland of in een andere lidstaat, en hij zelf voor die handeling de belasting verschuldigd is, overeenkomstig de bepalingen van artikel 35. De aanwijzing van de fiscaal vertegenwoordiger gebeurt door een afschrift over te leggen van de desbetreffende volmacht aan het douanehoofdkantoor dat bevoegd is voor de inkomstenbelasting van de fiscaal vertegenwoordiger. Dit afschrift moet worden geviseerd door de Griekse consulaire autoriteit van de plaats waar de belastingplichtige is gevestigd of door de visumautoriteit die is aangewezen overeenkomstig het Verdrag van ’s-Gravenhage van 5 oktober 1961.

e) Overeenkomstig punt d) van dit lid kunnen ook belastingplichtigen die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn en geen vestiging in Griekenland hebben, een fiscaal vertegenwoordiger aanwijzen. In dat geval is de fiscaal vertegenwoordiger niet verplicht een boekhouding te voeren of boekhoudkundige stukken uit te geven aangaande de door zijn principaal verrichte handelingen.

[…]

7. De volgende personen zijn in voorkomend geval ook onderworpen aan de verplichtingen van dit artikel:

[…]

d) de fiscaal vertegenwoordiger, wanneer hij overeenkomstig artikel 35 als belastingplichtige wordt aangemerkt.”

9 Artikel 55 van het btw-wetboek („Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de belasting”), bepaalde:

„Voor de betaling van de verschuldigde belasting zijn, samen met de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, tevens de volgende personen hoofdelijk aansprakelijk:

a) de in artikel 36, lid 7, bedoelde personen, en […] […]

d) de niet-belastingplichtige, indien goederenleveringen of diensten worden verricht waarvoor de in het buitenland gevestigde belastingplichtige of zijn fiscaal vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 35 als tot voldoening van de belasting gehouden persoon wordt aangemerkt.”

10 Artikel 8 van Nomos 5104/2024 – Kodikas forologikis diadikasias […] (wet 5104/2024 houdende het wetboek fiscaal procesrecht […]) (FEK A’ 58; hierna: „wetboek fiscaal procesrecht”), heeft als opschrift „Fiscaal gevolmachtigde en fiscaal vertegenwoordiger” en bepaalt:

„1. Een belastingplichtige die zijn fiscale woonplaats in het buitenland heeft, kan een natuurlijke of rechtspersoon met fiscale woonplaats in Griekenland aanwijzen als fiscaal gevolmachtigde voor de vervulling van de formele verplichtingen die uit deze wet voortvloeien en aan wie alle correspondentie met betrekking tot de belastingplichtige wordt toegezonden.

2. In het bijzonder is op de verplichtingen in verband met de belasting over de toegevoegde waarde (btw) en de belasting op verzekeringspremies, artikel 36, lid 4, onder d) van het btw-wetboek (wet nr. 2859/2000, A’ 248) van toepassing waarin de aanstelling van een fiscaal vertegenwoordiger is geregeld.

3. De als fiscaal gevolmachtigde aangewezen persoon is niet aansprakelijk voor het al dan niet nakomen van de fiscale verplichtingen van de belastingplichtige.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11 AY treedt op als douanecommissionair en is in Griekenland geregistreerd als fiscaal vertegenwoordiger van O, een in Italië gevestigde vennootschap. Volgens een in het register van het bevoegde douanehoofdkantoor ingeschreven bijzonder mandaat van 2022 is AY in Griekenland aangewezen als „fiscaal gevolmachtigde” van de vennootschap O en is zij belast met de „fiscale vertegenwoordiging van de vennootschap” voor de douane- en belastingautoriteiten, de „indiening van periodieke btw-aangiften”, de „betaling van de door de douane- en belastingautoriteiten op naam van de vennootschap vastgestelde bedragen door en voor rekening van de vennootschap” en „het vervullen van alle douaneformaliteiten in verband met de inklaring van de vracht namens de onderneming bij de douanekantoren van het land door de nodige documenten te ondertekenen”.

12 O is houder van een Italiaans en Grieks btw-identificatienummer. Haar hoofdactiviteit is het in de handel brengen van cellulose, een grondstof voor de productie van hygiënepapier. Daartoe bewaart zij goederen uit Finland in verschillende opslaginstallaties op het Griekse grondgebied.

13 In de loop van 2023 heeft de AADE een controle verricht over de belastingjaren 2020 tot en met 2022. Deze controle betrof enerzijds de intracommunautaire leveringen die O onder haar Griekse fiscaal identificatienummer verrichtte aan klanten in Bulgarije en Italië en anderzijds de intracommunautaire leveringen onder haar Italiaanse fiscaal identificatienummer aan in Griekenland gevestigde klanten.

14 Bij deze controle heeft AADE vastgesteld dat de Griekse vestiging van O een totaalbedrag van 3 344 061,47 EUR aan btw had nagelaten te betalen.

15 In die omstandigheden heeft AADE tegen O en AY, als fiscaal vertegenwoordiger van deze vennootschap, een besluit vastgesteld waarbij ter bescherming van het algemeen belang onmiddellijke en urgente conservatoire maatregelen werden opgelegd door met name een deel van de door hen aangehouden deposito’s bij kredietinstellingen in Griekenland te bevriezen.

16 AY heeft tegen dit besluit een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis (bestuursrechter in eerste aanleg Thessaloniki, Griekenland), de verwijzende rechter.

17 Ter ondersteuning van haar beroep betwist AY dat zij als fiscaal vertegenwoordiger van O is geregistreerd en dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de belastingschulden van deze vennootschap. Zij betoogt in het bijzonder dat zij enkel de btw-aangiften voor de door O onder haar Griekse fiscaal identificatienummer verrichte handelingen indiende en de desbetreffende belasting betaalde, maar dat zij geen boekhouding voerde en geen overeenkomsten voor deze vennootschap sloot, dat zij niet op de hoogte was van de door O verrichte transacties en dat zij niet verantwoordelijk was voor het vervoer van de betrokken goederen of voor de betaling van de leveranciers.

18 AADE voert aan dat AY, in haar hoedanigheid van fiscaal vertegenwoordiger van O, hoofdelijk aansprakelijk was voor de nakoming van de btw-verplichtingen van deze vennootschap krachtens artikel 35, lid 1, onder c), van het btw-wetboek, dat betrekking heeft op de hoedanigheid van fiscale vertegenwoordigers van buiten Griekenland gevestigde belastingplichtigen als tot voldoening van de belasting gehouden personen, alsook krachtens artikel 55 van dat wetboek, dat betrekking heeft op de personen die hoofdelijk met de tot voldoening van de belasting gehouden persoon aansprakelijk zijn. Bijgevolg meent de AADE dat dus terecht conservatoire maatregelen aan AY zijn opgelegd.

19 In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of, gelet op de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder de arresten van 20 mei 2021, ALTI (C‑4/20, EU:C:2021:397), en 12 mei 2022, U. I. (Indirecte douanevertegenwoordiger) (C‑714/20, EU:C:2022:374), de bepalingen van de btw-richtlijn, en met name artikel 205 ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat zij toestaan dat een persoon hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van de verschuldigde btw voor de intracommunautaire verwerving van goederen, ook al dient die laatste enkel de desbetreffende btw-aangiften in en betaalt hij de verschuldigde belasting zonder boekhouding te voeren of boekhoudkundige stukken over de door zijn principaal verrichte handelingen uit te geven.

20 Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af onder welke voorwaarden de in een andere lidstaat gevestigde fiscaal vertegenwoordiger van een btw-plichtige als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon kan worden beschouwd in de zin van artikel 204 van de btw-richtlijn, in het bijzonder wanneer noch de belastingdienst noch de bevoegde rechter bevoegd is om na te gaan of die vertegenwoordiger daadwerkelijk betrokken is bij de economische activiteit van de belastingplichtige die hij vertegenwoordigt.

21 Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat voor de beoordeling of de door AADE toegepaste nationale bepalingen voldoen aan de vereisten van duidelijkheid en nauwkeurigheid en of ze in overeenstemming zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, moet worden vastgesteld of artikel 204, lid 1, en artikel 205 van de btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat een persoon op grond van deze twee bepalingen gelijktijdig aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de btw.

22 Gelet op een en ander heeft de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Moeten artikel 205 van [de btw-richtlijn] en het evenredigheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale bepaling als artikel 55, onder d), van [het btw-wetboek], op grond waarvan een persoon hoofdelijk aansprakelijk is voor voldoening van de btw (ongeacht de wijze waarop hij in de nationale wetgeving wordt genoemd, te weten ofwel ,fiscaal vertegenwoordiger’ ofwel ,fiscaal gevolmachtigde’) terwijl hij niet verplicht is een boekhouding te voeren of boekhoudkundige stukken uit te geven voor de handelingen van zijn in een andere lidstaat gevestigde principaal, maar enkel de overeenkomstige btw-aangiften indient, wanneer deze nationale bepaling noch de belastingdienst noch, bij uitbreiding, de bevoegde rechter machtigt om te onderzoeken of deze persoon: i) betrokken is geweest bij de economische activiteit van de belastingplichtige; ii) wist of had moeten weten dat de belasting met betrekking tot die handeling, of een eerdere of latere handeling, niet zou worden betaald, en iii) te goeder trouw heeft gehandeld en binnen de grenzen van zijn bevoegdheid alle redelijke maatregelen heeft genomen?

2) Kan op grond van artikel 204 van [de btw-richtlijn] de fiscaal vertegenwoordiger van een in een andere lidstaat gevestigde btw-plichtige aansprakelijk worden gesteld als een tot voldoening van de belasting gehouden persoon indien hij niet deelneemt aan de activiteit van de belastingplichtige? Verzet die bepaling zich tegen een nationale regeling als die van artikel 35, lid 1, onder c), van [het btw-wetboek] volgens welke de fiscaal vertegenwoordiger automatisch als tot voldoening van de belasting gehouden persoon wordt beschouwd, zonder dat de belastingdienst, en bij uitbreiding ook de bevoegde rechter, de mogelijkheid heeft om te onderzoeken of die persoon bij de economische activiteit van de belastingplichtige betrokken is?

3) Verschilt het antwoord op de vorige vragen naargelang de transactie waarvoor btw verschuldigd is, verricht is onder het fiscaal identificatienummer van de lidstaat waarin de belastingplichtige is gevestigd dan wel onder het fiscaal identificatienummer van de lidstaat waar de belasting verschuldigd is?

4) Moeten artikel 204, lid 1, en artikel 205 van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat een persoon gelijktijdig aansprakelijk kan zijn op grond van beide bepalingen, dat wil zeggen, als tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de zin van artikel 204, lid 1, en als hoofdelijk aansprakelijke persoon in de zin van artikel 205?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

23 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat bij de vragen van de verwijzende rechter wordt uitgegaan van verschillende premissen.

24 De eerste vraag berust immers op de premisse dat AY niet de tot voldoening van de belasting gehouden persoon is in de zin van artikel 204, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn. De tweede en de vierde vraag berusten daarentegen op de premisse dat AY wel de tot voldoening van de belasting gehouden persoon is in de zin van deze bepaling. Bij de derde vraag wisselt de verwijzende rechter beide situaties af.

25 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing en de debatten ter terechtzitting blijkt dat AY meent dat zij noch de fiscaal vertegenwoordiger van O is, noch hoofdelijk aansprakelijk is voor diens schulden.

26 Voorts zij eraan herinnerd dat het in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter van de Europese Unie en de nationale rechter in beginsel aan deze laatste staat om na te gaan of is voldaan aan de feitelijke voorwaarden voor de toepassing van een bepaling van de Unie. De rechter van de Unie die in het kader van een prejudiciële verwijzing wordt aangezocht, kan evenwel uitleggingselementen verstrekken om de nationale rechter bij zijn uitlegging te leiden (zie in die zin arrest van 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C‑555/23 en C‑556/23, EU:C:2025:484, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Bijgevolg staat het aan het Gerecht om de verwijzende rechter alle uitleggingselementen te verschaffen met betrekking tot het begrip „als tot voldoening van de belasting gehouden aangewezen fiscaal vertegenwoordiger” in de zin van artikel 204 van de btw-richtlijn.

28 Dienaangaande zij opgemerkt dat de btw-richtlijn geen algemene definitie van het begrip „fiscaal vertegenwoordiger” bevat. Uit artikel 204, lid 1, van deze richtlijn blijkt echter dat de richtlijn specifiek betrekking heeft op fiscale vertegenwoordigers die als tot voldoening van de btw gehouden personen zijn aangewezen.

29 De fiscale vertegenwoordigers die als tot voldoening van de btw gehouden personen zijn aangewezen in de zin van artikel 204 van de btw-richtlijn onderscheiden zich dus van andere tussenpersonen, zoals fiscale vertegenwoordigers die louter als tussenpersoon optreden, doordat zij voor rekening van hun principaal de hoedanigheid van tot voldoening van de btw gehouden personen op zich nemen. Hoewel de btw-richtlijn geen criteria bevat, waaronder de aard van de activiteiten die voor de principaal worden verricht, op basis waarvan een fiscaal vertegenwoordiger als een tot voldoening van de belasting gehouden persoon kan worden aangewezen, verbiedt zij evenmin dat een nationale wettelijke regeling kan bepalen dat deze aanmerking het gevolg is van een beoordeling van de aard van de activiteiten. Het staat immers aan de lidstaten om de voorwaarden en de wijze van aanwijzing vast te stellen, hetgeen noodzakelijkerwijs impliceert dat de werkingssfeer ervan in hun nationale wetgeving wordt bepaald. Bij deze aanwijzing moeten echter het Unierecht en de algemene beginselen van het gemeenschappelijke btw-stelsel in acht worden genomen.

30 Gelet op de overwegingen in de punten 28 en 29 hierboven, staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of is voldaan aan de feitelijke voorwaarden om artikel 204 van de btw-richtlijn toe te passen.

Tweede vraag

31 Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 204 van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een fiscaal vertegenwoordiger van een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige wordt beschouwd als een tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de zin van die bepaling, ook al is die fiscaal vertegenwoordiger niet betrokken bij de door deze belastingplichtige verrichte belastbare handelingen.

32 In de in artikel 204, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn bedoelde situatie kan de betrokken lidstaat voorzien in de mogelijkheid dat een belastingplichtige een fiscaal vertegenwoordiger aanwijst als tot voldoening van de belasting gehouden persoon. Deze aanwijzing gebeurt met inachtneming van de voorwaarden en modaliteiten die zijn vastgesteld in de toepasselijke nationale wetgeving, overeenkomstig artikel 204, lid 2, van de btw-richtlijn.

33 Waar artikel 204 van de btw-richtlijn de aanwijzing van een fiscaal vertegenwoordiger als tot voldoening van de belasting gehouden persoon niet afhankelijk stelt van zijn daadwerkelijke deelname aan de belastbare handelingen van de belastingplichtige die hij vertegenwoordigt, kent deze bepaling de lidstaten een beoordelingsmarge toe om te bepalen onder welke voorwaarden en op welke wijze een dergelijke vertegenwoordiger kan worden aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon.

34 Uit de bewoordingen van artikel 204 van de btw-richtlijn kan dus worden afgeleid dat deze bepaling er niet aan in de weg staat dat een fiscaal vertegenwoordiger wordt aangewezen als persoon die gehouden is de btw te voldoen die de belastingplichtige die hij vertegenwoordigt verschuldigd is, ook al is hij niet betrokken bij de door deze laatste verrichte belastbare handelingen.

35 Deze vaststelling wordt bevestigd door de context van artikel 204 van de btw-richtlijn.

36 De artikelen 193 tot en met 200 en 202 tot en met 204 van de btw-richtlijn, die deel uitmaken van afdeling 1 van hoofdstuk 1 van titel XI van deze richtlijn („Tegenover de schatkist tot voldoening van de belasting gehouden personen”), bepalen wie de tot voldoening van de btw gehouden persoon is. Hoewel artikel 193 van de btw-richtlijn als hoofdregel bepaalt dat de btw verschuldigd is door de belastingplichtige die een belastbare goederenlevering of een belastbare dienst verricht, verduidelijkt dit artikel dat in de situaties bedoeld in de artikelen 194 tot en met 199 ter en 202 van deze richtlijn ook andere personen tot voldoening van deze belasting kunnen of moeten worden gehouden (zie in die zin arrest van 30 april 2025, Genzyński, C‑278/24, EU:C:2025:299, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Het geheel van de bepalingen waartoe artikel 204 van de btw-richtlijn behoort, strekt er dus toe de tot voldoening van de btw gehouden persoon te identificeren naargelang de situatie, teneinde de schatkist ervan te verzekeren dat de btw doeltreffend en bij de voor de desbetreffende situatie meest geschikte persoon wordt geïnd, in het bijzonder wanneer de partijen bij de overeenkomst zich niet in dezelfde lidstaat bevinden of wanneer de aan btw onderworpen transactie betrekking heeft op handelingen die zo specifiek zijn dat een andere dan de in artikel 193 van deze richtlijn bedoelde persoon moet worden aangewezen (zie in die zin de arresten van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 28, en 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 49).

38 De mogelijkheid waarover een btw-plichtige eventueel beschikt om een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen als de tot voldoening van de btw gehouden persoon als bedoeld in artikel 204, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn, kan er bij deze identificatie voor zorgen dat de btw doeltreffender wordt geïnd dan bij toepassing van de normale regels die voorschrijven dat de tot voldoening van de btw gehouden persoon in principe de btw-plichtige zelf is (zie naar analogie arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punten 49 en 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 De doeltreffendheid van de aldus beoogde inning van de btw komt voort uit het feit dat de belastingdienst dan in de betrokken lidstaat een gesprekspartner heeft, namelijk de fiscaal vertegenwoordiger, die gemakkelijker toegankelijk is dan de niet in die lidstaat gevestigde btw-plichtige en die het, als tot belasting gehouden persoon, voor die dienst vooral gemakkelijker maakt om de btw te innen.

40 Bij de uitoefening van hun bevoegdheid om de in artikel 204, lid 2, van de btw-richtlijn bepaalde voorwaarden en modaliteiten vast te stellen, moeten de lidstaten de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, met name het rechtszekerheids‑ en het evenredigheidsbeginsel, naleven (zie naar analogie arrest van 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij, C‑499/10, EU:C:2011:871, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Uit hoofde van het evenredigheidsbeginsel moeten de lidstaten middelen aanwenden waarmee het door het nationale recht nagestreefde doel doeltreffend kan worden bereikt, doch waarmee tegelijk de doelstellingen en beginselen van de betrokken Unieregeling zo min mogelijk worden aangetast. Ofschoon het bijgevolg legitiem is dat de maatregelen van de lidstaten de rechten van de schatkist zo doelmatig mogelijk proberen te beschermen, mogen zij niet verder gaan dan wat daartoe noodzakelijk is (zie arrest van 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij, C‑499/10, EU:C:2011:871, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 In deze context kan een bijkomende voorwaarde of modaliteit voor de mogelijkheid om een fiscaal vertegenwoordiger als een tot voldoening van de belasting gehouden persoon aan te wijzen, zoals de vereiste dat hij deelneemt aan de door de vertegenwoordigde belastingplichtige verrichte handelingen, de draagwijdte van die mogelijkheid beperken en dus afbreuk doen aan het nuttig effect ervan in het licht van de algemene doelstelling om met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel een zo doeltreffend mogelijke inning van de btw te waarborgen. De invoering van een dergelijk vereiste kan er immers toe leiden dat deze mogelijkheid minder wordt gebruikt en daardoor minder wordt bijgedragen aan een doeltreffende inning van de btw.

43 De door de Uniewetgever geboden mogelijkheid wordt daarentegen volledig benut wanneer niet wordt vereist dat de vertegenwoordiger deelneemt aan de door de vertegenwoordigde belastingplichtige verrichte handelingen. Aldus wordt het doel van een efficiënte toepassing van de btw alsmede de inning ervan gewaarborgd.

44 Hieruit volgt dat de bij artikel 204, lid 2, van de btw-richtlijn aan de lidstaten toegekende bevoegdheid om de uitoefening van de mogelijkheid om een fiscaal vertegenwoordiger als tot voldoening van de belasting gehouden persoon aan te wijzen, afhankelijk te stellen van voorwaarden of nadere regels, niet aldus kan worden uitgelegd dat het ontbreken van dergelijke voorwaarden of modaliteiten op zich in strijd zou zijn met deze richtlijn.

45 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 204 van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het er zich niet tegen verzet dat een fiscaal vertegenwoordiger van een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige wordt beschouwd als een tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de zin van die bepaling, ook al is deze fiscaal vertegenwoordiger niet betrokken bij de door de belastingplichtige verrichte belastbare handelingen, en voor zover hij door deze laatste als zodanig is aangewezen.

Eerste vraag

46 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een fiscaal vertegenwoordiger die voor rekening van een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige btw-aangifteverplichtingen moet nakomen, zonder dat hij een boekhouding moet voeren of boekhoudkundige stukken moet uitgeven met betrekking tot de door die belastingplichtige verrichte handelingen, hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de verschuldigde btw, terwijl noch de belastingdienst noch de bevoegde rechter bevoegd is om na te gaan of hij betrokken is geweest bij de economische activiteit van de belastingplichtige, of hij wist of had moeten weten dat de belasting niet zou worden betaald, en of hij te goeder trouw heeft gehandeld en alle redelijkerwijs vereiste maatregelen heeft genomen om de naleving van de btw-verplichtingen te verzekeren.

47 Vooraf dient te worden opgemerkt dat de gestelde vraag betrekking heeft op een fiscaal vertegenwoordiger die niet is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de zin van artikel 204, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn.

48 Er zij op gewezen dat de uit artikel 55 van het btw-wetboek voortvloeiende hoofdelijke aansprakelijkheid onvoorwaardelijk is geformuleerd, aangezien zij van toepassing is op de fiscaal vertegenwoordiger van een belastingplichtige, ook al is deze te goeder trouw en hem geen schuld of nalatigheid kan worden verweten en ook al is hij niet noodzakelijk betrokken bij de economische handelingen van zijn principaal (zie in die zin en naar analogie arrest van 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij, C‑499/10, EU:C:2011:871, punten 23 en 24).

49 Artikel 205 van de btw-richtlijn preciseert dat lidstaten in de in de artikelen 193 tot en met 200 en 202 tot en met 204 bedoelde situaties kunnen bepalen dat een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is de btw te voldoen.

50 Artikel 205 van de btw-richtlijn geeft noch de personen aan die als hoofdelijke schuldenaar kunnen worden aangewezen, noch in welke situaties iemand als zodanig kan worden aangewezen. De lidstaten ontlenen aan deze bepaling enkel de bevoegdheid om de toepassingsvoorwaarden en -modaliteiten van de daarin neergelegde hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen, met inachtneming van met name het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin de arresten van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punten 31 en 32, en 10 juli 2025, KONREO, C‑276/24, EU:C:2025:554, punt 28).

51 Zo volgt uit de context van de artikelen 193 tot en met 205 van de btw-richtlijn dat artikel 205 van deze richtlijn deel uitmaakt van een reeks bepalingen die beoogt de tot voldoening van de btw gehouden persoon te identificeren in verschillende situaties. Op die manier moeten deze bepalingen de schatkist ervan verzekeren dat de btw op doeltreffende wijze wordt geïnd bij degene bij wie dat in de desbetreffende situatie op de meest adequate wijze kan geschieden, in het bijzonder wanneer de partijen bij de overeenkomst zich niet in dezelfde lidstaat bevinden of wanneer de aan btw onderworpen transactie betrekking heeft op handelingen die zo specifiek zijn dat een andere dan de in artikel 193 van deze richtlijn bedoelde persoon moet worden aangewezen (zie in die zin de arresten van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 49, en 30 april 2025, Genzyński, C‑278/24, EU:C:2025:299, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 De maatregelen die de lidstaten op grond van artikel 205 van de btw-richtlijn kunnen nemen, mogen niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om de rechten van de schatkist te beschermen. Meer bepaald gaan nationale maatregelen die in de praktijk leiden tot de invoering van een systeem van onvoorwaardelijke hoofdelijke aansprakelijkheid verder dan wat nodig is om dit doel te bereiken. Dit is met name het geval wanneer een andere persoon dan degene die tot voldoening van de btw is gehouden, verplicht wordt de door deze laatste verschuldigde btw te betalen zonder zich van deze hoofdelijke aansprakelijkheid te kunnen onttrekken door aan te tonen dat hij niets te maken heeft met de handelingen van die btw-plichtige. Het zou immers kennelijk onevenredig zijn om deze persoon onvoorwaardelijk aan te spreken voor een tekort aan belastinginkomsten dat is veroorzaakt door de handelingen van een derde belastingplichtige waarop hij geen enkele invloed heeft (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij, C‑499/10, EU:C:2011:871, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 Volgens de rechtspraak van het Hof is het daarentegen niet in strijd met het Unierecht om van een andere persoon dan de belastingplichtige te verlangen dat hij alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij belastingfraude (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij, C‑499/10, EU:C:2011:871, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Dat een andere persoon dan de tot voldoening van de btw gehouden persoon te goeder trouw heeft gehandeld door met de zorgvuldigheid van een bedachtzame ondernemer te werk te gaan, alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt en zijn betrokkenheid bij fraude is uitgesloten, zijn derhalve factoren die in aanmerking moeten worden genomen om uit te maken of deze persoon hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de verschuldigde btw (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij, C‑499/10, EU:C:2011:871, punt 26; zie naar analogie ook arrest van 21 februari 2008, Netto Supermarkt, C‑271/06, EU:C:2008:105, punt 25).

55 In die omstandigheden zou het onevenredig zijn om aan een fiscaal vertegenwoordiger die niet is aangewezen als de persoon die gehouden is tot voldoening van de door een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige verschuldigde btw, het verlies aan belastinginkomsten toe te rekenen dat het gevolg is van de handelingen van deze belastingplichtige, zonder dat de nationale administratie of in voorkomend geval de bevoegde rechter heeft kunnen nagaan of die vertegenwoordiger betrokken was bij de economische activiteit van de belastingplichtige, aangezien die betrokkenheid een impact kan hebben op de beoordeling van de maatregelen die hij had kunnen nemen en van de vraag of hij op de hoogte was van de handelingen van de belastingplichtige alsmede, meer algemeen, van zijn goede trouw en zorgvuldigheid.

56 Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een fiscaal vertegenwoordiger die niet is aangewezen als de persoon die gehouden is tot voldoening van de btw die verschuldigd is door een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige maar die voor rekening van een dergelijke belastingplichtige btw-aangifteverplichtingen dient te vervullen, zonder dat hij een boekhouding hoeft te voeren of boekhoudkundige stukken hoeft uit te geven met betrekking tot de door deze btw-plichtige verrichte handelingen, hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de verschuldigde btw, terwijl het noch de belastingdienst noch de bevoegde rechter is toegestaan om na te gaan of hij betrokken was bij de economische activiteit van de belastingplichtige, of hij wist of had moeten weten dat de belasting niet betaald zou worden, en of hij te goeder trouw heeft gehandeld en alle redelijkerwijs vereiste maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de btw-verplichtingen werden nagekomen.

Derde vraag

57 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de omstandigheid dat de handeling waarvoor btw verschuldigd is, verricht is onder het individuele btw-identificatienummer dat aan de belastingplichtige is toegekend door de lidstaat waar hij gevestigd is dan wel onder het nummer dat is toegekend door de lidstaat waar de btw verschuldigd is, bepalend is voor de beantwoording van de eerste en de tweede vraag.

58 Vooraf zij opgemerkt dat elke belastingplichtige overeenkomstig artikel 213 van de btw-richtlijn verplicht is opgave te doen van het begin van zijn activiteiten als belastingplichtige.

59 Teneinde uitvoering te geven aan deze aangifteverplichting bepaalt artikel 214 van de btw-richtlijn dat de belastingplichtigen worden geïdentificeerd voor btw-doeleinden. Daarnaast worden de lidstaten op basis van dit artikel verplicht om de nodige maatregelen te treffen om aan elkeen een individueel btw-identificatienummer toe te kennen.

60 De in artikel 214 van de btw-richtlijn bedoelde identificatie van de belastingplichtigen heeft tot doel de goede werking van het btw-stelsel te waarborgen door het bewijs te leveren van de fiscale status van de belastingplichtigen voor de toepassing van de btw, door de controles te vereenvoudigen om de juiste inning ervan te waarborgen en door het gemakkelijker te maken om te bepalen in welke lidstaat het eindverbruik van de geleverde goederen plaatsvindt (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Ablessio, C‑527/11, EU:C:2013:168, punten 18 en 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 Aangezien elke lidstaat zijn eigen individuele btw-identificatienummers toekent, moet een belastingplichtige die in meer dan één lidstaat actief is in beginsel in elk van die lidstaten zijn geregistreerd.

62 Tegen de achtergrond van deze overwegingen dient de derde vraag van de verwijzende rechter te worden beantwoord.

63 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 204 van de btw-richtlijn het kader vaststelt voor de aanwijzing van een fiscaal vertegenwoordiger als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, door de lidstaten de mogelijkheid te verlenen om een belastingplichtige die niet is gevestigd in de lidstaat waar de btw is verschuldigd, toe te staan om een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen die hem vervangt als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon. Niets wijst erop dat dit artikel niet van toepassing is in situaties waarin aan een dergelijke belastingplichtige een btw-identificatienummer is toegekend door de lidstaat waar de btw verschuldigd is.

64 Met betrekking tot de eerste vraag is in punt 56 hierboven vastgesteld dat artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een onvoorwaardelijke aansprakelijkheid van een fiscaal vertegenwoordiger.

65 Wat in de eerste plaats de invloed van het bij de betrokken verrichting gebruikte individuele btw-identificatienummer voor het antwoord op de eerste vraag betreft, moet worden opgemerkt dat de fiscaal vertegenwoordiger in beginsel niet meer of minder impact op de handelingen van de belastingplichtige heeft naargelang deze laatste het ene dan wel het andere individuele btw-identificatienummer gebruikt, en dit gebruik dus niet rechtvaardigt dat hij hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld zoals in het hoofdgeding het geval is.

66 In het bijzonder kan de omstandigheid dat de handelingen door een belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar de btw verschuldigd is en onder zijn individueel btw-identificatienummer in die lidstaat worden verricht en het feit dat deze handelingen onder het aan de fiscaal vertegenwoordiger toegekende mandaat vallen om btw-aangiften in te dienen en de desbetreffende btw te betalen, in beginsel niet tot gevolg hebben dat deze fiscaal vertegenwoordiger kennis verkrijgt van de praktijken van de belastingplichtige met betrekking tot die belastbare handelingen.

67 Wat in de tweede plaats de invloed van het bij de betrokken verrichting gebruikte individuele btw-identificatienummer voor het antwoord op de tweede vraag betreft, volstaat het eraan te herinneren dat artikel 204, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn preciseert dat wanneer de lidstaten bepalen dat de belastingplichtige een fiscaal vertegenwoordiger kan aanwijzen die in zijn plaats treedt als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, de fiscaal vertegenwoordiger kan worden aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de situaties die verband houden met de artikelen 193 tot en met 197 en de artikelen 199 en 200 van deze richtlijn. Het is dus niet het gebruik van een individueel btw-identificatienummer maar het feit dat het om een van deze situaties gaat dat bepaalt of de fiscaal vertegenwoordiger tot voldoening van de belasting kan worden gehouden.

68 Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat de omstandigheid dat de handeling waarvoor btw verschuldigd is, verricht is onder het individuele btw-identificatienummer dat aan de belastingplichtige is toegekend door de lidstaat waar hij gevestigd is dan wel onder het nummer dat is toegekend door de lidstaat waar de btw verschuldigd is, niet bepalend kan zijn voor de beantwoording van de eerste en de tweede vraag.

Vierde vraag

69 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 204, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een persoon zowel als de tot voldoening van de btw gehouden persoon kan worden aangemerkt als hoofdelijk aansprakelijk kan zijn voor de betaling van de btw.

70 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 204, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt dat de btw-schuld van de btw-plichtige opeisbaar is bij de persoon die wordt aangewezen tot voldoening van de belasting en dat artikel 205 van deze richtlijn voorziet in een hoofdelijke verplichting tot betaling van de btw die verband houdt met een schuld van een ander.

71 Artikel 205 van de btw-richtlijn preciseert niet welke personen de lidstaten als hoofdelijk aansprakelijke personen kunnen aanwijzen en maakt evenmin een onderscheid naargelang de tot voldoening van de belasting gehouden persoon al dan niet de belastingplichtige is. Het geeft enkel aan dat de aansprakelijkheid alleen bij een andere persoon dan de tot voldoening van de belasting gehouden persoon kan berusten.

72 Hieruit volgt dat de fiscaal vertegenwoordiger die overeenkomstig artikel 204 van de btw-richtlijn is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de btw-schuld van de belastingplichtige die hij vertegenwoordigt, aangezien artikel 205 van deze richtlijn bepaalt dat de hoofdelijk aansprakelijke persoon niet de tot voldoening van de btw gehouden persoon kan zijn.

73 Bijgevolg moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 204, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die krachtens artikel 204 als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon is aangewezen, niet tevens hoofdelijk aansprakelijk kan zijn op grond van artikel 205 van deze richtlijn.

Kosten

74 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

verklaart voor recht:

1) Artikel 204 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019,

moet aldus worden uitgelegd dat

het er zich niet tegen verzet dat een fiscaal vertegenwoordiger van een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige wordt beschouwd als een tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de zin van die bepaling, ook al is deze fiscaal vertegenwoordiger niet betrokken bij de door de belastingplichtige verrichte belastbare handelingen, en voor zover hij door deze laatste als zodanig is aangewezen.

2) Artikel 205 van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1995, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel,

moet aldus worden uitgelegd dat

het eraan in de weg staat dat een fiscaal vertegenwoordiger die niet is aangewezen als de persoon die gehouden is tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die verschuldigd is door een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige maar die voor rekening van een dergelijke belastingplichtige btw-aangifteverplichtingen dient te vervullen, zonder dat hij een boekhouding hoeft te voeren of boekhoudkundige stukken hoeft uit te geven met betrekking tot de door deze btw-plichtige verrichte handelingen, hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de verschuldigde btw, terwijl het noch de belastingdienst noch de bevoegde rechter is toegestaan om na te gaan of hij betrokken was bij de economische activiteit van de belastingplichtige, of hij wist of had moeten weten dat de belasting niet betaald zou worden, en of hij te goeder trouw heeft gehandeld en alle redelijkerwijs vereiste maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de btw-verplichtingen werden nagekomen.

3) De omstandigheid dat de handeling waarvoor btw verschuldigd is, verricht is onder het individuele btw-identificatienummer dat aan de belastingplichtige is toegekend door de lidstaat waar hij gevestigd is dan wel onder het nummer dat is toegekend door de lidstaat waar de btw verschuldigd is, kan niet bepalend zijn voor de in de punten 1 en 2 van het onderhavige dictum verstrekte antwoorden.

4) Artikel 205 van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1995, gelezen in het licht van artikel 204, lid 1, van deze richtlijn,

moet aldus worden uitgelegd dat

een persoon die krachtens artikel 204 als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon is aangewezen, niet tevens hoofdelijk aansprakelijk kan zijn op grond van artikel 205 van deze richtlijn.

Papasavvas

Sampol Pucurull

Pynnä

Laitenberger

Stancu

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 juli 2026.

ondertekeningen

* Procestaal: Grieks.

i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

ECLI:EU:T:2026:446

C/2025/4181

4.8.2025

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis (Griekenland) op 8 mei 2025 – AY tegen Anexartiti Archi Dimosion Esodon

(Zaak T-356/25, Rapera (1) )

(C/2025/4181)

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: AY

Verweerder: Anexartiti Archi Dimosion Esodon

Prejudiciële vragen

1)

Moeten artikel 205 van richtlijn 2006/112 (2) en het evenredigheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling als artikel 55, onder d), van wet [nr.] 2859/2000, op grond waarvan een persoon hoofdelijk aansprakelijk is voor voldoening van de btw [ongeacht of die persoon in de nationale regeling fiscaal “vertegenwoordiger” (“αντιπρόσωπος”: “antiprósopos”) dan wel “gemachtigde” (“εκπρόσωπος”: “ekprósopos”) wordt genoemd] terwijl hij niet verplicht is om een boekhouding bij te houden of om documenten af te geven met betrekking tot handelingen die zijn verricht door de in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige principaal, maar enkel de desbetreffende btw-aangiften indient, indien die nationale bepaling de belastingautoriteit, en bijgevolg ook de bevoegde rechter, niet toestaat te onderzoeken of die persoon: i) betrokken is geweest bij de economische activiteit van de belastingplichtige; ii) wist of had moeten weten dat de belasting met betrekking tot die handeling, of een eerdere of latere handeling, niet zou worden betaald; en iii) te goeder trouw heeft gehandeld en binnen de grenzen van zijn bevoegdheid alle redelijke maatregelen heeft genomen;

2)

Kan op grond van artikel 204 van richtlijn 2006/112 de fiscaal vertegenwoordiger van een in een andere lidstaat gevestigde btw-plichtige aansprakelijk worden gesteld als tot voldoening van de belasting gehouden persoon indien hij niet deelneemt aan de activiteit van de btw-plichtige? En verzet die bepaling zich tegen een nationale regeling als die van artikel 35, lid 1, onder c), van wet [nr.] 2859/2000 volgens welke de fiscaal vertegenwoordiger automatisch als tot voldoening van de belasting gehouden persoon wordt beschouwd, zonder dat de belastingautoriteit, en bijgevolg ook de bevoegde rechter, de mogelijkheid heeft om te onderzoeken of die persoon bij de economische activiteit van de belastingplichtige betrokken is;

3)

Verschilt het antwoord op de vorige vragen naargelang de transactie waarvoor btw verschuldigd is, is verricht onder het fiscaal identificatienummer (btw-nummer) van de lidstaat waarin de belastingplichtige is gevestigd dan wel het btw-nummer van de lidstaat waar de belasting verschuldigd is;

4)

Moeten artikel 204, lid 1, en artikel 205 van richtlijn 2006/112 aldus worden uitgelegd dat een persoon gelijktijdig aansprakelijk kan zijn op grond van beide bepalingen, dat wil zeggen, als tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de zin van artikel 204, lid 1, en als hoofdelijk verplichte persoon in de zin van artikel 205.

(1) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).

Scroll naar boven